Elohim Bijbel

Genesis 36

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Ezau en Edom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ezau en zijn vrouwen

1Dit is de geschiedenis van Ezau, dat is Edom.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
תֹּלְד֥וֹת
(toledot)
geschiedenis van
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
ה֥וּא
(hu)
hij
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תלדות עשׂו (toledot Esav), ‘de geschiedenis van Ezau’: zie 25:12, 19.

הוא אדום (hu Edom), ‘dat is Edom’: zie 25:30.

2Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän: Ada, de dochter van Elon, de Hetiet, en Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de Chiviet,
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
לָקַ֥ח
(laqach)
hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
מִבְּנ֣וֹת
(mibenot)
van de dochters van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עָדָ֗ה
(ada)
Ada
בַּת
(bat)
dochter van
אֵילוֹן֙
(eilon)
Elon
הַֽחִתִּ֔י
(hachiti)
de Hetiet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אָהֳלִֽיבָמָה֙
(aholivama)
Oholibama
בַּת
(bat)
dochter van
עֲנָ֔ה
(ana)
Ana
בַּת
(bat)
dochter van
צִבְע֖וֹן
(tsivon)
Sibeon
הַֽחִוִּֽי
(hachivi)
de Chiviet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואת אהליבמה בת ענה בת צבעון החוי (ve’et Oholivamah bat Anah bat Tsiv’on haChivi), ‘Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de Chiviet’: Ana is volgens vers 24 en 25 een zoon van Sibeon; ‘dochter van Sibeon’ is dus ‘kleindochter’.

Sibeon heet in vers 20 en 29 een Choriet.

De vrouwen van Ezau heten hier anders dan in 26:34 en 28:9: Ada, Oholibama en Basemat, tegenover Jehudit, Basemat en Machalat.

Mogelijk droegen zij meer dan één naam.

3en Basemat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּשְׂמַ֥ת
(basemat)
Basemat
בַּת
(bat)
dochter van
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Ismaël
אֲח֥וֹת
(achot)
zus van
נְבָיֽוֹת
(nevayot)
Nebajot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בשׂמת בת ישׁמעאל אחות נביות (Basemat bat Yishma’el achot Nevayot), ‘Basemat, de dochter van Ismaël, de zus van Nebajot’: zij heet in 28:9 Machalat.

Nebajot is Ismaëls oudste zoon (zie 25:13).

4Ada baarde Ezau Elifaz, en Basemat baarde Reüel.
וַתֵּ֧לֶד
(vateled)
en ze baarde
עָדָ֛ה
(ada)
Ada
לְעֵשָׂ֖ו
(leesav)
aan Ezau
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֱלִיפָ֑ז
(elifaz)
Elifaz
וּבָ֣שְׂמַ֔ת
(uvasemat)
en Basemat
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רְעוּאֵֽל
(reuel)
Reüel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Oholibama baarde Jeüs, Jaëlam en Korach. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem in het land Kanaän geboren zijn.
וְאָהֳלִֽיבָמָה֙
(veaholivama)
en Oholibama
יָֽלְדָ֔ה
(yaleda)
ze baarde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יעיש
(ye'ush)
Jeïsj (geschreven)
יְע֥וּשׁ
(yeush)
Jeüs
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יַעְלָ֖ם
(yalam)
Jaëlam
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
קֹ֑רַח
(qorach)
Korach
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֻלְּדוּ
(yuledu)
ze werden geboren
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

Hier is de gelezen vorm gevolgd.

Lezing

Lezing: het geschreven woord is יעיש (Ye’ish), ‘Jeïsj’; de Masoreten laten het lezen als יעושׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’.

Aanvullend

Jasher 36:22 noemt Ezau’s eerste zonen en zijn drie zonen bij Oholibama.

6Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, alle personen van zijn huis, zijn kudden, al zijn dieren en al zijn bezit dat hij in het land Kanaän had verworven. Hij ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
עֵשָׂ֡ו
(esav)
Ezau
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נָ֠שָׁיו
(nashav)
zijn vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנֹתָיו֮
(benotav)
zijn dochters
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
נַפְשׁ֣וֹת
(nafshot)
zielen van
בֵּיתוֹ֒
(beito)
zijn huis
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
מִקְנֵ֣הוּ
(miqnehu)
zijn vee
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
בְּהֶמְתּ֗וֹ
(behemto)
zijn dieren
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
קִנְיָנ֔וֹ
(qinyano)
zijn bezit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָכַ֖שׁ
(rakhash)
hij had verworven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
אֶ֔רֶץ
(erets)
land
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het gezicht van
יַעֲקֹ֥ב
(yaaqov)
Jakob
אָחִֽיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

וילך אל ארץ מפני (vayelekh el erets mipnei), ‘ging naar een land, weg van’: het land wordt niet genoemd; vers 8 noemt Seïr.

Aanvullend

Jasher 36:20 zegt dat Ezau met zijn zonen naar het land Seïr trok.

Jubileeën 29:18 zegt dat Ezau al naar het gebergte Seïr was gegaan toen Jakob naar Mesopotamië vertrok.

7Want hun bezit was te groot om samen te wonen, en het land waar ze als vreemdelingen woonden, kon hen vanwege hun kudden niet dragen.
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֧ה
(haya)
was
רְכוּשָׁ֛ם
(rekhusham)
hun bezit
רָ֖ב
(rav)
groot
מִשֶּׁ֣בֶת
(mishevet)
om te wonen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
יָֽכְלָ֜ה
(yakhela)
kon
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land
מְגֽוּרֵיהֶם֙
(megureihem)
van hun vreemdelingschap
לָשֵׂ֣את
(laset)
om te dragen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
מִקְנֵיהֶֽם
(miqneihem)
hun kudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

היה רכושׁם רב (hayah rekhusham rav), ‘hun bezit was groot’: dezelfde reden als bij Abraham en Lot (zie 13:6).

8Ezau woonde in het bergland Seïr. Ezau is Edom.
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
עֵשָׂו֙
(esav)
Ezau
בְּהַ֣ר
(behar)
op het gebergte
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
ה֥וּא
(hu)
hij
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

בהר שׂעיר (behar Se’ir), ‘in het bergland Seïr’: zie 32:4.

De zonen van Ezau

9Dit is de geschiedenis van Ezau, de vader van Edom, in het bergland Seïr.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
תֹּלְד֥וֹת
(toledot)
geschiedenis van
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
אֱד֑וֹם
(edom)
Edom
בְּהַ֖ר
(behar)
op het gebergte
שֵׂעִֽיר
(seir)
Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie ookGen 19:37
10Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, de vrouw van Ezau; Reüel, de zoon van Basemat, de vrouw van Ezau.
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
שְׁמ֣וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
אֱלִיפַ֗ז
(elifaz)
Elifaz
בֶּן
(ben)
zoon van
עָדָה֙
(ada)
Ada
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
רְעוּאֵ֕ל
(reuel)
Reüel
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּשְׂמַ֖ת
(basemat)
Basemat
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefo, Gatam en Kenaz.
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אֱלִיפָ֑ז
(elifaz)
Elifaz
תֵּימָ֣ן
(teiman)
Teman
אוֹמָ֔ר
(omar)
Omar
צְפ֥וֹ
(tsefo)
Zefo
וְגַעְתָּ֖ם
(vegatam)
en Gatam
וּקְנַֽז
(uqenaz)
en Kenaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 57:2 laat Zefo, een zoon van Elifaz, door Jozef gevangen worden.

12Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau. Zij baarde Elifaz Amalek. Dit zijn de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.
וְתִמְנַ֣ע
(vetimna)
en Timna
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
ze was
פִילֶ֗גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw
לֶֽאֱלִיפַז֙
(leelifaz)
aan Elifaz
בֶּן
(ben)
zoon van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en ze baarde
לֶאֱלִיפַ֖ז
(leelifaz)
aan Elifaz
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
אֵ֕לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עָדָ֖ה
(ada)
Ada
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותמנע היתה פילגשׁ (veTimna hayetah pilegesh), ‘Timna was een bijvrouw’: in vers 22 is Timna de zus van Lotan.

עמלק (Amaleq), ‘Amalek’: het volk dat later Israël aanvalt (zie Ex. 17:8).

Aanvullend

Jasher 36:27 vertelt dat Timna eerst naar Jakob en zijn zonen kwam, maar dat zij niet naar haar luisterden, waarna zij bijvrouw van Elifaz werd.

13Dit zijn de zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Missa. Dit waren de zonen van Basemat, de vrouw van Ezau.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
רְעוּאֵ֔ל
(reuel)
Reüel
נַ֥חַת
(nachat)
Nachat
וָזֶ֖רַח
(vazerach)
en Zerach
שַׁמָּ֣ה
(shama)
Samma
וּמִזָּ֑ה
(umiza)
en Missa
אֵ֣לֶּ֣ה
(ele)
dit
הָי֔וּ
(hayu)
ze waren
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
בָשְׂמַ֖ת
(basemat)
Basemat
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Dit waren de zonen van Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van Sibeon, de vrouw van Ezau. Zij baarde Ezau Jeüs, Jaëlam en Korach.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
הָי֗וּ
(hayu)
ze waren
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
אָהֳלִיבָמָ֧ה
(aholivama)
Oholibama
בַת
(bat)
dochter van
עֲנָ֛ה
(ana)
Ana
בַּת
(bat)
dochter van
צִבְע֖וֹן
(tsivon)
Sibeon
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
לְעֵשָׂ֔ו
(leesav)
aan Ezau
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יעיש
(ye'ush)
Jeïsj (geschreven)
יְע֥וּשׁ
(yeush)
Jeüs
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יַעְלָ֖ם
(yalam)
Jaëlam
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
קֹֽרַח
(qorach)
Korach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier is de gelezen vorm gevolgd (zie vers 5).

Lezing

Lezing: het geschreven woord is יעיש (Ye’ish), ‘Jeïsj’; de gelezen vorm is יעושׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’.

15Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau: stamhoofd Teman, stamhoofd Omar, stamhoofd Zefo, stamhoofd Kenaz,
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
stamhoofden van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עֵשָׂ֑ו
(esav)
Ezau
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
אֱלִיפַז֙
(elifaz)
Elifaz
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אַלּ֤וּף
(aluf)
stamhoofd
תֵּימָן֙
(teiman)
Teman
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
אוֹמָ֔ר
(omar)
Omar
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
צְפ֖וֹ
(tsefo)
Zefo
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
קְנַֽז
(qenaz)
Kenaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלופי (alufei), ‘stamhoofden’: aluf, ‘stamhoofd’ (zie Ex. 15:15).

Het woord hangt samen met elef, ‘duizend’, een groep of clan.

Aanvullend

Jasher 36:23–25 geeft een eigen lijst van Ezau’s nakomelingen.

16stamhoofd Korach, stamhoofd Gatam, stamhoofd Amalek. Dit zijn de stamhoofden van Elifaz in het land Edom. Dit zijn de zonen van Ada.
אַלּֽוּף
(aluf)
stamhoofd
קֹ֛רַח
(qorach)
Korach
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
גַּעְתָּ֖ם
(gatam)
Gatam
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֤י
(alufei)
stamhoofden van
אֱלִיפַז֙
(elifaz)
Elifaz
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עָדָֽה
(ada)
Ada
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Korach staat hier bij de zonen van Elifaz, maar in vers 5, 14 en 18 is hij een zoon van Oholibama.

Het kan een latere toevoeging zijn.

17Dit zijn de zonen van Reüel, de zoon van Ezau: stamhoofd Nachat, stamhoofd Zerach, stamhoofd Samma, stamhoofd Missa. Dit zijn de stamhoofden van Reüel in het land Edom. Dit zijn de zonen van Basemat, de vrouw van Ezau.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
רְעוּאֵל֙
(reuel)
Reüel
בֶּן
(ben)
zoon van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
נַ֨חַת֙
(nachat)
Nachat
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
זֶ֔רַח
(zerach)
Zerach
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
שַׁמָּ֖ה
(shama)
Samma
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
מִזָּ֑ה
(miza)
Missa
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֤י
(alufei)
stamhoofden van
רְעוּאֵל֙
(reuel)
Reüel
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אֵ֕לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
בָשְׂמַ֖ת
(basemat)
Basemat
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

18Dit zijn de zonen van Oholibama, de vrouw van Ezau: stamhoofd Jeüs, stamhoofd Jaëlam, stamhoofd Korach. Dit zijn de stamhoofden van Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Ezau.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
אָהֳלִֽיבָמָה֙
(aholivama)
Oholibama
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
יְע֛וּשׁ
(yeush)
Jeüs
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
יַעְלָ֖ם
(yalam)
Jaëlam
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
קֹ֑רַח
(qorach)
Korach
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֞י
(alufei)
stamhoofden van
אָֽהֳלִיבָמָ֛ה
(aholivama)
Oholibama
בַּת
(bat)
dochter van
עֲנָ֖ה
(ana)
Ana
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Dit zijn de zonen van Ezau, en dit zijn hun stamhoofden. Hij is Edom.
אֵ֧לֶּה
(ele)
dit
בְנֵי
(benei)
zonen van
עֵשָׂ֛ו
(esav)
Ezau
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit
אַלּוּפֵיהֶ֖ם
(alufeihem)
hun stamhoofden
ה֥וּא
(hu)
hij
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Seïr, de Choriet

20Dit zijn de zonen van Seïr, de Choriet, de bewoners van het land: Lotan, Sobal, Sibeon, Ana,
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
שֵׂעִיר֙
(seir)
Seïr
הַחֹרִ֔י
(hachori)
de Choriet
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
לוֹטָ֥ן
(lotan)
Lotan
וְשׁוֹבָ֖ל
(veshoval)
en Sobal
וְצִבְע֥וֹן
(vetsivon)
en Sibeon
וַעֲנָֽה
(vaana)
en Ana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

החרי (haChori), ‘de Choriet’: de oorspronkelijke bewoners van Seïr (zie 14:6; Deut. 2:12).

Aanvullend

Jasher 36:26 noemt Seïrs zeven zonen.

21Dison, Eser en Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van Seïr, in het land Edom.
וְדִשׁ֥וֹן
(vedishon)
en Dison
וְאֵ֖צֶר
(veetser)
en Eser
וְדִישָׁ֑ן
(vedishan)
en Disan
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֧י
(alufei)
stamhoofden van
הַחֹרִ֛י
(hachori)
de Chorieten
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
שֵׂעִ֖יר
(seir)
Seïr
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

22De zonen van Lotan waren Hori en Heman. De zus van Lotan was Timna.
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְנֵי
(benei)
zonen van
לוֹטָ֖ן
(lotan)
Lotan
חֹרִ֣י
(chori)
Hori
וְהֵימָ֑ם
(veheimam)
en Heman
וַאֲח֥וֹת
(vaachot)
en zus van
לוֹטָ֖ן
(lotan)
Lotan
תִּמְנָֽע
(timna)
Timna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואחות לוטן תמנע (va’achot Lotan Timna), ‘de zus van Lotan was Timna’: zie vers 12.

Aanvullend

Jasher 36:27 zegt hetzelfde.

23Dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, Manachat, Ebal, Sefo en Onam.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
שׁוֹבָ֔ל
(shoval)
Sobal
עַלְוָ֥ן
(alvan)
Alvan
וּמָנַ֖חַת
(umanachat)
en Manachat
וְעֵיבָ֑ל
(veeival)
en Ebal
שְׁפ֖וֹ
(shefo)
Sefo
וְאוֹנָֽם
(veonam)
en Onam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Dit zijn de zonen van Sibeon: Ajja en Ana. Dat is de Ana die de yemim vond in de woestijn toen hij de ezels van zijn vader Sibeon hoedde.
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
צִבְע֖וֹן
(tsivon)
Sibeon
וְאַיָּ֣ה
(veaya)
en Ajja
וַעֲנָ֑ה
(vaana)
en Ana
ה֣וּא
(hu)
hij
עֲנָ֗ה
(ana)
Ana
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
מָצָ֤א
(matsa)
hij vond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיֵּמִם֙
(hayemim)
de yemim
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
בִּרְעֹת֥וֹ
(biroto)
bij zijn hoeden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַחֲמֹרִ֖ים
(hachamorim)
de ezels
לְצִבְע֥וֹן
(letsivon)
van Sibeon
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הימם (hayemim), ‘de yemim’: een woord dat verder niet voorkomt en waarvan de betekenis onzeker is.

Vertalingen kiezen ‘warme bronnen’, ‘muildieren’ of ‘reuzen’.

Hier is het niet vertaald.

Aanvullend

Jasher 36:28–35 vertelt dat Ana in de woestijn vreemde wezens zag die zijn ezels meenamen.

25Dit zijn de kinderen van Ana: Dison en Oholibama, de dochter van Ana.
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עֲנָ֖ה
(ana)
Ana
דִּשֹׁ֑ן
(dishon)
Dison
וְאָהֳלִיבָמָ֖ה
(veaholivama)
en Oholibama
בַּת
(bat)
dochter van
עֲנָֽה
(ana)
Ana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, Esban, Jitran en Keran.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
דִישָׁ֑ן
(dishan)
Dison
חֶמְדָּ֥ן
(chemdan)
Hemdan
וְאֶשְׁבָּ֖ן
(veeshban)
en Esban
וְיִתְרָ֥ן
(veyitran)
en Jitran
וּכְרָֽן
(ukheran)
en Keran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 36:36 noemt als zonen van Ana: Dison en Oholibama, en als zonen van Dison: Us en Aran (Genesis 36:28 noemt Us en Aran bij Disan).

27Dit zijn de zonen van Eser: Bilhan, Saävan en Akan.
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵי
(benei)
zonen van
אֵ֑צֶר
(etser)
Eser
בִּלְהָ֥ן
(bilhan)
Bilhan
וְזַעֲוָ֖ן
(vezaavan)
en Saävan
וַעֲקָֽן
(vaaqan)
en Akan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Dit zijn de zonen van Disan: Us en Aran.
אֵ֥לֶּה
(ele)
dit
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
דִישָׁ֖ן
(dishan)
Disan
ע֥וּץ
(uts)
Us
וַאֲרָֽן
(vaaran)
en Aran
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten: stamhoofd Lotan, stamhoofd Sobal, stamhoofd Sibeon, stamhoofd Ana,
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
stamhoofden van
הַחֹרִ֑י
(hachori)
de Chorieten
אַלּ֤וּף
(aluf)
stamhoofd
לוֹטָן֙
(lotan)
Lotan
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
שׁוֹבָ֔ל
(shoval)
Sobal
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
צִבְע֖וֹן
(tsivon)
Sibeon
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
עֲנָֽה
(ana)
Ana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30stamhoofd Dison, stamhoofd Eser, stamhoofd Disan. Dit zijn de stamhoofden van de Chorieten, volgens hun stamhoofden in het land Seïr.
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
דִּשֹׁ֛ן
(dishon)
Dison
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
אֵ֖צֶר
(etser)
Eser
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
דִּישָׁ֑ן
(dishan)
Disan
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֧י
(alufei)
stamhoofden van
הַחֹרִ֛י
(hachori)
de Chorieten
לְאַלֻּפֵיהֶ֖ם
(lealufeihem)
volgens hun stamhoofden
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
שֵׂעִֽיר
(seir)
Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

De koningen van Edom

31Dit zijn de koningen die in het land Edom regeerden, voordat een koning regeerde over de Israëlieten.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
הַמְּלָכִ֔ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מָלְכ֖וּ
(malekhu)
ze regeerden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֱד֑וֹם
(edom)
Edom
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voordat
מְלָךְ
(melakh)
regeerde
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
לִבְנֵ֥י
(livnei)
over de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

לפני מלך מלך לבני ישׂראל (lifnei melekh melekh livnei Yisra’el), ‘voordat een koning regeerde over de Israëlieten’: de woorden wijzen op een tijd waarin Israël al koningen had; de lijst is dus later opgesteld of aangevuld.

32In Edom regeerde Bela, de zoon van Beor. De naam van zijn stad was Dinhaba.
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
בֶּאֱד֔וֹם
(beedom)
in Edom
בֶּ֖לַע
(bela)
Bela
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּע֑וֹר
(beor)
Beor
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
דִּנְהָֽבָה
(dinhava)
Dinhaba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בלע בן בעור (Bela ben Be’or), ‘Bela, de zoon van Beor’: de lijst staat ook in 1 Kronieken 1:43–50.

דנהבה (Dinhavah), ‘Dinhaba’: een stad in Edom, niet nader te plaatsen.

Aanvullend

Jasher 57:17 zegt dat Dinhaba de stad van Angeas, de koning van Afrika, was; Genesis noemt Bela, de zoon van Beor, als koning in Dinhaba.

33Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerach, uit Bozra, regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
בָּ֑לַע
(bala)
Bela
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
יוֹבָ֥ב
(yovav)
Jobab
בֶּן
(ben)
zoon van
זֶ֖רַח
(zerach)
Zerach
מִבָּצְרָֽה
(mibatsera)
uit Bozra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom.

34Jobab stierf, en Husam uit het land van de Temanieten regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
יוֹבָ֑ב
(yovav)
Jobab
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
חֻשָׁ֖ם
(chusham)
Husam
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
הַתֵּימָנִֽי
(hateimani)
de Temaniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg op het veld van Moab, regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Avit.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
חֻשָׁ֑ם
(chusham)
Husam
וַיִּמְלֹ֨ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֜יו
(tachtav)
in zijn plaats
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּדַ֗ד
(bedad)
Bedad
הַמַּכֶּ֤ה
(hamake)
die versloeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
op het veld van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
עֲוִֽית
(avit)
Avit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

מדין בשׂדה מואב (Midyan besedeh Mo’av), ‘Midian op het veld van Moab’: zie 25:2; Num. 22:4.

36Hadad stierf, en Samla uit Masreka regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
הֲדָ֑ד
(hadad)
Hadad
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
שַׂמְלָ֖ה
(samla)
Samla
מִמַּשְׂרֵקָֽה
(mimasreqa)
uit Masreka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Samla stierf, en Saul uit Rechobot aan de rivier regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
שַׂמְלָ֑ה
(samla)
Samla
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
מֵרְחֹב֥וֹת
(merechovot)
uit Rechobot
הַנָּהָֽר
(hanahar)
aan de rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מרחבות הנהר (merechovot hanahar), ‘uit Rechobot aan de rivier’: welke rivier bedoeld is, is onzeker.

Aanvullend

Jasher 69:2 laat Saul uit Petora aan de rivier komen; Genesis noemt Rechobot aan de rivier.

38Saul stierf, en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּמְלֹ֣ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֖ן
(chanan)
Hanan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּֽוֹר
(akhbor)
Achbor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 38:22
39Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pau, en de naam van zijn vrouw was Mehetabel, de dochter van Matred, de dochter van Me-Zahab.
וַיָּמָת֮
(vayamat)
en hij stierf
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֣ן
(chanan)
Hanan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּוֹר֒
(akhbor)
Achbor
וַיִּמְלֹ֤ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
תַּחְתָּיו֙
(tachtav)
in zijn plaats
הֲדַ֔ר
(hadar)
Hadar
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
פָּ֑עוּ
(pau)
Pau
וְשֵׁ֨ם
(veshem)
en naam van
אִשְׁתּ֤וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מְהֵֽיטַבְאֵל֙
(meheitavel)
Mehetabel
בַּת
(bat)
dochter van
מַטְרֵ֔ד
(matred)
Matred
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
מֵ֥י
(mei)
water van
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De stamhoofden van Edom

40Dit zijn de namen van de stamhoofden van Ezau, volgens hun families, hun woonplaatsen en hun namen: stamhoofd Timna, stamhoofd Alwa, stamhoofd Jetet,
וְ֠אֵלֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֞וֹת
(shemot)
namen van
אַלּוּפֵ֤י
(alufei)
stamhoofden van
עֵשָׂו֙
(esav)
Ezau
לְמִשְׁפְּחֹתָ֔ם
(lemishpechotam)
volgens hun families
לִמְקֹמֹתָ֖ם
(limqomotam)
volgens hun woonplaatsen
בִּשְׁמֹתָ֑ם
(bishmotam)
bij hun namen
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
תִּמְנָ֛ע
(timna)
Timna
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
עַֽלְוָ֖ה
(alva)
Alwa
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
יְתֵֽת
(yetet)
Jetet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41stamhoofd Oholibama, stamhoofd Ela, stamhoofd Pinon,
אַלּ֧וּף
(aluf)
stamhoofd
אָהֳלִיבָמָ֛ה
(aholivama)
Oholibama
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
פִּינֹֽן
(pinon)
Pinon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42stamhoofd Kenaz, stamhoofd Teman, stamhoofd Mibsar,
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
קְנַ֛ז
(qenaz)
Kenaz
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
תֵּימָ֖ן
(teiman)
Teman
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
מִבְצָֽר
(mivtsar)
Mibsar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43stamhoofd Magdiël, stamhoofd Iram. Dit zijn de stamhoofden van Edom, volgens hun woonplaatsen in het land van hun bezit. Dat is Ezau, de vader van Edom.
אַלּ֥וּף
(aluf)
stamhoofd
מַגְדִּיאֵ֖ל
(magdiel)
Magdiël
אַלּ֣וּף
(aluf)
stamhoofd
עִירָ֑ם
(iram)
Iram
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
אַלּוּפֵ֣י
(alufei)
stamhoofden van
אֱד֗וֹם
(edom)
Edom
לְמֹֽשְׁבֹתָם֙
(lemoshevotam)
volgens hun woonplaatsen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אֲחֻזָּתָ֔ם
(achuzatam)
van hun bezit
ה֥וּא
(hu)
hij
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
אֱדֽוֹם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בארץ אחזתם (be’erets achuzatam), ‘in het land van hun bezit’.

הוא עשׂו אבי אדום (hu Esav avi Edom), ‘dat is Ezau, de vader van Edom’.