Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het gestolen zilver van Micha
1Er was een man uit het bergland van Efraïm. Zijn naam was Michajehu.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er was
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
מֵֽהַר
(mehar)
van het bergland van
אֶפְרָ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וּשְׁמ֥וֹ
(ushemo)
en zijn naam
מִיכָֽיְהוּ
(mikhayehu)
Michajehu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het bergland van Efraïm is het middengebied van het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever, tussen Betel en Sichem.
De naam Michajehu (‘wie is als Yahweh?’) staat hier in de lange vorm; vanaf vers 5 heet hij Micha, de korte vorm.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
2Hij zei tegen zijn moeder: „Over de 1100 stukken zilver die van je zijn genomen sprak jij een vloek uit. Je zei het ook in mijn oren. Zie, het zilver is bij mij. Ik heb het genomen.” Zijn moeder zei: „Mijn zoon is gezegend voor Yahweh.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְאִמּ֡וֹ
(leimo)
tot zijn moeder
אֶלֶף֩
(elef)
duizend
וּמֵאָ֨ה
(umea)
en honderd
הַכֶּ֜סֶף
(hakesef)
het zilver
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֻֽקַּֽח
(luqach)
werd genomen
לָ֗ךְ
(lakh)
van jou
וְאַ֤תְּ
(veat)
en jij
אָלִית֙
(alit)
sprak een vloek uit
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אָמַ֣רְתְּ
(amart)
zei
בְּאָזְנַ֔י
(beazenay)
in mijn oren
הִנֵּֽה
(hine)
zie
הַכֶּ֥סֶף
(hakesef)
het zilver
אִתִּ֖י
(iti)
bij mij
אֲנִ֣י
(ani)
ik
לְקַחְתִּ֑יו
(leqachtiv)
heb het genomen
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws noemt bij ‘1100’ geen maat, alleen ‘het zilver’.
Wij vullen ‘stukken’ aan.
Waarschijnlijk gaat het om sikkels (een sikkel is ongeveer 11,4 gram).
Dan is het ongeveer 12,5 kilo zilver.
Zeker is dat niet.
אָלָה (alah), ‘een vloek uitspreken’: de moeder sprak een vloek uit over de dief, zonder te weten wie het was.
Lezing
De geschreven tekst heeft וְאָתִי (ve’ati), maar de gelezen vorm is וְאַתְּ (ve’at), ‘en je (zei het) ook’.
3Hij gaf de 1100 stukken zilver aan zijn moeder terug. Zijn moeder zei: „Ik heb het zilver zeker aan Yahweh gewijd, uit mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken. Nu geef ik het aan jou terug.”
וַיָּ֛שֶׁב
(vayashev)
en hij gaf terug
אֶת
(et)
(obj.)
אֶֽלֶף
(elef)
duizend
וּמֵאָ֥ה
(umea)
en honderd
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
לְאִמּ֑וֹ
(leimo)
aan zijn moeder
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אִמּ֡וֹ
(imo)
zijn moeder
הַקְדֵּ֣שׁ
(haqdesh)
wijden
הִקְדַּ֣שְׁתִּי
(hiqdashti)
ik heb gewijd
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּסֶף֩
(hakesef)
het zilver
לַיהוָ֨ה
(laYahweh)
aan Yahweh
מִיָּדִ֜י
(miyadi)
uit mijn hand
לִבְנִ֗י
(livni)
voor mijn zoon
לַֽעֲשׂוֹת֙
(laasot)
om te maken
פֶּ֣סֶל
(pesel)
een gesneden beeld
וּמַסֵּכָ֔ה
(umasekha)
en een gegoten beeld
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אֲשִׁיבֶ֥נּוּ
(ashivenu)
zal ik het teruggeven
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’: een beeld dat uit hout of steen is gesneden.
מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: een beeld van gegoten metaal.
Zie ook Exod. 20:4; 34:17; Deut. 27:15.
הַקְדֵּשׁ הִקְדַּשְׁתִּי (hakdesh hikdashti), ‘ik heb zeker gewijd’: de dubbele vorm maakt de wijding sterk. De moeder zegt dat het zilver al van Yahweh is, maar laat er toch een beeld van maken. Exod. 20:4–5 verbiedt zulke beelden.
4Hij gaf het zilver aan zijn moeder terug. Zijn moeder nam 200 stukken zilver en gaf ze aan de zilversmid. Die maakte er een gesneden beeld en een gegoten beeld van. Het stond in het huis van Michajehu.
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en hij gaf terug
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
לְאִמּ֑וֹ
(leimo)
aan zijn moeder
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en nam
אִמּוֹ֩
(imo)
zijn moeder
מָאתַ֨יִם
(matayim)
tweehonderd
כֶּ֜סֶף
(kesef)
zilver
וַתִּתְּנֵ֣הוּ
(vatitenehu)
en gaf het
לַצּוֹרֵ֗ף
(latsoref)
aan de zilversmid
וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙
(vayaasehu)
en hij maakte het
פֶּ֣סֶל
(pesel)
een gesneden beeld
וּמַסֵּכָ֔ה
(umasekha)
en een gegoten beeld
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
מִיכָֽיְהוּ
(mikhayehu)
Michajehu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Van de 1100 stukken gebruikt zij maar 200 voor de beelden.
5De man Micha had een huis van Elohim. Hij maakte een efod en huisgoden. Hij wijdde een van zijn zonen in en die werd zijn priester.
וְהָאִ֣ישׁ
(vehaish)
en de man
מִיכָ֔ה
(mikha)
Micha
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
בֵּ֣ית
(beit)
een huis van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֵפוֹד֙
(efod)
een efod
וּתְרָפִ֔ים
(uterafim)
en huisgoden
וַיְמַלֵּ֗א
(vaymale)
en hij vulde
אֶת
(et)
(obj.)
יַ֤ד
(yad)
de hand van
אַחַד֙
(achad)
een
מִבָּנָ֔יו
(mibanav)
van zijn zonen
וַיְהִי
(vayhi)
en hij werd
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
לְכֹהֵֽן
(lekhohen)
tot priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית אֱלֹהִים (beit Elohim), ‘huis van Elohim’: een eigen heiligdom in het huis van Micha.
Het woord elohim kan ook ‘goden’ betekenen; hier staan de beelden en de huisgoden erin.
אֵפוֹד (efod): een priesterkleed, zie Exod. 28:6–14. Hier gaat het om een eigen gemaakt exemplaar.
תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: kleine beelden van het huis, zoals bij Rachel in Gen. 31:19.
וַיְמַלֵּא אֶת יַד (vayemalle et yad), ‘hij vulde de hand’: dat betekent ‘inwijden’, zoals bij Aäron en zijn zonen (Exod. 28:41; 29:9). Micha wijdt zijn eigen zoon in, hoewel alleen de nakomelingen van Aäron priester mochten zijn (Exod. 29:9).
8De man vertrok uit de stad, uit Betlehem in Juda, om te verblijven waar hij een plaats kon vinden. Terwijl hij zijn weg ging, kwam hij in het bergland van Efraïm, bij het huis van Micha.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הָאִ֜ישׁ
(haish)
de man
מֵהָעִ֗יר
(mehair)
uit de stad
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לָג֖וּר
(lagur)
om te verblijven
בַּאֲשֶׁ֣ר
(baasher)
waar
יִמְצָ֑א
(yimtsa)
hij zou vinden
וַיָּבֹ֧א
(vayavo)
en hij kwam
הַר
(har)
het bergland van
אֶפְרַ֛יִם
(efrayim)
Efraïm
עַד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
מִיכָ֖ה
(mikha)
Micha
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
דַּרְכּֽוֹ
(darko)
zijn weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘waar hij zou vinden’ zonder voorwerp.
Wij vullen ‘een plaats’ aan; vers 9 heeft dezelfde aanvulling.
9Micha zei tegen hem: „Waar kom je vandaan?” Hij zei tegen hem: „Ik ben een Leviet uit Betlehem in Juda. Ik ben op weg om te verblijven waar ik een plaats kan vinden.”
וַיֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
מִיכָ֖ה
(mikha)
Micha
מֵאַ֣יִן
(meayin)
vanwaar
תָּב֑וֹא
(tavo)
kom je
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
לֵוִ֣י
(levi)
een Leviet
אָנֹ֗כִי
(anokhi)
ik
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
הֹלֵ֔ךְ
(holekh)
ben gaande
לָג֖וּר
(lagur)
om te verblijven
בַּאֲשֶׁ֥ר
(baasher)
waar
אֶמְצָֽא
(emtsa)
ik zal vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
10Micha zei tegen hem: „Blijf bij mij. Wees voor mij een vader en een priester. Dan geef ik jou tien zilverstukken per jaar, een stel kleren en je levensonderhoud.” De Leviet ging.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
מִיכָ֜ה
(mikha)
Micha
שְׁבָ֣ה
(sheva)
blijf
עִמָּדִ֗י
(imadi)
bij mij
וֶֽהְיֵה
(vehye)
en wees
לִי֮
(li)
voor mij
לְאָ֣ב
(leav)
tot vader
וּלְכֹהֵן֒
(ulekhohen)
en tot priester
וְאָנֹכִ֨י
(veanokhi)
en ik
אֶֽתֶּן
(eten)
zal geven
לְךָ֜
(lekha)
aan jou
עֲשֶׂ֤רֶת
(aseret)
tien van
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
לַיָּמִ֔ים
(layamim)
per jaar
וְעֵ֥רֶךְ
(veerekh)
en een stel
בְּגָדִ֖ים
(begadim)
kleren
וּמִחְיָתֶ֑ךָ
(umichyatekha)
en je levensonderhoud
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַלֵּוִֽי
(halevi)
de Leviet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַיָּמִים (layamim), ‘per jaar’: letterlijk ‘voor de dagen’, hier jaarlijks.
Het Hebreeuws noemt bij ‘tien’ geen maat; wij vullen ‘zilverstukken’ aan (zie vers 2).