Elohim Bijbel

Genesis 47

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jozef en de farao; de hongersnood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob voor de farao

1Jozef ging de farao melden: „Mijn vader en mijn broers, met hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, zijn uit het land Kanaän gekomen, en zie, zij zijn in het land Gosen.”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
יוֹסֵף֮
(yosef)
Jozef
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en hij meldde
לְפַרְעֹה֒
(lefaro)
aan farao
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָבִ֨י
(avi)
mijn vader
וְאַחַ֜י
(veachay)
en mijn broers
וְצֹאנָ֤ם
(vetsonam)
en hun kleinvee
וּבְקָרָם֙
(uveqaram)
en hun runderen
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
בָּ֖אוּ
(bau)
ze zijn gekomen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְהִנָּ֖ם
(vehinam)
en zie ze
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּֽשֶׁן
(goshen)
Gosen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Aanvullend

Jasher 55:19–21 zegt dat Jozef vier broers, Ruben, Issachar, Zebulon en Benjamin, voor de farao bracht; zie 46:31–34.

2Van zijn broers nam hij er vijf mee, en hij stelde hen voor de farao.
וּמִקְצֵ֣ה
(umiqtse)
en van het uiterste van
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
לָקַ֖ח
(laqach)
hij nam
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mannen
וַיַּצִּגֵ֖ם
(vayatsigem)
en hij stelde hen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
פַרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ומקצה אחיו (umiqtseh echav), ‘van zijn broers’: letterlijk ‘van het uiterste van zijn broers’, wellicht een keuze uit het geheel; niet zeker.

3De farao zei tegen zijn broers: „Wat is jullie werk?” Zij zeiden tegen de farao: „Herders van kleinvee zijn uw dienaren, zowel wij als onze vaders.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹ֛ה
(paro)
farao
אֶל
(el)
tot
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
מַה
(ma)
wat
מַּעֲשֵׂיכֶ֑ם
(maaseikhem)
jullie werk
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
farao
רֹעֵ֥ה
(roe)
herder van
צֹאן֙
(tson)
kleinvee
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
גַּם
(gam)
ook
אֲבוֹתֵֽינוּ
(avoteinu)
onze vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מה מעשׂיכם (mah ma’aseikhem), ‘wat is jullie werk?’: zie 46:33.

רעה צאן (ro’eh tson), ‘herder van kleinvee’: zie 46:32, 34.

Aanvullend

Jasher 55:23 noemt Gosen de plaats waar zij apart zouden wonen.

4Zij zeiden tegen de farao: „Wij zijn gekomen om als vreemdeling in het land te verblijven, want er is geen weide voor het kleinvee van uw dienaren, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän. En nu, laat uw dienaren toch wonen in het land Gosen.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
farao
לָג֣וּר
(lagur)
om te verblijven
בָּאָרֶץ֮
(baarets)
in het land
בָּאנוּ֒
(banu)
wij zijn gekomen
כִּי
(ki)
want
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
מִרְעֶ֗ה
(mire)
weide
לַצֹּאן֙
(latson)
voor het kleinvee
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
van uw dienaren
כִּֽי
(ki)
want
כָבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
יֵֽשְׁבוּ
(yeshevu)
laat wonen
נָ֥א
(na)
toch
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּֽשֶׁן
(goshen)
Gosen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

לגור בארץ באנו (lagur ba’arets banu), ‘wij zijn gekomen om als vreemdeling in het land te verblijven’: gur is verblijven als vreemdeling; zie vers 9; 15:13.

Aanvullend

Jubileeën 45:6 zegt dat Jozef zijn familie Gosen en Raämses als gave gaf.

5De farao zei tegen Jozef: „Je vader en je broers zijn bij je gekomen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אָבִ֥יךָ
(avikha)
je vader
וְאַחֶ֖יךָ
(veacheikha)
en je broers
בָּ֥אוּ
(bau)
ze zijn gekomen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Het land Egypte ligt voor je open; laat je vader en je broers wonen in het beste van het land. Laat hen wonen in het land Gosen. En als je weet dat er bekwame mannen onder hen zijn, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee.”
אֶ֤רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לְפָנֶ֣יךָ
(lefaneikha)
voor je
הִ֔וא
(hi)
het
בְּמֵיטַ֣ב
(bemeitav)
in het beste van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
הוֹשֵׁ֥ב
(hoshev)
laat wonen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אַחֶ֑יךָ
(acheikha)
je broers
יֵשְׁבוּ֙
(yeshevu)
laat ze wonen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּ֔שֶׁן
(goshen)
Gosen
וְאִם
(veim)
en als
יָדַ֗עְתָּ
(yadata)
je weet
וְיֶשׁ
(veyesh)
en er is
בָּם֙
(bam)
onder hen
אַנְשֵׁי
(anshei)
mannen van
חַ֔יִל
(chayil)
bekwaamheid
וְשַׂמְתָּ֛ם
(vesamtam)
en je stelt hen aan
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
vee
עַל
(al)
over
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

במיטב הארץ (bemeitav ha’arets), ‘in het beste van het land’: zie 45:18.

אנשׁי חיל (anshei chayil), ‘bekwame mannen’: zie Exod. 18:21.

Aanvullend

Jasher 55:22 laat de farao zeggen dat Jozef zijn vader en broers in het beste van het land moet laten wonen.

7Jozef bracht zijn vader Jakob binnen en liet hem voor de farao staan, en Jakob zegende de farao.
וַיָּבֵ֤א
(vayave)
en hij bracht
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַֽעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּֽעֲמִדֵ֖הוּ
(vayaamidehu)
en hij liet hem staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויברך יעקב את פרעה (vayevarekh Ya’aqov et Par’oh), ‘Jakob zegende de farao’: de grotere zegent de kleinere, zie Hebr. 7:7.

Aanvullend

Jasher 55:25 zegt hetzelfde.

8De farao zei tegen Jakob: „Hoeveel zijn de dagen van de jaren van je leven?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
אֶֽל
(el)
tot
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
כַּמָּ֕ה
(kama)
hoeveel
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen van
שְׁנֵ֥י
(shenei)
jaren van
חַיֶּֽיךָ
(chayeikha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Jakob zei tegen de farao: „De dagen van de jaren van mijn vreemdelingschap zijn 130 jaar. Weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren van mijn leven geweest, en zij hebben de dagen van de jaren van het leven van mijn vaders in de dagen van hun vreemdelingschap niet bereikt.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
מְגוּרַ֔י
(meguray)
mijn vreemdelingschap
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
מְעַ֣ט
(meat)
weinig
וְרָעִ֗ים
(veraim)
en kwaad
הָיוּ֙
(hayu)
ze zijn geweest
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
חַיַּ֔י
(chayay)
mijn leven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הִשִּׂ֗יגוּ
(hisigu)
ze hebben bereikt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
שְׁנֵי֙
(shenei)
jaren van
חַיֵּ֣י
(chayei)
leven van
אֲבֹתַ֔י
(avotay)
mijn vaders
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
מְגוּרֵיהֶֽם
(megureihem)
hun vreemdelingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ימי שׁני מגורי (yemei shenei megurai), ‘de dagen van de jaren van mijn vreemdelingschap’: zie 17:8; 23:4; 28:4; Hebr. 11:9, 13.

מעט ורעים (me’at vera’im), ‘weinig en kwaad’: zijn leven vol strijd, zie 27:41–45; 31:41; 37:34–35.

10Jakob zegende de farao en ging van de farao weg.
וַיְבָ֥רֶךְ
(vayvarekh)
en hij zegende
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en hij ging uit
מִלִּפְנֵ֥י
(milifnei)
van voor het aangezicht van
פַרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Jozef liet zijn vader en zijn broers wonen en gaf hun bezit in het land Egypte, in het beste van het land, in het land Raämses, zoals de farao bevolen had.
וַיּוֹשֵׁ֣ב
(vayoshev)
en hij liet wonen
יוֹסֵף֮
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֶחָיו֒
(echav)
zijn broers
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֤ם
(lahem)
aan hen
אֲחֻזָּה֙
(achuza)
bezit
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּמֵיטַ֥ב
(bemeitav)
in het beste van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
רַעְמְסֵ֑ס
(rameses)
Raämses
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
hij had bevolen
פַרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בארץ רעמסס (be’erets Ra’amses), ‘in het land Raämses’: een ander woord voor Gosen of voor een deel ervan, zie Exod. 1:11; 12:37.

Aanvullend

Jubileeën 45:6 noemt Gosen en Raämses.

12Jozef voorzag zijn vader, zijn broers en heel het huis van zijn vader van brood, naar de behoefte van de kleinen.
וַיְכַלְכֵּ֤ל
(vaykhalkel)
en hij voorzag
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
לְפִ֥י
(lefi)
naar
הַטָּֽף
(hataf)
de kleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויכלכל (vayekhalkel), ‘hij voorzag’: zie 45:11; 50:21.

לפי הטף (lefi hattaf), ‘naar de behoefte van de kleinen’: letterlijk ‘naar de mond van de kleinen’.

Aanvullend

Jasher 55:26 en Jubileeën 45:7 laten dit alle jaren van de honger doorgaan.

De hongersnood in Egypte

13Er was geen brood in het hele land, want de honger was zeer zwaar; het land Egypte en het land Kanaän versmachtten door de honger.
וְלֶ֤חֶם
(velechem)
en brood
אֵין֙
(ein)
er is niet
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
כִּֽי
(ki)
want
כָבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַתֵּ֜לַהּ
(vatelah)
en het versmachtte
אֶ֤רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
וְאֶ֣רֶץ
(veerets)
en land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
הָרָעָֽב
(haraav)
de honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

ותלה (vattalah), ‘het versmachtte’: de wortel (lahah) betekent uitgeput of verzwakt raken.

14Jozef verzamelde al het geld dat in het land Egypte en in het land Kanaän te vinden was, voor het graan dat zij kochten, en Jozef bracht het geld in het huis van de farao.
וַיְלַקֵּ֣ט
(vaylaqet)
en hij verzamelde
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het geld
הַנִּמְצָ֤א
(hanimtsa)
dat gevonden werd
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
וּבְאֶ֣רֶץ
(uveerets)
en in het land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
בַּשֶּׁ֖בֶר
(bashever)
voor het graan
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵ֣ם
(hem)
zij
שֹׁבְרִ֑ים
(shoverim)
kopend
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
בֵּ֥יתָה
(beita)
naar het huis
פַרְעֹֽה
(paro)
van farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

וילקט (vayelaqqet), ‘hij verzamelde’: Jasher 55:30–33 zegt dat Jozef zoveel zilver en goud verzamelde dat hij het in vier delen verborg en de rest aan de farao gaf.

Aanvullend

Jubileeën 45:8 zegt dat het land Egypte leed vanwege de hongersnood.

15Toen het geld uit het land Egypte en uit het land Kanaän op was, kwam heel Egypte tot Jozef en zei: „Geef ons brood! Waarom zouden wij voor uw ogen sterven? Want het geld is op.”
וַיִּתֹּ֣ם
(vayitom)
en het was op
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het geld
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַיִם֮
(mitsrayim)
Egypte
וּמֵאֶ֣רֶץ
(umeerets)
en uit het land van
כְּנַעַן֒
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹאוּ֩
(vayavou)
en ze kwamen
כָל
(kal)
heel
מִצְרַ֨יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggend
הָֽבָה
(hava)
geef
לָּ֣נוּ
(lanu)
ons
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וְלָ֥מָּה
(velama)
en waarom
נָמ֖וּת
(namut)
zullen we sterven
נֶגְדֶּ֑ךָ
(negdekha)
tegenover u
כִּ֥י
(ki)
want
אָפֵ֖ס
(afes)
op is
כָּֽסֶף
(kasef)
geld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

אפס כסף (afes kasef), ‘het geld is op’: letterlijk ‘geld is ten einde’.

16Jozef zei: „Geef jullie vee, dan zal ik jullie ervoor geven, in ruil voor jullie vee, als het geld op is.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
הָב֣וּ
(havu)
geeft
מִקְנֵיכֶ֔ם
(miqneikhem)
jullie vee
וְאֶתְּנָ֥ה
(veetena)
en ik zal geven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
בְּמִקְנֵיכֶ֑ם
(bemiqneikhem)
voor jullie vee
אִם
(im)
als
אָפֵ֖ס
(afes)
op is
כָּֽסֶף
(kasef)
geld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij brachten hun vee naar Jozef, en Jozef gaf hun brood in ruil voor de paarden, voor de kudden kleinvee, voor de kudden runderen en voor de ezels. Hij voorzag hen in dat jaar van brood in ruil voor al hun vee.
וַיָּבִ֣יאוּ
(vayaviu)
en ze brachten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִקְנֵיהֶם֮
(miqneihem)
hun vee
אֶל
(el)
tot
יוֹסֵף֒
(yosef)
Jozef
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶם֩
(lahem)
aan hen
יוֹסֵ֨ף
(yosef)
Jozef
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
בַּסּוּסִ֗ים
(basusim)
voor de paarden
וּבְמִקְנֵ֥ה
(uvemiqne)
en voor het vee van
הַצֹּ֛אן
(hatson)
het kleinvee
וּבְמִקְנֵ֥ה
(uvemiqne)
en voor het vee van
הַבָּקָ֖ר
(habaqar)
het rundvee
וּבַחֲמֹרִ֑ים
(uvachamorim)
en voor de ezels
וַיְנַהֲלֵ֤ם
(vaynahalem)
en hij voerde hen
בַּלֶּ֨חֶם֙
(balechem)
met brood
בְּכָל
(bekhal)
voor al
מִקְנֵהֶ֔ם
(miqnehem)
hun vee
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַהִֽוא
(hahi)
dat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וינהלם (vayenahalem), ‘hij voorzag hen’: letterlijk ‘hij leidde hen als kudde’; zie Exod. 15:13.

18Toen dat jaar voorbij was, kwamen zij in het tweede jaar tot hem en zeiden: „Wij verbergen het niet voor mijn heer: het geld is op, en de kudden vee zijn bij mijn heer. Er is niets over voor mijn heer dan ons lichaam en onze grond.
וַתִּתֹּם֮
(vatitom)
en het was voorbij
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַהִוא֒
(hahi)
dat
וַיָּבֹ֨אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַשֵּׁנִ֗ית
(hashenit)
het tweede
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en ze zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
לֹֽא
(lo)
niet
נְכַחֵ֣ד
(nekhached)
wij verbergen
מֵֽאֲדֹנִ֔י
(meadoni)
voor mijn heer
כִּ֚י
(ki)
want
אִם
(im)
als
תַּ֣ם
(tam)
op is
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het geld
וּמִקְנֵ֥ה
(umiqne)
en het vee van
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
de dieren
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
לֹ֤א
(lo)
niet
נִשְׁאַר֙
(nishar)
is overgebleven
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
behalve
אִם
(im)
als
גְּוִיָּתֵ֖נוּ
(geviyatenu)
ons lichaam
וְאַדְמָתֵֽנוּ
(veadmatenu)
en onze grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, zowel wij als onze grond? Koop ons en onze grond voor brood; dan zullen wij met onze grond slaven zijn van de farao. Geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en de grond niet verwoest wordt.”
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
נָמ֣וּת
(namut)
zullen we sterven
לְעֵינֶ֗יךָ
(leeineikha)
voor uw ogen
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
גַּ֣ם
(gam)
ook
אַדְמָתֵ֔נוּ
(admatenu)
onze grond
קְנֵֽה
(qene)
koop
אֹתָ֥נוּ
(otanu)
ons
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אַדְמָתֵ֖נוּ
(admatenu)
onze grond
בַּלָּ֑חֶם
(balachem)
voor brood
וְנִֽהְיֶ֞ה
(venihye)
en we zullen zijn
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
וְאַדְמָתֵ֨נוּ֙
(veadmatenu)
en onze grond
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
slaven
לְפַרְעֹ֔ה
(lefaro)
voor farao
וְתֶן
(veten)
en geef
זֶ֗רַע
(zera)
zaad
וְנִֽחְיֶה֙
(venichye)
en we zullen leven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נָמ֔וּת
(namut)
sterven
וְהָאֲדָמָ֖ה
(vehaadama)
en de grond
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵשָֽׁם
(tesham)
zal woest worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עבדים לפרעה (avadim lePar’oh), ‘slaven van de farao’.

ותן זרע ונחיה ולא נמות (veten zera venichyeh velo namut), ‘geef zaad, opdat wij leven en niet sterven’.

20Zo kocht Jozef heel de grond van Egypte voor de farao, want de Egyptenaren verkochten ieder zijn akker, omdat de honger hen overmeesterde; en het land werd van de farao.
וַיִּ֨קֶן
(vayiqen)
en hij kocht
יוֹסֵ֜ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אַדְמַ֤ת
(admat)
grond van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
לְפַרְעֹ֔ה
(lefaro)
voor farao
כִּֽי
(ki)
want
מָכְר֤וּ
(makheru)
ze verkochten
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
שָׂדֵ֔הוּ
(sadehu)
zijn akker
כִּֽי
(ki)
want
חָזַ֥ק
(chazaq)
was sterk
עֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
over hen
הָרָעָ֑ב
(haraav)
de honger
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en het werd
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְפַרְעֹֽה
(lefaro)
voor farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookJub 45:8
21En het volk liet hij overgaan naar de steden, van het ene eind van het gebied van Egypte tot het andere.
וְאֶ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הֶעֱבִ֥יר
(heevir)
hij liet overgaan
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לֶעָרִ֑ים
(learim)
naar de steden
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
van het uiterste van
גְבוּל
(gevul)
grens van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעַד
(vead)
en tot
קָצֵֽהוּ
(qatsehu)
zijn uiterste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

העם העביר אתו לערים (ha’am he’evir oto le’arim), ‘het volk liet hij overgaan naar de steden’: de Samaritaanse tekst en de Septuaginta lezen ‘hij maakte hen tot slaven’, wat een kleine letterwisseling is; hier is de Masoretische lezing gevolgd.

Zie ookGen 41:48
22Alleen de grond van de priesters kocht hij niet, want de priesters hadden een vast deel van de farao en aten hun deel dat de farao hun gegeven had; daarom verkochten zij hun grond niet.
רַ֛ק
(raq)
alleen
אַדְמַ֥ת
(admat)
grond van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
לֹ֣א
(lo)
niet
קָנָ֑ה
(qana)
hij kocht
כִּי֩
(ki)
want
חֹ֨ק
(choq)
vast deel
לַכֹּהֲנִ֜ים
(lakohanim)
voor de priesters
מֵאֵ֣ת
(meet)
van bij
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
farao
וְאָֽכְל֤וּ
(veakhelu)
en ze aten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חֻקָּם֙
(chuqam)
hun deel
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נָתַ֤ן
(natan)
hij had gegeven
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
farao
עַל
(al)
op
כֵּ֕ן
(ken)
zo
לֹ֥א
(lo)
niet
מָכְר֖וּ
(makheru)
ze verkochten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַדְמָתָֽם
(admatam)
hun grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חק לכהנים (choq lakkohanim), ‘een vast deel voor de priesters’: de priesters van On, zie 41:45.

23Jozef zei tegen het volk: „Zie, ik heb jullie vandaag en jullie grond voor de farao gekocht. Hier is zaad voor jullie; zaai de grond.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הֵן֩
(hen)
zie
קָנִ֨יתִי
(qaniti)
ik heb gekocht
אֶתְכֶ֥ם
(etkhem)
jullie
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אַדְמַתְכֶ֖ם
(admatkhem)
jullie grond
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
voor farao
הֵֽא
(he)
hier
לָכֶ֣ם
(lakhem)
voor jullie
זֶ֔רַע
(zera)
zaad
וּזְרַעְתֶּ֖ם
(uzeratem)
en zaait
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24En bij de opbrengst zullen jullie een vijfde aan de farao geven, en vier delen zullen voor jullie zijn, als zaad voor het veld en als voedsel voor jullie en voor wie in jullie huizen is, en om te eten voor jullie kleinen.”
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּתְּבוּאֹ֔ת
(batevuot)
bij de opbrengsten
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie geven
חֲמִישִׁ֖ית
(chamishit)
een vijfde
לְפַרְעֹ֑ה
(lefaro)
aan farao
וְאַרְבַּ֣ע
(vearba)
en vier
הַיָּדֹ֡ת
(hayadot)
de delen
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zullen zijn
לָכֶם֩
(lakhem)
voor jullie
לְזֶ֨רַע
(lezera)
als zaad van
הַשָּׂדֶ֧ה
(hasade)
het veld
וּֽלְאָכְלְכֶ֛ם
(uleakhelekhem)
en voor jullie voedsel
וְלַאֲשֶׁ֥ר
(velaasher)
en voor degenen die
בְּבָתֵּיכֶ֖ם
(bevateikhem)
in jullie huizen
וְלֶאֱכֹ֥ל
(veleekhol)
en om te eten
לְטַפְּכֶֽם
(letapekhem)
voor jullie kleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חמישׁית לפרעה (chamishit lePar’oh), ‘een vijfde voor de farao’: zie vers 26; 41:34.

Aanvullend

Jubileeën 45:12 noemt hetzelfde vijfde en voegt toe dat Jozef dit voor Egypte tot ordonnantie maakte.

25Zij zeiden: „U hebt ons in leven gehouden. Mogen wij gunst vinden in de ogen van mijn heer, dan zullen wij slaven van de farao zijn.”
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
הֶחֱיִתָ֑נוּ
(hecheyitanu)
u hebt ons in leven gehouden
נִמְצָא
(nimtsa)
laat ons vinden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
וְהָיִ֥ינוּ
(vehayinu)
en we zullen zijn
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
slaven
לְפַרְעֹֽה
(lefaro)
voor farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

החיתנו (hehyitanu), ‘u hebt ons in leven gehouden’: zie 45:5, 7; 50:20.

26Jozef maakte het tot een voorschrift tot op deze dag over de grond van Egypte: een vijfde voor de farao. Alleen de grond van de priesters werd niet van de farao.
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde
אֹתָ֣הּ
(otah)
het
יוֹסֵ֡ף
(yosef)
Jozef
לְחֹק֩
(lechoq)
tot voorschrift
עַד
(ad)
tot
הַיּ֨וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
עַל
(al)
over
אַדְמַ֥ת
(admat)
grond van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְפַרְעֹ֖ה
(lefaro)
voor farao
לַחֹ֑מֶשׁ
(lachomesh)
een vijfde
רַ֞ק
(raq)
alleen
אַדְמַ֤ת
(admat)
grond van
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
לְבַדָּ֔ם
(levadam)
alleen zij
לֹ֥א
(lo)
niet
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
was
לְפַרְעֹֽה
(lefaro)
voor farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לחק עד היום הזה (lechoq ad hayyom hazzeh), ‘tot een voorschrift tot op deze dag’: een opmerking van de verteller, geschreven toen het voorschrift nog gold.

27Israël woonde in het land Egypte, in het land Gosen; zij kregen bezit daarin, werden vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer.
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
גֹּ֑שֶׁן
(goshen)
Gosen
וַיֵּאָחֲז֣וּ
(vayeachazu)
en ze verkregen bezit
בָ֔הּ
(bah)
daarin
וַיִּפְר֥וּ
(vayifru)
en ze waren vruchtbaar
וַיִּרְבּ֖וּ
(vayirbu)
en ze vermenigvuldigden zich
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Gosen: Gosen lag in het oosten van de Nijldelta; de precieze grenzen zijn niet bekend.

Uitleg

ויפרו וירבו מאד (vayyifru vayyirbu me’od), ‘zij werden vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer’: zie 1:28; 9:1; 35:11; Exod. 1:7.

Aanvullend

Jasher 55:36 zegt hetzelfde.

28Jakob leefde in het land Egypte 17 jaar; en de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, waren 147 jaar.
וַיְחִ֤י
(vaychi)
en hij leefde
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
שְׁבַ֥ע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
יְמֵֽי
(yemei)
dagen van
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
שְׁנֵ֣י
(shenei)
jaren van
חַיָּ֔יו
(chayav)
zijn leven
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וְאַרְבָּעִ֥ים
(vearbaim)
en veertig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שׁבע עשׂרה שׁנה (sheva esreh shanah), ‘zeventien jaar’: Jasher 56:1 noemt ook 17 jaar en 147 jaar; Jubileeën 45:13 noemt de 17 jaar.

Jakob laat Jozef zweren

29Toen de dagen van Israël om te sterven naderden, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: „Als ik gunst gevonden heb in je ogen, leg dan toch je hand onder mijn heup en bewijs mij trouw en betrouwbaarheid: begraaf mij toch niet in Egypte.
וַיִּקְרְב֣וּ
(vayiqrevu)
en ze naderden
יְמֵֽי
(yemei)
dagen van
יִשְׂרָאֵ֘ל
(yisrael)
Israël
לָמוּת֒
(lamut)
om te sterven
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en hij riep
לִבְנ֣וֹ
(livno)
zijn zoon
לְיוֹסֵ֗ף
(leyosef)
Jozef
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
toch
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
שִֽׂים
(sim)
leg
נָ֥א
(na)
toch
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
יְרֵכִ֑י
(yerekhi)
mijn heup
וְעָשִׂ֤יתָ
(veasita)
en je zult doen
עִמָּדִי֙
(imadi)
met mij
חֶ֣סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶ֔ת
(veemet)
en betrouwbaarheid
אַל
(al)
niet
נָ֥א
(na)
toch
תִקְבְּרֵ֖נִי
(tiqbereni)
begraaf mij
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שׂים נא ידך תחת ירכי (sim na yadkha tachat yerekhi), ‘leg toch je hand onder mijn heup’: dezelfde eed als in 24:2, 9.

חסד ואמת (chesed ve’emet), ‘trouw en betrouwbaarheid’: zie 24:27, 49.

Aanvullend

Jasher 56:2–3 zegt dat Jakob Jozef en zijn zonen riep en vroeg te worden begraven in Machpela.

30Wanneer ik bij mijn vaders lig, draag mij dan uit Egypte en begraaf mij in hun graf.” Hij zei: „Ik zal doen naar je woord.”
וְשָֽׁכַבְתִּי֙
(veshakhavti)
en ik zal liggen
עִם
(im)
met
אֲבֹתַ֔י
(avotay)
mijn vaders
וּנְשָׂאתַ֨נִי֙
(unesatani)
en je zult mij dragen
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וּקְבַרְתַּ֖נִי
(uqevartani)
en je zult mij begraven
בִּקְבֻרָתָ֑ם
(biqvuratam)
in hun graf
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal doen
כִדְבָרֶֽךָ
(kidvarekha)
naar je woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

31Hij zei: „Zweer het mij.” En hij zwoer hem. Toen boog Israël zich neer aan het hoofdeinde van het bed.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִשָּֽׁבְעָה֙
(hishavea)
zweer
לִ֔י
(li)
aan mij
וַיִּשָּׁבַ֖ע
(vayishava)
en hij zwoer
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַמִּטָּֽה
(hamita)
het bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁתחו ישׂראל על ראשׁ המטה (vayishtachu Yisra’el al rosh hammittah), ‘Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed’: De klinkers lezen ‘het bed’ (hammittah); de Septuaginta leest ‘staf’ (matteh), zie Hebr. 11:21.