Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jakob bij de put
1Jakob ging weer op weg en kwam in het land van de zonen van het oosten.
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn voeten
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
בְנֵי
(benei)
zonen van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וישׂא יעקב רגליו (vayissa Ya’aqov raglav), ‘Jakob hief zijn voeten op’: een uitdrukking voor ‘op weg gaan’, met nieuwe kracht na de droom (zie 28:12–15).
בני קדם (benei qedem), ‘zonen van het oosten’: de stammen ten oosten van Kanaän (zie 25:6).
Aanvullend
Jasher 30:4 zegt dat Jakob terugkeerde naar Charan en bij de herdersput ging zitten.
2Hij keek, en zie, er was een put in het veld. En zie, er lagen drie kudden schapen bij, want uit die put werden de kudden gedrenkt. De steen op de opening van de put was groot.
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
בְאֵ֣ר
(beer)
put
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֞ם
(sham)
daar
שְׁלֹשָׁ֤ה
(shelosha)
drie
עֶדְרֵי
(edrei)
kudden van
צֹאן֙
(tson)
kleinvee
רֹבְצִ֣ים
(rovetsim)
liggend
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erbij
כִּ֚י
(ki)
want
מִן
(min)
uit
הַבְּאֵ֣ר
(habeer)
de put
הַהִ֔וא
(hahi)
die
יַשְׁק֖וּ
(yashqu)
laten drinken
הָעֲדָרִ֑ים
(haadarim)
de kudden
וְהָאֶ֥בֶן
(vehaeven)
en de steen
גְּדֹלָ֖ה
(gedola)
groot
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
opening van
הַבְּאֵֽר
(habeer)
de put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Daar werden alle kudden bijeengebracht. Dan rolden de herders de steen van de opening van de put en gaven de schapen te drinken. Ze legden de steen weer op de opening van de put, op zijn plaats.
וְנֶאֶסְפוּ
(veneesfu)
en ze werden verzameld
שָׁ֣מָּה
(shama)
daarheen
כָל
(kal)
alle
הָעֲדָרִ֗ים
(haadarim)
de kudden
וְגָלֲל֤וּ
(vegalalu)
en ze rolden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מֵעַל֙
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֔ר
(habeer)
de put
וְהִשְׁק֖וּ
(vehishqu)
en ze lieten drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַצֹּ֑אן
(hatson)
het kleinvee
וְהֵשִׁ֧יבוּ
(veheshivu)
en ze brachten terug
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֛בֶן
(haeven)
de steen
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֖ר
(habeer)
de put
לִמְקֹמָֽהּ
(limqomah)
op zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וגללו את האבן (vegalelu et ha’even), ‘ze rolden de steen’: de steen sloot de put af en beschermde het water (zie vers 8).
8Ze zeiden: „Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeengebracht zijn en men de steen van de opening van de put gerold heeft. Dan geven we de schapen te drinken.”
וַיֹּאמְרוּ֮
(vayomru)
en ze zeiden
לֹ֣א
(lo)
niet
נוּכַל֒
(nukhal)
we kunnen
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יֵאָֽסְפוּ֙
(yeasefu)
ze bijeengebracht zijn
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עֲדָרִ֔ים
(haadarim)
de kudden
וְגָֽלֲלוּ֙
(vegalalu)
en men rolt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֔בֶן
(haeven)
de steen
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֑ר
(habeer)
de put
וְהִשְׁקִ֖ינוּ
(vehishqinu)
en we laten drinken
הַצֹּֽאן
(hatson)
het kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, en de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, ging Jakob naar voren. Hij rolde de steen van de opening van de put en gaf de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, te drinken.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
toen
רָאָ֨ה
(raa)
zag
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
בַּת
(bat)
dochter van
לָבָן֙
(lavan)
Laban
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיִּגַּ֣שׁ
(vayigash)
en hij kwam naar voren
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וַיָּ֤גֶל
(vayagel)
en hij rolde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מֵעַל֙
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֔ר
(habeer)
de put
וַיַּ֕שְׁקְ
(vayashq)
en hij liet drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יעקב ויגל את האבן מעל פי הבאר (vayigash Ya’aqov vayegel et ha’even), ‘Jakob ging naar voren en rolde de steen weg’: de herders wachtten tot alle kudden er waren (zie vers 8); Jakob rolt de steen alleen weg.
13Toen Laban hoorde over Jakob, de zoon van zijn zus, rende hij hem tegemoet. Hij omhelsde hem, kuste hem en bracht hem naar zijn huis. Jakob vertelde Laban al deze dingen.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hij hoorde
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׁ֣מַע
(shema)
bericht over
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחֹת֗וֹ
(achoto)
zijn zus
וַיָּ֤רָץ
(vayarats)
en hij rende
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
וַיְחַבֶּק
(vaychabeq)
en hij omhelsde
לוֹ֙
(lo)
hem
וַיְנַשֶּׁק
(vaynasheq)
en hij kuste
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיְבִיאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַיְסַפֵּ֣ר
(vaysaper)
en hij vertelde
לְלָבָ֔ן
(lelavan)
aan Laban
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de dingen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויחבק לו וינשׁק (vayechabeq lo vayenashheq lo), ‘hij omhelsde hem en kuste hem’: een warme ontvangst, zoals Ezau later Jakob ontvangt (zie 33:4).
Aanvullend
Jasher 30:10 zegt dat Laban hem tegemoetliep, kuste en omhelsde.
33Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Yahweh heeft gehoord dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze gegeven.” Ze noemde hem Simeon.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
עוֹד֮
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּן֒
(ben)
zoon
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֤ע
(shama)
Hij heeft gehoord
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
שְׂנוּאָ֣ה
(senua)
niet bemind
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
לִ֖י
(li)
aan mij
גַּם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זֶ֑ה
(ze)
deze
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁמע יהוה (shama YHWH), ‘Yahweh heeft gehoord’: Shim’on klinkt als shama, ‘horen’.
34Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Nu zal mijn man zich deze keer aan mij verbinden, want ik heb hem drie zonen gebaard.” Daarom noemde men hem Levi.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
עוֹד֮
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּן֒
(ben)
zoon
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
עַתָּ֤ה
(ata)
nu
הַפַּ֨עַם֙
(hapaam)
deze keer
יִלָּוֶ֤ה
(yilave)
zal zich verbinden
אִישִׁי֙
(ishi)
mijn man
אֵלַ֔י
(elay)
aan mij
כִּֽי
(ki)
want
יָלַ֥דְתִּי
(yaladti)
ik heb gebaard
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרָֽא
(qara)
men noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ילוה (yillaveh), ‘zal zich verbinden’: Levi klinkt als lavah, ‘zich verbinden’.