Elohim Bijbel

Genesis 43

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De tweede reis; het maal bij Jozef

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob laat Benjamin gaan

1De honger was zwaar in het land.
וְהָרָעָ֖ב
(veharaav)
en de honger
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Toen zij het graan dat zij uit Egypte gebracht hadden, hadden opgegeten, zei hun vader tegen hen: „Ga terug, koop voor ons een beetje voedsel.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
toen
כִּלּוּ֙
(kilu)
ze hadden voltooid
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשֶּׁ֔בֶר
(hashever)
het graan
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הֵבִ֖יאוּ
(heviu)
ze gebracht hadden
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
שֻׁ֖בוּ
(shuvu)
keert terug
שִׁבְרוּ
(shivru)
koopt
לָ֥נוּ
(lanu)
voor ons
מְעַט
(meat)
een weinig
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Aanvullend

Jasher 52:7–10 zegt dat de familie ruim een jaar en twee maanden van het graan at, en dat toen de kinderen om brood kwamen vragen.

Jubileeën 42:13–15 zegt dat de hongersnood zwaar werd en dat Israël zijn zonen nog een keer stuurde.

3Juda zei tegen hem: „De man heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd: ‘Jullie zien mijn gezicht niet, tenzij jullie broer bij jullie is.’
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הָעֵ֣ד
(haed)
met nadruk
הֵעִד֩
(heid)
hij heeft gewaarschuwd
בָּ֨נוּ
(banu)
tegen ons
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggend
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְא֣וּ
(tiru)
jullie zien
פָנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
בִּלְתִּ֖י
(bilti)
tenzij
אֲחִיכֶ֥ם
(achikhem)
jullie broer
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
bij jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

העד העד בנו (ha’ed he’id banu), ‘hij heeft ons nadrukkelijk gewaarschuwd’: zie 42:15, 20.

Aanvullend

Jasher 52:11–17 laat Juda uitvoerig vertellen hoe machtig de koning van Egypte is.

Jubileeën 42:16 laat de broers zeggen dat zij niet gaan zonder Benjamin.

4Als u onze broer met ons meezendt, gaan wij af en kopen wij voedsel voor u.
אִם
(im)
als
יֶשְׁךָ֛
(yeshkha)
er is bij u
מְשַׁלֵּ֥חַ
(meshaleach)
zendend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָחִ֖ינוּ
(achinu)
onze broer
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
נֵרְדָ֕ה
(nereda)
we zullen afgaan
וְנִשְׁבְּרָ֥ה
(venishbera)
en we zullen kopen
לְךָ֖
(lekha)
voor u
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 42:16
5Maar als u hem niet meezendt, gaan wij niet af, want de man heeft tegen ons gezegd: ‘Jullie zien mijn gezicht niet, tenzij jullie broer bij jullie is.’”
וְאִם
(veim)
en als
אֵינְךָ֥
(einekha)
er is niet bij u
מְשַׁלֵּ֖חַ
(meshaleach)
zendend
לֹ֣א
(lo)
niet
נֵרֵ֑ד
(nered)
zullen we afgaan
כִּֽי
(ki)
want
הָאִ֞ישׁ
(haish)
de man
אָמַ֤ר
(amar)
hij zei
אֵלֵ֨ינוּ֙
(eleinu)
tot ons
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְא֣וּ
(tiru)
jullie zien
פָנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
בִּלְתִּ֖י
(bilti)
tenzij
אֲחִיכֶ֥ם
(achikhem)
jullie broer
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
bij jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Israël zei: „Waarom hebben jullie mij zo kwaad gedaan door de man te vertellen dat jullie nog een broer hebben?”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לָמָ֥ה
(lama)
waarom
הֲרֵעֹתֶ֖ם
(hareotem)
hebben jullie kwaad gedaan
לִ֑י
(li)
aan mij
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
door te vertellen
לָאִ֔ישׁ
(laish)
aan de man
הַע֥וֹד
(haod)
nog
לָכֶ֖ם
(lakhem)
bij jullie
אָֽח
(ach)
een broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jakob heet hier en in vers 11 Israël: zie 35:10; 42:5.

7Zij zeiden: „De man vroeg uitdrukkelijk naar ons en onze verwanten: ‘Leeft jullie vader nog? Hebben jullie nog een broer?’ En wij vertelden hem naar deze woorden. Konden wij weten dat hij zou zeggen: ‘Breng jullie broer af’?”
וַיֹּאמְר֡וּ
(vayomru)
en ze zeiden
שָׁא֣וֹל
(shaol)
uitdrukkelijk
שָֽׁאַל
(shaal)
hij vroeg
הָ֠אִישׁ
(haish)
de man
לָ֣נוּ
(lanu)
naar ons
וּלְמֽוֹלַדְתֵּ֜נוּ
(ulemoladtenu)
en naar onze verwanten
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הַע֨וֹד
(haod)
nog
אֲבִיכֶ֥ם
(avikhem)
jullie vader
חַי֙
(chay)
levend
הֲיֵ֣שׁ
(hayesh)
is er
לָכֶ֣ם
(lakhem)
bij jullie
אָ֔ח
(ach)
een broer
וַנַ֨גֶּד
(vanaged)
en we vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
עַל
(al)
naar
פִּ֖י
(pi)
de mond van
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
הֲיָד֣וֹעַ
(hayadoa)
kunnen we dan weten
נֵדַ֔ע
(neda)
wij weten
כִּ֣י
(ki)
dat
יֹאמַ֔ר
(yomar)
hij zou zeggen
הוֹרִ֖ידוּ
(horidu)
brengt af
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶֽם
(achikhem)
jullie broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁאול שׁאל (sha’ol sha’al), ‘uitdrukkelijk vroeg hij’: een nadrukkelijke vorm.

De man vroeg naar hun familie, zie 42:13.

8Juda zei tegen zijn vader Israël: „Zend de jongen met mij mee, dan maken wij ons op en gaan wij, en blijven we leven en sterven we niet, zowel wij als u als onze kleinen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
tot
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
שִׁלְחָ֥ה
(shilcha)
zend
הַנַּ֛עַר
(hanaar)
de jongen
אִתִּ֖י
(iti)
met mij
וְנָק֣וּמָה
(venaquma)
en we zullen opstaan
וְנֵלֵ֑כָה
(venelekha)
en we zullen gaan
וְנִֽחְיֶה֙
(venichye)
en we zullen leven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נָמ֔וּת
(namut)
sterven
גַּם
(gam)
ook
אֲנַ֥חְנוּ
(anachnu)
wij
גַם
(gam)
ook
אַתָּ֖ה
(ata)
u
גַּם
(gam)
ook
טַפֵּֽנוּ
(tapenu)
onze kleinen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ונקומה ונלכה ונחיה ולא נמות (venaqumah venelekhah venichyeh velo namut), ‘dan maken wij ons op en gaan wij, en blijven we leven en sterven we niet’: zie 42:2.

9Ik sta borg voor hem; van mijn hand zult u hem eisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en hem voor uw aangezicht stel, dan heb ik al de dagen tegen u gezondigd.
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
ik
אֶֽעֶרְבֶ֔נּוּ
(eervenu)
zal borg staan voor hem
מִיָּדִ֖י
(miyadi)
van mijn hand
תְּבַקְשֶׁ֑נּוּ
(tevaqshenu)
zult u hem eisen
אִם
(im)
als
לֹ֨א
(lo)
niet
הֲבִיאֹתִ֤יו
(haviotiv)
ik hem terugbreng
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
tot u
וְהִצַּגְתִּ֣יו
(vehitsagtiv)
en ik hem voor u stel
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor uw aangezicht
וְחָטָ֥אתִֽי
(vechatati)
dan heb ik gezondigd
לְךָ֖
(lekha)
tegen u
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אנכי אערבנו (anokhi e’ervennu), ‘ik sta borg voor hem’: zie 44:32.

Aanvullend

Jasher 52:19 en Jubileeën 42:19 laten Juda zeggen dat hij de schuld zal dragen.

10Want als wij niet getalmd hadden, dan waren wij nu al twee keer terug geweest.”
כִּ֖י
(ki)
want
לוּלֵ֣א
(lule)
als niet
הִתְמַהְמָ֑הְנוּ
(hitmahmahenu)
wij getalmd hadden
כִּֽי
(ki)
want
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
שַׁ֖בְנוּ
(shavnu)
zouden we teruggekeerd zijn
זֶ֥ה
(ze)
dit
פַעֲמָֽיִם
(paamayim)
tweemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 19:16
11Hun vader Israël zei tegen hen: „Als het dan zo is, doe dit: neem van de beste vruchten van het land in jullie vaten en breng de man een geschenk af: een beetje balsem, een beetje honing, gom en hars, pistachenoten en amandelen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אֲבִיהֶ֗ם
(avihem)
hun vader
אִם
(im)
als
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֵפוֹא֮
(efo)
dan
זֹ֣את
(zot)
dit
עֲשׂוּ֒
(asu)
doet
קְח֞וּ
(qechu)
neemt
מִזִּמְרַ֤ת
(mizimrat)
van de beste vrucht van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
בִּכְלֵיכֶ֔ם
(bikhleikhem)
in jullie vaten
וְהוֹרִ֥ידוּ
(vehoridu)
en brengt af
לָאִ֖ישׁ
(laish)
aan de man
מִנְחָ֑ה
(mincha)
een geschenk
מְעַ֤ט
(meat)
een weinig
צֳרִי֙
(tsori)
balsem
וּמְעַ֣ט
(umeat)
en een weinig
דְּבַ֔שׁ
(devash)
honing
נְכֹ֣את
(nekhot)
gom
וָלֹ֔ט
(valot)
en hars
בָּטְנִ֖ים
(batenim)
pistachenoten
וּשְׁקֵדִֽים
(usheqedim)
en amandelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מזמרת הארץ בכליכם (mizimrat ha’arets bikhleikhem), ‘van de beste vruchten van het land in jullie vaten’: zimrah is ‘de lof’ van het land, wat het land beroemd maakt.

צרי (tseri), ‘balsem’: zie 37:25; Jer. 8:22.

נכאת ולט (nekhot valot), ‘gom en hars’: waarschijnlijk tragantgom en ladanum, zie 37:25.

Aanvullend

Jasher 52:23–24 en Jubileeën 42:20 noemen het geschenk.

12Neem dubbel geld mee in jullie hand, en het geld dat boven in jullie zakken teruggebracht is, brengen jullie terug in jullie hand; misschien was het een vergissing.
וְכֶ֥סֶף
(vekhesef)
en geld
מִשְׁנֶ֖ה
(mishne)
dubbel
קְח֣וּ
(qechu)
neemt
בְיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַכֶּ֜סֶף
(hakesef)
het geld
הַמּוּשָׁ֨ב
(hamushav)
het teruggebrachte
בְּפִ֤י
(befi)
in de mond van
אַמְתְּחֹֽתֵיכֶם֙
(amtechoteikhem)
jullie zakken
תָּשִׁ֣יבוּ
(tashivu)
brengt terug
בְיֶדְכֶ֔ם
(beyedkhem)
in jullie hand
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
מִשְׁגֶּ֖ה
(mishge)
een vergissing
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אולי משׁגה הוא (ulay mishgeh hu), ‘misschien was het een vergissing’: zie vers 21–22.

13Neem ook jullie broer, maak je op en ga terug naar de man.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶ֖ם
(achikhem)
jullie broer
קָ֑חוּ
(qachu)
neemt
וְק֖וּמוּ
(vequmu)
en staat op
שׁ֥וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אֶל
(el)
naar
הָאִֽישׁ
(haish)
de man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Moge El Sjaddai jullie ontferming geven bij de man, zodat hij jullie andere broer en Benjamin met jullie laat gaan. Maar ik, als ik van kinderen beroofd moet worden, dan ben ik beroofd.”
וְאֵ֣ל
(veel)
en El
שַׁדַּ֗י
(shaday)
Sjaddai
יִתֵּ֨ן
(yiten)
moge geven
לָכֶ֤ם
(lakhem)
aan jullie
רַחֲמִים֙
(rachamim)
ontferming
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וְשִׁלַּ֥ח
(veshilach)
en hij zendt
לָכֶ֛ם
(lakhem)
jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶ֥ם
(achikhem)
jullie broer
אַחֵ֖ר
(acher)
de andere
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בִּנְיָמִ֑ין
(binyamin)
Benjamin
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
שָׁכֹ֖לְתִּי
(shakholti)
ik beroofd ben
שָׁכָֽלְתִּי
(shakhalti)
ben ik beroofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ואל שׁדי (ve’El Shaddai), ‘en El Sjaddai’: zie 17:1; 28:3; 35:11; 48:3.

כאשׁר שׁכלתי שׁכלתי (ka’asher shakholti shakholti), ‘als ik van kinderen beroofd moet worden, dan ben ik beroofd’: zie 42:36.

Aanvullend

Jasher 52:26 geeft Jakobs gebed om redding van zijn zonen.

Jasher 52:28–41 geeft een brief van Jakob aan de koning van Egypte.

In het huis van Jozef

15De mannen namen dit geschenk, en dubbel geld namen zij in hun hand mee, en Benjamin. Zij maakten zich op, gingen af naar Egypte en stelden zich voor Jozef.
וַיִּקְח֤וּ
(vayiqchu)
en ze namen
הָֽאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמִּנְחָ֣ה
(hamincha)
het geschenk
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וּמִשְׁנֶה
(umishne)
en dubbel
כֶּ֛סֶף
(kesef)
geld
לָקְח֥וּ
(laqechu)
ze namen
בְיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בִּנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וַיָּקֻ֨מוּ֙
(vayaqumu)
en ze stonden op
וַיֵּרְד֣וּ
(vayeredu)
en ze gingen af
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
וַיַּֽעַמְד֖וּ
(vayaamdu)
en ze stonden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookJub 42:20
16Toen Jozef Benjamin bij hen zag, zei hij tegen de man die over zijn huis was: „Breng de mannen naar het huis, slacht een dier en maak het klaar, want de mannen zullen met mij eten, op het middaguur.”
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹסֵ֣ף
(yosef)
Jozef
אִתָּם֮
(itam)
met hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְיָמִין֒
(binyamin)
Benjamin
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לַֽאֲשֶׁ֣ר
(laasher)
tot degene die
עַל
(al)
over
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
הָבֵ֥א
(have)
breng
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
הַבָּ֑יְתָה
(habayeta)
naar het huis
וּטְבֹ֤חַ
(utevoach)
en slacht
טֶ֨בַח֙
(tevach)
een slachting
וְהָכֵ֔ן
(vehakhen)
en maak gereed
כִּ֥י
(ki)
want
אִתִּ֛י
(iti)
met mij
יֹאכְל֥וּ
(yokhlu)
zullen eten
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
בַּֽצָּהֳרָֽיִם
(batsahorayim)
op het middaguur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לאשׁר על ביתו (la’asher al beito), ‘tot degene die over zijn huis was’: de rentmeester; zie vers 19; 44:1.

בצהרים (batsohorayim), ‘op het middaguur’: zie vers 25.

Aanvullend

Jasher 53:2–4 zegt dat Jozef de mannen begroette en hun etenstijd opdroeg aan de opzichter van zijn huis.

17De man deed zoals Jozef gezegd had, en de man bracht de mannen naar het huis van Jozef.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
כַּֽאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
אָמַ֣ר
(amar)
hij had gezegd
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
בֵּ֥יתָה
(beita)
naar het huis
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 42:22
18De mannen werden bang omdat zij naar het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: „Het is vanwege het geld dat de eerste keer in onze zakken teruggebracht werd, dat wij binnengebracht worden: om zich op ons te werpen, zich op ons te storten en ons als slaven te nemen, met onze ezels.”
וַיִּֽירְא֣וּ
(vayireu)
en ze werden bang
הָֽאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
כִּ֣י
(ki)
omdat
הֽוּבְאוּ֮
(huveu)
ze waren gebracht
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יוֹסֵף֒
(yosef)
Jozef
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en ze zeiden
עַל
(al)
vanwege
דְּבַ֤ר
(devar)
de zaak van
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het geld
הַשָּׁ֤ב
(hashav)
het teruggebrachte
בְּאַמְתְּחֹתֵ֨ינוּ֙
(beamtechoteinu)
in onze zakken
בַּתְּחִלָּ֔ה
(batechila)
de eerste keer
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
מֽוּבָאִ֑ים
(muvaim)
worden gebracht
לְהִתְגֹּלֵ֤ל
(lehitgolel)
om zich te werpen
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
op ons
וּלְהִתְנַפֵּ֣ל
(ulehitnapel)
en zich te storten
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
op ons
וְלָקַ֧חַת
(velaqachat)
en te nemen
אֹתָ֛נוּ
(otanu)
ons
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot slaven
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
חֲמֹרֵֽינוּ
(chamoreinu)
onze ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

להתגלל עלינו ולהתנפל עלינו (lehitgolel aleinu ulehitnappel aleinu), ‘om zich op ons te werpen en zich op ons te storten’: zij vrezen een valse aanklacht, zie 44:1–17.

19Zij traden naar voren tot de man die over het huis van Jozef was en spraken tot hem bij de ingang van het huis.
וַֽיִּגְּשׁוּ֙
(vayigeshu)
en ze traden naar voren
אֶל
(el)
tot
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
וַיְדַבְּר֥וּ
(vaydaberu)
en ze spraken
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
פֶּ֥תַח
(petach)
ingang van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 42:22
20Zij zeiden: „Ach, mijn heer, wij zijn de eerste keer afgekomen om voedsel te kopen.
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en ze zeiden
בִּ֣י
(bi)
ach
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
יָרֹ֥ד
(yarod)
afdalen
יָרַ֛דְנוּ
(yaradnu)
wij zijn afgedaald
בַּתְּחִלָּ֖ה
(batechila)
de eerste keer
לִשְׁבָּר
(lishbar)
om te kopen
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בי אדני (bi adoni), ‘ach, mijn heer’: zie 44:18.

ירד ירדנו (yarod yaradnu), ‘wij zijn zeker afgedaald’.

21En toen wij bij de herberg kwamen en onze zakken openden, zie, ieders geld lag boven in zijn zak, ons geld naar zijn gewicht; dat hebben wij nu in onze hand teruggebracht.
וַֽיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּי
(ki)
toen
בָ֣אנוּ
(banu)
wij kwamen
אֶל
(el)
tot
הַמָּל֗וֹן
(hamalon)
de herberg
וַֽנִּפְתְּחָה֙
(vaniftecha)
en we openden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַמְתְּחֹתֵ֔ינוּ
(amtechoteinu)
onze zakken
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
כֶֽסֶף
(kesef)
geld van
אִישׁ֙
(ish)
een man
בְּפִ֣י
(befi)
in de mond van
אַמְתַּחְתּ֔וֹ
(amtachto)
zijn zak
כַּסְפֵּ֖נוּ
(kaspenu)
ons geld
בְּמִשְׁקָל֑וֹ
(bemishqalo)
naar zijn gewicht
וַנָּ֥שֶׁב
(vanashev)
en we brachten terug
אֹת֖וֹ
(oto)
het
בְּיָדֵֽנוּ
(beyadenu)
in onze hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המלון (hammalon), ‘de herberg’: zie 42:27.

בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘boven in zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’.

22En ander geld hebben wij in onze hand meegebracht om voedsel te kopen. Wij weten niet wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.”
וְכֶ֧סֶף
(vekhesef)
en geld
אַחֵ֛ר
(acher)
ander
הוֹרַ֥דְנוּ
(horadnu)
hebben we afgebracht
בְיָדֵ֖נוּ
(beyadenu)
in onze hand
לִשְׁבָּר
(lishbar)
om te kopen
אֹ֑כֶל
(okhel)
voedsel
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְנוּ
(yadanu)
wij weten
מִי
(mi)
wie
שָׂ֥ם
(sam)
legde
כַּסְפֵּ֖נוּ
(kaspenu)
ons geld
בְּאַמְתְּחֹתֵֽינוּ
(beamtechoteinu)
in onze zakken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij zei: „Welzijn voor jullie! Wees niet bang. Jullie Elohim en de Elohim van jullie vader heeft jullie een schat in jullie zakken gegeven. Jullie geld is bij mij gekomen.” En hij bracht Simeon naar hen toe.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en hij zei
שָׁל֨וֹם
(shalom)
welzijn
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗אוּ
(tirau)
wees bang
אֱלֹ֨הֵיכֶ֜ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וֵֽאלֹהֵ֤י
(velohei)
en Elohim van
אֲבִיכֶם֙
(avikhem)
jullie vader
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
לָכֶ֤ם
(lakhem)
aan jullie
מַטְמוֹן֙
(matmon)
een schat
בְּאַמְתְּחֹ֣תֵיכֶ֔ם
(beamtechoteikhem)
in jullie zakken
כַּסְפְּכֶ֖ם
(kaspekhem)
jullie geld
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַיּוֹצֵ֥א
(vayotse)
en hij bracht naar buiten
אֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
tot hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁלום (shalom), ‘welzijn’: zie vers 27.

מטמון (matmon), ‘schat’: iets wat verborgen is.

Aanvullend

Jasher 53:4–5 zegt dat Simeon vertelde dat Jozef hem goed behandeld had.

24De man bracht de mannen in het huis van Jozef, gaf water en zij wasten hun voeten, en hij gaf voer aan hun ezels.
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en hij bracht
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
בֵּ֣יתָה
(beita)
naar het huis
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
van Jozef
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
וַיִּרְחֲצ֣וּ
(vayirchatsu)
en ze wasten
רַגְלֵיהֶ֔ם
(ragleihem)
hun voeten
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
מִסְפּ֖וֹא
(mispo)
voer
לַחֲמֹֽרֵיהֶֽם
(lachamoreihem)
aan hun ezels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Zij maakten het geschenk gereed tot Jozef om het middaguur kwam, want zij hadden gehoord dat zij daar brood zouden eten.
וַיָּכִ֨ינוּ֙
(vayakhinu)
en ze maakten gereed
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het geschenk
עַד
(ad)
tot
בּ֥וֹא
(bo)
komst van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בַּֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
om het middaguur
כִּ֣י
(ki)
want
שָֽׁמְע֔וּ
(shameu)
ze hadden gehoord
כִּי
(ki)
dat
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יֹ֥אכְלוּ
(yokhlu)
ze zouden eten
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בצהרים (batsohorayim), ‘om het middaguur’: zie vers 16.

Jozef ziet Benjamin

26Toen Jozef thuiskwam, brachten zij hem het geschenk dat zij bij zich hadden naar het huis, en zij bogen zich voor hem neer, naar de aarde.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
naar huis
וַיָּבִ֥יאּוּ
(vayaviu)
en ze brachten
ל֛וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמִּנְחָ֥ה
(hamincha)
het geschenk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בְּיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
הַבָּ֑יְתָה
(habayeta)
naar huis
וַיִּשְׁתַּחֲווּ
(vayishtachavu)
en ze bogen zich
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וישׁתחוו לו ארצה (vayishtachavu lo artsah), ‘zij bogen zich voor hem neer, naar de aarde’: zie 37:7, 9; 42:6; 43:28.

Aanvullend

Jasher 53:6–7 zegt dat Juda Benjamin bij de hand nam en dat Juda Jakobs brief aan Jozef gaf.

Jubileeën 42:20 noemt het geschenk: druppelhars, amandelen, terebintnoten en zuivere honing.

27Hij vroeg hun naar hun welzijn en zei: „Is het welzijn van jullie vader, de oude man van wie jullie gesproken hebben? Leeft hij nog?”
וַיִּשְׁאַ֤ל
(vayishal)
en hij vroeg
לָהֶם֙
(lahem)
hen
לְשָׁל֔וֹם
(leshalom)
naar welzijn
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲשָׁל֛וֹם
(hashalom)
is het welzijn van
אֲבִיכֶ֥ם
(avikhem)
jullie vader
הַזָּקֵ֖ן
(hazaqen)
de oude
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
van wie
אֲמַרְתֶּ֑ם
(amartem)
jullie gesproken hebben
הַעוֹדֶ֖נּוּ
(haodenu)
leeft hij nog
חָֽי
(chay)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לשׁלום (leshalom), ‘naar welzijn’: shalom omvat gezondheid en veiligheid.

28Zij zeiden: „Het gaat goed met uw dienaar, onze vader; hij leeft nog.” En zij bogen en wierpen zich neer.
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en ze zeiden
שָׁל֛וֹם
(shalom)
welzijn
לְעַבְדְּךָ֥
(leavdekha)
voor uw dienaar
לְאָבִ֖ינוּ
(leavinu)
onze vader
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog hij
חָ֑י
(chay)
levend
וַֽיִּקְּד֖וּ
(vayiqedu)
en ze bogen het hoofd
וישתחו
(vayishtachu)
en ze wierpen zich neer (geschreven)
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ
(vayishtachauu)
en ze wierpen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier is de gelezen vorm gevolgd.

Het verschil is één letter.

Lezing

Lezing: het geschreven woord is וישתחו (vayishtachu), ‘en zij wierpen zich neer’; de Masoreten laten het lezen als וישׁתחוו (vayishtachavu).

29Hij sloeg zijn ogen op en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: „Is dit jullie jongste broer van wie jullie mij gesproken hebben?” En hij zei: „Moge Elohim je genadig zijn, mijn zoon.”
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij hief op
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בִּנְיָמִ֣ין
(binyamin)
Benjamin
אָחִיו֮
(achiv)
zijn broer
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמּוֹ֒
(imo)
zijn moeder
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲזֶה֙
(haze)
is dit
אֲחִיכֶ֣ם
(achikhem)
jullie broer
הַקָּטֹ֔ן
(haqaton)
de jongste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
van wie
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie gesproken hebben
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en Hij zei
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
יָחְנְךָ֖
(yachenekha)
moge genadig zijn voor jou
בְּנִֽי
(beni)
mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אלהים יחנך בני (Elohim yachnekha beni), ‘Moge Elohim je genadig zijn, mijn zoon’: zie 33:5.

Aanvullend

Jasher 53:9 zegt dat Jozef zijn hand op Benjamins hoofd legde.

Jubileeën 42:21 zegt dat Jozef Benjamin zag en herkende en vroeg: ‘Is dit uw jongste broer?’

30Jozef haastte zich, want zijn ontferming ontbrandde voor zijn broer, en hij zocht een plaats om te wenen. Hij ging de kamer in en weende daar.
וַיְמַהֵ֣ר
(vaymaher)
en hij haastte zich
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
כִּֽי
(ki)
omdat
נִכְמְר֤וּ
(nikhmeru)
ontbrandden
רַחֲמָיו֙
(rachamav)
zijn ontferming
אֶל
(el)
voor
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
וַיְבַקֵּ֖שׁ
(vayvaqesh)
en hij zocht
לִבְכּ֑וֹת
(livkot)
om te wenen
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging
הַחַ֖דְרָה
(hachadra)
de kamer in
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
שָֽׁמָּה
(shama)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נכמרו רחמיו (nikhmeru rachamav), ‘zijn ontferming ontbrandde’: zie 1 Kon. 3:26.

Aanvullend

Jasher 53:8 zegt dat Jozef al eerder, bij het lezen van Jakobs brief, weende.

31Daarna wiste hij zijn gezicht, kwam naar buiten, bedwong zich en zei: „Zet het brood op.”
וַיִּרְחַ֥ץ
(vayirchats)
en hij waste
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
וַיֵּצֵ֑א
(vayetse)
en hij ging naar buiten
וַיִּ֨תְאַפַּ֔ק
(vayitapaq)
en hij bedwong zich
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שִׂ֥ימוּ
(simu)
zet op
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויתאפק (vayit’appaq), ‘hij bedwong zich’: zie 45:1.

32Zij zetten voor hem apart op, en voor hen apart, en voor de Egyptenaren die met hem aten apart, want de Egyptenaren kunnen niet met de Hebreeën brood eten; dat is een gruwel voor Egypte.
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en ze zetten voor
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
apart
וְלָהֶ֣ם
(velahem)
en voor hen
לְבַדָּ֑ם
(levadam)
apart
וְלַמִּצְרִ֞ים
(velamitsrim)
en voor de Egyptenaren
הָאֹכְלִ֤ים
(haokhelim)
die aten
אִתּוֹ֙
(ito)
met hem
לְבַדָּ֔ם
(levadam)
apart
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
יוּכְל֜וּן
(yukhelun)
kunnen
הַמִּצְרִ֗ים
(hamitsrim)
de Egyptenaren
לֶאֱכֹ֤ל
(leekhol)
eten
אֶת
(et)
met
הָֽעִבְרִים֙
(haivrim)
de Hebreeën
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
כִּי
(ki)
want
תוֹעֵבָ֥ה
(toeva)
gruwel
הִ֖וא
(hi)
zij
לְמִצְרָֽיִם
(lemitsrayim)
voor Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כי תועבה הוא למצרים (ki to’evah hi leMitsrayim), ‘want het is een gruwel voor Egypte’: zie 46:34; Exod. 8:22.

Dat de Egyptenaren niet met Hebreeën aten, hangt samen met hun eigen reinheidsregels.

33Zij zaten voor hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jongheid, en de mannen keken elkaar verbaasd aan.
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en ze zaten
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
הַבְּכֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
כִּבְכֹ֣רָת֔וֹ
(kivkhorato)
naar zijn eerstgeboorte
וְהַצָּעִ֖יר
(vehatsair)
en de jongste
כִּצְעִרָת֑וֹ
(kitsirato)
naar zijn jongheid
וַיִּתְמְה֥וּ
(vayitmehu)
en ze verbaasden zich
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn metgezel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הבכר כבכרתו והצעיר כצערתו (habbekhor kivkhorato vehatsa’ir kitsa’irato), ‘de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte en de jongste naar zijn jongheid’: Jozef kent hun volgorde.

Aanvullend

Jasher 53:11–13 zegt dat Jozef dat wist door zijn zilveren beker, waarmee hij erop sloeg.

34Hij liet porties van zijn tafel naar hen brengen, en de portie van Benjamin was vijfmaal groter dan de porties van allen. Zij dronken en werden vrolijk met hem.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hij liet dragen
מַשְׂאֹ֜ת
(masot)
porties
מֵאֵ֣ת
(meet)
van bij
פָּנָיו֮
(panav)
zijn gezicht
אֲלֵהֶם֒
(alehem)
naar hen
וַתֵּ֜רֶב
(vaterev)
en ze werd groot
מַשְׂאַ֧ת
(masat)
portie van
בִּנְיָמִ֛ן
(binyamin)
Benjamin
מִמַּשְׂאֹ֥ת
(mimasot)
dan porties van
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
allen van hen
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
יָד֑וֹת
(yadot)
delen
וַיִּשְׁתּ֥וּ
(vayishtu)
en ze dronken
וַֽיִּשְׁכְּר֖וּ
(vayishkeru)
en ze werden vrolijk
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חמשׁ ידות (chamesh yadot), ‘vijf delen’: letterlijk ‘vijf handen’.

Aanvullend

Jubileeën 42:23 zegt zevenmaal zoveel.

Jasher 53:14–22 vertelt dat Jozef Benjamin op zijn troon liet zitten, dat hij hem naar zijn tien zonen vroeg en dat Benjamin met Jozefs sterrenkaart zag dat Jozef zijn broer was.