Elohim Bijbel

Genesis 29

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jakob bij Laban

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob bij de put

1Jakob ging weer op weg en kwam in het land van de zonen van het oosten.
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn voeten
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
בְנֵי
(benei)
zonen van
קֶֽדֶם
(qedem)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׂא יעקב רגליו (vayissa Ya’aqov raglav), ‘Jakob hief zijn voeten op’: een uitdrukking voor ‘op weg gaan’, met nieuwe kracht na de droom (zie 28:12–15).

בני קדם (benei qedem), ‘zonen van het oosten’: de stammen ten oosten van Kanaän (zie 25:6).

Aanvullend

Jasher 30:4 zegt dat Jakob terugkeerde naar Charan en bij de herdersput ging zitten.

2Hij keek, en zie, er was een put in het veld. En zie, er lagen drie kudden schapen bij, want uit die put werden de kudden gedrenkt. De steen op de opening van de put was groot.
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
בְאֵ֣ר
(beer)
put
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֞ם
(sham)
daar
שְׁלֹשָׁ֤ה
(shelosha)
drie
עֶדְרֵי
(edrei)
kudden van
צֹאן֙
(tson)
kleinvee
רֹבְצִ֣ים
(rovetsim)
liggend
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erbij
כִּ֚י
(ki)
want
מִן
(min)
uit
הַבְּאֵ֣ר
(habeer)
de put
הַהִ֔וא
(hahi)
die
יַשְׁק֖וּ
(yashqu)
laten drinken
הָעֲדָרִ֑ים
(haadarim)
de kudden
וְהָאֶ֥בֶן
(vehaeven)
en de steen
גְּדֹלָ֖ה
(gedola)
groot
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
opening van
הַבְּאֵֽר
(habeer)
de put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Daar werden alle kudden bijeengebracht. Dan rolden de herders de steen van de opening van de put en gaven de schapen te drinken. Ze legden de steen weer op de opening van de put, op zijn plaats.
וְנֶאֶסְפוּ
(veneesfu)
en ze werden verzameld
שָׁ֣מָּה
(shama)
daarheen
כָל
(kal)
alle
הָעֲדָרִ֗ים
(haadarim)
de kudden
וְגָלֲל֤וּ
(vegalalu)
en ze rolden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מֵעַל֙
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֔ר
(habeer)
de put
וְהִשְׁק֖וּ
(vehishqu)
en ze lieten drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַצֹּ֑אן
(hatson)
het kleinvee
וְהֵשִׁ֧יבוּ
(veheshivu)
en ze brachten terug
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֛בֶן
(haeven)
de steen
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֖ר
(habeer)
de put
לִמְקֹמָֽהּ
(limqomah)
op zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וגללו את האבן (vegalelu et ha’even), ‘ze rolden de steen’: de steen sloot de put af en beschermde het water (zie vers 8).

Zie ookGen 29:8
4Jakob zei tegen hen: „Mijn broers, waar komen jullie vandaan?” Ze zeiden: „Uit Charan.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אַחַ֖י
(achay)
mijn broers
מֵאַ֣יִן
(meayin)
vanwaar
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
מֵחָרָ֖ן
(mecharan)
uit Charan
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië.

Uitleg

מחרן (miCharan), ‘uit Charan’: zie 11:31; 28:10.

Aanvullend

Jasher 30:5–6 vertelt hetzelfde gesprek met de herders.

5Hij zei tegen hen: „Kennen jullie Laban, de zoon van Nachor?” Ze zeiden: „We kennen hem.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
הַיְדַעְתֶּ֖ם
(haydatem)
kennen jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לָבָ֣ן
(lavan)
Laban
בֶּן
(ben)
zoon van
נָח֑וֹר
(nachor)
Nachor
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
יָדָֽעְנוּ
(yadaenu)
we kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij zei tegen hen: „Gaat het goed met hem?” Ze zeiden: „Het gaat goed. En zie, daar komt zijn dochter Rachel met de schapen.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֖ם
(lahem)
tot hen
הֲשָׁל֣וֹם
(hashalom)
vrede
ל֑וֹ
(lo)
met hem
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
רָחֵ֣ל
(rachel)
Rachel
בִּתּ֔וֹ
(bito)
zijn dochter
בָּאָ֖ה
(baa)
komend
עִם
(im)
met
הַצֹּֽאן
(hatson)
het kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

השׁלום (hashalom lo), ‘gaat het goed met hem?’: letterlijk ‘is er vrede voor hem?’.

7Hij zei: „Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd om de kudden bijeen te brengen. Geef de schapen te drinken en ga ze weiden.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֵ֥ן
(hen)
zie
עוֹד֙
(od)
nog
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
לֹא
(lo)
niet
עֵ֖ת
(et)
tijd van
הֵאָסֵ֣ף
(heasef)
bijeenbrengen van
הַמִּקְנֶ֑ה
(hamiqne)
de kudde
הַשְׁק֥וּ
(hashqu)
laat drinken
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
וּלְכ֥וּ
(ulekhu)
en ga
רְעֽוּ
(reu)
weid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Ze zeiden: „Dat kunnen we niet, voordat alle kudden bijeengebracht zijn en men de steen van de opening van de put gerold heeft. Dan geven we de schapen te drinken.”
וַיֹּאמְרוּ֮
(vayomru)
en ze zeiden
לֹ֣א
(lo)
niet
נוּכַל֒
(nukhal)
we kunnen
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יֵאָֽסְפוּ֙
(yeasefu)
ze bijeengebracht zijn
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עֲדָרִ֔ים
(haadarim)
de kudden
וְגָֽלֲלוּ֙
(vegalalu)
en men rolt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֔בֶן
(haeven)
de steen
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֑ר
(habeer)
de put
וְהִשְׁקִ֖ינוּ
(vehishqinu)
en we laten drinken
הַצֹּֽאן
(hatson)
het kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij sprak nog met hen toen Rachel kwam met de schapen van haar vader, want zij was herderin.
עוֹדֶ֖נּוּ
(odenu)
nog
מְדַבֵּ֣ר
(medaber)
hij sprak
עִמָּ֑ם
(imam)
met hen
וְרָחֵ֣ל
(verachel)
en Rachel
בָּ֗אָה
(baa)
kwam
עִם
(im)
met
הַצֹּאן֙
(hatson)
het kleinvee
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְאָבִ֔יהָ
(leaviha)
van haar vader
כִּ֥י
(ki)
want
רֹעָ֖ה
(roa)
herderin
הִֽוא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רעה (ro’ah), ‘herderin’: Rachel hoedt de schapen van haar vader (zie Ex. 2:16).

Aanvullend

Jasher 30:7 zegt dat zij als herderin kwam.

10Toen Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, en de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, ging Jakob naar voren. Hij rolde de steen van de opening van de put en gaf de schapen van Laban, de broer van zijn moeder, te drinken.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
toen
רָאָ֨ה
(raa)
zag
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֗ל
(rachel)
Rachel
בַּת
(bat)
dochter van
לָבָן֙
(lavan)
Laban
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וַיִּגַּ֣שׁ
(vayigash)
en hij kwam naar voren
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וַיָּ֤גֶל
(vayagel)
en hij rolde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מֵעַל֙
(meal)
van op
פִּ֣י
(pi)
opening van
הַבְּאֵ֔ר
(habeer)
de put
וַיַּ֕שְׁקְ
(vayashq)
en hij liet drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צֹ֥אן
(tson)
kleinvee van
לָבָ֖ן
(lavan)
Laban
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יעקב ויגל את האבן מעל פי הבאר (vayigash Ya’aqov vayegel et ha’even), ‘Jakob ging naar voren en rolde de steen weg’: de herders wachtten tot alle kudden er waren (zie vers 8); Jakob rolt de steen alleen weg.

11Jakob kuste Rachel, verhief zijn stem en weende.
וַיִּשַּׁ֥ק
(vayishaq)
en hij kuste
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
לְרָחֵ֑ל
(lerachel)
Rachel
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij verhief
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קֹל֖וֹ
(qolo)
zijn stem
וַיֵּֽבְךְּ
(vayevek)
en hij weende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Jakob vertelde Rachel dat hij een verwant van haar vader was en dat hij de zoon van Rebekka was. Ze rende weg en vertelde het aan haar vader.
וַיַּגֵּ֨ד
(vayaged)
en hij vertelde
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
לְרָחֵ֗ל
(lerachel)
aan Rachel
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲחִ֤י
(achi)
verwant van
אָבִ֨יהָ֙
(aviha)
haar vader
ה֔וּא
(hu)
hij
וְכִ֥י
(vekhi)
en dat
בֶן
(ben)
zoon van
רִבְקָ֖ה
(rivqa)
Rebekka
ה֑וּא
(hu)
hij
וַתָּ֖רָץ
(vatarats)
en ze rende
וַתַּגֵּ֥ד
(vataged)
en ze vertelde
לְאָבִֽיהָ
(leaviha)
aan haar vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אחי אביה (achi aviha), ‘een verwant van haar vader’: letterlijk ‘een broer van haar vader’.

Ach, ‘broer’, betekent ook ‘verwant’ (zie 13:8; 14:14).

Jakob is Labans neef: zijn moeder is Labans zus.

Laban ontvangt Jakob

13Toen Laban hoorde over Jakob, de zoon van zijn zus, rende hij hem tegemoet. Hij omhelsde hem, kuste hem en bracht hem naar zijn huis. Jakob vertelde Laban al deze dingen.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hij hoorde
לָבָ֜ן
(lavan)
Laban
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׁ֣מַע
(shema)
bericht over
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחֹת֗וֹ
(achoto)
zijn zus
וַיָּ֤רָץ
(vayarats)
en hij rende
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
וַיְחַבֶּק
(vaychabeq)
en hij omhelsde
לוֹ֙
(lo)
hem
וַיְנַשֶּׁק
(vaynasheq)
en hij kuste
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיְבִיאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
אֶל
(el)
naar
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וַיְסַפֵּ֣ר
(vaysaper)
en hij vertelde
לְלָבָ֔ן
(lelavan)
aan Laban
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de dingen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויחבק לו וינשׁק (vayechabeq lo vayenashheq lo), ‘hij omhelsde hem en kuste hem’: een warme ontvangst, zoals Ezau later Jakob ontvangt (zie 33:4).

Aanvullend

Jasher 30:10 zegt dat Laban hem tegemoetliep, kuste en omhelsde.

14Laban zei tegen hem: „Jij bent werkelijk van mijn eigen vlees en bloed.” Hij bleef een maand bij hem.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
אַ֛ךְ
(akh)
immers
עַצְמִ֥י
(atsmi)
mijn gebeente
וּבְשָׂרִ֖י
(uvesari)
en mijn vlees
אָ֑תָּה
(ata)
jij
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
עִמּ֖וֹ
(imo)
bij hem
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
maand van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עצמי ובשׂרי (atsmi uvesari), ‘mijn gebeente en mijn vlees’: een uitdrukking voor naaste bloedverwantschap (zie 2:23; 2 Sam. 5:1).

חדשׁ ימים (chodesh yamim), ‘een maand’: letterlijk ‘een maand aan dagen’.

Aanvullend

Jasher 30:12 zegt ook dat Jakob een maand bij Laban verbleef.

15Laban zei tegen Jakob: „Moet je mij soms voor niets dienen, omdat je mijn verwant bent? Zeg mij wat je loon moet zijn.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
הֲכִי
(hakhi)
is het omdat
אָחִ֣י
(achi)
mijn broer
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וַעֲבַדְתַּ֖נִי
(vaavadtani)
en je zou dienen mij
חִנָּ֑ם
(chinam)
voor niets
הַגִּ֥ידָה
(hagida)
vertel
לִּ֖י
(li)
mij
מַה
(ma)
wat
מַּשְׂכֻּרְתֶּֽךָ
(maskurtekha)
je loon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ועבדתני חנם (va’avadtani chinam), ‘zou je mij voor niets dienen?’: Laban wil een loon afspreken.

Aanvullend

Jasher 30:12 heeft dezelfde vraag.

16Laban had twee dochters. De oudste heette Lea, en de jongste heette Rachel.
וּלְלָבָ֖ן
(ulelavan)
en aan Laban
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
בָנ֑וֹת
(banot)
dochters
שֵׁ֤ם
(shem)
naam van
הַגְּדֹלָה֙
(hagedola)
de oudste
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
הַקְּטַנָּ֖ה
(haqetana)
de jongste
רָחֵֽל
(rachel)
Rachel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הגדלה לאה (hagedolah Leah), ‘de oudste, Lea’: Jasher 30:13 zegt dat Laban geen zonen had, alleen dochters, en noemt zijn vrouw Adina.

17Lea had zwakke ogen, maar Rachel had een mooie gestalte en een mooi uiterlijk.
וְעֵינֵ֥י
(veeinei)
en ogen van
לֵאָ֖ה
(lea)
Lea
רַכּ֑וֹת
(rakot)
zwak
וְרָחֵל֙
(verachel)
en Rachel
הָֽיְתָ֔ה
(hayeta)
was
יְפַת
(yefat)
mooi van
תֹּ֖אַר
(toar)
gestalte
וִיפַ֥ת
(vifat)
en mooi van
מַרְאֶֽה
(mare)
uiterlijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רכות (rakkot), ‘zwak’: rakkot betekent ‘zacht’, ‘teer’ of ‘zwak’.

Het kan schoonheid aanduiden (zachte ogen) of een gebrek.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘zwak’.

Aanvullend

Jubileeën 28:5 zegt dat Lea's ogen zwak waren, maar haar gestalte heel mooi.

Zeven jaar voor Rachel

18Jakob hield van Rachel. Hij zei: „Ik zal u zeven jaar dienen voor Rachel, uw jongste dochter.”
וַיֶּאֱהַ֥ב
(vayeehav)
en hij hield van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֑ל
(rachel)
Rachel
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶֽעֱבָדְךָ֙
(eevadekha)
ik zal je dienen
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
בְּרָחֵ֥ל
(berachel)
voor Rachel
בִּתְּךָ֖
(bitekha)
je dochter
הַקְּטַנָּֽה
(haqetana)
de jongste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אעבדך שׁבע שׁנים (e’evdekha sheva shanim), ‘ik zal u zeven jaar dienen’: de bruidsprijs in arbeid (zie 31:15).

Aanvullend

Jubileeën 28:1 zegt dat Jakob een jaarweek, zeven jaar, voor Rachel diende.

Jasher 30:14 noemt dezelfde afspraak.

19Laban zei: „Het is beter dat ik haar aan jou geef dan dat ik haar aan een andere man geef. Blijf bij mij.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֗ן
(lavan)
Laban
ט֚וֹב
(tov)
beter
תִּתִּ֣י
(titi)
mijn geven
אֹתָ֣הּ
(otah)
haar
לָ֔ךְ
(lakh)
aan je
מִתִּתִּ֥י
(mititi)
dan mijn geven
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan man
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
שְׁבָ֖ה
(sheva)
blijf
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Jakob diende zeven jaar voor Rachel. In zijn ogen waren ze als een paar dagen, omdat hij van haar hield.
וַיַּעֲבֹ֧ד
(vayaavod)
en hij diende
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
בְּרָחֵ֖ל
(berachel)
voor Rachel
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaren
וַיִּהְי֤וּ
(vayihyu)
en ze waren
בְעֵינָיו֙
(beeinav)
in zijn ogen
כְּיָמִ֣ים
(keyamim)
als dagen
אֲחָדִ֔ים
(achadim)
enkele
בְּאַהֲבָת֖וֹ
(beahavato)
uit zijn liefde
אֹתָֽהּ
(otah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כימים אחדים (keyamim achadim), ‘als enkele dagen’: de tijd gaat snel voorbij door zijn liefde.

Het bedrog van Laban

21Jakob zei tegen Laban: „Geef mij mijn vrouw, want mijn dagen zijn vol, dan kan ik bij haar komen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֤ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
לָבָן֙
(lavan)
Laban
הָבָ֣ה
(hava)
geef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אִשְׁתִּ֔י
(ishti)
mijn vrouw
כִּ֥י
(ki)
want
מָלְא֖וּ
(maleu)
zijn vol
יָמָ֑י
(yamay)
mijn dagen
וְאָב֖וֹאָה
(veavoa)
en ik zal binnengaan
אֵלֶֽיהָ
(eleiha)
tot haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואבואה אליה (ve’avo’ah eleha), ‘dan kan ik bij haar komen’: een vaste uitdrukking voor het huwelijk voltrekken.

22Laban riep alle mannen van die plaats bijeen en gaf een feestmaal.
וַיֶּאֱסֹ֥ף
(vayeesof)
en hij verzamelde
לָבָ֛ן
(lavan)
Laban
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
מִשְׁתֶּֽה
(mishte)
maaltijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

משׁתה (mishteh), ‘feestmaal’: de bruiloft duurde een week (zie vers 27; Richt. 14:12).

23's Avonds nam hij zijn dochter Lea en bracht haar naar hem. Hij ging naar haar toe.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בָעֶ֔רֶב
(baerev)
in de avond
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
לֵאָ֣ה
(lea)
Lea
בִתּ֔וֹ
(bito)
zijn dochter
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
אֵלָ֑יו
(elav)
tot hem
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij ging binnen
אֵלֶֽיהָ
(eleiha)
tot haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בערב ויקח את לאה (ba’erev vayiqach et Leah), ‘'s avonds nam hij Lea’: in het donker herkende Jakob haar niet.

Aanvullend

Jasher 31:2–4 zegt dat Laban alle lichten uitdoofde.

Jasher 31:7–10 zegt dat de buren riepen ‘Hi-Lea, Hi-Lea’ (‘zij is Lea’), en dat Jakob dit pas 's morgens begreep.

24Laban gaf zijn dienares Zilpa aan zijn dochter Lea als dienares.
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en hij gaf
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לָ֔הּ
(lah)
aan haar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זִלְפָּ֖ה
(zilpa)
Zilpa
שִׁפְחָת֑וֹ
(shifchato)
zijn dienares
לְלֵאָ֥ה
(lelea)
aan Lea
בִתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
שִׁפְחָֽה
(shifcha)
dienares
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זלפה שׁפחתו (Zilpah shifchato), ‘Zilpa, zijn dienares’: Jubileeën 28:3 noemt Zilpa ook.

Aanvullend

Jubileeën 28:9 noemt Bilha, de zus van Zilpa.

25's Morgens, zie, het was Lea! Hij zei tegen Laban: „Wat hebt u mij aangedaan? Heb ik niet voor Rachel bij u gediend? Waarom hebt u mij bedrogen?”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
הִ֖וא
(hi)
zij
לֵאָ֑ה
(lea)
Lea
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
לָבָ֗ן
(lavan)
Laban
מַה
(ma)
wat
זֹּאת֙
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לִּ֔י
(li)
aan mij
הֲלֹ֤א
(halo)
immers
בְרָחֵל֙
(berachel)
voor Rachel
עָבַ֣דְתִּי
(avadti)
ik diende
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
bij je
וְלָ֖מָּה
(velama)
en waarom
רִמִּיתָֽנִי
(rimitani)
je hebt mij bedrogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ולמה רמיתני (velamah remitani), ‘waarom hebt u mij bedrogen?’: ramah, ‘bedriegen’, is verwant aan mirmah, ‘bedrog’, in 27:35.

Jakob wordt bedrogen zoals hij zijn vader bedroog.

26Laban zei: „Zo doet men dat niet bij ons: de jongste geven vóór de oudste.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָבָ֔ן
(lavan)
Laban
לֹא
(lo)
niet
יֵעָשֶׂ֥ה
(yease)
wordt gedaan
כֵ֖ן
(ken)
zo
בִּמְקוֹמֵ֑נוּ
(bimqomenu)
in onze plaats
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
הַצְּעִירָ֖ה
(hatseira)
de jongste
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַבְּכִירָֽה
(habekhira)
de oudste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לתת הצעירה לפני הבכירה (latet hatse’irah lifnei habekhirah), ‘de jongste geven vóór de oudste’: Laban beroept zich op een gewoonte van de plaats.

Aanvullend

Jubileeën 28:6 heeft dezelfde woorden van Laban: ‘Het is niet zo in ons land, de jongere te geven vóór de oudere’.

Jasher 31:12 geeft hetzelfde antwoord van Laban.

27Maak de bruiloftsweek van deze vol. Dan geven we je ook de andere, voor het werk dat je nog zeven jaar bij mij zult doen.”
מַלֵּ֖א
(male)
vul vol
שְׁבֻ֣עַ
(shevua)
week van
זֹ֑את
(zot)
deze
וְנִתְּנָ֨ה
(venitena)
en we zullen geven
לְךָ֜
(lekha)
aan je
גַּם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זֹ֗את
(zot)
deze
בַּעֲבֹדָה֙
(baavoda)
voor het werk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תַּעֲבֹ֣ד
(taavod)
je zult doen
עִמָּדִ֔י
(imadi)
bij mij
ע֖וֹד
(od)
nog
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֥ים
(shanim)
jaren
אֲחֵרֽוֹת
(acherot)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מלא שׁבע זאת (male shevua zot), ‘maak deze week vol’: de bruiloftsweek van Lea.

Aanvullend

Jubileeën 28:8–9 zegt dat Rachel na de zeven dagen van het feest werd gegeven en dat Jakob daarna nog zeven jaar diende.

Jasher 31:12–13 noemt dezelfde tweede zeven jaar.

28Jakob deed dat en maakte de week met haar vol. Toen gaf hij hem zijn dochter Rachel tot vrouw.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
כֵּ֔ן
(ken)
zo
וַיְמַלֵּ֖א
(vaymale)
en hij vulde vol
שְׁבֻ֣עַ
(shevua)
week van
זֹ֑את
(zot)
deze
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֥ל
(rachel)
Rachel
בִּתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 28:9
29Laban gaf zijn dienares Bilha aan zijn dochter Rachel als dienares.
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en hij gaf
לָבָן֙
(lavan)
Laban
לְרָחֵ֣ל
(lerachel)
aan Rachel
בִּתּ֔וֹ
(bito)
zijn dochter
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּלְהָ֖ה
(bilha)
Bilha
שִׁפְחָת֑וֹ
(shifchato)
zijn dienares
לָ֖הּ
(lah)
aan haar
לְשִׁפְחָֽה
(leshifcha)
tot dienares
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hij ging ook naar Rachel toe, en hij hield meer van Rachel dan van Lea. Hij diende bij hem nog zeven jaar.
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij ging binnen
גַּ֣ם
(gam)
ook
אֶל
(el)
tot
רָחֵ֔ל
(rachel)
Rachel
וַיֶּאֱהַ֥ב
(vayeehav)
en hij hield van
גַּֽם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רָחֵ֖ל
(rachel)
Rachel
מִלֵּאָ֑ה
(milea)
meer dan Lea
וַיַּעֲבֹ֣ד
(vayaavod)
en hij diende
עִמּ֔וֹ
(imo)
bij hem
ע֖וֹד
(od)
nog
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֥ים
(shanim)
jaren
אֲחֵרֽוֹת
(acherot)
andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מלאה (mile’ah), ‘meer dan Lea’: de voorkeur voor Rachel, die vers 31 verklaart.

De zonen van Lea

31Yahweh zag dat Lea niet bemind was en opende haar baarmoeder, maar Rachel was onvruchtbaar.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en Hij zag
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
שְׂנוּאָ֣ה
(senua)
niet bemind
לֵאָ֔ה
(lea)
Lea
וַיִּפְתַּ֖ח
(vayiftach)
en Hij opende
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רַחְמָ֑הּ
(rachmah)
haar baarmoeder
וְרָחֵ֖ל
(verachel)
en Rachel
עֲקָרָֽה
(aqara)
onvruchtbaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂנואה (snu’ah), ‘niet bemind’: letterlijk ‘gehaat’; hier ‘achtergesteld’, want vers 30 zegt dat hij meer van Rachel hield (zie Deut. 21:15).

עקרה (aqarah), ‘onvruchtbaar’: zie 11:30; 25:21.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘niet bemind’.

Aanvullend

Jubileeën 28:12 en Jasher 31:14 gebruiken ‘gehaat’.

32Lea werd zwanger en baarde een zoon. Ze noemde hem Ruben, want ze zei: „Yahweh heeft mijn ellende gezien. Nu zal mijn man van mij houden.”
וַתַּ֤הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
לֵאָה֙
(lea)
Lea
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֔ן
(ben)
zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
כִּ֣י
(ki)
want
אָֽמְרָ֗ה
(amera)
ze zei
כִּֽי
(ki)
want
רָאָ֤ה
(raa)
Hij heeft gezien
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּעָנְיִ֔י
(beaneyi)
mijn ellende
כִּ֥י
(ki)
want
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
יֶאֱהָבַ֥נִי
(yeehavani)
zal liefhebben mij
אִישִֽׁי
(ishi)
mijn man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ראובן (Re’uven), ‘Ruben’: ‘zie, een zoon’ (re’u ben); Lea verbindt de naam met ra’ah, ‘zien’.

בעניי (be’onyi), ‘mijn ellende’: zie 16:11.

Aanvullend

Jasher 31:14–15 noemt de vier zonen van Lea: Ruben, Levi, Simeon en Juda.

Jubileeën 28:11 heeft ‘hij noemde’ (Jakob) waar Genesis ‘zij noemde’ (Lea) heeft.

33Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Yahweh heeft gehoord dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze gegeven.” Ze noemde hem Simeon.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
עוֹד֮
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּן֒
(ben)
zoon
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֤ע
(shama)
Hij heeft gehoord
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
שְׂנוּאָ֣ה
(senua)
niet bemind
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en Hij gaf
לִ֖י
(li)
aan mij
גַּם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זֶ֑ה
(ze)
deze
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁמע יהוה (shama YHWH), ‘Yahweh heeft gehoord’: Shim’on klinkt als shama, ‘horen’.

34Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Nu zal mijn man zich deze keer aan mij verbinden, want ik heb hem drie zonen gebaard.” Daarom noemde men hem Levi.
וַתַּ֣הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
עוֹד֮
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּן֒
(ben)
zoon
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
עַתָּ֤ה
(ata)
nu
הַפַּ֨עַם֙
(hapaam)
deze keer
יִלָּוֶ֤ה
(yilave)
zal zich verbinden
אִישִׁי֙
(ishi)
mijn man
אֵלַ֔י
(elay)
aan mij
כִּֽי
(ki)
want
יָלַ֥דְתִּי
(yaladti)
ik heb gebaard
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
קָרָֽא
(qara)
men noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ילוה (yillaveh), ‘zal zich verbinden’: Levi klinkt als lavah, ‘zich verbinden’.

35Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon. Ze zei: „Deze keer zal ik Yahweh danken.” Daarom noemde zij hem Juda. Toen hield ze op met baren.
וַתַּ֨הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
ע֜וֹד
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֗ן
(ben)
zoon
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
הַפַּ֨עַם֙
(hapaam)
deze keer
אוֹדֶ֣ה
(ode)
ik zal danken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
כֵּ֛ן
(ken)
zo
קָרְאָ֥ה
(qarea)
ze noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַֽתַּעֲמֹ֖ד
(vataamod)
en ze hield op
מִלֶּֽדֶת
(miledet)
met baren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אודה (odeh), ‘ik zal danken’: Yehudah klinkt als hodah, ‘danken, loven’.

ותעמד מלדת (vata’amod miledet), ‘ze hield op met baren’: voorlopig (zie 30:17).