Elohim Bijbel

Genesis 42

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Jozefs broers in Egypte; Simeon

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De broers gaan naar Egypte

1Jakob zag dat er graan was in Egypte, en Jakob zei tegen zijn zonen: „Waarom kijken jullie elkaar aan?”
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
כִּ֥י
(ki)
dat
יֶשׁ
(yesh)
er is
שֶׁ֖בֶר
(shever)
graan
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יַעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
לְבָנָ֔יו
(levanav)
tot zijn zonen
לָ֖מָּה
(lama)
waarom
תִּתְרָאֽוּ
(titrau)
kijken jullie elkaar aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שׁבר (sheber), ‘graan’: zie vers 2; 41:57.

למה תתראו (lammah titra’u), ‘waarom kijken jullie elkaar aan?’: zij staan besluiteloos te kijken terwijl er elders graan is.

Aanvullend

Jasher 51:1–3 laat Jakob zeggen dat zij zich niet verzadigd mogen tonen voor de ogen van de hele aarde.

Jubileeën 42:1–4 zegt dat de hongersnood begon in het eerste jaar van de derde jaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar en dat er geen regen viel.

2En hij zei: „Zie, ik heb gehoord dat er graan is in Egypte. Ga daarheen af en koop voor ons graan vandaar, dan blijven we leven en sterven we niet.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שָׁמַ֔עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
כִּ֥י
(ki)
dat
יֶשׁ
(yesh)
er is
שֶׁ֖בֶר
(shever)
graan
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
רְדוּ
(redu)
gaat af
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
וְשִׁבְרוּ
(veshivru)
en koopt
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וְנִחְיֶ֖ה
(venichye)
dan blijven we leven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נָמֽוּת
(namut)
sterven we
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

3Tien broers van Jozef gingen af om graan te kopen uit Egypte.
וַיֵּרְד֥וּ
(vayeredu)
en ze gingen af
אֲחֵֽי
(achei)
broers van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
עֲשָׂרָ֑ה
(asara)
tien
לִשְׁבֹּ֥ר
(lishbor)
om te kopen
בָּ֖ר
(bar)
graan
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אחי יוסף עשׂרה (achei Yosef asarah), ‘tien broers van Jozef’: Benjamin blijft thuis, zie vers 4.

Aanvullend

Jasher 51:4 zegt dat Jakob hun gebood niet samen door één poort de stad in te gaan, vanwege de bewoners van het land.

4Maar Benjamin, de broer van Jozef, zond Jakob niet met zijn broers mee, want hij zei: „Dat hem geen ramp treft.”
וְאֶת
(veet)
en
בִּנְיָמִין֙
(binyamin)
Benjamin
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
לֹא
(lo)
niet
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij zond
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִקְרָאֶ֖נּוּ
(yiqraenu)
hem treft
אָסֽוֹן
(ason)
een ramp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פן יקראנו אסון (pen yiqra’ennu ason), ‘dat hem geen ramp treft’: ason, ‘ramp’, komt ook voor in vers 38 en in 44:29.

Aanvullend

Jasher 51:5 geeft dezelfde reden: dat hem onderweg geen ongeluk zou overkomen.

5Zo kwamen de zonen van Israël graan kopen, te midden van de mensen die kwamen, want de honger was in het land Kanaän.
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en ze kwamen
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִשְׁבֹּ֖ר
(lishbor)
om te kopen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הַבָּאִ֑ים
(habaim)
de komenden
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֥ה
(haya)
was
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de honger
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

6Jozef was de machthebber over het land; hij was het die graan verkocht aan al het volk van het land. De broers van Jozef kwamen en bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de aarde.
וְיוֹסֵ֗ף
(veyosef)
en Jozef
ה֚וּא
(hu)
hij
הַשַּׁלִּ֣יט
(hashalit)
de machthebber
עַל
(al)
over
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
ה֥וּא
(hu)
hij
הַמַּשְׁבִּ֖יר
(hamashbir)
de verkoper
לְכָל
(lekhal)
aan heel
עַ֣ם
(am)
volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en ze kwamen
אֲחֵ֣י
(achei)
broers van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וַיִּשְׁתַּֽחֲווּ
(vayishtachavu)
en ze bogen zich
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
אַפַּ֖יִם
(apayim)
gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

השׁליט (hashallit), ‘de machthebber’: zie 41:40–44.

וישׁתחוו לו אפים ארצה (vayishtachavu lo apayim artsah), ‘zij bogen zich voor hem neer, met het gezicht naar de aarde’: de vervulling van de dromen in 37:7, 9; zie ook 43:26; 43:28.

Aanvullend

Jasher 51:6–20 vertelt dat de broers onderweg besloten Jozef te zoeken en te bevrijden, dat zij door tien poorten binnengingen, dat Jozef de namen liet noteren en alle graanschuren op één na sloot en dat zij drie dagen naar hem zochten in de huizen van de hoeren.

Jozef zet zijn broers op de proef

7Jozef zag zijn broers en herkende hen, maar hij maakte zich aan hen onbekend en sprak hard met hen. Hij zei tegen hen: „Waar komen jullie vandaan?” Zij zeiden: „Uit het land Kanaän, om voedsel te kopen.”
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
וַיַּכִּרֵ֑ם
(vayakirem)
en hij herkende hen
וַיִּתְנַכֵּ֨ר
(vayitnaker)
en hij maakte zich onbekend
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
aan hen
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתָּ֣ם
(itam)
met hen
קָשׁ֗וֹת
(qashot)
hard
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
מֵאַ֣יִן
(meayin)
vanwaar
בָּאתֶ֔ם
(batem)
zijn jullie gekomen
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
כְּנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
לִשְׁבָּר
(lishbar)
om te kopen
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

ויתנכר (vayitnakker), ‘hij maakte zich onbekend’: dezelfde wortel als in het volgende vers, waar hikkir ‘herkennen’ betekent.

קשׁות (qashot), ‘hard’: zie vers 30.

8Jozef herkende zijn broers, maar zij herkenden hem niet.
וַיַּכֵּ֥ר
(vayaker)
en hij herkende
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
וְהֵ֖ם
(vehem)
maar zij
לֹ֥א
(lo)
niet
הִכִּרֻֽהוּ
(hikiruhu)
herkenden hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 51:18–20 zegt dat Jozef in vorstelijke kleren op zijn troon zat met een grote gouden kroon, en dat zij hem daarom niet herkenden.

9Jozef herinnerde zich de dromen die hij over hen gedroomd had. Hij zei tegen hen: „Spionnen zijn jullie! Jullie zijn gekomen om de blote plek van het land te zien.”
וַיִּזְכֹּ֣ר
(vayizkor)
en hij herinnerde zich
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַחֲלֹמ֔וֹת
(hachalomot)
de dromen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָלַ֖ם
(chalam)
hij gedroomd had
לָהֶ֑ם
(lahem)
over hen
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
מְרַגְּלִ֣ים
(meragelim)
spionnen
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
לִרְא֛וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֶרְוַ֥ת
(ervat)
de blote plek van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בָּאתֶֽם
(batem)
zijn jullie gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויזכר יוסף את החלמות (vayizkor Yosef et hachalomot), ‘Jozef herinnerde zich de dromen’: zie 37:5–10.

לראות את ערות הארץ (lir’ot et ervat ha’arets), ‘om de blote plek van het land te zien’: ervah is ‘naaktheid’, de onbeschermde plek; zie vers 12.

Aanvullend

Jasher 51:21–32 geeft een lang gesprek: Jozef verwijt hun dat zij de tien poorten namen en in de huizen van de hoeren zochten.

10Zij zeiden tegen hem: „Nee, mijn heer! Uw dienaren zijn gekomen om voedsel te kopen.
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
לֹ֣א
(lo)
nee
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
וַעֲבָדֶ֥יךָ
(vaavadeikha)
en uw dienaren
בָּ֖אוּ
(bau)
zijn gekomen
לִשְׁבָּר
(lishbar)
om te kopen
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Wij zijn allen zonen van één man; wij zijn eerlijke mannen. Uw dienaren zijn nooit spionnen geweest.”
כֻּלָּ֕נוּ
(kulanu)
wij allen
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אִישׁ
(ish)
een man
אֶחָ֖ד
(echad)
één
נָ֑חְנוּ
(nachenu)
wij
כֵּנִ֣ים
(kenim)
eerlijk
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
לֹא
(lo)
niet
הָי֥וּ
(hayu)
zijn geweest
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
מְרַגְּלִֽים
(meragelim)
spionnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כנים (kenim), ‘eerlijk’: hetzelfde woord in de verzen 19, 31, 33 en 34.

12Maar hij zei tegen hen: „Nee! De blote plek van het land zijn jullie komen zien.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
maar
עֶרְוַ֥ת
(ervat)
de blote plek van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בָּאתֶ֥ם
(batem)
zijn jullie gekomen
לִרְאֽוֹת
(lirot)
om te zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zij zeiden: „Twaalf broers zijn wij, uw dienaren, zonen van één man in het land Kanaän. En zie, de jongste is vandaag bij onze vader, en de een is er niet meer.”
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en ze zeiden
שְׁנֵ֣ים
(sheneim)
twaalf
עָשָׂר֩
(asar)
(tien)
עֲבָדֶ֨יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אַחִ֧ים
(achim)
broers
אֲנַ֛חְנוּ
(anachnu)
wij
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אִישׁ
(ish)
man
אֶחָ֖ד
(echad)
één
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
הַקָּטֹ֤ן
(haqaton)
de jongste
אֶת
(et)
bij
אָבִ֨ינוּ֙
(avinu)
onze vader
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
וְהָאֶחָ֖ד
(vehaechad)
en de een
אֵינֶֽנּוּ
(einenu)
is er niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

שׁנים עשׂר (shenim asar), ‘twaalf’: Jakob had twaalf zonen, zie 35:22–26.

והאחד איננו (vehe’echad enennu), ‘en de een is er niet meer’: de broers zeggen dit over Jozef, voor zijn eigen ogen; zie 37:30.

14Jozef zei tegen hen: „Het is zoals ik jullie gezegd heb: spionnen zijn jullie.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
tot hen
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
ה֗וּא
(hu)
dat is het
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבַּ֧רְתִּי
(dibarti)
ik gesproken heb
אֲלֵכֶ֛ם
(alekhem)
tot jullie
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
מְרַגְּלִ֥ים
(meragelim)
spionnen
אַתֶּֽם
(atem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hierdoor zullen jullie op de proef gesteld worden: bij het leven van de farao, jullie gaan hier niet weg, tenzij jullie jongste broer hierheen komt.
בְּזֹ֖את
(bezot)
hierdoor
תִּבָּחֵ֑נוּ
(tibachenu)
zullen jullie getoetst worden
חֵ֤י
(chei)
leven van
פַרְעֹה֙
(paro)
de farao
אִם
(im)
als
תֵּצְא֣וּ
(tetseu)
jullie weggaan
מִזֶּ֔ה
(mize)
vandaar
כִּ֧י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בְּב֛וֹא
(bevo)
bij het komen van
אֲחִיכֶ֥ם
(achikhem)
jullie broer
הַקָּטֹ֖ן
(haqaton)
de jongste
הֵֽנָּה
(hena)
hierheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חי פרעה (chei Par’oh), ‘bij het leven van de farao’: een eed; zie vers 16.

16Zend één van jullie, laat hem jullie broer halen, en jullie blijven gebonden. Dan worden jullie woorden getoetst, of er waarheid bij jullie is. En zo niet, bij het leven van de farao, dan zijn jullie spionnen.”
שִׁלְח֨וּ
(shilchu)
zendt
מִכֶּ֣ם
(mikem)
uit jullie midden
אֶחָד֮
(echad)
één
וְיִקַּ֣ח
(veyiqach)
opdat hij haalt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶם֒
(achikhem)
jullie broer
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
הֵאָ֣סְר֔וּ
(heaseru)
blijft gebonden
וְיִבָּֽחֲנוּ֙
(veyibachanu)
opdat getoetst worden
דִּבְרֵיכֶ֔ם
(divreikhem)
jullie woorden
הַֽאֱמֶ֖ת
(haemet)
is de waarheid
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
bij jullie
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֕א
(lo)
niet
חֵ֣י
(chei)
leven van
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
כִּ֥י
(ki)
dan
מְרַגְּלִ֖ים
(meragelim)
spionnen
אַתֶּֽם
(atem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויבחנו דבריכם האמת אתכם (veyibbachanu divreichem ha’emet ittekhem), ‘dan worden jullie woorden getoetst, of er waarheid bij jullie is’: de vraag is of hun verhaal klopt; zie vers 20.

17Hij zette hen samen drie dagen in bewaring.
וַיֶּאֱסֹ֥ף
(vayeesof)
en hij verzamelde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
in
מִשְׁמָ֖ר
(mishmar)
bewaring
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אל משׁמר (el mishmar), ‘in bewaring’: zie 40:3, 4, 7; 41:10.

Aanvullend

Jasher 51:34–36 noemt zeventig sterke mannen van Jozef en laat de broers drie dagen in de bewaring blijven.

Simeon wordt vastgehouden

18Op de derde dag zei Jozef tegen hen: „Doe dit en blijf leven: Ik vrees Elohim.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֤ם
(alehem)
tot hen
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
זֹ֥את
(zot)
dit
עֲשׂ֖וּ
(asu)
doet
וִֽחְי֑וּ
(vichyu)
en blijft leven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
אֲנִ֥י
(ani)
ik
יָרֵֽא
(yare)
ben vrezend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

את האלהים אני ירא (et ha’Elohim ani yare), ‘Ik vrees Elohim’: letterlijk ‘Elohim vrees ik’; zie 20:11; Exod. 1:17.

Een Egyptische heerser noemt Elohim, en dat past bij 41:39.

19Als jullie eerlijke mannen zijn, laat dan één van jullie broers gebonden blijven in het huis waar jullie in bewaring zijn. En jullie, ga, breng graan tegen de honger van jullie huizen.
אִם
(im)
als
כֵּנִ֣ים
(kenim)
eerlijk
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
אֲחִיכֶ֣ם
(achikhem)
jullie broer
אֶחָ֔ד
(echad)
één
יֵאָסֵ֖ר
(yeaser)
zal gebonden worden
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
מִשְׁמַרְכֶ֑ם
(mishmarkhem)
jullie bewaring
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
לְכ֣וּ
(lekhu)
gaat
הָבִ֔יאוּ
(haviu)
brengt
שֶׁ֖בֶר
(shever)
graan
רַעֲב֥וֹן
(raavon)
honger van
בָּתֵּיכֶֽם
(bateikhem)
jullie huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20En jullie jongste broer moeten jullie bij mij brengen, dan zullen jullie woorden bevestigd worden en zullen jullie niet sterven.” En zo deden zij.
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶ֤ם
(achikhem)
jullie broer
הַקָּטֹן֙
(haqaton)
de jongste
תָּבִ֣יאוּ
(taviu)
brengt
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְיֵאָמְנ֥וּ
(veyeamenu)
dan zullen bevestigd worden
דִבְרֵיכֶ֖ם
(divreikhem)
jullie woorden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָמ֑וּתוּ
(tamutu)
zullen jullie sterven
וַיַּעֲשׂוּ
(vayaasu)
en ze deden
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij zeiden tegen elkaar: „Werkelijk, schuldig zijn wij aan onze broer: wij zagen de nood van zijn ziel toen hij ons om genade smeekte, en wij hoorden niet. Daarom is deze nood over ons gekomen.”
וַיֹּאמְר֞וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tot
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
אֲבָל֮
(aval)
werkelijk
אֲשֵׁמִ֣ים
(ashemim)
schuldig
אֲנַחְנוּ֮
(anachnu)
wij
עַל
(al)
wegens
אָחִינוּ֒
(achinu)
onze broer
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
רָאִ֜ינוּ
(rainu)
wij zagen
צָרַ֥ת
(tsarat)
nood van
נַפְשׁ֛וֹ
(nafsho)
zijn ziel
בְּהִתְחַֽנְנ֥וֹ
(behitchanno)
bij zijn smeken
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
tot ons
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמָ֑עְנוּ
(shamaenu)
wij hoorden
עַל
(al)
wegens
כֵּן֙
(ken)
zo
בָּ֣אָה
(baa)
is gekomen
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
over ons
הַצָּרָ֖ה
(hatsara)
de nood
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צרת נפשׁו (tsarat nafsho), ‘de nood van zijn ziel’: Genesis 37 vertelt niet dat Jozef smeekte; dat komt pas hier aan het licht.

Zie 37:23–24.

22Ruben antwoordde hun: „Heb ik jullie niet gezegd: ‘Zondig niet tegen het kind’? Maar jullie hoorden niet. En zie, zijn bloed wordt geëist.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en hij antwoordde
רְאוּבֵ֨ן
(reuven)
Ruben
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הֲלוֹא֩
(halo)
niet
אָמַ֨רְתִּי
(amarti)
ik zei
אֲלֵיכֶ֧ם
(aleikhem)
tot jullie
לֵאמֹ֛ר
(lemor)
zeggend
אַל
(al)
niet
תֶּחֶטְא֥וּ
(techetu)
zondigt
בַיֶּ֖לֶד
(bayeled)
tegen het kind
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֑ם
(shematem)
jullie hoorden
וְגַם
(vegam)
en ook
דָּמ֖וֹ
(damo)
zijn bloed
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
נִדְרָֽשׁ
(nidrash)
wordt geëist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אל תחטאו בילד (al techet’u vayyeled), ‘zondig niet tegen het kind’: zie 37:21–22.

דמו הנה נדרשׁ (damo hinneh nidrash), ‘zijn bloed wordt geëist’: zie 9:5.

23Zij wisten niet dat Jozef het verstond, want er was een tolk tussen hen.
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָֽדְע֔וּ
(yadeu)
wisten
כִּ֥י
(ki)
dat
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
hoorde
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
כִּ֥י
(ki)
want
הַמֵּלִ֖יץ
(hamelits)
de tolk
בֵּינֹתָֽם
(beinotam)
tussen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

המליץ (hamelits), ‘de tolk’: Jozef sprak met hen door een tolk, zodat zij niet merkten dat hij hen verstond.

24Hij wendde zich van hen af en weende. Toen keerde hij naar hen terug en sprak met hen. Hij nam Simeon uit hun midden en bond hem voor hun ogen.
וַיִּסֹּ֥ב
(vayisov)
en hij wendde zich af
מֵֽעֲלֵיהֶ֖ם
(mealeihem)
van hen
וַיֵּ֑בְךְּ
(vayevek)
en hij weende
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
מֵֽאִתָּם֙
(meitam)
van hen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שִׁמְע֔וֹן
(shimon)
Simeon
וַיֶּאֱסֹ֥ר
(vayeesor)
en hij bond
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁמעון (Shim’on), ‘Simeon’: de tweede zoon van Lea, zie 29:33.

Jakob noemt Simeon in 49:5–7.

Aanvullend

Jasher 51:37–44 vertelt dat Jozef zich terugtrok om te huilen, dat Simeon zich met een luide kreet niet wilde laten binden, dat Jozefs mannen vluchtten en dat Manasse hem met zijn vuist in de nek sloeg en hem bond.

Jubileeën 42:6 laat Simeon als enige achter.

25Jozef gaf bevel hun vaten met graan te vullen, ieders geld in zijn zak terug te leggen en hun reisproviand te geven. Zo deed men voor hen.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en hij gebood
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
וַיְמַלְא֣וּ
(vaymalu)
en ze vulden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כְּלֵיהֶם֮
(keleihem)
hun vaten
בָּר֒
(bar)
met graan
וּלְהָשִׁ֤יב
(ulehashiv)
en terug te leggen
כַּסְפֵּיהֶם֙
(kaspeihem)
hun geld
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
in
שַׂקּ֔וֹ
(saqo)
zijn zak
וְלָתֵ֥ת
(velatet)
en te geven
לָהֶ֛ם
(lahem)
aan hen
צֵדָ֖ה
(tseda)
reisproviand
לַדָּ֑רֶךְ
(ladarekh)
voor de weg
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צדה לדרך (tsedah laderekh), ‘reisproviand’.

Aanvullend

Jasher 51:45–47 zegt dat Jozef hun verbood terug te komen zonder hun broer.

Jubileeën 42:7–8 zegt dat zij het geld in hun zakken niet wisten.

26Zij laadden hun graan op hun ezels en gingen vandaar.
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en ze laadden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שִׁבְרָ֖ם
(shivram)
hun graan
עַל
(al)
op
חֲמֹרֵיהֶ֑ם
(chamoreihem)
hun ezels
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Toen er een van hen in de herberg zijn zak opende om zijn ezel voer te geven, zag hij zijn geld; en zie, het lag boven in zijn zak.
וַיִּפְתַּ֨ח
(vayiftach)
en hij opende
הָאֶחָ֜ד
(haechad)
de een
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שַׂקּ֗וֹ
(saqo)
zijn zak
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
מִסְפּ֛וֹא
(mispo)
voer
לַחֲמֹר֖וֹ
(lachamoro)
aan zijn ezel
בַּמָּל֑וֹן
(bamalon)
in de herberg
וַיַּרְא֙
(vayar)
en hij zag
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כַּסְפּ֔וֹ
(kaspo)
zijn geld
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ה֖וּא
(hu)
het
בְּפִ֥י
(befi)
in de mond van
אַמְתַּחְתּֽוֹ
(amtachto)
zijn zak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

במלון (bammalon), ‘in de herberg’: zie 43:21; Exod. 4:24.

בפי אמתחתו (befi amtachto), ‘boven in zijn zak’: letterlijk ‘in de mond van zijn zak’.

Aanvullend

Jasher 51:48 zegt dat dat Levi was.

28Hij zei tegen zijn broers: „Mijn geld is teruggebracht! En zie, het is zelfs in mijn zak!” Toen zonk hun hart en zij beefden, de een tegen de ander zeggend: „Wat heeft Elohim ons aangedaan?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
הוּשַׁ֣ב
(hushav)
is teruggebracht
כַּסְפִּ֔י
(kaspi)
mijn geld
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בְאַמְתַּחְתִּ֑י
(beamtachti)
in mijn zak
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en het ging uit
לִבָּ֗ם
(libam)
hun hart
וַיֶּֽחֶרְד֞וּ
(vayecherdu)
en ze beefden
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
tot
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
מַה
(ma)
wat
זֹּ֛את
(zot)
dit
עָשָׂ֥ה
(asa)
heeft gedaan
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לָֽנוּ
(lanu)
aan ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויצא לבם ויחרדו (vayetse libbam vayecheredu), ‘hun hart ging uit en zij beefden’: zij zijn van schrik hun moed kwijt.

Aanvullend

Jasher 51:49–52 laat de broers vragen waar de trouw van Yahweh bleef, waarna Juda zegt dat zij schuldig zijn en Ruben aan zijn waarschuwing herinnert.

Terug bij Jakob

29Zij kwamen bij hun vader Jakob in het land Kanaän en vertelden hem alles wat hun overkomen was:
וַיָּבֹ֛אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אֶל
(el)
tot
יַעֲקֹ֥ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶ֖ם
(avihem)
hun vader
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיַּגִּ֣ידוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֛ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
הַקֹּרֹ֥ת
(haqorot)
wat hun overkwam
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Aanvullend

Jasher 51:53–54 zegt dat zij een nacht bleven en de volgende ochtend verder trokken, en dat Jakob hen tegemoet ging en Simeon miste.

30„De man, de heer van het land, sprak hard met ons en hield ons voor spionnen van het land.
דִּ֠בֶּר
(diber)
sprak
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
אֲדֹנֵ֥י
(adonei)
heer van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אִתָּ֖נוּ
(itanu)
met ons
קָשׁ֑וֹת
(qashot)
hard
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en hij gaf
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
כִּֽמְרַגְּלִ֖ים
(kimragelim)
als spionnen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אתנו קשׁות (ittanu qashot), ‘hard met ons’: zie vers 7.

31Wij zeiden tegen hem: ‘Wij zijn eerlijke mannen, wij zijn nooit spionnen geweest.
וַנֹּ֥אמֶר
(vanomer)
en we zeiden
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
כֵּנִ֣ים
(kenim)
eerlijk
אֲנָ֑חְנוּ
(anachenu)
wij
לֹ֥א
(lo)
niet
הָיִ֖ינוּ
(hayinu)
wij zijn geweest
מְרַגְּלִֽים
(meragelim)
spionnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Wij zijn twaalf broers, zonen van onze vader; de een is er niet meer, en de jongste is vandaag bij onze vader in het land Kanaän.’
שְׁנֵים
(sheneim)
twaalf
עָשָׂ֥ר
(asar)
(tien)
אֲנַ֛חְנוּ
(anachnu)
wij
אַחִ֖ים
(achim)
broers
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אָבִ֑ינוּ
(avinu)
onze vader
הָאֶחָ֣ד
(haechad)
de een
אֵינֶ֔נּוּ
(einenu)
is er niet
וְהַקָּטֹ֥ן
(vehaqaton)
en de jongste
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
אֶת
(et)
bij
אָבִ֖ינוּ
(avinu)
onze vader
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie ookJub 42:9
33De man, de heer van het land, zei tegen ons: ‘Hieraan zal ik weten dat jullie eerlijke mannen zijn: laat één van jullie broers bij mij achter, neem graan tegen de honger van jullie huizen en ga.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלֵ֗ינוּ
(eleinu)
tot ons
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֲדֹנֵ֣י
(adonei)
heer van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
בְּזֹ֣את
(bezot)
hieraan
אֵדַ֔ע
(eda)
zal ik weten
כִּ֥י
(ki)
dat
כֵנִ֖ים
(kenim)
eerlijk
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
אֲחִיכֶ֤ם
(achikhem)
jullie broer
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de een
הַנִּ֣יחוּ
(hanichu)
laat achter
אִתִּ֔י
(iti)
bij mij
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
רַעֲב֥וֹן
(raavon)
honger van
בָּתֵּיכֶ֖ם
(bateikhem)
jullie huizen
קְח֥וּ
(qechu)
neemt
וָלֵֽכוּ
(valekhu)
en gaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Breng jullie jongste broer bij mij, dan zal ik weten dat jullie geen spionnen zijn maar eerlijke mannen. Jullie broer geef ik jullie terug, en jullie zullen in het land handel drijven.’”
וְ֠הָבִיאוּ
(vehaviu)
en brengt
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶ֣ם
(achikhem)
jullie broer
הַקָּטֹן֮
(haqaton)
de jongste
אֵלַי֒
(elay)
naar mij
וְאֵֽדְעָ֗ה
(veedea)
dan zal ik weten
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
מְרַגְּלִים֙
(meragelim)
spionnen
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
כִּ֥י
(ki)
dat
כֵנִ֖ים
(kenim)
eerlijk
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲחִיכֶם֙
(achikhem)
jullie broer
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal ik geven
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
תִּסְחָֽרוּ
(tischaru)
zullen jullie handel drijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Toen zij hun zakken leegden, zie, ieders bundel geld zat in zijn zak. Zij zagen hun geldbundels, zij en hun vader, en werden bang.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
הֵ֚ם
(hem)
zij
מְרִיקִ֣ים
(meriqim)
leegmakend
שַׂקֵּיהֶ֔ם
(saqeihem)
hun zakken
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
צְרוֹר
(tseror)
bundel van
כַּסְפּ֖וֹ
(kaspo)
zijn geld
בְּשַׂקּ֑וֹ
(besaqo)
in zijn zak
וַיִּרְא֞וּ
(vayiru)
en ze zagen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
צְרֹר֧וֹת
(tserorot)
bundels van
כַּסְפֵּיהֶ֛ם
(kaspeihem)
hun geld
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
וַאֲבִיהֶ֖ם
(vaavihem)
en hun vader
וַיִּירָֽאוּ
(vayirau)
en ze werden bang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Hun vader Jakob zei tegen hen: „Jullie beroven mij van mijn kinderen: Jozef is er niet meer, Simeon is er niet meer, en Benjamin willen jullie nemen. Dit alles komt over mij.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
אֲבִיהֶ֔ם
(avihem)
hun vader
אֹתִ֖י
(oti)
mij
שִׁכַּלְתֶּ֑ם
(shikaltem)
hebben jullie van kinderen beroofd
יוֹסֵ֤ף
(yosef)
Jozef
אֵינֶ֨נּוּ֙
(einenu)
is er niet
וְשִׁמְע֣וֹן
(veshimon)
en Simeon
אֵינֶ֔נּוּ
(einenu)
is er niet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בִּנְיָמִ֣ן
(binyamin)
Benjamin
תִּקָּ֔חוּ
(tiqachu)
willen jullie nemen
עָלַ֖י
(alay)
over mij
הָי֥וּ
(hayu)
zijn
כֻלָּֽנָה
(kulana)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אתי שׁכלתם (oti shikkaltem), ‘jullie beroven mij van mijn kinderen’: letterlijk ‘mij hebben jullie van kinderen beroofd’; zie 27:45; 43:14.

עלי היו כלנה (alai hayu kullanah), ‘over mij zijn zij allen’: letterlijk ‘op mij zijn zij allen’.

Aanvullend

Jubileeën 42:10 geeft dezelfde woorden: ‘Mij hebt u van mijn kinderen beroofd!’

37Ruben zei tegen zijn vader: „Mijn twee zonen mag u doden als ik hem niet bij u terugbreng. Geef hem in mijn hand, en ik zal hem bij u terugbrengen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
רְאוּבֵן֙
(reuven)
Ruben
אֶל
(el)
tot
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
בָנַי֙
(banay)
mijn zonen
תָּמִ֔ית
(tamit)
moogt u doden
אִם
(im)
als
לֹ֥א
(lo)
niet
אֲבִיאֶ֖נּוּ
(avienu)
ik hem breng
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tot u
תְּנָ֤ה
(tena)
geef
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
עַל
(al)
op
יָדִ֔י
(yadi)
mijn hand
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֲשִׁיבֶ֥נּוּ
(ashivenu)
zal hem terugbrengen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

את שׁני בני תמית (et shenei vanai tamit), ‘mijn twee zonen mag u doden’: Ruben heeft vier zonen, zie 46:9.

Aanvullend

Jubileeën 42:18 plaatst dit aanbod bij de tweede reis.

38Maar hij zei: „Mijn zoon gaat niet met jullie af, want zijn broer is dood en hij alleen is overgebleven. Als hem een ramp treft op de weg die jullie gaan, dan doen jullie mijn grijze haren met jammer neerdalen naar de Sjeol.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹֽא
(lo)
niet
יֵרֵ֥ד
(yered)
zal afgaan
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
עִמָּכֶ֑ם
(imakhem)
met jullie
כִּֽי
(ki)
want
אָחִ֨יו
(achiv)
zijn broer
מֵ֜ת
(met)
is dood
וְה֧וּא
(vehu)
en hij
לְבַדּ֣וֹ
(levado)
alleen
נִשְׁאָ֗ר
(nishar)
is overgebleven
וּקְרָאָ֤הוּ
(uqeraahu)
en het treft hem
אָסוֹן֙
(ason)
een ramp
בַּדֶּ֨רֶךְ֙
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
תֵּֽלְכוּ
(telekhu)
jullie gaan
בָ֔הּ
(bah)
daarop
וְהוֹרַדְתֶּ֧ם
(vehoradtem)
dan zullen jullie doen dalen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׂיבָתִ֛י
(seivati)
mijn grijze haren
בְּיָג֖וֹן
(beyagon)
met jammer
שְׁאֽוֹלָה
(sheola)
naar de Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וקראהו אסון (uqra’ahu ason), ‘en een ramp treft hem’: zie vers 4.

שׂיבתי (sevati), ‘mijn grijze haren’: zie 44:29, 31.

שׁאולה (she’olah), ‘naar de Sjeol’: zie 37:35.

Aanvullend

Jubileeën 42:11–12 geeft als reden dat Jakob de teruggegeven geldbundels zag.