Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De bruid
1Wie geeft mij jou als een broer, die de borsten van mijn moeder gezogen heeft? Ik zou je buiten vinden en je kussen, en ook zou niemand mij verachten.
מִ֤י
(mi)
wie
יִתֶּנְךָ֙
(yitenkha)
geeft jou
כְּאָ֣ח
(keach)
als een broer
לִ֔י
(li)
voor mij
יוֹנֵ֖ק
(yoneq)
die zoog
שְׁדֵ֣י
(shedei)
de borsten van
אִמִּ֑י
(imi)
mijn moeder
אֶֽמְצָאֲךָ֤
(emtsaakha)
ik zou je vinden
בַחוּץ֙
(bachuts)
buiten
אֶשָׁ֣קְךָ֔
(eshaqekha)
ik zou je kussen
גַּ֖ם
(gam)
ook
לֹא
(lo)
niet
יָב֥וּזוּ
(yavuzu)
zouden verachten
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De bruid spreekt een wens uit.
Een broer mag men in het openbaar kussen; bij een geliefde is dat niet vanzelfsprekend.
יוֹנֵק (yoneq), ‘die gezogen heeft’: een kind aan de borst van dezelfde moeder.
יָבוּזוּ (yavuzu), ‘zij zouden verachten’: het Hebreeuws heeft een onbepaald ‘zij’; wij vertalen ‘niemand’.
2Ik zou je leiden en je brengen naar het huis van mijn moeder; jij zou mij onderwijzen. Ik zou je laten drinken van gekruide wijn, van het sap van mijn granaatappel.
אֶנְהָֽגֲךָ֗
(enhagakha)
ik zou je leiden
אֲבִֽיאֲךָ֛
(aviakha)
ik zou je brengen
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אִמִּ֖י
(imi)
mijn moeder
תְּלַמְּדֵ֑נִי
(telamedeni)
jij zou mij onderwijzen
אַשְׁקְךָ֙
(ashqekha)
ik zou je laten drinken
מִיַּ֣יִן
(miyayin)
van wijn
הָרֶ֔קַח
(hareqach)
de gekruide
מֵעֲסִ֖יס
(measis)
van het sap van
רִמֹּנִֽי
(rimoni)
mijn granaatappel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָרֶקַח (haraqach), ‘gekruide’: wijn met specerijen.
Zie ook Hoogl. 5:1.
רִמֹּנִי (rimmoni), ‘mijn granaatappel’: het sap is het sap van de granaatappel.
Lezing
תְּלַמְּדֵנִי (telammedeni), ‘jij zou mij onderwijzen’: zo staat het in de Masoretische tekst.
Sommige oude vertalingen hebben ‘in het huis van haar die mij baarde’; wij volgen de Masoretische tekst.
Het koor van de dochters van Jeruzalem en de bruid
5Wie is zij die uit de woestijn omhoogkomt, leunend op haar geliefde? Onder de appelboom wekte ik je. Daar kreeg je moeder weeën om jou; daar kreeg zij die jou baarde weeën.
מִ֣י
(mi)
wie
זֹ֗את
(zot)
is zij
עֹלָה֙
(ola)
die omhoogkomt
מִן
(min)
uit
הַמִּדְבָּ֔ר
(hamidbar)
de woestijn
מִתְרַפֶּ֖קֶת
(mitrapeqet)
leunend
עַל
(al)
op
דּוֹדָ֑הּ
(dodah)
haar geliefde
תַּ֤חַת
(tachat)
onder
הַתַּפּ֨וּחַ֙
(hatapuach)
de appelboom
עֽוֹרַרְתִּ֔יךָ
(orartikha)
wekte ik je
שָׁ֚מָּה
(shama)
daar
חִבְּלַ֣תְךָ
(chibelatkha)
kreeg weeën om jou
אִמֶּ֔ךָ
(imekha)
je moeder
שָׁ֖מָּה
(shama)
daar
חִבְּלָ֥ה
(chibela)
kreeg weeën
יְלָדַֽתְךָ
(yeladatkha)
die jou baarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De sprekers zijn niet aangegeven.
De eerste zin is van het koor (vergelijk Hoogl. 3:6).
Vanaf ‘Onder de appelboom’ spreekt de bruid, die haar geliefde (mannelijk, ‘je’) aanspreekt.
Dit is een leeshulp.
מִתְרַפֶּקֶת (mitrappeqet), ‘leunend’: het woord komt alleen hier voor.
חִבְּלַתְךָ (chibbelatkha), ‘kreeg weeën om jou’: het werkwoord is verwant aan het woord voor ‘weeën’ of ‘touw’. De betekenis ‘in barensnood zijn’ past bij het tweede deel van het vers; ook ‘ontvangen’ is voorgesteld. De betekenis is onzeker.
תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: zie ook Hoogl. 2:3.
6Zet mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm. Want de liefde is sterk als de dood, de naijver is hard als Sjeol. Haar vonken zijn vonken van vuur, een vlam van Jah.
שִׂימֵ֨נִי
(simeni)
zet mij
כַֽחוֹתָ֜ם
(kachotam)
als een zegel
עַל
(al)
op
לִבֶּ֗ךָ
(libekha)
je hart
כַּֽחוֹתָם֙
(kachotam)
als een zegel
עַל
(al)
op
זְרוֹעֶ֔ךָ
(zeroekha)
je arm
כִּֽי
(ki)
want
עַזָּ֤ה
(aza)
sterk
כַמָּ֨וֶת֙
(kamavet)
als de dood
אַהֲבָ֔ה
(ahava)
de liefde
קָשָׁ֥ה
(qasha)
hard
כִשְׁא֖וֹל
(kishol)
als Sjeol
קִנְאָ֑ה
(qina)
de naijver
רְשָׁפֶ֕יהָ
(reshafeiha)
haar vonken
רִשְׁפֵּ֕י
(rishpei)
vonken van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
שַׁלְהֶ֥בֶתְ
(shalhevet)
een vlam van
יָֽה
(ya)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוֹתָם (chotam), ‘zegel’: een steen of ring met een afdruk, gebruikt als handtekening.
Een zegel was kostbaar en werd op de borst of aan de arm gedragen.
Zie ook Gen. 38:18.
קִנְאָה (qin’ah), ‘naijver’: een brandende, onverdeelde toewijding; het woord wordt ook voor Elohims ijver gebruikt. Het wordt vaak met ‘jaloezie’ of ‘hartstocht’ weergegeven.
שְׁאוֹל (she’ol), ‘Sjeol’: het rijk van de doden.
רְשָׁפֶיהָ (reshafeha), ‘haar vonken’: het woord betekent ook ‘pijlen van vuur’ of ‘vlammen’. Zie ook Ps. 76:4 en Ps. 78:48.
שַׁלְהֶבֶתְיָה (shalhevetyah), ‘een vlam van Jah’: Jah is de korte vorm van Yahweh. De woorden kunnen ook als versterking worden gelezen: ‘een geweldige vlam’. Wij laten ‘Jah’ staan.
7Veel water kan de liefde niet blussen, en rivieren spoelen haar niet weg. Als een man al het bezit van zijn huis voor de liefde zou geven, men zou hem zeker verachten.
מַ֣יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֗ים
(rabim)
veel
לֹ֤א
(lo)
niet
יֽוּכְלוּ֙
(yukhelu)
kunnen
לְכַבּ֣וֹת
(lekhabot)
blussen
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאַהֲבָ֔ה
(haahava)
de liefde
וּנְהָר֖וֹת
(uneharot)
en rivieren
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁטְפ֑וּהָ
(yishtefuha)
spoelen haar weg
אִם
(im)
als
יִתֵּ֨ן
(yiten)
geeft
אִ֜ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
ה֤וֹן
(hon)
het bezit van
בֵּיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
בָּאַהֲבָ֔ה
(baahava)
voor de liefde
בּ֖וֹז
(boz)
verachten
יָב֥וּזוּ
(yavuzu)
zij zouden verachten
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בּוֹז יָבוּזוּ לוֹ (boz yavuzu lo), ‘men zou hem zeker verachten’: het werkwoord wordt versterkt door de herhaling.
Het kan ook betekenen: ‘het zou alleen maar verachting opleveren’.
8Wij hebben een kleine zuster, en zij heeft nog geen borsten. Wat zullen wij doen met onze zuster op de dag dat er over haar gesproken wordt?
אָח֥וֹת
(achot)
een zuster
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
קְטַנָּ֔ה
(qetana)
klein
וְשָׁדַ֖יִם
(veshadayim)
en borsten
אֵ֣ין
(ein)
niet
לָ֑הּ
(lah)
heeft zij
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂה֙
(naase)
zullen wij doen
לַאֲחֹתֵ֔נוּ
(laachotenu)
met onze zuster
בַּיּ֖וֹם
(bayom)
op de dag dat
שֶׁיְּדֻבַּר
(sheyedubar)
er gesproken wordt
בָּֽהּ
(bah)
over haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De sprekers zijn niet aangegeven.
Meestal worden de broers van de bruid gedacht (vergelijk Hoogl. 1:6); die kop is niet in de tekst genoemd.
Daarom staat er een neutrale kop.
שֶׁיְּדֻבַּר בָּהּ (sheyedubbar bah), ‘dat er over haar gesproken wordt’: ook ‘dat er om haar gevraagd wordt’, dat wil zeggen: dat zij ten huwelijk wordt gevraagd.