Lucas 3
Johannes de Doper, de doop van Yeshua en Zijn afstamming
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het optreden van Johannes de Doper
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.
Zie Iturea (ligging ongeveer): Iturea was een gebied ten noordoosten van Galilea, rond de Hermon en de Golanhoogte.
De grenzen zijn niet scherp; dit punt is bij benadering.
Zie Trachonitis (ligging ongeveer): Trachonitis was het vulkanische gebied ten zuidoosten van Damascus (de Leja), in het zuiden van het huidige Syrië.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Abilene (ligging ongeveer): Abilene was een gebied rond Abila, in het dal van de Barada, ten noordwesten van Damascus.
De grenzen zijn bij benadering.
ἡγεμονία (hegemonia), ‘regering’, en ἡγεμονεύω (hegemoneuo), ‘stadhouder zijn’: zoals in 2:2. τετρααρχέω (tetraarcheo), ‘viervorst zijn’: heerser over een deel van een gebied, letterlijk een vierde deel (vergelijk Matt. 14:1).
Tiberius volgde Augustus op (2:1).
Het vijftiende jaar van zijn regering is ongeveer het jaar 28 of 29 van onze jaartelling.
Herodes is Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit Matt. 2:1.
Iturea, Trachonitis en Abilene zijn gebieden ten noorden en oosten van Galilea.
Zie ook Matt. 14:1.
ἀρχιερεύς (archiereus), ‘hogepriester’: het Grieks heeft één enkelvoud, maar noemt twee namen.
Annas was eerder hogepriester geweest en Kajafas was het in die tijd; vergelijk Joh. 18:13. ἐγένετο ῥῆμα θεοῦ (egeneto rhema theou), ‘het woord van Elohim kwam’: zo vertelt het Oude Testament vaak dat het woord van Yahweh tot een profeet kwam, bijvoorbeeld Jes. 38:4.
Zacharia is de vader van Johannes (1:5, 1:13).
Zie ook Matt. 3:1; Mark. 1:4.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
μετάνοια (metanoia), ‘bekering’, van μετανοέω (metanoeo): van denken veranderen.
Het gaat om een andere richting in denken en leven, een terugkeer tot Elohim, zoals het Hebreeuwse שׁוּב (shuv), ‘zich omkeren’.
βάπτισμα μετανοίας εἰς ἄφεσιν ἁμαρτιῶν (baptisma metanoias eis afesin hamartion), ‘doop van bekering tot vergeving van zonden’: dezelfde woorden als in Mark. 1:4. περίχωρος (perichoros), ‘omgeving’: het land rond de Jordaan.
Zie ook Mark. 1:4.
Lucas citeert Jes. 40:3–5 in de Griekse tekst van zijn evangelie.
In het Hebreeuws hoort ‘in de woestijn’ bij ‘maak gereed’: ‘In de woestijn: maak de weg van Yahweh gereed’.
Het Grieks zet het bij de roepende stem, zoals ook Matt. 3:3 en Mark. 1:3.
Matteüs en Markus geven alleen vers 3 uit Jesaja; Lucas gaat door tot en met vers 5. κυρίου (kyriou), ‘van Yahweh’: het Hebreeuws heeft de Naam יְהוָה (Yahweh).
Zie ook Matt. 3:3; Mark. 1:3; Joh. 1:23; Jes. 40:3.
Jes. 40:4 zegt: ‘Elk dal wordt verhoogd, en elke berg en heuvel wordt verlaagd.
Wat oneffen is, wordt vlak land.’
Lucas schrijft ‘gevuld worden’ (πληρόω, pleroo) waar het Hebreeuws ‘verhoogd worden’ heeft.
De boodschap is dat alle hindernissen voor de komst van Yahweh worden weggenomen.
Zie ook Jes. 40:4.
Het Hebreeuws van Jes. 40:5 zegt: ‘De heerlijkheid van Yahweh wordt geopenbaard, en al het vlees ziet het samen.’
De Griekse tekst heeft ‘de redding van Elohim’ (σωτήριον, soterion); dat is ook het woord uit 2:30. σάρξ (sarx), ‘vlees’: alle mensen.
Zie ook Jes. 40:5; Luc. 2:30.
De prediking van Johannes
γεννήματα ἐχιδνῶν (gennemata echidnon), ‘nageslacht van adders’: zoals in Matt. 3:7.
Bij Matteüs spreekt Johannes tegen de Farizeeën en Sadduceeën; Lucas noemt de menigten. ὀργή (orge), ‘toorn’: het oordeel van Elohim.
Tot en met vers 9 volgen de woorden die ook Matt. 3:7–10 heeft.
Zie ook Matt. 3:7–10.
καρπός (karpos), ‘vrucht’: wat uit de bekering voortkomt, het leven dat bij de bekering past.
Het is niet genoeg om Abraham tot vader te hebben.
Zie ook Matt. 3:9.
Wat moeten wij doen?
χιτών (chiton), ‘hemd’: het kledingstuk dat onder de mantel gedragen werd; zoals in Matt. 10:10. μεταδίδωμι (metadidomi), ‘delen’.
Dit en de volgende antwoorden staan alleen bij Lucas.
τελώνης (telones), ‘tollenaar’: iemand die voor de Romeinen belasting inde en daarbij vaak te veel vroeg. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’: ook zo vertaald in Mark. 10:17.
διατάσσω (diatasso), ‘voorschrijven’: wat is vastgesteld, dat wil zeggen het bedrag dat de tollenaars moesten innen.
Wij vertalen letterlijk: ‘niets meer dan wat jullie is voorgeschreven’.
στρατεύομαι (strateuomai), ‘soldaat zijn’: het Grieks zegt letterlijk ‘dienstdoenden in het leger’. διασείω (diaseio), ‘afpersen’: letterlijk ‘schudden’, hier geld aftroggelen met dwang. συκοφαντέω (sykofanteo), ‘ten onrechte beschuldigen’. ὀψώνιον (opsonion), ‘soldij’: het loon van een soldaat.
Johannes en de Sterkere
προσδοκάω (prosdokao), ‘verwachten’: het volk verwachtte de Messias. διαλογίζομαι (dialogizomai), ‘overleggen’: zij overlegden bij zichzelf.
Vergelijk Joh. 1:19–20, waar Johannes zegt dat hij de Messias niet is.
Zie ook Joh. 1:19–20.
ἰσχυρότερος (ischyroteros), ‘sterker’. ἱμάς (himas), ‘riem’: het bindband van een sandaal; het losmaken ervan was een dienst voor een ander.
De woorden zijn gelijk aan Mark. 1:7–8; Matteüs heeft in Matt. 3:11 een ander werkwoord (‘dragen’). βαπτίσει ἐν πνεύματι ἁγίῳ καὶ πυρί (baptisei en pneumati hagio kai pyri), ‘zal dopen met de Heilige Geest en vuur’: zoals in Matt. 3:11.
Zie ook Matt. 3:11–12; Mark. 1:7–8; Joh. 1:26–27.
πτύον (ptyon), ‘wan’: een soort vork waarmee het graan na het dorsen omhoog gegooid werd; de wind blies het kaf weg. ἅλων (halon), ‘dorsvloer’; ἄχυρον (achyron), ‘kaf’. ἄσβεστος (asbestos), ‘onuitblusbaar’: vuur dat niet uitgaat.
Zie ook Matt. 3:12.
παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vermanen’ of ‘bemoedigen’. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: zie 1:19.
Johannes in de gevangenis
ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’: zoals in Matt. 18:15.
Herodias was de vrouw van de broer van Herodes (Matt. 14:3; Mark. 6:17).
Lucas vertelt hier de gevangenneming alvast, vóór de doop van Yeshua; de volgorde in de tijd is dus anders dan de volgorde in het verhaal.
Zie ook Matt. 14:3–4; Mark. 6:17–18.
De doop van Yeshua
Lucas noemt dat Yeshua bad terwijl de hemel openging.
Hij wordt gedoopt zonder dat Johannes genoemd wordt. ἀνοίγω (anoigo), ‘openen’: het Grieks zegt ‘de hemel werd geopend’.
Zie ook Matt. 3:13–17; Mark. 1:9–11.
σωματικῷ εἴδει (somatiko eidei), ‘in lichamelijke gedaante’: de Geest was zichtbaar als een duif.
De stem spreekt Yeshua rechtstreeks aan (‘U’), zoals in Mark. 1:11; in Matt. 3:17 spreekt de stem over Hem.
De woorden doen denken aan Ps. 2:7 en Jes. 42:1.
Sommige handschriften hebben hier de woorden uit Ps. 2:7: ‘Mijn Zoon ben U, Ik heb U vandaag verwekt’.
De SBLGNT heeft de gewone lezing; wij vertalen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 3:16–17; Mark. 1:10–11; Joh. 1:32; Ps. 2:7; Jes. 42:1.
De afstamming van Yeshua
ἀρχόμενος (archomenos), ‘beginnend’: het Grieks zegt niet waarmee Yeshua begon; wij vertalen ‘toen Yeshua begon’.
Het bedoelt Zijn optreden. ὡσεὶ ἐτῶν τριάκοντα (hosei eton triakonta), ‘ongeveer dertig jaar’. ὡς ἐνομίζετο (hos enomizeto), ‘zoals men meende’: Jozef gold als Zijn vader.
In de afstamming betekent ‘van’ (τοῦ, tou) telkens ‘zoon van’; het Grieks laat het woord ‘zoon’ weg.
Deze lijst gaat achteruit van Yeshua naar Elohim.
Zie ook Matt. 1:1–17.
Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’: dezelfde naam als Jozua (Hebreeuws Yehoshua).
Dit is een voorvader met dezelfde naam, niet de Yeshua van wie dit evangelie vertelt.
Deze lijn loopt van David via Natan (Nathan) naar Yeshua.
Matt. 1:6 loopt via Salomo.
De twee lijsten verschillen; wij vertalen wat er staat.
Zie ook Matt. 1:6; 2 Sam. 5:14.
De namen van Isaï tot Juda (verzen 32–33) komen ook voor in Matt. 1:3–6 en in 1 Kron. 2:1–15. Βόος (Boos) is Boaz, Σαλά (Sala) is Salmon, Ἰωβήλ (Iobed) is Obed, Ναασσών (Naasson) is Nachsjon.
Zie ook Matt. 1:3–6; 1 Kron. 2:9–15.
Ἑσρώμ (Hesrom) is Chezron en Φαρές (Phares) is Peres, zoals in Matt. 1:3. Ἀδμίν (Admin) en Ἀρνί (Arni) staan niet in Matt. 1:3–4.
De lijsten verschillen hier; wij vertalen wat er staat.
Zie ook Matt. 1:3; 1 Kron. 2:9–10.
Θάρα (Thara) is Terach en Ναχώρ (Nachor) is Nachor (Gen. 11:24–26).
Zie ook Gen. 11:24–26; 1 Kron. 1:26–28.
Καϊνάμ (Kainam), ‘Kenan’: tussen Arpachsad en Selach staat in sommige oude vertalingen van Gen. 11:12–13 een Kenan; in het Hebreeuws van Gen. 11:12 en 1 Kron. 1:18 ontbreekt hij.
Lucas heeft hem wel in zijn lijst.
In vers 37 staat een andere Kenan (Gen. 5:9).
Zie ook Gen. 11:12–13; 1 Kron. 1:17–18.
Ἀδάμ (Adam) en θεοῦ (theou), ‘van Elohim’: Adam is ‘zoon van Elohim’ omdat hij door Elohim geschapen is (Gen. 1:27; 2:7).
De lijst begint bij Yeshua en eindigt bij Elohim.
Het woord ‘zoon’ moet erbij gedacht worden (zie vers 23); wij laten het weg zoals het Grieks.
Zie ook Gen. 5:1–32; Gen. 1:27; 1 Kron. 1:1–4.