Elohim Bijbel

Genesis 16

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Hagar en Ismaël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Sarai en Hagar

1Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen gebaard. Ze had een Egyptische slavin, en haar naam was Hagar.
וְשָׂרַי֙
(vesaray)
en Sarai
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
לֹ֥א
(lo)
niet
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
had gebaard
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְלָ֛הּ
(velah)
en voor haar
שִׁפְחָ֥ה
(shifcha)
een slavin
מִצְרִ֖ית
(mitsrit)
Egyptische
וּשְׁמָ֥הּ
(ushemah)
en haar naam
הָגָֽר
(hagar)
Hagar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’: een vrouwelijke slaaf, in eigendom van Sarai.

In 12:16 staat het meervoud, ‘slavinnen’.

Genesis zegt niet hoe Hagar bij Sarai kwam.

Aanvullend

Jasher 16:24 zegt dat de farao haar aan Sarai gaf.

Jubileeën 14:22 noemt haar ‘mijn Egyptische dienares’.

2Sarai zei tegen Abram: „Zie toch, Yahweh heeft mij belet kinderen te baren. Ga toch naar mijn slavin. Misschien krijg ik door haar kinderen.” En Abram luisterde naar de stem van Sarai.
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שָׂרַ֜י
(saray)
Sarai
אֶל
(el)
tegen
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֞א
(na)
toch
עֲצָרַ֤נִי
(atsarani)
heeft mij belet
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִלֶּ֔דֶת
(miledet)
te baren
בֹּא
(bo)
ga binnen
נָא֙
(na)
toch
אֶל
(el)
naar
שִׁפְחָתִ֔י
(shifchati)
mijn slavin
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
אִבָּנֶ֖ה
(ibane)
word ik opgebouwd
מִמֶּ֑נָּה
(mimena)
door haar
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hij luisterde
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
לְק֥וֹל
(leqol)
naar de stem van
שָׂרָֽי
(saray)
Sarai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲצָרַנִי יְהוָה מִלֶּדֶת (atsarani Yahweh milledet), ‘Yahweh heeft mij belet te baren’.

אִבָּנֶה (ibbaneh), ‘ik word opgebouwd’, van בנה (banah), ‘bouwen’; het klinkt als בן (ben), ‘zoon’.

Zie 30:3.

Hier vertaald als ‘kinderen krijgen’.

בֹּא נָא אֶל (bo na el), ‘ga toch binnen bij’: gemeenschap.

Dat Abram ‘luisterde naar de stem’ van Sarai is dezelfde uitdrukking als in 3:17 (zie 3:17).

Aanvullend

Jubileeën 14:22–23 en Jasher 16:26–28 vertellen hetzelfde.

3Nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, nam Sarai, de vrouw van Abram, haar Egyptische slavin Hagar en gaf haar aan haar man Abram als vrouw.
וַתִּקַּ֞ח
(vatiqach)
en ze nam
שָׂרַ֣י
(saray)
Sarai
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָגָ֤ר
(hagar)
Hagar
הַמִּצְרִית֙
(hamitsrit)
de Egyptische
שִׁפְחָתָ֔הּ
(shifchatah)
haar slavin
מִקֵּץ֙
(miqets)
na het einde van
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
לְשֶׁ֥בֶת
(leshevet)
van het wonen van
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַתִּתֵּ֥ן
(vatiten)
en ze gaf
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
לְאַבְרָ֥ם
(leavram)
aan Abram
אִישָׁ֖הּ
(ishah)
haar man
ל֥וֹ
(lo)
hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19).

Uitleg

מִקֵּץ עֶשֶׂר שָׁנִים (miqets eser shanim), ‘na tien jaar’: gerekend vanaf de komst in Kanaän (zie 12:4).

Abram was toen 85.

לְאִשָּׁה (le’ishah), ‘tot vrouw’: Hagar wordt hier niet alleen slavin, maar echtgenote van Abram.

Aanvullend

Jasher 16:27 noemt dit het 85e levensjaar van Abram.

4Hij ging naar Hagar en ze werd zwanger. Toen ze zag dat ze zwanger was, werd haar meesteres gering in haar ogen.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging binnen
אֶל
(el)
naar
הָגָ֖ר
(hagar)
Hagar
וַתַּ֑הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en ze zag
כִּ֣י
(ki)
dat
הָרָ֔תָה
(harata)
ze zwanger was
וַתֵּקַ֥ל
(vateqal)
en ze werd gering
גְּבִרְתָּ֖הּ
(gevirtah)
haar meesteres
בְּעֵינֶֽיהָ
(beeineiha)
in haar ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתֵּקַל גְּבִרְתָּהּ בְּעֵינֶיהָ (vatteqal gevirtah be’eneyha), ‘haar meesteres werd gering in haar ogen’: het werkwoord is dezelfde stam als in 12:3 (zie 12:3: ‘wie jou gering acht’).

גְּבִרְתָּהּ (gevirtah), ‘haar meesteres’.

Aanvullend

Jasher 16:29 laat Hagar denken dat zij beter is voor Yahweh dan Sarai.

5Sarai zei tegen Abram: „Het geweld dat mij is aangedaan, komt op jou. Ik zelf heb mijn slavin in jouw schoot gegeven. Toen ze zag dat ze zwanger was, werd ik gering in haar ogen. Moge Yahweh recht spreken tussen mij en jou.”
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שָׂרַ֣י
(saray)
Sarai
אֶל
(el)
tegen
אַבְרָם֮
(avram)
Abram
חֲמָסִ֣י
(chamasi)
mijn geweld
עָלֶיךָ֒
(aleikha)
op jou
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
נָתַ֤תִּי
(natati)
heb gegeven
שִׁפְחָתִי֙
(shifchati)
mijn slavin
בְּחֵיקֶ֔ךָ
(becheiqekha)
in je schoot
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en ze zag
כִּ֣י
(ki)
dat
הָרָ֔תָה
(harata)
ze zwanger was
וָאֵקַ֖ל
(vaeqal)
en ik werd gering
בְּעֵינֶ֑יהָ
(beeineiha)
in haar ogen
יִשְׁפֹּ֥ט
(yishpot)
moge oordelen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּינִ֥י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶֽיׄךָ
(uveineikha)
en tussen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲמָסִי עָלֶיךָ (chamasi alekha), ‘mijn geweld op jou’: het geweld dat mij is aangedaan, valt op jou terug.

חמס (chamas), ‘geweld’, is hetzelfde woord als in 6:11 en 6:13 (zie 6:11; vergelijk 6:13).

יִשְׁפֹּט (yishpot), ‘moge Hij oordelen’, heeft dezelfde stam als משפט (mishpat), ‘recht’.

Boven de yod in וּבֵינֶיׄךָ (uvenekha), ‘en tussen jou’, staat een bijzonder punt (puncta extraordinaria); de betekenis van dit teken is niet bekend.

Aanvullend

Jasher 16:31–32 geeft Sarai’s woorden uitgebreider.

6Abram zei tegen Sarai: „Zie, je slavin is in je hand. Doe met haar wat goed is in je ogen.” Toen onderdrukte Sarai haar, en ze vluchtte voor haar weg.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָ֜ם
(avram)
Abram
אֶל
(el)
tegen
שָׂרַ֗י
(saray)
Sarai
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
שִׁפְחָתֵךְ֙
(shifchatekh)
je slavin
בְּיָדֵ֔ךְ
(beyadekh)
in je hand
עֲשִׂי
(asi)
doe
לָ֖הּ
(lah)
met haar
הַטּ֣וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינָ֑יִךְ
(beeinayikh)
in je ogen
וַתְּעַנֶּ֣הָ
(vateaneha)
en ze onderdrukte haar
שָׂרַ֔י
(saray)
Sarai
וַתִּבְרַ֖ח
(vativrach)
en ze vluchtte
מִפָּנֶֽיהָ
(mipaneiha)
voor haar gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתְּעַנֶּהָ (vatte’anneha), ‘ze onderdrukte haar’: dezelfde stam ענה (anah) als in 15:13 (‘ze zullen hen onderdrukken’) en in vers 11 (‘je ellende’).

Zie 15:13.

מִפָּנֶיהָ (mipaneha), ‘van haar gezicht’, is ‘voor haar weg’.

Aanvullend

Jasher 16:33 vertelt hetzelfde.

De engel van Yahweh bij de bron

7De engel van Yahweh vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.
וַֽיִּמְצָאָ֞הּ
(vayimtsaah)
en hij vond haar
מַלְאַ֧ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
bij
עֵ֥ין
(ein)
bron van
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
עַל
(al)
bij
הָעַ֖יִן
(haayin)
de bron
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
aan de weg
שֽׁוּר
(shur)
Sur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

שׁוּר (Shur), Sur, ligt in het noordwesten van de Sinaï, ten oosten van Egypte (vergelijk 25:18).

Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘de engel van Yahweh’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor; מלאך (malakh) betekent ‘afgezant’.

De engel van Yahweh spreekt in verschillende passages namens Yahweh, soms in de eerste persoon (‘Ik zal je nageslacht vermenigvuldigen’, vers 10).

Sommige uitleggers zien hierin een verschijning van Yahweh of van Yeshua vóór Zijn menswording.

Anderen beschouwen hem als een hemelse boodschapper die met goddelijk gezag spreekt.

De cursieve tekst laat deze interpretaties open.

Hagar noemt Yahweh, die tot haar sprak, bij de naam El Roï (vers 13).

Aanvullend

Jasher 16:34 heeft ook de engel van Yahweh.

8Hij zei: „Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?” Ze zei: „Ik ben op de vlucht voor Sarai, mijn meesteres.”
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en Hij zei
הָגָ֞ר
(hagar)
Hagar
שִׁפְחַ֥ת
(shifchat)
slavin van
שָׂרַ֛י
(saray)
Sarai
אֵֽי
(ei)
waar
מִזֶּ֥ה
(mize)
vandaan
בָ֖את
(bat)
ben je gekomen
וְאָ֣נָה
(veana)
en waarheen
תֵלֵ֑כִי
(telekhi)
ga je
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
voor het gezicht van
שָׂרַ֣י
(saray)
Sarai
גְּבִרְתִּ֔י
(gevirti)
mijn meesteres
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
בֹּרַֽחַת
(borachat)
ben op de vlucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵי מִזֶּה בָאת (ei mizeh va’t), ‘waar kom je vandaan?’: de engel noemt Hagar bij haar naam en haar plaats in het huis.

Hagar beantwoordt alleen de eerste vraag; waarheen ze gaat, zegt ze niet.

9De engel van Yahweh zei tegen haar: „Keer terug naar je meesteres en onderwerp je aan haar.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָהּ֙
(lah)
tegen haar
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שׁ֖וּבִי
(shuvi)
keer terug
אֶל
(el)
naar
גְּבִרְתֵּ֑ךְ
(gevirtekh)
je meesteres
וְהִתְעַנִּ֖י
(vehitani)
en onderwerp je
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
יָדֶֽיהָ
(yadeiha)
haar handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִתְעַנִּי (vehit’anni), ‘onderwerp je’, is de wederkerige vorm van dezelfde stam ענה (anah) als ‘onderdrukken’ in vers 6.

10De engel van Yahweh zei tegen haar: „Ik zal je nageslacht sterk vermeerderen, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָהּ֙
(lah)
tegen haar
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַרְבָּ֥ה
(harba)
sterk
אַרְבֶּ֖ה
(arbe)
zal Ik vermeerderen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
זַרְעֵ֑ךְ
(zarekh)
je nageslacht
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִסָּפֵ֖ר
(yisafer)
kan geteld worden
מֵרֹֽב
(merov)
vanwege de menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַרְבָּה אַרְבֶּה (harbeh arbeh), ‘vermeerderen zal Ik vermeerderen’: de herhaling van het werkwoord versterkt.

De belofte lijkt op die aan Abram (zie 15:5), maar de engel zegt ‘Ik zal’.

11De engel van Yahweh zei tegen haar: „Zie, je bent zwanger en je zult een zoon baren. Je zult hem Ismaël noemen, want Yahweh heeft je ellende gehoord.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָהּ֙
(lah)
tegen haar
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנָּ֥ךְ
(hinakh)
zie, jij
הָרָ֖ה
(hara)
zwanger
וְיֹלַ֣דְתְּ
(veyoladt)
en je zult baren
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וְקָרָ֤את
(veqarat)
en je zult noemen
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
יִשְׁמָעֵ֔אל
(yishmael)
Ismaël
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֥ע
(shama)
heeft gehoord
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
עָנְיֵֽךְ
(aneyekh)
je ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִשְׁמָעֵאל (Yishma’el), ‘El hoort’: שמע (shama), ‘horen’, en אל (El).

עָנְיֵךְ (onyekh), ‘je ellende’, van עני (oni); vergelijk 29:32 en Ex. 3:7.

Aanvullend

Jasher 16:34 geeft de naam ook voor de geboorte.

12Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: zijn hand tegen allen en de hand van allen tegen hem. En tegenover al zijn broers zal hij wonen.”
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
יִהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
פֶּ֣רֶא
(pere)
wilde ezel van
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
יָד֣וֹ
(yado)
zijn hand
בַכֹּ֔ל
(bakol)
tegen allen
וְיַ֥ד
(veyad)
en de hand van
כֹּ֖ל
(kol)
allen
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
וְעַל
(veal)
en tegenover
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
כָל
(kal)
al
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
יִשְׁכֹּֽן
(yishkon)
zal hij wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּרֶא אָדָם (pere adam), ‘een wilde ezel van een mens’: de wilde ezel trekt vrij door de woestijn (Job 39:5–8).

Adam is hier niet de eigennaam, maar ‘mens’.

וְעַל פְּנֵי כָל אֶחָיו יִשְׁכֹּן (ve’al penei kol echav yishkon), ‘tegenover al zijn broers zal hij wonen’.

Vergelijk 25:18, waar bijna dezelfde uitdrukking staat met ‘hij viel’ (נפל).

13Ze gaf Yahweh, die tot haar sprak, een naam: „U bent El Roï”, want ze zei: „Heb ik ook hier gezien, Hem die mij ziet?”
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en ze noemde
שֵׁם
(shem)
de naam van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
tot haar
אַתָּ֖ה
(ata)
U
אֵ֣ל
(el)
El
רֳאִ֑י
(roi)
Roï (die mij ziet)
כִּ֣י
(ki)
want
אָֽמְרָ֗ה
(amera)
ze zei
הֲגַ֥ם
(hagam)
heb ik ook
הֲלֹ֛ם
(halom)
hier
רָאִ֖יתִי
(raiti)
gezien
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
רֹאִֽי
(roi)
Hem die mij ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל רֳאִי (El Ro’i), ‘El die mij ziet’: Hagar geeft Yahweh, die tot haar sprak, deze naam.

Het laatste deel, הֲגַם הֲלֹם רָאִיתִי אַחֲרֵי רֹאִי (hagam halom ra’iti acharei ro’i), is moeilijk.

Letterlijk: ‘heb ik ook hier gezien achter [of: na] Hem die mij ziet?’.

De vertaling blijft dicht bij het Hebreeuws: ‘Heb ik ook hier gezien, Hem die mij ziet?’

Hagar noemt Hem de El die naar haar omziet, zoals Hij in vers 11 naar haar ellende luisterde.

Een andere lezing is: ‘Heb ik hier ook de achterkant gezien van Hem die mij ziet?’ (vergelijk Ex. 33:23).

14Daarom noemde men de put Beër-Lachai-Roï. Zie, ze ligt tussen Kades en Bered.
עַל
(al)
op
כֵּן֙
(ken)
zo
קָרָ֣א
(qara)
noemde men
לַבְּאֵ֔ר
(labeer)
de put
בְּאֵ֥ר
(beer)
put van
לַחַ֖י
(lachay)
de Levende
רֹאִ֑י
(roi)
die mij ziet
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בֵין
(bein)
tussen
קָדֵ֖שׁ
(qadesh)
Kades
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
בָּֽרֶד
(bared)
Bered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades (קָדֵשׁ) ligt in de Negev; de ligging van Bered (בָּרֶד) is onbekend.

Uitleg

בְּאֵר לַחַי רֹאִי (Be’er Lachai Ro’i), ‘put van de Levende die mij ziet’.

De put komt later terug bij Isaak (zie 24:62; vergelijk 25:11).

Aanvullend

Jasher 16:35 noemt dezelfde plaats.

Ismaël geboren

15Hagar baarde Abram een zoon, en Abram noemde de zoon die Hagar baarde Ismaël.
וַתֵּ֧לֶד
(vateled)
en ze baarde
הָגָ֛ר
(hagar)
Hagar
לְאַבְרָ֖ם
(leavram)
aan Abram
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij noemde
אַבְרָ֧ם
(avram)
Abram
שֶׁם
(shem)
de naam van
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָלְדָ֥ה
(yaleda)
baarde
הָגָ֖ר
(hagar)
Hagar
יִשְׁמָעֵֽאל
(yishmael)
Ismaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ismaël draagt de naam die de engel gaf (zie vers 11).

Aanvullend

Jubileeën 14:24 en Jasher 16:36 melden de geboorte op dezelfde plaats.

16Abram was 86 jaar oud toen Hagar Ismaël voor Abram baarde.
וְאַבְרָ֕ם
(veavram)
en Abram
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמֹנִ֥ים
(shemonim)
tachtig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en zes
שָׁנִ֑ים
(shanim)
jaar
בְּלֶֽדֶת
(beledet)
bij het baren van
הָגָ֥ר
(hagar)
Hagar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִשְׁמָעֵ֖אל
(yishmael)
Ismaël
לְאַבְרָֽם
(leavram)
aan Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Abram was 75 bij de reis uit Charan (zie 12:4), 99 bij de besnijdenis (vergelijk 17:1) en 100 bij de geboorte van Isaak (vergelijk 21:5).

Aanvullend

Jubileeën 14:24 vertelt de geboorte van de zoon, maar noemt het jaartal niet.