Elohim Bijbel

1 Samuël 20

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David en Jonatan: de pijlen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David vraagt Jonatan om hulp

1David vluchtte uit Najot in Rama. Hij kwam bij Jonatan en zei: „Wat heb ik gedaan? Wat is mijn schuld? Wat is mijn zonde tegenover je vader, dat hij mijn leven zoekt?”
וַיִּבְרַ֣ח
(vayivrach)
en hij vluchtte
דָּוִ֔ד
(david)
David
מִנָּי֖וֹת
(minayot)
uit Najot
בָּרָמָ֑ה
(barama)
in Rama
וַיָּבֹ֞א
(vayavo)
en hij kwam
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוֹנָתָ֗ן
(yehonatan)
Jonatan
מֶ֤ה
(me)
wat
עָשִׂ֨יתִי֙
(asiti)
heb ik gedaan
מֶֽה
(me)
wat
עֲוֺנִ֤י
(avoni)
mijn schuld
וּמֶֽה
(ume)
en wat
חַטָּאתִי֙
(chatati)
mijn zonde
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
כִּ֥י
(ki)
dat
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
hij zoekt
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat מנוות (minnavot).

De voorgelezen tekst heeft מִנָּיוֹת (minnayot), ‘uit Najot’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

Zie 1 Sam. 19:18.

2Jonatan zei tegen hem: „Nooit! Je zult niet sterven. Zie, mijn vader doet niets, groot of klein, zonder het mij te zeggen. Waarom zou mijn vader dit voor mij verbergen? Het is niet zo.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
חָלִילָה֮
(chalila)
nooit
לֹ֣א
(lo)
niet
תָמוּת֒
(tamut)
je zult sterven
הִנֵּ֡ה
(hine)
zie
לו
(lo)
(geschreven lu, niet voorgelezen)
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲשֶׂ֨ה
(yaase)
doet
אָבִ֜י
(avi)
mijn vader
דָּבָ֣ר
(davar)
zaak
גָּד֗וֹל
(gadol)
groot
א֚וֹ
(o)
of
דָּבָ֣ר
(davar)
zaak
קָטֹ֔ן
(qaton)
klein
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִגְלֶ֖ה
(yigle)
hij onthult
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנִ֑י
(azeni)
mijn oor
וּמַדּוּעַ֩
(umadua)
en waarom
יַסְתִּ֨יר
(yastir)
zou hij verbergen
אָבִ֥י
(avi)
mijn vader
מִמֶּ֛נִּי
(mimeni)
voor mij
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֵ֥ין
(ein)
niet
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘zonder mijn oor te openen’: zonder het mij te zeggen.

Lezing

Het geschreven Hebreeuws heeft hier nog een klein woord (לו), dat niet wordt voorgelezen.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

3David zwoer nog eens en zei: „Je vader weet goed dat ik gunst in je ogen heb gevonden. Hij heeft gezegd: ‘Jonatan mag dit niet weten, anders heeft hij verdriet.’ Maar zo waar Yahweh leeft en zo waar jij leeft: er is maar één stap tussen mij en de dood.”
וַיִּשָּׁבַ֨ע
(vayishava)
en hij zwoer
ע֜וֹד
(od)
nog
דָּוִ֗ד
(david)
David
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
יָדֹ֨עַ
(yadoa)
weet
יָדַ֜ע
(yada)
hij weet
אָבִ֗יךָ
(avikha)
je vader
כִּֽי
(ki)
dat
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
יֵֽדַע
(yeda)
mag weten
זֹ֥את
(zot)
dit
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
פֶּן
(pen)
anders
יֵֽעָצֵ֑ב
(yeatsev)
heeft hij verdriet
וְאוּלָ֗ם
(veulam)
en toch
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵ֣י
(vechei)
en zo waar leeft
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
je ziel
כִּ֣י
(ki)
dat
כְפֶ֔שַׂע
(kefesa)
als een stap
בֵּינִ֖י
(beini)
tussen mij
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הַמָּֽוֶת
(hamavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּפֶשַׁע (kefesha), ‘als een stap’: het woord is zeldzaam.

Het gaat om de kleine afstand tussen David en de dood.

4Jonatan zei tegen David: „Wat je ook wilt, ik zal het voor je doen.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
מַה
(ma)
wat
תֹּאמַ֥ר
(tomar)
je zegt
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
je ziel
וְאֶֽעֱשֶׂה
(veeese)
en ik zal doen
לָּֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘wat je ziel zegt’: wat je ook wilt.

Het plan voor de nieuwe maan

5David zei tegen Jonatan: „Zie, morgen is het nieuwe maan. Dan moet ik met de koning aan tafel zitten om te eten. Laat mij gaan. Dan verberg ik mij in het veld tot de derde avond.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יְהוֹנָתָ֗ן
(yehonatan)
Jonatan
הִֽנֵּה
(hine)
zie
חֹ֨דֶשׁ֙
(chodesh)
nieuwe maan
מָחָ֔ר
(machar)
morgen
וְאָנֹכִ֛י
(veanokhi)
en ik
יָשֹׁב
(yashov)
zittend
אֵשֵׁ֥ב
(eshev)
ik zal zitten
עִם
(im)
met
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֶאֱכ֑וֹל
(leekhol)
om te eten
וְשִׁלַּחְתַּ֨נִי֙
(veshilachtani)
en je zult mij laten gaan
וְנִסְתַּרְתִּ֣י
(venistarti)
en ik zal mij verbergen
בַשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
עַ֖ד
(ad)
tot
הָעֶ֥רֶב
(haerev)
de avond
הַשְּׁלִשִֽׁית
(hashelishit)
de derde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’: de eerste dag van de maand.

Er werden dan offers gebracht (Num. 10:10; Num. 28:11–15) en er was een maaltijd.

De ‘derde avond’ is de avond van de derde dag, geteld vanaf de nieuwe maan.

6Als je vader mij mist, zeg dan: ‘David heeft dringend aan mij gevraagd naar zijn stad Betlehem te mogen rennen. Want daar is het jaarlijkse slachtoffer voor heel de familie.’
אִם
(im)
als
פָּקֹ֥ד
(paqod)
vermissen
יִפְקְדֵ֖נִי
(yifqedeni)
hij mist mij
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
dan zul je zeggen
נִשְׁאֹל֩
(nishol)
dringend gevraagd
נִשְׁאַ֨ל
(nishal)
hij heeft gevraagd
מִמֶּ֤נִּי
(mimeni)
van mij
דָוִד֙
(david)
David
לָרוּץ֙
(laruts)
om te rennen
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֣חֶם
(lechem)
Lechem
עִיר֔וֹ
(iro)
zijn stad
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֧בַח
(zevach)
slachtoffer van
הַיָּמִ֛ים
(hayamim)
de dagen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לְכָל
(lekhal)
voor heel
הַמִּשְׁפָּחָֽה
(hamishpacha)
de familie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem is het huidige Bethlehem (Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

זֶבַח הַיָּמִים (zevach hayamim), ‘het slachtoffer van de dagen’: het jaarlijkse slachtoffer van de familie, zoals in 1 Sam. 1:21.

7Als hij zegt: ‘Goed’, dan is het vrede voor je dienaar. Maar als hij hevig in woede ontsteekt, weet dan dat het kwaad bij hem vaststaat.
אִם
(im)
als
כֹּ֥ה
(ko)
zo
יֹאמַ֛ר
(yomar)
hij zegt
ט֖וֹב
(tov)
goed
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
לְעַבְדֶּ֑ךָ
(leavdekha)
voor je dienaar
וְאִם
(veim)
en als
חָרֹ֤ה
(charo)
hij ontsteekt
יֶֽחֱרֶה֙
(yechere)
hij ontsteekt
ל֔וֹ
(lo)
in hem
דַּ֕ע
(da)
weet
כִּֽי
(ki)
dat
כָלְתָ֥ה
(kaleta)
is vastgesteld
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
מֵעִמּֽוֹ
(meimo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּלְתָה הָרָעָה (kaltah hara'ah), letterlijk ‘het kwaad is voltooid’: het staat vast en is besloten.

Zo ook in vers 9 en 33.

8Bewijs dan trouw aan je dienaar. Want je hebt je dienaar met jou in het verbond van Yahweh gebracht. Maar als er schuld in mij is, dood mij dan zelf. Waarom zou je mij naar je vader brengen?”
וְעָשִׂ֤יתָ
(veasita)
en je zult doen
חֶ֨סֶד֙
(chesed)
trouw
עַל
(al)
aan
עַבְדֶּ֔ךָ
(avdekha)
je dienaar
כִּ֚י
(ki)
want
בִּבְרִ֣ית
(bivrit)
in het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵבֵ֥אתָ
(heveta)
heb je gebracht
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
je dienaar
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
וְאִם
(veim)
en als
יֶשׁ
(yesh)
er is
בִּ֤י
(bi)
in mij
עָוֺן֙
(avon)
schuld
הֲמִיתֵ֣נִי
(hamiteni)
dood mij
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְעַד
(vead)
en tot
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֥ה
(ze)
dit
תְבִיאֵֽנִי
(tevieni)
zou je mij brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

De verbondstrouw tussen Jonatan en David werd gesloten in 1 Sam. 18:3.

9Jonatan zei: „Nooit! Als ik zeker weet dat het kwaad bij mijn vader vaststaat om over jou te komen, zou ik het je dan niet vertellen?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
חָלִ֣ילָה
(chalila)
nooit
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
als
יָדֹ֣עַ
(yadoa)
weten
אֵדַ֗ע
(eda)
ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
כָלְתָ֨ה
(kaleta)
is vastgesteld
הָרָעָ֜ה
(haraa)
het kwaad
מֵעִ֤ם
(meim)
van
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over je
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֹתָ֖הּ
(otah)
jij
אַגִּ֥יד
(agid)
zou ik vertellen
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10David zei tegen Jonatan: „Wie zal het mij vertellen? Of wat als je vader je hard antwoordt?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
מִ֖י
(mi)
wie
יַגִּ֣יד
(yagid)
zal vertellen
לִ֑י
(li)
mij
א֛וֹ
(o)
of
מַה
(ma)
wat
יַּעַנְךָ֥
(yaankha)
zal antwoorden
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
קָשָֽׁה
(qasha)
hard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Jonatan zei tegen David: „Kom, laten wij het veld in gaan.” Zij gingen samen het veld in.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
לְכָ֖ה
(lekha)
kom
וְנֵצֵ֣א
(venetse)
en laten wij uitgaan
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld in
וַיֵּצְא֥וּ
(vayetseu)
en ze gingen uit
שְׁנֵיהֶ֖ם
(sheneihem)
allebei
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Jonatans eed en het verbond

12Jonatan zei tegen David: „Bij Yahweh, de Elohim van Israël! Als ik morgen om deze tijd, of op de derde dag, mijn vader heb gepeild en zie: het is goed voor David, en ik stuur dan niet naar je om het je te laten horen,
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹנָתָ֜ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
wanneer
אֶחְקֹ֣ר
(echqor)
ik zal peilen
אֶת
(et)
(obj.)
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
כָּעֵ֤ת
(kaet)
als dit moment
מָחָר֙
(machar)
morgen
הַשְּׁלִשִׁ֔ית
(hashelishit)
de derde
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ט֖וֹב
(tov)
goed
אֶל
(el)
voor
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָז֙
(az)
dan
אֶשְׁלַ֣ח
(eshlach)
ik stuur
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
וְגָלִ֖יתִי
(vegaliti)
en ik laat horen
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנֶֽךָ
(azenekha)
je oor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in de eerste regel geen werkwoord: ‘Yahweh, Elohim van Israël’ is een eedformule.

Wij vertalen ‘Bij Yahweh, de Elohim van Israël’.

כְּעֵת מָחָר הַשְּׁלִשִׁית (ke'et machar hashelishit), ‘om deze tijd morgen, de derde’. Wij nemen: morgen om deze tijd, of op de derde dag.

Lezing

De zin loopt door tot vers 13 en is moeilijk.

Wij volgen de Masoretische tekst.

13dan moge Yahweh Jonatan zo doen, en zo nog meer toevoegen. Als mijn vader het goed vindt om kwaad over jou te brengen, dan laat ik het je horen. Ik stuur je weg, en je gaat in vrede. Yahweh zij met je, zoals Hij met mijn vader is geweest.
כֹּֽה
(ko)
zo
יַעֲשֶׂה֩
(yaase)
moge doen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לִֽיהוֹנָתָ֜ן
(lihonatan)
aan Jonatan
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יֹסִ֗יף
(yosif)
moge toevoegen
כִּֽי
(ki)
als
יֵיטִ֨ב
(yeitiv)
het goed is
אֶל
(el)
voor
אָבִ֤י
(avi)
mijn vader
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽרָעָה֙
(haraa)
het kwaad
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over je
וְגָלִ֨יתִי֙
(vegaliti)
en ik laat horen
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנֶ֔ךָ
(azenekha)
je oor
וְשִׁלַּחְתִּ֖יךָ
(veshilachtikha)
en ik stuur je weg
וְהָלַכְתָּ֣
(vehalakhta)
en je gaat
לְשָׁל֑וֹם
(leshalom)
in vrede
וִיהִ֤י
(vihi)
en moge zijn
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָיָ֖ה
(haya)
Hij was
עִם
(im)
met
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zo moge Yahweh doen en zo nog meer toevoegen’ is een eedformule, zoals in Ruth 1:17.

14En als ik nog leef, bewijs mij dan de trouw van Yahweh, zodat ik niet sterf.
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
אִם
(im)
als
עוֹדֶ֣נִּי
(odeni)
nog ik
חָ֑י
(chay)
levend
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַעֲשֶׂ֧ה
(taase)
zul je doen
עִמָּדִ֛י
(imadi)
met mij
חֶ֥סֶד
(chesed)
trouw van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָמֽוּת
(amut)
ik sterf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד יהוה (chesed Yahweh), ‘de trouw van Yahweh’: de trouw die Yahweh zelf toont en waarmee Jonatan David vraagt trouw te zijn.

Lezing

Het Hebreeuws van vers 14–15 is moeilijk.

Het woord ‘niet’ (ולא) staat er meermalen, en de zinsbouw is onduidelijk.

Wij volgen de zin: David vraagt trouw voor zichzelf en voor het huis van Jonatan.

15En neem je trouw nooit weg van mijn huis, ook niet wanneer Yahweh de vijanden van David allemaal van de grond heeft weggenomen.”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַכְרִ֧ת
(takhrit)
zul je afsnijden
אֶֽת
(et)
(obj.)
חַסְדְּךָ֛
(chasdekha)
je trouw
מֵעִ֥ם
(meim)
van bij
בֵּיתִ֖י
(beiti)
mijn huis
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
וְלֹ֗א
(velo)
en niet
בְּהַכְרִ֤ת
(behakhrit)
bij het afsnijden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֵ֣י
(oyevei)
de vijanden van
דָוִ֔ד
(david)
David
אִ֕ישׁ
(ish)
elk man
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zo sloot Jonatan een verbond met het huis van David. Yahweh zal het opeisen uit de hand van de vijanden van David.
וַיִּכְרֹ֥ת
(vayikhrot)
en hij sloot
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
עִם
(im)
met
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וּבִקֵּ֣שׁ
(uviqesh)
en zal opeisen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
אֹיְבֵ֥י
(oyevei)
de vijanden van
דָוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit verbond bewaakt ook het huis van Jonatan.

David houdt het later, zie 2 Sam. 9:1–7.

17Jonatan liet David nog een keer zweren, vanwege zijn liefde voor hem. Want hij had hem lief zoals hij zijn eigen ziel liefhad.
וַיּ֤וֹסֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
לְהַשְׁבִּ֣יעַ
(lehashbia)
om te laten zweren
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔ד
(david)
David
בְּאַהֲבָת֖וֹ
(beahavato)
in zijn liefde
אֹת֑וֹ
(oto)
voor hem
כִּֽי
(ki)
want
אַהֲבַ֥ת
(ahavat)
liefde van
נַפְשׁ֖וֹ
(nafsho)
zijn ziel
אֲהֵבֽוֹ
(ahevo)
hij had hem lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Jonatan zei tegen hem: „Morgen is het nieuwe maan. Men zal je missen, want je zitplaats zal leeg zijn.
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
מָחָ֣ר
(machar)
morgen
חֹ֑דֶשׁ
(chodesh)
nieuwe maan
וְנִפְקַ֕דְתָּ
(venifqadta)
en je zult gemist worden
כִּ֥י
(ki)
want
יִפָּקֵ֖ד
(yipaqed)
zal leeg zijn
מוֹשָׁבֶֽךָ
(moshavekha)
je zitplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Op de derde dag moet je snel afdalen. Ga naar de plaats waar je je had verborgen op de dag dat het gebeurde. Blijf bij de steen Ezel.
וְשִׁלַּשְׁתָּ֙
(veshilashta)
en op de derde dag
תֵּרֵ֣ד
(tered)
zul je afdalen
מְאֹ֔ד
(meod)
snel
וּבָאתָ֙
(uvata)
en je zult komen
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
נִסְתַּ֥רְתָּ
(nistarta)
je was verborgen
שָּׁ֖ם
(sham)
daar
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַֽמַּעֲשֶׂ֑ה
(hamaase)
de zaak
וְיָ֣שַׁבְתָּ֔
(veyashavta)
en je zult blijven
אֵ֖צֶל
(etsel)
bij
הָאֶ֥בֶן
(haeven)
de steen
הָאָֽזֶל
(haazel)
Ezel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּיוֹם הַמַּעֲשֶׂה (beyom hamma'aseh), ‘op de dag van de zaak’: de dag dat het gebeurde.

Waarschijnlijk de eerdere keer dat David zich verborg (1 Sam. 19:2–3).

Het is niet zeker.

הָאָזֶל (ha'azel), ‘de steen Ezel’: de betekenis van het woord is onzeker. Het kan een plaatsnaam zijn, of ‘steen van het vertrek’. Wij laten de naam staan.

20Ik schiet drie pijlen naar de zijkant, alsof ik op een doel schiet.
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַחִצִּ֖ים
(hachitsim)
de pijlen
צִדָּ֣ה
(tsida)
naar de zijkant
אוֹרֶ֑ה
(ore)
ik zal schieten
לְשַֽׁלַּֽח
(leshalach)
om te zenden
לִ֖י
(li)
voor mij
לְמַטָּרָֽה
(lematara)
naar een doel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Dan stuur ik de jongen en zeg: ‘Ga, zoek de pijlen.’ Als ik tegen de jongen zeg: ‘Zie, de pijlen liggen aan deze kant van je, haal ze’, kom dan. Want het is vrede voor je en er is niets aan de hand, zo waar Yahweh leeft.
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
אֶשְׁלַ֣ח
(eshlach)
ik zal zenden
אֶת
(et)
(obj.)
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
לֵ֖ךְ
(lekh)
ga
מְצָ֣א
(metsa)
zoek
אֶת
(et)
(obj.)
הַחִצִּ֑ים
(hachitsim)
de pijlen
אִם
(im)
als
אָמֹר֩
(amor)
ik zeg
אֹמַ֨ר
(omar)
ik zeg
לַנַּ֜עַר
(lanaar)
tegen de jongen
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הַחִצִּ֣ים
(hachitsim)
de pijlen
מִמְּךָ֣
(mimekha)
van je
וָהֵ֗נָּה
(vahena)
en zie
קָחֶ֧נּוּ
(qachenu)
haal ze
וָבֹ֛אָה
(vavoa)
en kom
כִּֽי
(ki)
want
שָׁל֥וֹם
(shalom)
vrede
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet
דָּבָ֖ר
(davar)
zaak
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jonatan spreekt twee tekens af.

Zegt hij dat de pijlen aan deze kant van de jongen liggen, dan is het veilig voor David.

Zegt hij dat ze verderop liggen, dan moet David vluchten.

22Maar als ik tegen de jongen zeg: ‘Zie, de pijlen liggen verderop, voorbij je’, ga dan. Want Yahweh heeft je weggestuurd.
וְאִם
(veim)
en als
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אֹמַר֙
(omar)
ik zeg
לָעֶ֔לֶם
(laelem)
tegen de jongen
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הַחִצִּ֖ים
(hachitsim)
de pijlen
מִמְּךָ֣
(mimekha)
van je
וָהָ֑לְאָה
(vahalea)
en verder
לֵ֕ךְ
(lekh)
ga
כִּ֥י
(ki)
want
שִֽׁלַּחֲךָ֖
(shilachakha)
heeft je weggestuurd
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Wat wij hebben besproken, jij en ik: zie, Yahweh is tussen mij en jou tot in eeuwigheid.”
וְהַ֨דָּבָ֔ר
(vehadavar)
en de zaak
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
דִּבַּ֖רְנוּ
(dibarnu)
we hebben gesproken
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וָאָ֑תָּה
(vaata)
en jij
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינְךָ֖
(uveinekha)
en tussen jou
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het maal van de nieuwe maan

24David verborg zich in het veld. Toen het nieuwe maan werd, ging de koning aan tafel om te eten.
וַיִּסָּתֵ֥ר
(vayisater)
en hij verborg zich
דָּוִ֖ד
(david)
David
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het werd
הַחֹ֔דֶשׁ
(hachodesh)
de nieuwe maan
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en hij ging zitten
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
aan
הַלֶּ֖חֶם
(halechem)
het brood
לֶאֱכֽוֹל
(leekhol)
om te eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶחֶם (lechem), ‘brood’: hier de maaltijd.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat על (al), voorgelezen wordt אֶל (el).

Beide betekenen hier ‘bij (het brood)’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

25De koning zat op zijn plaats, zoals altijd, de plaats bij de muur. Jonatan stond op en Abner ging naast Saul zitten. De plaats van David bleef leeg.
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij zat
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
op
מ֨וֹשָׁב֜וֹ
(moshavo)
zijn zitplaats
כְּפַ֣עַם
(kefaam)
zoals keer
בְּפַ֗עַם
(befaam)
op keer
אֶל
(el)
op
מוֹשַׁב֙
(moshav)
de zitplaats van
הַקִּ֔יר
(haqir)
de muur
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en hij stond op
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij ging zitten
אַבְנֵ֖ר
(avner)
Abner
מִצַּ֣ד
(mitsad)
aan de zijde van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּפָּקֵ֖ד
(vayipaqed)
en werd leeg
מְק֥וֹם
(meqom)
plaats van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַיָּקָם (vayyaqom), ‘en hij stond op’: de tekst is hier moeilijk.

Wij volgen de Masoretische tekst.

26Saul zei die dag niets, want hij dacht: „Het is toeval. Hij is niet rein. Zeker, hij is niet rein.”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
דִבֶּ֥ר
(diber)
zei
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
מְא֖וּמָה
(meuma)
iets
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
כִּ֤י
(ki)
want
אָמַר֙
(amar)
hij zei
מִקְרֶ֣ה
(miqre)
toeval
ה֔וּא
(hu)
het is
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
niet
טָה֛וֹר
(tahor)
rein
ה֖וּא
(hu)
hij
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
טָהֽוֹר
(tahor)
rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְרֶה (miqreh), ‘toeval’.

Saul denkt dat David onrein is geworden.

Zie Lev. 15:16 en Deut. 23:11–12.

27De dag na de nieuwe maan, de tweede dag, was de plaats van David weer leeg. Saul zei tegen zijn zoon Jonatan: „Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet aan tafel gekomen?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרַ֤ת
(mimachorat)
de dag na
הַחֹ֨דֶשׁ֙
(hachodesh)
de maand
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
וַיִּפָּקֵ֖ד
(vayipaqed)
en werd leeg
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
מַדּ֜וּעַ
(madua)
waarom
לֹא
(lo)
niet
בָ֧א
(ba)
is gekomen
בֶן
(ben)
de zoon van
יִשַׁ֛י
(yishay)
Isaï
גַּם
(gam)
ook
תְּמ֥וֹל
(temol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
אֶל
(el)
naar
הַלָּֽחֶם
(halachem)
het brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Saul noemt David in dit gesprek niet bij zijn naam, maar ‘de zoon van Isaï’ (ook in vers 30 en 31).

28Jonatan antwoordde Saul: „David heeft dringend aan mij gevraagd naar Betlehem te mogen gaan.
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
נִשְׁאֹ֨ל
(nishol)
dringend gevraagd
נִשְׁאַ֥ל
(nishal)
hij heeft gevraagd
דָּוִ֛ד
(david)
David
מֵעִמָּדִ֖י
(meimadi)
van mij
עַד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie ook1 Sam 20:6
29Hij zei: ‘Laat mij toch gaan, want wij hebben een familieslachtoffer in de stad, en mijn broer heeft mij bevolen te komen. Als ik gunst in je ogen heb gevonden, laat mij dan toch wegkomen, zodat ik mijn broers kan zien.’ Daarom is hij niet gekomen aan de tafel van de koning.”
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שַׁלְּחֵ֣נִי
(shalecheni)
laat mij gaan
נָ֡א
(na)
toch
כִּ֣י
(ki)
want
זֶבַח֩
(zevach)
slachtoffer van
מִשְׁפָּחָ֨ה
(mishpacha)
familie
לָ֜נוּ
(lanu)
voor ons
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
צִוָּֽה
(tsiva)
heeft bevolen
לִי֙
(li)
mij
אָחִ֔י
(achi)
mijn broer
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
אִמָּ֥לְטָה
(imaleta)
laat ik wegkomen
נָּ֖א
(na)
toch
וְאֶרְאֶ֣ה
(veere)
en ik zal zien
אֶת
(et)
(obj.)
אֶחָ֑י
(echay)
mijn broers
עַל
(al)
om
כֵּ֣ן
(ken)
dit
לֹא
(lo)
niet
בָ֔א
(ba)
hij is gekomen
אֶל
(el)
naar
שֻׁלְחַ֖ן
(shulchan)
de tafel van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶבַח מִשְׁפָּחָה (zevach mishpachah), ‘familieslachtoffer’: zoals in vers 6.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘mijn broer’ in het enkelvoud.

Wij vertalen letterlijk.

Sauls woede tegen Jonatan

30Saul werd zeer boos op Jonatan. Hij zei tegen hem: „Jij zoon van een verdorven, opstandige vrouw! Weet ik niet dat jij de zoon van Isaï hebt gekozen, tot jouw schaamte en tot de schaamte van de naaktheid van je moeder?
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בִּיה֣וֹנָתָ֔ן
(bihonatan)
tegen Jonatan
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
בֶּֽן
(ben)
zoon van
נַעֲוַ֖ת
(naavat)
een verdorven vrouw
הַמַּרְדּ֑וּת
(hamardut)
opstandige
הֲל֣וֹא
(halo)
is niet
יָדַ֗עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּֽי
(ki)
dat
בֹחֵ֤ר
(bocher)
je kiest
אַתָּה֙
(ata)
jij
לְבֶן
(leven)
de zoon van
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
לְבָ֨שְׁתְּךָ֔
(levashtekha)
tot jouw schaamte
וּלְבֹ֖שֶׁת
(ulevoshet)
en tot de schaamte van
עֶרְוַ֥ת
(ervat)
de naaktheid van
אִמֶּֽךָ
(imekha)
je moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־נַעֲוַת הַמַּרְדּוּת (ben na'avat hammardut), ‘zoon van een verdorven, opstandige vrouw’: een zware belediging, ook voor Jonatans moeder.

De betekenis van het eerste woord is niet helemaal zeker.

עֶרְוַת אִמֶּךָ (ervat immekha), ‘de naaktheid van je moeder’: vergelijk Lev. 18:7.

31Want zolang de zoon van Isaï op de grond leeft, zul jij niet stevig staan, en je koningschap ook niet. Stuur nu iemand en laat hem bij mij halen. Want hij moet sterven.”
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
הַיָּמִ֗ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
חַ֣י
(chay)
leeft
עַל
(al)
op
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
לֹ֥א
(lo)
niet
תִכּ֖וֹן
(tikon)
zul je stevig staan
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וּמַלְכוּתֶ֑ךָ
(umalkhutekha)
en je koningschap
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁלַ֨ח
(shelach)
zend
וְקַ֤ח
(veqach)
en haal
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
כִּ֥י
(ki)
want
בֶן
(ben)
zoon van
מָ֖וֶת
(mavet)
de dood
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־מָוֶת (ben mavet), ‘zoon van de dood’: iemand die moet sterven.

Zie ook 2 Sam. 12:5.

32Jonatan antwoordde Saul, zijn vader, en zei tegen hem: „Waarom moet hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?”
וַיַּ֨עַן֙
(vayaan)
en hij antwoordde
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
יוּמַ֖ת
(yumat)
moet hij gedood worden
מֶ֥ה
(me)
wat
עָשָֽׂה
(asa)
heeft hij gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Saul wierp de speer naar hem om hem te treffen. Toen wist Jonatan dat zijn vader had besloten David te doden.
וַיָּ֨טֶל
(vayatel)
en hij wierp
שָׁא֧וּל
(shaul)
Saul
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִ֛ית
(hachanit)
de speer
עָלָ֖יו
(alav)
naar hem
לְהַכֹּת֑וֹ
(lehakoto)
om hem te treffen
וַיֵּ֨דַע֙
(vayeda)
en hij wist
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
כִּֽי
(ki)
dat
כָ֥לָה
(kala)
is besloten
הִ֛יא
(hi)
het
מֵעִ֥ם
(meim)
van bij
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
לְהָמִ֥ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Jonatan stond woedend van tafel op. Hij at op de tweede dag van de nieuwe maan geen brood. Want hij was bedroefd om David, omdat zijn vader hem had vernederd.
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en hij stond op
יְהוֹנָתָ֛ן
(yehonatan)
Jonatan
מֵעִ֥ם
(meim)
van bij
הַשֻּׁלְחָ֖ן
(hashulchan)
de tafel
בָּחֳרִי
(bachori)
in gloeiende
אָ֑ף
(af)
toorn
וְלֹא
(velo)
en niet
אָכַ֞ל
(akhal)
hij at
בְּיוֹם
(beyom)
op de dag van
הַחֹ֤דֶשׁ
(hachodesh)
de nieuwe maan
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
de tweede
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
כִּ֤י
(ki)
want
נֶעְצַב֙
(netsav)
hij was bedroefd
אֶל
(el)
om
דָּוִ֔ד
(david)
David
כִּ֥י
(ki)
want
הִכְלִמ֖וֹ
(hikhlimo)
had hem vernederd
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De nieuwe maan duurde hier twee dagen.

De tweede dag is de dag na de nieuwe maan (vers 27).

De pijlen en het afscheid

35De volgende morgen ging Jonatan het veld in, naar de afgesproken tijd met David. Een kleine jongen was bij hem.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיֵּצֵ֧א
(vayetse)
en hij ging uit
יְהוֹנָתָ֛ן
(yehonatan)
Jonatan
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld in
לְמוֹעֵ֣ד
(lemoed)
voor de afgesproken tijd van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְנַ֥עַר
(venaar)
en een jongen
קָטֹ֖ן
(qaton)
klein
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמוֹעֵד דָּוִד (lemo'ed David), ‘voor de afgesproken tijd van David’: de tijd die zij hadden afgesproken.

36Hij zei tegen zijn jongen: „Ren, zoek de pijlen die ik schiet.” De jongen rende, en hij schoot de pijl over hem heen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְנַעֲר֔וֹ
(lenaaro)
tegen zijn jongen
רֻ֗ץ
(ruts)
ren
מְצָ֥א
(metsa)
zoek
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חִצִּ֔ים
(hachitsim)
de pijlen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מוֹרֶ֑ה
(more)
schiet
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
רָ֔ץ
(rats)
rende
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יָרָ֥ה
(yara)
schoot
הַחֵ֖צִי
(hachetsi)
de pijl
לְהַעֲבִרֽוֹ
(lehaaviro)
om hem te laten overgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37De jongen kwam bij de plaats van de pijl die Jonatan had geschoten. Jonatan riep achter de jongen aan: „Ligt de pijl niet verderop, voorbij jou?”
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
עַד
(ad)
tot
מְק֣וֹם
(meqom)
de plaats van
הַחֵ֔צִי
(hachetsi)
de pijl
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָרָ֖ה
(yara)
had geschoten
יְהוֹנָתָ֑ן
(yehonatan)
Jonatan
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
יְהוֹנָתָ֜ן
(yehonatan)
Jonatan
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲל֥וֹא
(halo)
is niet
הַחֵ֖צִי
(hachetsi)
de pijl
מִמְּךָ֥
(mimekha)
van jou
וָהָֽלְאָה
(vahalea)
en verder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Jonatan riep achter de jongen aan: „Vlug, haast je, blijf niet staan.” De jongen van Jonatan raapte de pijlen op en kwam bij zijn heer.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij riep
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
מְהֵרָ֥ה
(mehera)
snel
ח֖וּשָׁה
(chusha)
haast je
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲמֹ֑ד
(taamod)
blijf staan
וַיְלַקֵּ֞ט
(vaylaqet)
en hij raapte op
נַ֤עַר
(naar)
de jongen van
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חִצִּ֔ים
(hachitsim)
de pijlen
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat het enkelvoud ‘de pijl’ (החצי).

De voorgelezen tekst heeft ‘de pijlen’ (הַחִצִּים).

Wij volgen de voorgelezen tekst.

39De jongen wist van niets. Alleen Jonatan en David wisten wat er speelde.
וְהַנַּ֖עַר
(vehanaar)
en de jongen
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֣ע
(yada)
wist
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
אַ֤ךְ
(akh)
alleen
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
וְדָוִ֔ד
(vedavid)
en David
יָדְע֖וּ
(yadeu)
wisten
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Jonatan gaf zijn wapens aan de jongen die bij hem was en zei: „Ga, breng ze naar de stad.”
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en hij gaf
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
אֶת
(et)
(obj.)
כֵּלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
אֶל
(el)
aan
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֑וֹ
(lo)
bij hem
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
לֵ֖ךְ
(lekh)
ga
הָבֵ֥יא
(havei)
breng
הָעִֽיר
(hair)
de stad in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּלָיו (kelav), ‘zijn wapens’: boog en pijlen.

41Zodra de jongen weg was, stond David op vanaf de zuidkant. Hij viel met zijn gezicht op de grond en boog zich drie keer neer. Zij kusten elkaar en huilden samen, David nog meer.
הַנַּעַר֮
(hanaar)
de jongen
בָּא֒
(ba)
was gekomen
וְדָוִ֗ד
(vedavid)
en David
קָ֚ם
(qam)
stond op
מֵאֵ֣צֶל
(meetsel)
van bij
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
het zuiden
וַיִּפֹּ֨ל
(vayipol)
en hij viel
לְאַפָּ֥יו
(leapav)
op zijn gezicht
אַ֛רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וַֽיִּשְּׁק֣וּ
(vayishequ)
en ze kusten
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
de ander
וַיִּבְכּוּ֙
(vayivku)
en ze huilden
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
de ander
עַד
(ad)
tot
דָּוִ֖ד
(david)
David
הִגְדִּֽיל
(higdil)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאֵצֶל הַנֶּגֶב (me'etsel hannegev), letterlijk ‘van naast het zuiden’.

Wij vertalen ‘vanaf de zuidkant’.

Lezing

עַד־דָּוִד הִגְדִּיל (ad David higdil), letterlijk ‘tot David groot maakte’: David huilde nog meer dan Jonatan.

De betekenis is niet helemaal zeker.

42Jonatan zei tegen David: „Ga in vrede. Wij hebben beiden gezworen in de naam van Yahweh: ‘Yahweh zij tussen mij en jou, en tussen mijn nageslacht en jouw nageslacht, tot in eeuwigheid.’”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוֹנָתָ֛ן
(yehonatan)
Jonatan
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
tegen David
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
לְשָׁל֑וֹם
(leshalom)
in vrede
אֲשֶׁר֩
(asher)
wat
נִשְׁבַּ֨עְנוּ
(nishbanu)
wij hebben gezworen
שְׁנֵ֜ינוּ
(sheneinu)
wij tweeën
אֲנַ֗חְנוּ
(anachnu)
wij
בְּשֵׁ֤ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
moge zijn
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶ֗ךָ
(uveinekha)
en tussen jou
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעִ֛י
(zari)
mijn nageslacht
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
jouw nageslacht
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Versnummering: in dit hoofdstuk volgen wij de Hebreeuwse telling.

In de Nederlandse telling hoort de laatste regel van 20:42 (‘Hij stond op en vertrok, en Jonatan ging de stad in’) in het Hebreeuws bij 1 Sam. 21:1.

Het nageslacht van David en Jonatan wordt in dit verbond opgenomen. Zie 2 Sam. 9:1–7.