Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Isaak wil Ezau zegenen
1Isaak was oud geworden, en zijn ogen waren te zwak om te zien. Hij riep Ezau, zijn oudste zoon, en zei tegen hem: „Mijn zoon.” Hij zei tegen hem: „Hier ben ik.”
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּֽי
(ki)
toen
זָקֵ֣ן
(zaqen)
oud
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
וַתִּכְהֶ֥יןָ
(vatikhheina)
en ze werden dof
עֵינָ֖יו
(einav)
zijn ogen
מֵרְאֹ֑ת
(mereot)
van het zien
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en hij riep
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
בְּנ֣וֹ
(beno)
zijn zoon
הַגָּדֹ֗ל
(hagadol)
de oudste
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ותכהין עיניו מראת (vatikhhena eynav mereot), ‘zijn ogen werden dof, zodat hij niet kon zien’: Isaaks blindheid maakt de misleiding mogelijk (zie ook 48:10).
Aanvullend
Jasher 29:1–2 zegt hetzelfde: Isaak werd oud en zijn ogen werden dof.
3Neem nu je gerei, je pijlkoker en je boog, ga het veld in en jaag wild voor mij.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
שָׂא
(sa)
neem
נָ֣א
(na)
toch
כֵלֶ֔יךָ
(keleikha)
je gerei
תֶּלְיְךָ֖
(telyekha)
je pijlkoker
וְקַשְׁתֶּ֑ךָ
(veqashtekha)
en je boog
וְצֵא֙
(vetse)
en ga uit
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וְצ֥וּדָה
(vetsuda)
en jaag
לִּ֖י
(li)
voor mij
צידה
(tsedah)
jachtbuit
צָֽיִד
(tsayid)
wild
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כליך תליך (keleikha teleykha), ‘je gerei, je pijlkoker’: teli komt alleen hier voor; ‘pijlkoker’ is de gangbare vertaling, maar het kan ook ‘zwaard’ of ‘wapen’ betekenen.
Lezing
Lezing: hier gelezen als ‘pijlkoker’.
Aanvullend
Jubileeën 26:2 en Jasher 29:2 noemen ‘wapens, pijlkoker en boog’.
7‘Breng mij wild en maak mij een smakelijk gerecht. Dan eet ik, en zal ik je zegenen voor het aangezicht van Yahweh, voordat ik sterf.’
הָבִ֨יאָה
(havia)
breng
לִּ֥י
(li)
aan mij
צַ֛יִד
(tsayid)
wild
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en maak
לִ֥י
(li)
voor mij
מַטְעַמִּ֖ים
(matamim)
smakelijke gerechten
וְאֹכֵ֑לָה
(veokhela)
en ik zal eten
וַאֲבָרֶכְכָ֛ה
(vaavarekhkha)
en ik zal je zegenen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מוֹתִֽי
(moti)
mijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לפני יהוה (lifnei YHWH), ‘voor het aangezicht van Yahweh’: Rebekka voegt dit toe aan wat Isaak zei (vers 4): zij legt de zegen in Yahwehs tegenwoordigheid.
Aanvullend
Jubileeën 26:5 heeft ook ‘voor het aangezicht van Yahweh’.
19Jakob zei tegen zijn vader: „Ik ben Ezau, je oudste zoon. Ik heb gedaan wat je tegen mij gezegd hebt. Ga toch zitten en eet van mijn wild, zodat je mij met heel je ziel zegent.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹ֜ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
בְּכֹרֶ֔ךָ
(bekhorekha)
je eerstgeborene
עָשִׂ֕יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
קֽוּם
(qum)
sta op
נָ֣א
(na)
toch
שְׁבָ֗ה
(sheva)
ga zitten
וְאָכְלָה֙
(veakhela)
en eet
מִצֵּידִ֔י
(mitseidi)
van mijn wild
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
opdat
תְּבָרֲכַ֥נִּי
(tevarakhani)
zal zegenen mij
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אנכי עשׂו (anokhi Esav bekhorekha), ‘Ik ben Ezau, je oudste’: Jakob liegt.
20Isaak zei tegen zijn zoon: „Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon?” Hij zei: „Yahweh, jouw Elohim, liet het mij tegenkomen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִצְחָק֙
(yitschaq)
Isaak
אֶל
(el)
tot
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
מַה
(ma)
wat
זֶּ֛ה
(ze)
dit
מִהַ֥רְתָּ
(miharta)
je haastte je
לִמְצֹ֖א
(limtso)
om te vinden
בְּנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּ֥י
(ki)
want
הִקְרָ֛ה
(hiqra)
liet treffen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויאמר כי הקרה יהוה אלהיך לפני (ki hiqrah YHWH Elohekha lefanai), ‘Yahweh, jouw Elohim, liet het mij tegenkomen’: Jakob zegt ‘jouw Elohim’, niet ‘mijn Elohim’.
Aanvullend
Jubileeën 26:15 heeft hier: ‘Omdat uw Elohim het mij heeft laten vinden.’
22Jakob kwam dicht bij zijn vader Isaak. Die betastte hem en zei: „De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau.”
וַיִּגַּ֧שׁ
(vayigash)
en hij kwam dichterbij
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
tot
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וַיְמֻשֵּׁ֑הוּ
(vaymushehu)
en hij betastte hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַקֹּל֙
(haqol)
de stem
ק֣וֹל
(qol)
stem van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְהַיָּדַ֖יִם
(vehayadayim)
en de handen
יְדֵ֥י
(yedei)
handen van
עֵשָֽׂו
(esav)
Ezau
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הקל קול יעקב והידים ידי עשׂו (haqol qol Ya’aqov vehayadayim yedei Esav), ‘de stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau’: Isaak twijfelt, maar de tast wint het van het gehoor.
Aanvullend
Jubileeën 26:18 zegt dat Isaak hem niet herkende omdat het een wending vanuit de hemel was.
25Hij zei: „Breng het mij, dan eet ik van het wild van mijn zoon, zodat ik je met heel mijn ziel zegen.” Hij bracht het hem, en hij at. Hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַגִּ֤שָׁה
(hagisha)
breng dichterbij
לִּי֙
(li)
aan mij
וְאֹֽכְלָה֙
(veokhela)
en ik zal eten
מִצֵּ֣יד
(mitseid)
van wild van
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
תְּבָֽרֶכְךָ֖
(tevarekhkha)
zal zegenen jou
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
וַיַּגֶּשׁ
(vayagesh)
en hij bracht dichterbij
לוֹ֙
(lo)
aan hem
וַיֹּאכַ֔ל
(vayokhal)
en hij at
וַיָּ֧בֵא
(vayave)
en hij bracht
ל֦וֹ
(lo)
aan hem
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
וַיֵּֽשְׁתְּ
(vayesht)
en hij dronk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Hij kwam dichterbij en kuste hem. Isaak rook de geur van zijn kleren en zegende hem. Hij zei: „Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat Yahweh gezegend heeft.
וַיִּגַּשׁ֙
(vayigash)
en hij kwam dichterbij
וַיִּשַּׁק
(vayishaq)
en hij kuste
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיָּ֛רַח
(vayarach)
en hij rook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֵ֥יחַ
(reiach)
geur van
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וַֽיְבָרֲכֵ֑הוּ
(vayvarakhehu)
en hij zegende hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
רְאֵה֙
(ree)
zie
רֵ֣יחַ
(reiach)
geur van
בְּנִ֔י
(beni)
mijn zoon
כְּרֵ֣יחַ
(kereiach)
als geur van
שָׂדֶ֔ה
(sade)
een veld
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בֵּרֲכ֖וֹ
(berakho)
heeft gezegend
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ריח בני כריח שׂדה (reach beni kerei’ach sadeh), ‘de geur van mijn zoon is als de geur van een veld’: de zegen begint met een geur; de kleren van Ezau, de man van het veld (zie 25:27), ruiken naar het veld.
28Moge Elohim je geven van de dauw van de hemel en van de vruchtbaarheid van de aarde, veel graan en nieuwe wijn.
וְיִֽתֶּן
(veyiten)
en moge geven
לְךָ֙
(lekha)
aan je
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
מִטַּל֙
(mital)
van dauw van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וּמִשְׁמַנֵּ֖י
(umishmanei)
en van vruchtbaarheid van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְרֹ֥ב
(verov)
en veel
דָּגָ֖ן
(dagan)
graan
וְתִירֹֽשׁ
(vetirosh)
en nieuwe wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מטל השׁמים ומשׁמני הארץ (mital hashamayim umishmanne ha’arets), ‘van de dauw van de hemel en van de vruchtbaarheid van de aarde’: een zegen met regen en vruchtbaar land.
29Mogen volken je dienen, en mogen stammen zich voor je neerbuigen. Wees heer over je broers, en mogen de zonen van je moeder zich voor je neerbuigen. Vervloekt zijn zij die jou vervloeken, gezegend zijn zij die jou zegenen.”
יַֽעַבְד֣וּךָ
(yaavdukha)
laten dienen je
עַמִּ֗ים
(amim)
volken
וישתחו
(vayishtachu)
en laten zich neerbuigen (geschreven)
וְיִֽשְׁתַּחֲו֤וּ
(veyishtachavu)
en laten zich neerbuigen (gelezen)
לְךָ֙
(lekha)
voor je
לְאֻמִּ֔ים
(leumim)
stammen
הֱוֵ֤ה
(heve)
wees
גְבִיר֙
(gevir)
heer
לְאַחֶ֔יךָ
(leacheikha)
over je broers
וְיִשְׁתַּחֲוּ֥וּ
(veyishtachauu)
en laten zich neerbuigen
לְךָ֖
(lekha)
voor je
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אִמֶּ֑ךָ
(imekha)
je moeder
אֹרְרֶ֣יךָ
(orereikha)
wie jou vervloeken
אָר֔וּר
(arur)
vervloekt
וּֽמְבָרֲכֶ֖יךָ
(umevarakheikha)
en wie jou zegenen
בָּרֽוּךְ
(barukh)
gezegend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וישתחו (vayishtachu) en וישׁתחוו (vayishtachavu): geschreven staat de korte vorm, gelezen wordt de lange; de betekenis is gelijk.
גביר (gevir), ‘heer’: een leidende positie (zie vers 37).
ארריך ארור ומברכיך ברוך (orerekha arur umevarakhekha barukh), ‘vervloekt zijn zij die jou vervloeken, gezegend zijn zij die jou zegenen’: zie 12:3; Num. 24:9.
30Isaak was net klaar met het zegenen van Jakob, en Jakob was nauwelijks bij zijn vader Isaak weggegaan, of zijn broer Ezau kwam terug van zijn jacht.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
toen
כִּלָּ֣ה
(kila)
had geëindigd
יִצְחָק֮
(yitschaq)
Isaak
לְבָרֵ֣ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹב֒
(yaaqov)
Jakob
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַ֣ךְ
(akh)
nauwelijks
יָצֹ֤א
(yatso)
hij was uitgegaan
יָצָא֙
(yatsa)
hij ging uit
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְעֵשָׂ֣ו
(veesav)
en Ezau
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
בָּ֖א
(ba)
kwam
מִצֵּידֽוֹ
(mitseido)
van zijn jacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אך יצא יצא (akh yatso yatsa), ‘nauwelijks was hij uitgegaan’: letterlijk ‘nog maar net, hij ging uit, hij ging uit’; de herhaling laat zien hoe weinig er aan tijd scheelde.
31Ook hij maakte een smakelijk gerecht en bracht het naar zijn vader. Hij zei tegen zijn vader: „Laat mijn vader opstaan en eten van het wild van zijn zoon, zodat u mij met heel uw ziel zegent.”
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
גַּם
(gam)
ook
הוּא֙
(hu)
hij
מַטְעַמִּ֔ים
(matamim)
smakelijke gerechten
וַיָּבֵ֖א
(vayave)
en hij bracht
לְאָבִ֑יו
(leaviv)
aan zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְאָבִ֗יו
(leaviv)
aan zijn vader
יָקֻ֤ם
(yaqum)
laat opstaan
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
וְיֹאכַל֙
(veyokhal)
en laat eten
מִצֵּ֣יד
(mitseid)
van wild van
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
opdat
תְּבָרֲכַ֥נִּי
(tevarakhani)
je zal zegenen mij
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Isaak beefde hevig, ontzettend. Hij zei: „Wie was het dan die wild gejaagd en het mij gebracht heeft? Ik heb van alles gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend. Hij zal ook gezegend blijven.”
וַיֶּחֱרַ֨ד
(vayecherad)
en hij beefde
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
חֲרָדָה֮
(charada)
beving
גְּדֹלָ֣ה
(gedola)
grote
עַד
(ad)
tot
מְאֹד֒
(meod)
zeer
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִֽי
(mi)
wie
אֵפ֡וֹא
(efo)
dan
ה֣וּא
(hu)
hij
הַצָּֽד
(hatsad)
degene die jaagde
צַיִד֩
(tsayid)
wild
וַיָּ֨בֵא
(vayave)
en hij bracht
לִ֜י
(li)
aan mij
וָאֹכַ֥ל
(vaokhal)
en ik at
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alles
בְּטֶ֥רֶם
(beterem)
voordat
תָּב֖וֹא
(tavo)
je kwam
וָאֲבָרֲכֵ֑הוּ
(vaavarakhehu)
en ik zegende hem
גַּם
(gam)
ook
בָּר֖וּךְ
(barukh)
gezegend
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal hij zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויחרד יצחק חרדה גדלה (vayecherad Yitschaq charadah gedolah), ‘Isaak beefde met grote siddering’: een schok.
ואברכהו גם ברוך יהיה (va’avarekhehu gam barukh yihyeh), ‘ik heb hem gezegend, hij zal ook gezegend blijven’: Isaak erkent dat de zegen niet terug te nemen is.
36Hij zei: „Is hij daarom Jakob genoemd? Hij heeft mij nu al twee keer bedrogen: mijn eerstgeboorterecht heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen.” Hij zei: „Hebt u dan geen zegen voor mij bewaard?”
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲכִי֩
(hakhi)
is het zo dat
קָרָ֨א
(qara)
hij is genoemd
שְׁמ֜וֹ
(shemo)
zijn naam
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וַֽיַּעְקְבֵ֨נִי֙
(vayaqeveni)
en hij heeft mij bedrogen
זֶ֣ה
(ze)
dit
פַעֲמַ֔יִם
(paamayim)
keer
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּכֹרָתִ֣י
(bekhorati)
mijn eerstgeboorterecht
לָקָ֔ח
(laqach)
hij nam
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
לָקַ֣ח
(laqach)
hij nam
בִּרְכָתִ֑י
(birkhati)
mijn zegen
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en hij zei
הֲלֹא
(halo)
niet
אָצַ֥לְתָּ
(atsalta)
hebt u bewaard
לִּ֖י
(li)
voor mij
בְּרָכָֽה
(berakha)
zegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הכי קרא שׁמו יעקב ויעקבני (hakhi qara shemo Ya’aqov vaya’qveni), ‘is hij daarom Jakob genoemd, en heeft hij mij bedrogen’: een woordspeling: Ya’aqov klinkt als aqav, ‘bij de hiel grijpen’ en ‘bedriegen’ (zie 25:26).
בכרתי (bekhorati) en ברכתי (birkhati): ‘eerstgeboorterecht’ en ‘zegen’ hebben dezelfde letters in andere volgorde.
37Isaak antwoordde en zei tegen Ezau: „Zie, ik heb hem tot heer over je gemaakt, en al zijn broers heb ik hem als dienaren gegeven. Ik heb hem ondersteund met graan en nieuwe wijn. Wat kan ik dan nog voor jou doen, mijn zoon?”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יִצְחָ֜ק
(yitschaq)
Isaak
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְעֵשָׂ֗ו
(leesav)
aan Ezau
הֵ֣ן
(hen)
zie
גְּבִ֞יר
(gevir)
heer
שַׂמְתִּ֥יו
(samtiv)
ik heb hem gesteld
לָךְ֙
(lakh)
over je
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
אֶחָ֗יו
(echav)
zijn broers
נָתַ֤תִּי
(natati)
ik heb gegeven
לוֹ֙
(lo)
aan hem
לַעֲבָדִ֔ים
(laavadim)
tot dienaren
וְדָגָ֥ן
(vedagan)
en graan
וְתִירֹ֖שׁ
(vetirosh)
en nieuwe wijn
סְמַכְתִּ֑יו
(semakhtiv)
ik heb hem ondersteund
וּלְכָ֣ה
(ulekha)
en voor jou
אֵפ֔וֹא
(efo)
dan
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂ֖ה
(eese)
kan ik doen
בְּנִֽי
(beni)
mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Zijn vader Isaak antwoordde en zei tegen hem: „Zie, je woonplaats zal ver van de vruchtbaarheid van de aarde zijn, en ver van de dauw van de hemel boven.
וַיַּ֛עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֑יו
(elav)
tot hem
הִנֵּ֞ה
(hine)
zie
מִשְׁמַנֵּ֤י
(mishmanei)
van vruchtbaarheid van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
מֽוֹשָׁבֶ֔ךָ
(moshavekha)
je woonplaats
וּמִטַּ֥ל
(umital)
en van dauw van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
מֵעָֽל
(meal)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
משׁמני הארץ (mishmanne ha’arets), ‘van de vruchtbaarheid van de aarde’: het voorzetsel min kan ‘van’ of ‘ver van’ betekenen.
De andere lezing is ‘van de vruchtbaarheid van de aarde zal je woonplaats zijn’, wat bij vers 28 past.
Lezing
Lezing: hier gelezen als ‘ver van’, omdat Ezau later in het droge Seïr woont (zie 36:8).
41Ezau koesterde wrok tegen Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had. Ezau zei in zijn hart: „De dagen van rouw om mijn vader komen dichtbij. Dan zal ik mijn broer Jakob doden.”
וַיִּשְׂטֹ֤ם
(vayistom)
en hij koesterde wrok
עֵשָׂו֙
(esav)
Ezau
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
עַל
(al)
om
הַ֨בְּרָכָ֔ה
(haberakha)
de zegen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
בֵּרֲכ֖וֹ
(berakho)
hij zegende hem
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵשָׂ֜ו
(esav)
Ezau
בְּלִבּ֗וֹ
(belibo)
in zijn hart
יִקְרְבוּ֙
(yiqrevu)
laten naderen
יְמֵי֙
(yemei)
dagen van
אֵ֣בֶל
(evel)
rouw om
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְאַֽהַרְגָ֖ה
(veaharga)
en ik zal doden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יַעֲקֹ֥ב
(yaaqov)
Jakob
אָחִֽי
(achi)
mijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וישׂטם (vayistom), ‘hij koesterde wrok’: het werkwoord wijst op blijvende vijandschap (zie 49:23; 50:15).
Aanvullend
Jubileeën 26:35 geeft dezelfde woorden van Ezau over de dagen van rouw.
42Aan Rebekka werden de woorden van Ezau, haar oudste zoon, verteld. Ze liet Jakob, haar jongste zoon, roepen en zei tegen hem: „Zie, je broer Ezau troost zich met het plan om je te doden.
וַיֻּגַּ֣ד
(vayugad)
en het werd verteld
לְרִבְקָ֔ה
(lerivqa)
aan Rebekka
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
עֵשָׂ֖ו
(esav)
Ezau
בְּנָ֣הּ
(benah)
haar zoon
הַגָּדֹ֑ל
(hagadol)
de oudste
וַתִּשְׁלַ֞ח
(vatishlach)
en ze zond
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en ze riep
לְיַעֲקֹב֙
(leyaaqov)
aan Jakob
בְּנָ֣הּ
(benah)
haar zoon
הַקָּטָ֔ן
(haqatan)
de jongste
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הִנֵּה֙
(hine)
zie
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
מִתְנַחֵ֥ם
(mitnachem)
troost zich
לְךָ֖
(lekha)
over je
לְהָרְגֶֽךָ
(leharegekha)
om je te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מתנחם (mitnachem), ‘troost zich’: het werkwoord nacham kan ‘troosten’ en ‘wraak nemen’ betekenen; Ezau troost zich met het plan om Jakob te doden.
43Nu dan, mijn zoon, luister naar mij: sta op en vlucht naar mijn broer Laban in Charan,
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
בְנִ֖י
(beni)
mijn zoon
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּקֹלִ֑י
(beqoli)
naar mijn stem
וְק֧וּם
(vequm)
en sta op
בְּרַח
(berach)
vlucht
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
אֶל
(el)
naar
לָבָ֥ן
(lavan)
Laban
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
חָרָֽנָה
(charana)
naar Charan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië.
Uitleg
לבן אחי חרנה (el Lavan achi Charanah), ‘naar mijn broer Laban in Charan’: Charan, zie 11:31; 24:10.
Aanvullend
Jubileeën 27:3 en Jasher 29:23 vertellen ook dat Rebekka Jakob naar Laban in Charan stuurde.
Jasher 29:11 zegt dat Jakob 63 jaar oud was toen hij uit Hebron wegging en veertien jaar in het huis van Eber verborgen bleef; Jasher 29:30 zegt dat hij 77 was toen hij naar Paddan-Aram vertrok.
45tot de toorn van je broer tegen jou weg is en hij vergeten is wat je hem aangedaan hebt. Dan zal ik iemand sturen om je daar vandaan te halen. Waarom zou ik jullie allebei op één dag verliezen?”
עַד
(ad)
tot
שׁ֨וּב
(shuv)
terugkeren van
אַף
(af)
toorn van
אָחִ֜יךָ
(achikha)
je broer
מִמְּךָ֗
(mimekha)
van je
וְשָׁכַח֙
(veshakhach)
en hij vergeet
אֵ֣ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לּ֔וֹ
(lo)
aan hem
וְשָׁלַחְתִּ֖י
(veshalachti)
en ik zal sturen
וּלְקַחְתִּ֣יךָ
(uleqachtikha)
en ik zal je halen
מִשָּׁ֑ם
(misham)
vandaar
לָמָ֥ה
(lama)
waarom
אֶשְׁכַּ֛ל
(eshkal)
zal ik beroofd worden
גַּם
(gam)
ook
שְׁנֵיכֶ֖ם
(sheneikhem)
jullie beiden
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
למה אשׁכל גם שׁניכם יום אחד (lamah eshkal gam shnekhem yom echad), ‘waarom zou ik jullie beiden op één dag verliezen?’: als Ezau Jakob doodt, wordt hijzelf de moordenaar die sterft (zie 9:6).
46Rebekka zei tegen Isaak: „Ik heb genoeg van mijn leven vanwege de dochters van Het. Als Jakob een vrouw neemt uit de dochters van Het, zoals deze, uit de dochters van het land, wat heb ik dan nog aan het leven?”
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
רִבְקָה֙
(rivqa)
Rebekka
אֶל
(el)
tot
יִצְחָ֔ק
(yitschaq)
Isaak
קַ֣צְתִּי
(qatsti)
ik heb genoeg
בְחַיַּ֔י
(bechayay)
van mijn leven
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
חֵ֑ת
(chet)
Het
אִם
(im)
als
לֹקֵ֣חַ
(loqeach)
neemt
יַ֠עֲקֹב
(yaaqov)
Jakob
אִשָּׁ֨ה
(isha)
vrouw
מִבְּנֽוֹת
(mibenot)
van dochters van
חֵ֤ת
(chet)
Het
כָּאֵ֨לֶּה֙
(kaele)
zoals deze
מִבְּנ֣וֹת
(mibenot)
van dochters van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
לִּ֖י
(li)
voor mij
חַיִּֽים
(chayim)
leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קצתי בחיי (qatsti bechayyay), ‘ik heb genoeg van mijn leven’: letterlijk ‘ik walg van mijn leven’.
Rebekka geeft Isaak een tweede reden voor Jakobs vertrek, die hem aanspreekt (zie 26:35).
Aanvullend
Jubileeën 27:8 en Jasher 29:16 hebben dezelfde woorden.
Jubileeën 25:1–3 zegt dat Rebekka Jakob al eerder waarschuwde geen Kanaänitische vrouw te nemen.