Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakob is ziek
1Na deze dingen werd er tegen Jozef gezegd: „Zie, je vader is ziek.” Hij nam zijn twee zonen met zich mee, Manasse en Efraïm.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי֙
(acharei)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de dingen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְיוֹסֵ֔ף
(leyosef)
tot Jozef
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
חֹלֶ֑ה
(chole)
ziek
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee van
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 56:2 zegt dat Jakob ziek werd en Jozef uit Egypte liet halen.
Jasher 55:35 zegt dat Jakob zeer oud was en dat Efraïm en Manasse bij hem de wegen van Yahweh leerden.
3Jakob zei tegen Jozef: „El Sjaddai verscheen aan mij in Luz, in het land Kanaän, en zegende mij.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֵ֥ל
(el)
El
שַׁדַּ֛י
(shaday)
Sjaddai
נִרְאָֽה
(nira)
verscheen
אֵלַ֥י
(elay)
aan mij
בְּל֖וּז
(beluz)
in Luz
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיְבָ֖רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
אֹתִֽי
(oti)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
אל שׁדי (El Shaddai), ‘El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11.
בלוז (beLuz), ‘in Luz’: dat is Betel, zie 28:19; 35:6.
4Hij zei tegen mij: ‘Zie, Ik maak je vruchtbaar en vermenigvuldig je, Ik maak je tot een gemeenschap van volken en Ik geef dit land aan je nageslacht na je als blijvend bezit.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie mij
מַפְרְךָ֙
(mafrekha)
jou vruchtbaar makend
וְהִרְבִּיתִ֔ךָ
(vehirbitikha)
en ik zal je vermenigvuldigen
וּנְתַתִּ֖יךָ
(unetatikha)
en ik zal je maken
לִקְהַ֣ל
(liqhal)
tot een gemeenschap van
עַמִּ֑ים
(amim)
volken
וְנָ֨תַתִּ֜י
(venatati)
en ik zal geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לְזַרְעֲךָ֥
(lezarakha)
aan je nageslacht
אַחֲרֶ֖יךָ
(achareikha)
na je
אֲחֻזַּ֥ת
(achuzat)
bezit van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונתתי את הארץ הזאת לזרעך אחריך אחזת עולם (venatatti et ha’arets hazzot lezar’akha acharekha achuzzat olam), ‘Ik geef dit land aan je nageslacht na je als blijvend bezit’: zie 35:11–12; 28:13–14.
Aanvullend
Jubileeën 45:14 zegt dat Jakob zijn zonen alles vertelde wat hun in Egypte en in de laatste dagen zou overkomen.
5Nu dan, je twee zonen die je in het land Egypte geboren zijn, voordat ik bij je in Egypte kwam, zijn van mij: Efraïm en Manasse zullen mij zijn, zoals Ruben en Simeon.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee van
בָנֶיךָ֩
(baneikha)
je zonen
הַנּוֹלָדִ֨ים
(hanoladim)
de geborenen
לְךָ֜
(lekha)
aan jou
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַד
(ad)
tot
בֹּאִ֥י
(boi)
mijn komst
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
tot jou
מִצְרַ֖יְמָה
(mitsrayma)
naar Egypte
לִי
(li)
aan mij
הֵ֑ם
(hem)
zij
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֔ה
(umenashe)
en Manasse
כִּרְאוּבֵ֥ן
(kiruven)
zoals Ruben
וְשִׁמְע֖וֹן
(veshimon)
en Simeon
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
הם אפרים ומנשׁה כראובן ושׁמעון יהיו לי (hem Efrayim uMenasheh kiReuven veShim’on yihyu li), ‘Efraïm en Manasse zullen mij zijn, zoals Ruben en Simeon’: Jakob neemt de twee zonen van Jozef aan, zodat zij elk een deel van het land krijgen en Jozef dubbel erft; zie Joz. 14:4; 1 Kron. 5:1–2.
6Maar je kinderen die je na hen verwekt hebt, zullen van jou zijn; naar de naam van hun broers zullen zij genoemd worden in hun erfdeel.
וּמוֹלַדְתְּךָ֛
(umoladtekha)
en je kinderen
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הוֹלַ֥דְתָּ
(holadta)
je verwekt hebt
אַחֲרֵיהֶ֖ם
(achareihem)
na hen
לְךָ֣
(lekha)
aan jou
יִהְי֑וּ
(yihyu)
zullen zijn
עַ֣ל
(al)
over
שֵׁ֧ם
(shem)
naam van
אֲחֵיהֶ֛ם
(acheihem)
hun broers
יִקָּרְא֖וּ
(yiqareu)
zullen genoemd worden
בְּנַחֲלָתָֽם
(benachalatam)
in hun erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
על שׁם אחיהם יקראו בנחלתם (al shem acheihem yiqqare’u benachalatam), ‘naar de naam van hun broers zullen zij genoemd worden in hun erfdeel’: kinderen van Jozef die nog geboren worden, krijgen hun deel binnen de stammen Efraïm en Manasse.
7En wat mij betreft: toen ik uit Paddan kwam, stierf Rachel naast mij in het land Kanaän, onderweg, toen er nog een stuk land te gaan was om in Efrata te komen; en ik begroef haar daar op de weg naar Efrata, dat is Betlehem.”
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
בְּבֹאִ֣י
(bevoi)
bij mijn komst
מִפַּדָּ֗ן
(mipadan)
uit Paddan
מֵ֩תָה֩
(meta)
ze stierf
עָלַ֨י
(alay)
naast mij
רָחֵ֜ל
(rachel)
Rachel
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֨עַן֙
(kenaan)
Kanaän
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
בְּע֥וֹד
(beod)
terwijl nog
כִּבְרַת
(kivrat)
een stuk van
אֶ֖רֶץ
(erets)
land
לָבֹ֣א
(lavo)
om te komen
אֶפְרָ֑תָה
(efrata)
naar Efrata
וָאֶקְבְּרֶ֤הָ
(vaeqbereha)
en ik begroef haar
שָּׁם֙
(sham)
daar
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg naar
אֶפְרָ֔ת
(efrat)
Efrat
הִ֖וא
(hi)
dat is
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
עלי רחל (alai Rachel), ‘Rachel stierf naast mij’: letterlijk ‘op mij’, tot mijn verdriet; zie 35:16–20.
בעוד כברת ארץ (be’od kivrat erets), ‘toen er nog een stuk land te gaan was’: de lengte van die afstand is niet zeker; zie 35:16.
13Jozef nam hen beiden, Efraïm met zijn rechterhand aan de linkerkant van Israël, en Manasse met zijn linkerhand aan de rechterkant van Israël, en bracht hen bij hem.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
יוֹסֵף֮
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁנֵיהֶם֒
(sheneihem)
beiden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶפְרַ֤יִם
(efrayim)
Efraïm
בִּֽימִינוֹ֙
(bimino)
met zijn rechterhand
מִשְּׂמֹ֣אל
(misemol)
van links van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
בִשְׂמֹאל֖וֹ
(bismolo)
met zijn linkerhand
מִימִ֣ין
(mimin)
van rechts van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיַּגֵּ֖שׁ
(vayagesh)
en hij bracht naar voren
אֵלָֽיו
(elav)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel die de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij liet zijn handen met inzicht kruisen, want Manasse was de eerstgeborene.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en hij stak uit
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְמִינ֜וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
וַיָּ֨שֶׁת
(vayashet)
en hij legde
עַל
(al)
op
רֹ֤אשׁ
(rosh)
hoofd van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
הַצָּעִ֔יר
(hatsair)
de jongste
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
שְׂמֹאל֖וֹ
(semolo)
zijn linkerhand
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
שִׂכֵּל֙
(sikel)
hij kruiste met inzicht
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָדָ֔יו
(yadav)
zijn handen
כִּ֥י
(ki)
want
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
הַבְּכֽוֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׂכל (sikkel), ‘hij liet kruisen met inzicht’: de wortel (sakhal) betekent ‘doordacht handelen’; Jakob doet dit bewust, zie vers 19.
Het omkeren van de volgorde herhaalt het patroon van 25:23; 27:27–29; 38:27–30.
15Hij zegende Jozef en zei: „De Elohim voor wiens aangezicht mijn vaders Abraham en Isaak gewandeld hebben, de Elohim die mij geweid heeft van mijn bestaan tot op deze dag,
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en Hij zei
הָֽאֱלֹהִ֡ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁר֩
(asher)
voor wie
הִתְהַלְּכ֨וּ
(hithalekhu)
wandelden
אֲבֹתַ֤י
(avotay)
mijn vaders
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor zijn aangezicht
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
וְיִצְחָ֔ק
(veyitschaq)
en Isaak
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
הָרֹעֶ֣ה
(haroe)
die weidde
אֹתִ֔י
(oti)
mij
מֵעוֹדִ֖י
(meodi)
van mijn bestaan
עַד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16de boodschapper die mij verlost heeft van alle kwaad, moge de jongens zegenen; moge mijn naam over hen uitgeroepen worden, en de naam van mijn vaders Abraham en Isaak, en mogen zij zich vermenigvuldigen tot een menigte te midden van het land.”
הַמַּלְאָךְ֩
(hamalakh)
de boodschapper
הַגֹּאֵ֨ל
(hagoel)
de verlosser
אֹתִ֜י
(oti)
mij
מִכָּל
(mikal)
van alle
רָ֗ע
(ra)
kwaad
יְבָרֵךְ֮
(yevarekh)
moge zegenen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנְּעָרִים֒
(hanearim)
de jongens
וְיִקָּרֵ֤א
(veyiqare)
en moge genoemd worden
בָהֶם֙
(bahem)
over hen
שְׁמִ֔י
(shemi)
mijn naam
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אֲבֹתַ֖י
(avotay)
mijn vaders
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
וְיִצְחָ֑ק
(veyitschaq)
en Isaak
וְיִדְגּ֥וּ
(veyidgu)
en ze zullen zich vermenigvuldigen
לָרֹ֖ב
(larov)
tot menigte
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
in het midden van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, beviel het hem niet; hij pakte de hand van zijn vader om die van het hoofd van Efraïm weg te halen naar het hoofd van Manasse.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
כִּי
(ki)
dat
יָשִׁ֨ית
(yashit)
legde
אָבִ֧יו
(aviv)
zijn vader
יַד
(yad)
hand van
יְמִינ֛וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיֵּ֣רַע
(vayera)
en het was kwaad
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
וַיִּתְמֹ֣ךְ
(vayitmokh)
en hij pakte
יַד
(yad)
hand van
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
לְהָסִ֥יר
(lehasir)
om weg te halen
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
רֹאשׁ
(rosh)
hoofd van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd van
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וירע בעיניו (vayyera be’einav), ‘het was kwaad in zijn ogen’: het beviel Jozef niet; hij is gekrenkt.
19Maar zijn vader weigerde en zei: „Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden en ook hij zal groot worden; maar zijn jongere broer zal groter worden dan hij, en zijn nageslacht zal een volheid van volken worden.”
וַיְמָאֵ֣ן
(vaymaen)
en hij weigerde
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
יָדַ֤עְתִּֽי
(yadati)
ik weet
בְנִי֙
(beni)
mijn zoon
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
גַּם
(gam)
ook
ה֥וּא
(hu)
hij
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal worden
לְּעָ֖ם
(leam)
tot een volk
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֣וּא
(hu)
hij
יִגְדָּ֑ל
(yigdal)
zal groot worden
וְאוּלָ֗ם
(veulam)
maar
אָחִ֤יו
(achiv)
zijn broer
הַקָּטֹן֙
(haqaton)
de jongere
יִגְדַּ֣ל
(yigdal)
zal groot worden
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
dan hij
וְזַרְע֖וֹ
(vezaro)
en zijn nageslacht
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מְלֹֽא
(melo)
volheid van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מלא הגוים (melo hagoyim), ‘een volheid van volken’: Efraïm krijgt groter gewicht dan Manasse, zie Deut. 33:17.
20Hij zegende hen op die dag en zei: „Met jou zal Israël zegenen en zeggen: ‘Moge Elohim je maken zoals Efraïm en Manasse.’” Zo stelde hij Efraïm vóór Manasse.
וַיְבָ֨רֲכֵ֜ם
(vayvarakhem)
en hij zegende hen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֮
(hahu)
die
לֵאמוֹר֒
(lemor)
zeggend
בְּךָ֗
(bekha)
met jou
יְבָרֵ֤ךְ
(yevarekh)
zal zegenen
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
יְשִֽׂמְךָ֣
(yesimkha)
moge maken
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
כְּאֶפְרַ֖יִם
(keefrayim)
als Efraïm
וְכִמְנַשֶּׁ֑ה
(vekhimnashe)
en als Manasse
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בך יברך ישׂראל (bekha yevarekh Yisra’el), ‘met jou zal Israël zegenen’: de zegenspreuk blijft in Israël bekend, zie 12:3.
Aanvullend
Jasher 56:6–7 zegt dat Jakob alle kinderen van zijn zonen liet roepen en hen zegende, en daarna zijn zonen.