Het erfdeel van Juda: de grenzen, Kaleb en de steden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De zuidgrens van Juda
1Het lot voor de stam van de zonen van Juda, naar hun families, reikte tot de grens van Edom. Het reikte tot de woestijn Zin in het zuiden, aan het uiterste zuiden.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
הַגּוֹרָ֗ל
(hagoral)
het lot
לְמַטֵּ֛ה
(lemate)
voor de stam van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
אֶל
(el)
tot
גְּב֨וּל
(gevul)
de grens van
אֱד֧וֹם
(edom)
Edom
מִדְבַּר
(midbar)
de woestijn
צִ֛ן
(tsin)
Zin
נֶ֖גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
vanaf het uiteinde van
תֵימָֽן
(teiman)
het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.
3De grens liep naar het zuiden van de klim van Akrabbim, liep door naar Zin en klom in het zuiden van Kades-Barnea. Hij liep door naar Chezron, klom naar Addar en boog af naar Karka.
וְ֠יָצָא
(veyatsa)
en liep uit
אֶל
(el)
naar
מִנֶּ֜גֶב
(minegev)
het zuiden van
לְמַעֲלֵ֤ה
(lemaale)
de klim van
עַקְרַבִּים֙
(aqrabim)
Akrabbim
וְעָ֣בַר
(veavar)
en liep door
צִ֔נָה
(tsina)
naar Zin
וְעָלָ֥ה
(veala)
en klom
מִנֶּ֖גֶב
(minegev)
het zuiden van
לְקָדֵ֣שׁ
(leqadesh)
naar Kades
בַּרְנֵ֑עַ
(barnea)
Barnea
וְעָבַ֤ר
(veavar)
en liep door
חֶצְרוֹן֙
(chetsron)
Chezron
וְעָלָ֣ה
(veala)
en klom
אַדָּ֔רָה
(adara)
naar Addar
וְנָסַ֖ב
(venasav)
en boog af
הַקַּרְקָֽעָה
(haqarqaa)
naar Karka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De klim van Akrabbim is waarschijnlijk de pas Naqb es-Safa, ten zuidwesten van de Dode Zee (Israël).
Zin is de woestijn Zin.
Kades-Barnea is Ain Qudeirat in het noorden van de Sinaï (Egypte).
De ligging van Chezron, Addar en Karka is onzeker.
Zie Num. 34:4.
Zie Klim van Akrabbim: De klim van Akrabbim lag in het zuiden van de grens van Kanaän, ten zuidwesten van de Dode Zee.
5De grens in het oosten is de Zoutzee, tot het uiteinde van de Jordaan. De grens aan de noordzijde begint bij de baai van de zee, bij het uiteinde van de Jordaan.
וּגְב֥וּל
(ugevul)
en de grens van
קֵ֨דְמָה֙
(qedema)
oostwaarts
יָ֣ם
(yam)
de zee van
הַמֶּ֔לַח
(hamelach)
de Zoutzee
עַד
(ad)
tot
קְצֵ֖ה
(qetse)
het uiteinde van
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
וּגְב֞וּל
(ugevul)
en de grens van
לִפְאַ֤ת
(lifat)
aan de zijde
צָפ֨וֹנָה֙
(tsafona)
noordwaarts
מִלְּשׁ֣וֹן
(mileshon)
vanaf de baai van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
מִקְצֵ֖ה
(miqtse)
vanaf het uiteinde van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Zoutzee: De Zoutzee is de Dode Zee, het meer in het diepe dal ten oosten van Juda.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
7De grens klom naar Debir, vanuit de vallei van Achor. In het noorden wendde hij zich naar Gilgal, dat tegenover de klim van Adummim ligt, ten zuiden van de beek. Daarna liep de grens door naar de wateren van En-Semes. Zijn einde ligt bij En-Rogel.
וְעָלָ֨ה
(veala)
en klom
הַגְּב֥וּל
(hagevul)
de grens
דְּבִרָה֮
(devira)
naar Debir
מֵעֵ֣מֶק
(meemeq)
vanuit de vallei van
עָכוֹר֒
(akhor)
Achor
וְצָפ֜וֹנָה
(vetsafona)
en noordwaarts
פֹּנֶ֣ה
(pone)
wendde zich
אֶל
(el)
naar
הַגִּלְגָּ֗ל
(hagilgal)
Gilgal
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נֹ֨כַח֙
(nokhach)
tegenover
לְמַעֲלֵ֣ה
(lemaale)
de klim van
אֲדֻמִּ֔ים
(adumim)
Adummim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מִנֶּ֖גֶב
(minegev)
ten zuiden van
לַנָּ֑חַל
(lanachal)
de beek
וְעָבַ֤ר
(veavar)
en liep door
הַגְּבוּל֙
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
מֵי
(mei)
de wateren van
עֵ֣ין
(ein)
En
שֶׁ֔מֶשׁ
(shemesh)
Semes
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en waren
תֹצְאֹתָ֖יו
(totseotav)
zijn uitlopers
אֶל
(el)
naar
עֵ֥ין
(ein)
En
רֹגֵֽל
(rogel)
Rogel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De vallei van Achor ligt waarschijnlijk bij Jericho (Westelijke Jordaanoever); de ligging is onzeker.
Zie Joz. 7:24–26.
Gilgal heet in Joz. 18:17 Gelilot.
Adummim is waarschijnlijk Talaat ed-Damm, aan de weg van Jeruzalem naar Jericho.
En-Semes is waarschijnlijk de bron bij Betanië (Westelijke Jordaanoever).
En-Rogel is een bron ten zuiden van Jeruzalem, in het Kidrondal.
Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron.
Dit is niet geheel zeker.
Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Klim van Adummim: De klim van Adummim lag aan de oude weg van Jeruzalem naar Jericho, bij Talaat ed-Damm.
Uitleg
De ‘Gilgal’ van dit vers is niet de Gilgal van Joz. 14:6, maar een andere plaats met dezelfde naam, ‘kring van stenen’.
8De grens klom langs het dal van de zoon van Hinnom naar de zuidflank van de Jebusieten, dat is Jeruzalem. Daarna klom de grens naar de top van de berg. Die berg ligt tegenover het dal van Hinnom, in het westen. Hij ligt aan het einde van de vallei van de Refaïeten in het noorden.
וְעָלָ֨ה
(veala)
en klom
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
גֵּ֣י
(gei)
het dal van
בֶן
(ben)
de zoon van
הִנֹּ֗ם
(hinom)
Hinnom
אֶל
(el)
naar
כֶּ֤תֶף
(ketef)
de flank van
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
מִנֶּ֔גֶב
(minegev)
in het zuiden
הִ֖יא
(hi)
zij
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעָלָ֨ה
(veala)
en klom
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֗ר
(hahar)
de berg
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֤י
(penei)
het aangezicht van
גֵֽי
(gei)
het dal van
הִנֹּם֙
(hinom)
Hinnom
יָ֔מָּה
(yama)
westwaarts
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
aan het einde van
עֵֽמֶק
(emeq)
de vallei van
רְפָאִ֖ים
(refaim)
de Refaïeten
צָפֹֽנָה
(tsafona)
noordwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem.
De vallei van de Refaïeten ligt ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël).
De ligging is waarschijnlijk.
Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.
9Van de top van de berg liep de grens verder naar de bron van het water van Neftoach. Zij liep uit naar de steden van het gebergte Efron. Daarna liep de grens verder naar Baala, dat is Kirjat-Jearim.
וְתָאַ֨ר
(vetaar)
en liep verder
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
מֵרֹ֣אשׁ
(merosh)
van de top van
הָהָ֗ר
(hahar)
de berg
אֶל
(el)
naar
מַעְיַן֙
(mayan)
de bron van
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
נֶפְתּ֔וֹחַ
(neftoach)
Neftoach
וְיָצָ֖א
(veyatsa)
en liep uit
אֶל
(el)
naar
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
הַר
(har)
het gebergte van
עֶפְר֑וֹן
(efron)
Efron
וְתָאַ֤ר
(vetaar)
en liep verder
הַגְּבוּל֙
(hagevul)
de grens
בַּעֲלָ֔ה
(baala)
naar Baala
הִ֖יא
(hi)
zij
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִֽים
(yearim)
Jearim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Neftoach is waarschijnlijk Lifta, ten noordwesten van Jeruzalem.
Het gebergte Efron ligt ten westen daarvan; de ligging is onzeker.
Baala is Kirjat-Jearim (zie ook Joz. 15:60), waarschijnlijk bij Abu Gosh, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.
10Van Baala boog de grens af naar het westen, naar het gebergte Seïr. Hij liep door naar de flank van de berg Jearim aan de noordkant, dat is Kesalon. Hij daalde af naar Bet-Semes en liep door naar Timna.
וְנָסַב֩
(venasav)
en boog af
הַגְּב֨וּל
(hagevul)
de grens
מִבַּעֲלָ֥ה
(mibaala)
vanaf Baala
יָ֨מָּה֙
(yama)
westwaarts
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
het gebergte van
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
וְעָבַ֕ר
(veavar)
en liep door
אֶל
(el)
naar
כֶּ֧תֶף
(ketef)
de flank van
הַר
(har)
de berg
יְעָרִ֛ים
(yearim)
Jearim
מִצָּפ֖וֹנָה
(mitsafona)
aan de noordkant
הִ֣יא
(hi)
zij
כְסָל֑וֹן
(kesalon)
Kesalon
וְיָרַ֥ד
(veyarad)
en daalde af
בֵּֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֖מֶשׁ
(shemesh)
Semes
וְעָבַ֥ר
(veavar)
en liep door
תִּמְנָֽה
(timna)
naar Timna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Dit gebergte Seïr ligt in Juda en is een andere berg dan het gebergte Seïr in Edom.
Kesalon is waarschijnlijk het huidige Kesla.
Bet-Semes is Tel Bet-Semes (Tell er-Rumeile) en Timna is waarschijnlijk Tel Batasj, beide in Israël.
11De grens liep uit naar de flank van Ekron in het noorden. Hij liep verder naar Sikron, ging door langs de berg Baala en liep uit bij Jabneël. Het einde van de grens ligt bij de zee.
וְיָצָ֨א
(veyatsa)
en liep uit
הַגְּב֜וּל
(hagevul)
de grens
אֶל
(el)
naar
כֶּ֣תֶף
(ketef)
de flank van
עֶקְרוֹן֮
(eqron)
Ekron
צָפוֹנָה֒
(tsafona)
noordwaarts
וְתָאַ֤ר
(vetaar)
en liep verder
הַגְּבוּל֙
(hagevul)
de grens
שִׁכְּר֔וֹנָה
(shikerona)
naar Sikron
וְעָבַ֥ר
(veavar)
en liep door
הַר
(har)
de berg
הַֽבַּעֲלָ֖ה
(habaala)
Baala
וְיָצָ֣א
(veyatsa)
en liep uit
יַבְנְאֵ֑ל
(yavneel)
naar Jabneël
וְהָי֛וּ
(vehayu)
en waren
תֹּצְא֥וֹת
(totseot)
de uiteinden van
הַגְּב֖וּל
(hagevul)
de grens
יָֽמָּה
(yama)
zeewaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ekron is Khirbet el-Muqanna (Israël).
De ligging van Sikron is onzeker.
Jabneël is het latere Jabne (Javne, Israël), dicht bij de kust.
13Aan Kaleb, de zoon van Jefunne, gaf hij een deel te midden van de zonen van Juda, op bevel van Yahweh aan Jozua: Kirjat-Arba. Arba was de vader van Anak. Dat is Hebron.
וּלְכָלֵ֣ב
(ulekhalev)
en aan Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֗ה
(yefune)
Jefunne
נָ֤תַן
(natan)
gaf hij
חֵ֨לֶק֙
(cheleq)
een deel
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
op
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִֽיהוֹשֻׁ֑עַ
(lihoshua)
aan Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
אַרְבַּ֛ע
(arba)
Arba
אֲבִ֥י
(avi)
de vader van
הָעֲנָ֖ק
(haanaq)
Anak
הִ֥יא
(hi)
zij
חֶבְרֽוֹן
(chevron)
Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Lezing
Het Hebreeuws zegt ‘Kirjat-Arba, de vader van Anak’.
19Zij zei: „Geef mij een zegen. Want u hebt mij het land van de Negev gegeven. Geef mij dan ook bronnen met water.” Hij gaf haar de bovenste bronnen en de onderste bronnen.
וַתֹּ֜אמֶר
(vatomer)
en zij zei
תְּנָה
(tena)
geef
לִּ֣י
(li)
mij
בְרָכָ֗ה
(berakha)
een zegen
כִּ֣י
(ki)
want
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הַנֶּ֨גֶב֙
(hanegev)
de Negev
נְתַתָּ֔נִי
(netatani)
u hebt mij gegeven
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
dan geef
לִ֖י
(li)
mij
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
bronnen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
לָ֗הּ
(lah)
haar
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
bronnen van
עִלִּיּ֔וֹת
(iliyot)
de bovenste
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
גֻּלֹּ֥ת
(gulot)
bronnen van
תַּחְתִּיּֽוֹת
(tachtiyot)
de onderste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Uitleg
בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier een geschenk.
Het gaat om bronnen (גֻּלֹּת, gullot) voor het droge land van de Negev.
Zij vraagt water voor het land dat haar vader haar gegeven heeft.
47Asdod, met zijn dochtersteden en zijn dorpen. Ook Gaza, met zijn dochtersteden en zijn dorpen, tot de beek van Egypte en de Grote Zee met haar gebied.
אַשְׁדּ֞וֹד
(ashdod)
Asdod
בְּנוֹתֶ֣יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וַחֲצֵרֶ֗יהָ
(vachatsereiha)
en haar dorpen
עַזָּ֥ה
(aza)
Gaza
בְּנוֹתֶ֥יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וַחֲצֵרֶ֖יהָ
(vachatsereiha)
en haar dorpen
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
de beek van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהַיָּ֥ם
(vehayam)
en de zee
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
וּגְבֽוּל
(ugevul)
en het gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.
Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.
Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï.
Dit is de zuidwestgrens van het land.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Grote Zee: De Grote Zee is de Middellandse Zee, de westgrens van het land.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Maon is waarschijnlijk Tell Ma’in, Karmel is Khirbet el-Kirmil, Zif is Tell Zif en Juta is Yatta, allemaal ten zuiden van Hebron (Westelijke Jordaanoever).
63De zonen van Juda konden de Jebusieten, de bewoners van Jeruzalem, niet verdrijven. Zo wonen de Jebusieten tot op deze dag bij de zonen van Juda in Jeruzalem.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
יוֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
יְרֽוּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לֹֽא
(lo)
niet
יָכְל֥וּ
(yakhelu)
konden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְהֽוֹרִישָׁ֑ם
(lehorisham)
hen te verdrijven
וַיֵּ֨שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
הַיְבוּסִ֜י
(hayvusi)
de Jebusiet
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushalaim)
in Jeruzalem
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jeruzalem ligt in het bergland van Juda (Israël/Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
הִוְרִישׁ (horish), ‘verdrijven’: de zonen van Juda konden de Jebusieten niet uit de stad verdrijven.