Elohim Bijbel

Genesis 33

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob en Ezau; Sukkot en Sichem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ontmoeting met Ezau

1Jakob sloeg zijn ogen op en zag, en zie, Ezau kwam, en met hem vierhonderd man. Hij verdeelde de kinderen over Lea, Rachel en de twee dienaressen.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hij hief op
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּרְא֙
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
בָּ֔א
(ba)
komend
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיַּ֣חַץ
(vayachats)
en hij verdeelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיְלָדִ֗ים
(hayladim)
de kinderen
עַל
(al)
over
לֵאָה֙
(lea)
Lea
וְעַל
(veal)
en over
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
וְעַ֖ל
(veal)
en over
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הַשְּׁפָחֽוֹת
(hashefachot)
de dienaressen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ארבע מאות אישׁ (arba me’ot ish), ‘vierhonderd man’: zie 32:7.

2Hij zette de dienaressen met hun kinderen vooraan, Lea met haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef helemaal achteraan.
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en hij zette
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשְּׁפָח֛וֹת
(hashefachot)
de dienaressen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יַלְדֵיהֶ֖ן
(yaldeihen)
hun kinderen
רִֽאשֹׁנָ֑ה
(rishona)
vooraan
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
לֵאָ֤ה
(lea)
Lea
וִֽילָדֶ֨יהָ֙
(viladeiha)
en haar kinderen
אַחֲרֹנִ֔ים
(acharonim)
daarachter
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רָחֵ֥ל
(rachel)
Rachel
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אַחֲרֹנִֽים
(acharonim)
helemaal achteraan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hijzelf trok voor hen uit en boog zich zeven keer tot op de grond, totdat hij bij zijn broer was.
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
עָבַ֣ר
(avar)
trok voorbij
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen
וַיִּשְׁתַּ֤חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
אַ֨רְצָה֙
(artsa)
naar de grond
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
עַד
(ad)
tot
גִּשְׁתּ֖וֹ
(gishto)
zijn nadering
עַד
(ad)
tot
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁתחו ארצה שׁבע פעמים (vayishtachu artsah sheva pe’amim), ‘hij boog zich zeven keer tot de grond’: de buiging van een vazal voor zijn heer.

Aanvullend

Jasher 32:54 zegt dat Jakob zich zeven keer boog.

4Ezau rende hem tegemoet, omhelsde hem, viel hem om de hals en kuste hem. Ze huilden.
וַיָּ֨רָץ
(vayarats)
en hij rende
עֵשָׂ֤ו
(esav)
Ezau
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
וַֽיְחַבְּקֵ֔הוּ
(vaychabeqehu)
en hij omhelsde hem
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
צַוָּארָ֖ו
(tsavarav)
zijn hals
וַׄיִּׄשָּׁׄקֵ֑ׄהׄוּׄ
(vayishaqehu)
en hij kuste hem
וַיִּבְכּֽוּ
(vayivku)
en ze weenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁקהו (vayishaqehu), ‘hij kuste hem’: de Masoreten hebben stippen boven dit woord gezet (zie ook 19:33; 37:12); de betekenis daarvan is onzeker.

Aanvullend

Jasher 32:55–56 zegt dat Ezau’s toorn in vriendelijkheid veranderde en dat ze elkaar omhelsden en kusten.

5Hij sloeg zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen en zei: „Wie zijn zij die bij je zijn?” Hij zei: „De kinderen die Elohim uit gunst aan uw dienaar heeft gegeven.”
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij hief op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַיְלָדִ֔ים
(hayladim)
de kinderen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִי
(mi)
wie
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
לָּ֑ךְ
(lakh)
bij jou
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
הַיְלָדִ֕ים
(hayladim)
de kinderen
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָנַ֥ן
(chanan)
heeft begunstigd
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אשׁר חנן אלהים (asher chanan Elohim), ‘die Elohim uit gunst gegeven heeft’: van chanan, ‘gunst bewijzen’, hetzelfde woord als chen, ‘gunst’.

Aanvullend

Jasher 32:60 zegt dat Jakob antwoordde dat het de kinderen waren die Elohim uit gunst aan hem had gegeven.

6De dienaressen kwamen naderbij, zij en hun kinderen, en bogen zich neer.
וַתִּגַּ֧שְׁןָ
(vatigashna)
en ze kwamen dichtbij
הַשְּׁפָח֛וֹת
(hashefachot)
de dienaressen
הֵ֥נָּה
(hena)
zij
וְיַלְדֵיהֶ֖ן
(veyaldeihen)
en hun kinderen
וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶֽיןָ
(vatishtachaveina)
en ze bogen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ook Lea kwam naderbij met haar kinderen, en ze bogen zich neer. Daarna kwamen Jozef en Rachel naderbij, en ook zij bogen zich neer.
וַתִּגַּ֧שׁ
(vatigash)
en ze kwam dichtbij
גַּם
(gam)
ook
לֵאָ֛ה
(lea)
Lea
וִילָדֶ֖יהָ
(viladeiha)
en haar kinderen
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֑וּ
(vayishtachavu)
en ze bogen zich neer
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
נִגַּ֥שׁ
(nigash)
kwam dichtbij
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
וְרָחֵ֖ל
(verachel)
en Rachel
וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ
(vayishtachavu)
en ze bogen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Hij zei: „Wat bedoel je met heel dit kamp dat ik ontmoet heb?” Hij zei: „Om gunst te vinden in de ogen van mijn heer.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִ֥י
(mi)
wat
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
כָּל
(kal)
heel
הַמַּחֲנֶ֥ה
(hamachane)
het kamp
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
פָּגָ֑שְׁתִּי
(pagashti)
ik ontmoette
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לִמְצֹא
(limtso)
om te vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

למצא חן בעיני אדני (limtso chen be’einei adoni), ‘om gunst te vinden in de ogen van mijn heer’: Jakob noemt Ezau steeds ‘mijn heer’ (zie 32:5).

Aanvullend

Jasher 32:61 geeft Ezau’s vraag naar het kamp.

9Ezau zei: „Ik heb genoeg, mijn broer. Houd wat van jou is.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֣י
(li)
aan mij
רָ֑ב
(rav)
veel
אָחִ֕י
(achi)
mijn broer
יְהִ֥י
(yehi)
het zij
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רב אחי (rav achi), ‘ik heb genoeg, mijn broer’: letterlijk ‘ik heb veel’.

Aanvullend

Jasher 32:62 zegt dat Ezau het geschenk eerst weigerde.

10Jakob zei: „Nee, alstublieft, als ik gunst in uw ogen gevonden heb, neem dan mijn geschenk uit mijn hand aan. Want daarom heb ik uw gezicht gezien, als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
אַל
(al)
niet
נָא֙
(na)
alsjeblieft
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
alsjeblieft
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je neemt
מִנְחָתִ֖י
(minchati)
mijn geschenk
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit mijn hand
כִּ֣י
(ki)
want
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik heb gezien
פָנֶ֗יךָ
(paneikha)
je gezicht
כִּרְאֹ֛ת
(kirot)
als zien van
פְּנֵ֥י
(penei)
gezicht van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וַתִּרְצֵֽנִי
(vatirtseni)
en je hebt mij gunstig ontvangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ראיתי פניך כראת פני אלהים ותרצני (ra’iti fanekha kir’ot penei Elohim vatirtseni), ‘ik heb uw gezicht gezien als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen’: Jakob heeft in Peniël Elohim gezien (zie 32:31) en nu ziet hij zo in Ezau’s gezicht de gunst.

Aanvullend

Jasher 32:63–64 heeft een vergelijkbaar antwoord.

11Neem toch mijn zegengeschenk aan dat ik u gebracht heb, want Elohim heeft mij gunst bewezen en ik heb alles.” Hij drong bij hem aan, en hij nam het aan.
קַח
(qach)
neem
נָ֤א
(na)
alsjeblieft
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּרְכָתִי֙
(birkhati)
mijn zegengeschenk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֻבָ֣את
(huvat)
is gebracht
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
כִּֽי
(ki)
want
חַנַּ֥נִי
(chanani)
heeft begunstigd mij
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וְכִ֣י
(vekhi)
en want
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִי
(li)
aan mij
כֹ֑ל
(kol)
alles
וַיִּפְצַר
(vayiftsar)
en hij drong aan
בּ֖וֹ
(bo)
bij hem
וַיִּקָּֽח
(vayiqach)
en hij nam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ברכתי (birkhati), ‘mijn zegengeschenk’: een geschenk als teken van zegen (zie 1 Sam. 25:27; 2 Kon. 5:15).

Aanvullend

Jasher 32:65 zegt dat Jakob ook zilver, goud en bdellium gaf.

12Ezau zei: „Laten we vertrekken en doorreizen. Ik zal naast je gaan.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נִסְעָ֣ה
(nisa)
laten we opbreken
וְנֵלֵ֑כָה
(venelekha)
en laten we gaan
וְאֵלְכָ֖ה
(veelekha)
en ik zal gaan
לְנֶגְדֶּֽךָ
(lenegdekha)
naast je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij zei tegen hem: „Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zorg moet dragen voor de zogende schapen en koeien. Als ze maar één dag te hard gedreven worden, sterft heel de kudde.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
אֲדֹנִ֤י
(adoni)
mijn heer
יֹדֵ֨עַ֙
(yodea)
weet
כִּֽי
(ki)
dat
הַיְלָדִ֣ים
(hayladim)
de kinderen
רַכִּ֔ים
(rakim)
zwak
וְהַצֹּ֥אן
(vehatson)
en het kleinvee
וְהַבָּקָ֖ר
(vehabaqar)
en het rundvee
עָל֣וֹת
(alot)
zogende
עָלָ֑י
(alay)
op mij
וּדְפָקוּם֙
(udefaqum)
en ze zullen hen te hard drijven
י֣וֹם
(yom)
dag
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וָמֵ֖תוּ
(vametu)
en ze zullen sterven
כָּל
(kal)
heel
הַצֹּֽאן
(hatson)
de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רכים (rakkim), ‘zwak’: ‘teer’; עלות (olot), ‘zogende’: zie 32:16.

Aanvullend

Jasher 32:68 geeft dezelfde reden: de kinderen en de dieren met jongen kunnen niet snel reizen.

14Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit gaan. Ik zal rustig voortgaan, op het tempo van het vee dat voor mij is en op het tempo van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.”
יַעֲבָר
(yaavar)
hij zal overgaan
נָ֥א
(na)
alsjeblieft
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
zijn dienaar
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en ik
אֶֽתְנָהֲלָ֣ה
(etnahala)
ik zal voortgaan
לְאִטִּ֗י
(leiti)
langzaam
לְרֶ֨גֶל
(leregel)
naar de voet van
הַמְּלָאכָ֤ה
(hamelakha)
het vee
אֲשֶׁר
(asher)
dat
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor mij
וּלְרֶ֣גֶל
(uleregel)
en naar de voet van
הַיְלָדִ֔ים
(hayladim)
de kinderen
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָבֹ֥א
(avo)
ik kom
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
שֵׂעִֽירָה
(seira)
naar Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

אתנהלה לאטי (etnahalah le’iti), ‘ik zal rustig voortgaan’: letterlijk ‘ik zal langzaam leiden’.

שׂעירה (Se’irah), ‘naar Seïr’: zie 32:4.

Aanvullend

Jasher 32:69–72 zegt dat Jakob dit zei om Ezau en zijn mannen van zich te verwijderen.

15Ezau zei: „Laat mij dan enkele mensen van het volk dat bij mij is bij je achterlaten.” Hij zei: „Waarom dat? Laat mij gunst vinden in de ogen van mijn heer.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אַצִּֽיגָה
(atsiga)
ik zal laten staan
נָּ֣א
(na)
alsjeblieft
עִמְּךָ֔
(imekha)
bij jou
מִן
(min)
van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתִּ֑י
(iti)
bij mij
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֔ה
(ze)
dit
אֶמְצָא
(emtsa)
ik zal vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 32:70–71 zegt dat Ezau aanbood mannen bij Jakob te laten om hem onderweg te helpen.

16Ezau keerde die dag terug op zijn weg naar Seïr.
וַיָּשָׁב֩
(vayashav)
en hij keerde terug
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op dag
הַה֥וּא
(hahu)
die
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
לְדַרְכּ֖וֹ
(ledarko)
op zijn weg
שֵׂעִֽירָה
(seira)
naar Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Aanvullend

Jasher 32:73 zegt dat Ezau met zijn vierhonderd man naar Seïr terugkeerde.

Zie ookJas 32:73

Jakob in Sukkot en Sichem

17Jakob trok verder naar Sukkot. Hij bouwde een huis voor zich en maakte hutten voor zijn vee. Daarom noemde men die plaats Sukkot.
וְיַעֲקֹב֙
(veyaaqov)
en Jakob
נָסַ֣ע
(nasa)
trok
סֻכֹּ֔תָה
(sukota)
naar Sukkot
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
בָּ֑יִת
(bayit)
huis
וּלְמִקְנֵ֨הוּ֙
(ulemiqnehu)
en voor zijn vee
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij maakte
סֻכֹּ֔ת
(sukot)
hutten
עַל
(al)
op
כֵּ֛ן
(ken)
zo
קָרָ֥א
(qara)
hij noemde
שֵׁם
(shem)
naam van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
סֻכּֽוֹת
(sukot)
Sukkot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

סכתה (Sukkotah), ‘naar Sukkot’: ‘hutten’.

Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, vermoedelijk bij Tell Deir Alla, ongeveer 30 km ten oosten van Sichem.

Aanvullend

Jasher 33:3 zegt dat Jakob daar een huis bouwde en hutten maakte voor zijn vee.

18Jakob kwam heelhuids aan bij de stad Sichem in het land Kanaän, toen hij uit Paddan-Aram kwam. Hij sloeg zijn kamp op voor de stad.
וַיָּבֹא֩
(vayavo)
en hij kwam
יַעֲקֹ֨ב
(yaaqov)
Jakob
שָׁלֵ֜ם
(shalem)
heelhuids
עִ֣יר
(ir)
stad van
שְׁכֶ֗ם
(shekhem)
Sichem
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּבֹא֖וֹ
(bevoo)
bij zijn komen
מִפַּדַּ֣ן
(mipadan)
uit Paddan
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיִּ֖חַן
(vayichan)
en hij legerde zich
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

שׁלם עיר שׁכם (shalem ir Shekhem), ‘heelhuids naar de stad Sichem’: shalem kan ook de plaatsnaam Salem zijn.

Sichem lag ongeveer 50 km ten noorden van Jeruzalem, in het bergland van Efraïm, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Aanvullend

Jubileeën 30:1 zegt dat Jakob naar Salem, ten oosten van Sichem, ging, en Jasher 33:1 dat hij kwam in het land Salem, dat is de stad Sichem.

19Hij kocht het stuk land waar hij zijn tent had opgeslagen van de zonen van Hamor, de vader van Sichem, voor honderd kesita’s.
וַיִּ֜קֶן
(vayiqen)
en hij kocht
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֶלְקַ֣ת
(chelqat)
stuk van
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
נָֽטָה
(nata)
hij had opgeslagen
שָׁם֙
(sham)
daar
אָהֳל֔וֹ
(aholo)
zijn tent
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
חֲמ֖וֹר
(chamor)
Hamor
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
שְׁכֶ֑ם
(shekhem)
Sichem
בְּמֵאָ֖ה
(bemea)
voor honderd
קְשִׂיטָֽה
(qesita)
kesita
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

במאה קשׂיטה (bemeah qesitah), ‘voor honderd kesita’s’: een betaalmiddel van onbekende waarde (zie Joz. 24:32; Job 42:11).

Aanvullend

Jasher 33:2 zegt dat het stuk land vijf sjekel kostte.

20Daar richtte hij een altaar op en noemde het El-Elohe-Israël.
וַיַּצֶּב
(vayatsev)
en hij richtte op
שָׁ֖ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֑חַ
(mizbeach)
altaar
וַיִּ֨קְרָא
(vayiqra)
en hij noemde
ל֔וֹ
(lo)
het
אֵ֖ל
(el)
El
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אל אלהי ישׂראל (El Elohei Yisra’el), ‘El, Elohim van Israël’: de naam geeft de Elohim van Jakob, die hem de naam Israël gaf (zie 32:29), een eigen plaats.