Open in de app Alle boeken Spreuken ← 30 Spreuken 31 Woorden van Lemuël en lof van de sterke vrouw
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Woorden van Lemuël 1 Woorden van koning Lemuël, de godsspraak waarmee zijn moeder hem onderwees.
דִּ֭בְרֵי
(divrei)
woorden van
מַ֝שָּׂ֗א
(masa)
godsspraak
יִסְּרַ֥תּוּ
(yiseratu)
onderwees hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשָּׂא (massa), ‘godsspraak’: het woord kan ook een plaatsnaam zijn, ‘Lemuël, koning van Massa’ (zie Spr. 30:1 en Gen. 25:14).
Wij vertalen ‘de godsspraak’.
לְמוּאֵל (Lemu’el): een koning die verder niet bekend is. De naam betekent waarschijnlijk ‘bestemd voor El’; dat is onzeker.
יִסְּרַתּוּ (yissartu), ‘onderwees hem’: het werkwoord is verwant aan מוּסָר (musar), ‘tucht’; het betekent ook ‘onderrichten’ en ‘vermanen’.
2 „Wat, mijn zoon? Wat, zoon van mijn schoot? Wat, zoon van mijn geloften?
בִּטְנִ֑י
(bitni)
mijn schoot
נְדָרָֽי
(nedaray)
mijn geloften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt de moeder van Lemuël, tot en met vers 9.
בַּר (bar), ‘zoon’, en בְּרִי (beri), ‘mijn zoon’: dit zijn Aramese vormen; in het Hebreeuws is het woord בֵּן (ben).
3 Geef je kracht niet aan vrouwen, en je wegen niet aan wie koningen uitwist.
לַנָּשִׁ֣ים
(lanashim)
aan vrouwen
חֵילֶ֑ךָ
(cheilekha)
je kracht
וּ֝דְרָכֶ֗יךָ
(uderakheikha)
en je wegen
לַֽמְח֥וֹת
(lamchot)
aan wie uitwist
מְלָכִֽין
(melakhin)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַיִל (chayil), ‘kracht’: ook ‘vermogen’ of ‘bezit’.
לַמְחוֹת (lamchot): letterlijk ‘om uit te wissen’.
De zin is kort en moeilijk; letterlijk staat er: ‘en je wegen om koningen uit te wissen’.
4 Het is niet aan koningen, Lemuël, het is niet aan koningen om wijn te drinken. En niet aan vorsten om te vragen: ‘Waar is sterke drank?’
לַֽמְלָכִ֨ים
(lamlakhim)
voor koningen
לַֽמְלָכִ֣ים
(lamlakhim)
voor koningen
וּ֝לְרוֹזְנִ֗ים
(ulerozenim)
en voor vorsten
שֵׁכָֽר
(shekhar)
sterke drank
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is אוֹ (o), ‘of’.
De te lezen vorm (qere) is אֵי (ei), ‘waar?’
Wij volgen de qere.
De tekst van dit vers blijft moeilijk.
5 Anders drinkt hij en vergeet hij wat is vastgesteld, en verdraait hij het recht van alle zonen van de ellende.
יִ֭שְׁתֶּה
(yishte)
hij drinkt
וְיִשְׁכַּ֣ח
(veyishkach)
en vergeet
מְחֻקָּ֑ק
(mechuqaq)
wat is vastgesteld
וִֽ֝ישַׁנֶּה
(vishane)
en verdraait
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְחֻקָּק (mechuqqaq), ‘wat is vastgesteld’: het wettelijk besluit, het voorschrift.
בְּנֵי עֹנִי (bene oni), ‘zonen van de ellende’: wie in nood is.
6 Geef sterke drank aan wie omkomt, en wijn aan wie bitter is van ziel.
שֵׁכָ֣ר
(shekhar)
sterke drank
לְאוֹבֵ֑ד
(leoved)
aan wie omkomt
לְמָ֣רֵי
(lemarei)
aan wie bitter is van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven, de hele persoon.
‘Bitter van ziel’ is: diep bedroefd.
7 Laat hem drinken en zijn armoede vergeten, en zijn zwoegen niet meer gedenken.
יִ֭שְׁתֶּה
(yishte)
laat hem drinken
וְיִשְׁכַּ֣ח
(veyishkach)
en vergeten
רִישׁ֑וֹ
(risho)
zijn armoede
וַ֝עֲמָל֗וֹ
(vaamalo)
en zijn zwoegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Open je mond voor wie niet kan spreken, voor het recht van alle zonen van het voorbijgaan.
לְאִלֵּ֑ם
(leilem)
voor de stomme
חֲלֽוֹף
(chalof)
het voorbijgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִלֵּם (illem), ‘stomme’: wie niet voor zichzelf kan spreken.
בְּנֵי חֲלוֹף (bene chalof), letterlijk ‘zonen van het voorbijgaan’: wie op het punt staat te verdwijnen of ten onder te gaan. De betekenis is niet helemaal zeker.
9 Open je mond, oordeel met gerechtigheid en pleit de zaak van de ellendige en de arme.”
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וְ֝דִ֗ין
(vedin)
en pleit de zaak van
וְאֶבְיֽוֹן
(veevyon)
en de arme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’: verwant aan צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’.
דִּין (din), ‘de zaak bepleiten’: hier een werkwoord; in vers 5 en 8 is het een zelfstandig naamwoord, ‘recht’.
De sterke vrouw 10 Een sterke vrouw, wie kan haar vinden? Haar waarde ligt ver boven die van parels.
יִמְצָ֑א
(yimtsa)
kan vinden
מִפְּנִינִ֣ים
(mipeninim)
van parels
מִכְרָֽהּ
(mikhrah)
haar waarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier tot en met vers 31 begint elk vers met de volgende letter van het Hebreeuwse alfabet, van alef tot tav (een acrostichon).
In de vertaling is dat niet na te bootsen.
אֵשֶׁת חַיִל (eshet chayil), ‘een sterke vrouw’: letterlijk ‘vrouw van kracht’. חַיִל (chayil) betekent ook ‘bekwaamheid’ en ‘degelijkheid’. In Ruth 3:11 staan dezelfde woorden; daar vertalen wij ‘bekwame vrouw’.
11 Het hart van haar man vertrouwt op haar, en winst zal hem niet ontbreken.
בָּ֣טַח
(batach)
heeft vertrouwd
בַּעְלָ֑הּ
(balah)
haar man
וְ֝שָׁלָ֗ל
(veshalal)
en winst
יֶחְסָֽר
(yechsar)
ontbreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁלָל (shalal), ‘winst’: letterlijk ‘buit’.
12 Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven.
גְּמָלַ֣תְהוּ
(gemalathu)
zij heeft hem vergolden
חַיֶּֽיה
(chayei)
haar leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Zij zoekt wol en vlas, en werkt met plezier met haar handen.
דָּ֭רְשָׁה
(daresha)
zij zoekt
וּפִשְׁתִּ֑ים
(ufishtim)
en vlas
וַ֝תַּ֗עַשׂ
(vataas)
en zij werkt
בְּחֵ֣פֶץ
(bechefets)
met plezier van
כַּפֶּֽיהָ
(kapeiha)
haar handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Zij is als de schepen van een koopman; van ver brengt zij haar voedsel.
כָּאֳנִיּ֣וֹת
(kaoniyot)
als schepen van
מִ֝מֶּרְחָ֗ק
(mimerchaq)
van ver
לַחְמָֽהּ
(lachmah)
haar voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סוֹחֵר (socher), ‘koopman’: een reizend handelaar.
15 Zij staat op terwijl het nog nacht is. Zij geeft haar huis voedsel en haar meisjes hun toegemeten deel.
וַתָּ֤קָם
(vataqam)
en zij staat op
בְּע֬וֹד
(beod)
terwijl nog
וַתִּתֵּ֣ן
(vatiten)
en zij geeft
לְבֵיתָ֑הּ
(leveitah)
aan haar huis
וְ֝חֹ֗ק
(vechoq)
en een toegemeten deel
לְנַעֲרֹתֶֽיהָ
(lenaaroteiha)
aan haar meisjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טֶרֶף (teref), ‘voedsel’: letterlijk ‘buit, wat gevangen is’.
חֹק (choq), ‘toegemeten deel’: wat voor iedereen is vastgesteld, zoals in Spr. 30:8.
נְעָרוֹת (na‘arot), ‘meisjes’: jonge dienaressen.
16 Zij overweegt een veld en koopt het. Van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard.
זָמְמָ֣ה
(zamema)
zij overweegt
וַתִּקָּחֵ֑הוּ
(vatiqachehu)
en zij neemt het
מִפְּרִ֥י
(miperi)
van de vrucht van
כַ֝פֶּ֗יהָ
(kapeiha)
haar handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זָמְמָה (zamemah), ‘zij overweegt’: zij maakt een plan.
וַתִּקָּחֵהוּ (vattiqqachehu), ‘en zij neemt het’: hier betekent het ‘zij koopt het’.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is נטע (zonder klinkers).
De te lezen vorm (qere) is נָטְעָה (nat‘ah), ‘zij plant’.
Wij volgen de qere.
17 Zij omgordt haar lenden met kracht en maakt haar armen sterk.
חָֽגְרָ֣ה
(chagera)
zij omgordt
מָתְנֶ֑יהָ
(mateneiha)
haar lenden
וַ֝תְּאַמֵּ֗ץ
(vateamets)
en zij maakt sterk
זְרֹעוֹתֶֽיהָ
(zerooteiha)
haar armen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Zij proeft dat haar handel goed is. In de nacht dooft haar lamp niet.
טָ֭עֲמָה
(taama)
zij proeft
סַחְרָ֑הּ
(sachrah)
haar handel
בַלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טָעֲמָה (ta‘amah), ‘zij proeft’: zij ervaart het zelf.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is בליל (balayl), ‘in de nacht’.
De te lezen vorm (qere) is בַּלַּיְלָה (ballaylah), met dezelfde betekenis.
Wij vertalen ‘in de nacht’.
19 Zij steekt haar handen uit naar de spinrok, en haar handpalmen houden de spil vast.
יָ֭דֶיהָ
(yadeiha)
haar handen
שִׁלְּחָ֣ה
(shilecha)
zij steekt uit
בַכִּישׁ֑וֹר
(bakishor)
naar de spinrok
וְ֝כַפֶּ֗יהָ
(vekhapeiha)
en haar handpalmen
תָּ֣מְכוּ
(tamekhu)
houden vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּישׁוֹר (kishor), ‘spinrok’, en פֶּלֶךְ (pelech), ‘spil’: de betekenis is gangbaar maar niet helemaal zeker.
20 Haar handpalm spreidt zij uit naar de ellendige, en haar handen steekt zij uit naar de arme.
כַּ֭פָּהּ
(kapah)
haar handpalm
פָּרְשָׂ֣ה
(paresa)
zij spreidt uit
לֶעָנִ֑י
(leani)
naar de ellendige
וְ֝יָדֶ֗יהָ
(veyadeiha)
en haar handen
שִׁלְּחָ֥ה
(shilecha)
zij steekt uit
לָֽאֶבְיֽוֹן
(laevyon)
naar de arme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Zij vreest de sneeuw niet voor haar huis, want heel haar huis is gekleed in karmozijn.
לְבֵיתָ֣הּ
(leveitah)
voor haar huis
מִשָּׁ֑לֶג
(mishaleg)
vanwege sneeuw
בֵּ֝יתָ֗הּ
(beitah)
haar huis
שָׁנִֽים
(shanim)
in karmozijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁנִים (shanim), ‘karmozijn’: roodgeverfde stof, zoals in Exod. 26:1 (‘karmozijnrood garen’).
Het woord kan ook ‘dubbel’ betekenen (שְׁנָיִם , shenayim): dubbel gekleed tegen de kou.
Wij vertalen ‘karmozijn’.
22 Dekens maakt zij voor zichzelf. Fijn linnen en roodpurper is haar kleding.
מַרְבַדִּ֥ים
(marvadim)
dekens
עָֽשְׂתָה
(aseta)
zij maakt
וְאַרְגָּמָ֣ן
(veargaman)
en roodpurper
לְבוּשָֽׁהּ
(levushah)
haar kleding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַרְבַדִּים (marvaddim), ‘dekens’: kleden of dekens voor het bed.
שֵׁשׁ (shesh), ‘fijn linnen’, en אַרְגָּמָן (argaman), ‘roodpurper’: zoals in Exodus.
23 Haar man is bekend in de poorten, als hij zit bij de oudsten van het land.
בַּשְּׁעָרִ֣ים
(bashearim)
in de poorten
בַּעְלָ֑הּ
(balah)
haar man
בְּ֝שִׁבְתּ֗וֹ
(beshivto)
als hij zit
זִקְנֵי
(ziqnei)
oudsten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De poort is de plaats waar recht wordt gesproken en de stad wordt bestuurd.
24 Linnen hemden maakt zij en verkoopt ze, en een gordel levert zij aan de handelaar.
סָדִ֣ין
(sadin)
linnen hemden
עָ֭שְׂתָה
(aseta)
zij maakt
וַתִּמְכֹּ֑ר
(vatimkor)
en zij verkoopt
וַ֝חֲג֗וֹר
(vachagor)
en een gordel
נָתְנָ֥ה
(natena)
zij levert
לַֽכְּנַעֲנִֽי
(lakenaani)
aan de handelaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָדִין (sadin), ‘linnen hemd’: een kledingstuk van fijn linnen.
הַכְּנַעֲנִי (hakkena‘ani), letterlijk ‘de Kanaäniet’: de Kanaänieten stonden bekend als handelaren.
Wij vertalen ‘de handelaar’.
25 Kracht en luister zijn haar kleding, en zij lacht om de dag die komt.
וְהָדָ֥ר
(vehadar)
en luister
לְבוּשָׁ֑הּ
(levushah)
haar kleding
וַ֝תִּשְׂחַ֗ק
(vatischaq)
en zij lacht
אַחֲרֽוֹן
(acharon)
die komt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְיוֹם אַחֲרוֹן (leyom acharon), ‘om de dag die komt’: letterlijk ‘om de laatste dag’, de toekomst.
26 Haar mond opent zij met wijsheid, en onderwijs van trouw ligt op haar tong.
פָּתְחָ֣ה
(patecha)
zij opent
בְחָכְמָ֑ה
(bechakhema)
met wijsheid
וְתֽוֹרַת
(vetorat)
en onderwijs van
לְשׁוֹנָֽהּ
(leshonah)
haar tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרַת חֶסֶד (torat chesed), ‘onderwijs van trouw’: תּוֹרָה (torah) is hier het onderwijs dat zij geeft, zoals in Spr. 1:8.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid.
27 Zij houdt de gang van haar huis in het oog, en het brood van de luiheid eet zij niet.
צ֭וֹפִיָּה
(tsofiya)
zij houdt in het oog
הֲלִיכ֣וֹת
(halikhot)
de gang van
בֵּיתָ֑הּ
(beitah)
haar huis
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood van
עַ֝צְל֗וּת
(atslut)
luiheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹפִיָּה (tsofiyyah), ‘zij houdt in het oog’: zij let op, zij kijkt uit over.
הֲלִיכוֹת (halikhot), ‘gang’: letterlijk ‘gangen, wegen’.
28 Haar zonen staan op en noemen haar gelukkig; haar man, ook hij prijst haar:
בָ֭נֶיהָ
(baneiha)
haar zonen
וַֽיְאַשְּׁר֑וּהָ
(vayasheruha)
en noemen haar gelukkig
בַּ֝עְלָ֗הּ
(balah)
haar man
וַֽיְהַֽלְלָהּ
(vayhallah)
en hij prijst haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 „Veel dochters hebben kracht getoond, maar jij gaat hen allen te boven.”
עָ֣שׂוּ
(asu)
hebben getoond
עָלִ֥ית
(alit)
gaat boven uit
כֻּלָּֽנָה
(kulana)
hen allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt niet wie vers 29 spreekt.
Wij lezen het als de woorden van de zonen en de man uit vers 28 en zetten het tussen aanhalingstekens.
עָשׂוּ חַיִל (asu chayil), ‘zij hebben kracht getoond’: of ‘zij hebben zich bekwaam gedragen’.
30 Bevalligheid is bedrog en schoonheid is damp; een vrouw die Yahweh vreest, zij zal geprezen worden.
הַ֭חֵן
(hachen)
de bevalligheid
הַיֹּ֑פִי
(hayofi)
de schoonheid
תִתְהַלָּֽל
(tithalal)
zal geprezen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵן (chen), ‘bevalligheid’: elders vertalen wij ‘gunst’.
הֶבֶל (hevel), ‘damp’: iets vluchtigs dat verdwijnt.
יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag; zie Spr. 1:7. Hier staat het in het Hebreeuws als ‘vrouw van vrees voor Yahweh’.
תִתְהַלָּל (tithallal): kan ook ‘zij zal zich beroemen’ betekenen. Wij vertalen ‘zij zal geprezen worden’.
31 Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
יָדֶ֑יהָ
(yadeiha)
haar handen
וִֽיהַלְל֖וּהָ
(vihalluha)
en laat prijzen haar
בַשְּׁעָרִ֣ים
(bashearim)
in de poorten
מַעֲשֶֽׂיהָ
(maaseiha)
haar werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)