Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De ontmoeting met Ezau
1Jakob sloeg zijn ogen op en zag, en zie, Ezau kwam, en met hem vierhonderd man. Hij verdeelde de kinderen over Lea, Rachel en de twee dienaressen.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hij hief op
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּרְא֙
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
בָּ֔א
(ba)
komend
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיַּ֣חַץ
(vayachats)
en hij verdeelde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיְלָדִ֗ים
(hayladim)
de kinderen
עַל
(al)
over
לֵאָה֙
(lea)
Lea
וְעַל
(veal)
en over
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
וְעַ֖ל
(veal)
en over
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הַשְּׁפָחֽוֹת
(hashefachot)
de dienaressen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ארבע מאות אישׁ (arba me’ot ish), ‘vierhonderd man’: zie 32:7.
5Hij sloeg zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen en zei: „Wie zijn zij die bij je zijn?” Hij zei: „De kinderen die Elohim uit gunst aan uw dienaar heeft gegeven.”
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij hief op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּשִׁים֙
(hanashim)
de vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַיְלָדִ֔ים
(hayladim)
de kinderen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִי
(mi)
wie
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
לָּ֑ךְ
(lakh)
bij jou
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
הַיְלָדִ֕ים
(hayladim)
de kinderen
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָנַ֥ן
(chanan)
heeft begunstigd
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אשׁר חנן אלהים (asher chanan Elohim), ‘die Elohim uit gunst gegeven heeft’: van chanan, ‘gunst bewijzen’, hetzelfde woord als chen, ‘gunst’.
Aanvullend
Jasher 32:60 zegt dat Jakob antwoordde dat het de kinderen waren die Elohim uit gunst aan hem had gegeven.
10Jakob zei: „Nee, alstublieft, als ik gunst in uw ogen gevonden heb, neem dan mijn geschenk uit mijn hand aan. Want daarom heb ik uw gezicht gezien, als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
אַל
(al)
niet
נָא֙
(na)
alsjeblieft
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
alsjeblieft
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en je neemt
מִנְחָתִ֖י
(minchati)
mijn geschenk
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit mijn hand
כִּ֣י
(ki)
want
עַל
(al)
op
כֵּ֞ן
(ken)
zo
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik heb gezien
פָנֶ֗יךָ
(paneikha)
je gezicht
כִּרְאֹ֛ת
(kirot)
als zien van
פְּנֵ֥י
(penei)
gezicht van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וַתִּרְצֵֽנִי
(vatirtseni)
en je hebt mij gunstig ontvangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ראיתי פניך כראת פני אלהים ותרצני (ra’iti fanekha kir’ot penei Elohim vatirtseni), ‘ik heb uw gezicht gezien als het zien van het gezicht van Elohim, en u hebt mij gunstig ontvangen’: Jakob heeft in Peniël Elohim gezien (zie 32:31) en nu ziet hij zo in Ezau’s gezicht de gunst.
11Neem toch mijn zegengeschenk aan dat ik u gebracht heb, want Elohim heeft mij gunst bewezen en ik heb alles.” Hij drong bij hem aan, en hij nam het aan.
קַח
(qach)
neem
נָ֤א
(na)
alsjeblieft
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּרְכָתִי֙
(birkhati)
mijn zegengeschenk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֻבָ֣את
(huvat)
is gebracht
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
כִּֽי
(ki)
want
חַנַּ֥נִי
(chanani)
heeft begunstigd mij
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וְכִ֣י
(vekhi)
en want
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִי
(li)
aan mij
כֹ֑ל
(kol)
alles
וַיִּפְצַר
(vayiftsar)
en hij drong aan
בּ֖וֹ
(bo)
bij hem
וַיִּקָּֽח
(vayiqach)
en hij nam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ברכתי (birkhati), ‘mijn zegengeschenk’: een geschenk als teken van zegen (zie 1 Sam. 25:27; 2 Kon. 5:15).
Aanvullend
Jasher 32:65 zegt dat Jakob ook zilver, goud en bdellium gaf.
12Ezau zei: „Laten we vertrekken en doorreizen. Ik zal naast je gaan.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נִסְעָ֣ה
(nisa)
laten we opbreken
וְנֵלֵ֑כָה
(venelekha)
en laten we gaan
וְאֵלְכָ֖ה
(veelekha)
en ik zal gaan
לְנֶגְדֶּֽךָ
(lenegdekha)
naast je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij zei tegen hem: „Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zorg moet dragen voor de zogende schapen en koeien. Als ze maar één dag te hard gedreven worden, sterft heel de kudde.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
אֲדֹנִ֤י
(adoni)
mijn heer
יֹדֵ֨עַ֙
(yodea)
weet
כִּֽי
(ki)
dat
הַיְלָדִ֣ים
(hayladim)
de kinderen
רַכִּ֔ים
(rakim)
zwak
וְהַצֹּ֥אן
(vehatson)
en het kleinvee
וְהַבָּקָ֖ר
(vehabaqar)
en het rundvee
עָל֣וֹת
(alot)
zogende
עָלָ֑י
(alay)
op mij
וּדְפָקוּם֙
(udefaqum)
en ze zullen hen te hard drijven
י֣וֹם
(yom)
dag
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וָמֵ֖תוּ
(vametu)
en ze zullen sterven
כָּל
(kal)
heel
הַצֹּֽאן
(hatson)
de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit gaan. Ik zal rustig voortgaan, op het tempo van het vee dat voor mij is en op het tempo van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.”
יַעֲבָר
(yaavar)
hij zal overgaan
נָ֥א
(na)
alsjeblieft
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
zijn dienaar
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en ik
אֶֽתְנָהֲלָ֣ה
(etnahala)
ik zal voortgaan
לְאִטִּ֗י
(leiti)
langzaam
לְרֶ֨גֶל
(leregel)
naar de voet van
הַמְּלָאכָ֤ה
(hamelakha)
het vee
אֲשֶׁר
(asher)
dat
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor mij
וּלְרֶ֣גֶל
(uleregel)
en naar de voet van
הַיְלָדִ֔ים
(hayladim)
de kinderen
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָבֹ֥א
(avo)
ik kom
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
שֵׂעִֽירָה
(seira)
naar Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
אתנהלה לאטי (etnahalah le’iti), ‘ik zal rustig voortgaan’: letterlijk ‘ik zal langzaam leiden’.
שׂעירה (Se’irah), ‘naar Seïr’: zie 32:4.
Aanvullend
Jasher 32:69–72 zegt dat Jakob dit zei om Ezau en zijn mannen van zich te verwijderen.
15Ezau zei: „Laat mij dan enkele mensen van het volk dat bij mij is bij je achterlaten.” Hij zei: „Waarom dat? Laat mij gunst vinden in de ogen van mijn heer.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אַצִּֽיגָה
(atsiga)
ik zal laten staan
נָּ֣א
(na)
alsjeblieft
עִמְּךָ֔
(imekha)
bij jou
מִן
(min)
van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתִּ֑י
(iti)
bij mij
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֔ה
(ze)
dit
אֶמְצָא
(emtsa)
ik zal vinden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend
Jasher 32:70–71 zegt dat Ezau aanbood mannen bij Jakob te laten om hem onderweg te helpen.
20Daar richtte hij een altaar op en noemde het El-Elohe-Israël.
וַיַּצֶּב
(vayatsev)
en hij richtte op
שָׁ֖ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֑חַ
(mizbeach)
altaar
וַיִּ֨קְרָא
(vayiqra)
en hij noemde
ל֔וֹ
(lo)
het
אֵ֖ל
(el)
El
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אל אלהי ישׂראל (El Elohei Yisra’el), ‘El, Elohim van Israël’: de naam geeft de Elohim van Jakob, die hem de naam Israël gaf (zie 32:29), een eigen plaats.