Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Sanherib trekt tegen Juda op
1Het gebeurde in het veertiende jaar van koning Hizkia: Sanherib, de koning van Assyrië, trok op tegen alle versterkte steden van Juda. Hij nam ze in.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het gebeurde
בְּאַרְבַּע֩
(bearba)
in het vier
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tiende
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van koning
חִזְקִיָּ֗הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
עָלָ֞ה
(ala)
trok op
סַנְחֵרִ֤יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
עַ֣ל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֧י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הַבְּצֻר֖וֹת
(habetsurot)
de versterkte
וַֽיִּתְפְּשֵֽׂם
(vayitpesem)
en nam ze in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
Jes. 36–39 loopt grotendeels parallel met 2 Kon. 18:13–20:19; zie ook 2 Kron. 32.
Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze vertaling gelijk.
Waar het verschilt, melden wij dat in de voetnoten.
Het verhaal in 2 Kon. 18:14–16, waarin Hizkia zilver en goud aan Sanherib geeft, staat niet in Jesaja.
חִזְקִיָּהוּ (Chizqiyyahu), ‘Hizkia’: in Jesaja staat de langere vorm van de naam; in 2 Kon. 18 de kortere vorm. Wij vertalen beide met ‘Hizkia’.
וַיְהִי (vayehi), ‘het gebeurde’: dit woord staat niet in 2 Kon. 18:13. Het ‘veertiende jaar’ geven wij letterlijk, zoals daar.
2De koning van Assyrië stuurde de Rabsake vanuit Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een groot leger. Hij bleef staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, op de weg naar het veld van de voller.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֣וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֨ה
(shaqe)
de schenkers
מִלָּכִ֧ישׁ
(milakhish)
vanuit Lachis
יְרוּשָׁלְַ֛מָה
(yerushalaema)
naar Jeruzalem
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
בְּחֵ֣יל
(becheil)
met een leger
כָּבֵ֑ד
(kaved)
zwaar
וַֽיַּעֲמֹ֗ד
(vayaamod)
en bleef staan
בִּתְעָלַת֙
(bitalat)
bij de waterleiding van
הַבְּרֵכָ֣ה
(haberekha)
de vijver
הָעֶלְיוֹנָ֔ה
(haelyona)
de bovenste
בִּמְסִלַּ֖ת
(bimsilat)
op de weg naar
שְׂדֵ֥ה
(sede)
het veld van
כוֹבֵֽס
(koves)
de voller
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
In 2 Kon. 18:17 stuurt de koning van Assyrië drie hoge ambtenaren, de Tartan, de Rabsaris en de Rabsake.
Jesaja noemt alleen de Rabsake.
רַב שָׁקֵה (rav shaqeh), ‘Rabsake’, letterlijk ‘overste van de schenkers’: een Assyrische titel van een hoge ambtenaar en legerleider. Wij laten hem staan als naam.
Lachis ligt in de Sjefela, in het zuidwesten van Juda (zie 2 Kon. 18:14). De waterleiding van de bovenste vijver en het veld van de voller lagen bij Jeruzalem, buiten de stad. De precieze ligging is onzeker.
כוֹבֵס (kovess), ‘voller’: iemand die kleren wast en bleekt.
3Naar hem ging uit Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was. Ook gingen Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, naar hem uit.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging uit
אֵלָ֛יו
(elav)
naar hem
אֶלְיָקִ֥ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֖הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְשֶׁבְנָא֙
(veshevna)
en Sjebna
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְיוֹאָ֥ח
(veyoach)
en Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
הַמַּזְכִּֽיר
(hamazkir)
de archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַל הַבַּיִת (al habbayit), ‘over het huis’: de man die het paleis beheert, zoals in 1 Kon. 4:6.
שֶׁבְנָא (Shevna), ‘Sjebna’: in 2 Kon. 18:18 staat de naam als שֶׁבְנָה (Shevnah). Het is dezelfde man.
Het Hebreeuws heeft hier één werkwoord (‘ging uit’) voor drie mannen en zegt ‘naar hem’ (de Rabsake). In 2 Kon. 18:18 staat ‘naar hen’. Wij splitsen de zin zoals daar en herhalen ‘gingen … uit’.
4De Rabsake zei tegen hen: „Zeg toch tegen Hizkia. Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor een vertrouwen waarmee je vertrouwt?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֔ה
(shaqe)
de schenkers
אִמְרוּ
(imru)
zeg
נָ֖א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
חִזְקִיָּ֑הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
מָ֧ה
(ma)
wat
הַבִּטָּח֛וֹן
(habitachon)
het vertrouwen
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
בָּטָֽחְתָּ
(batachta)
je vertrouwt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
בָּטַח (batach), ‘vertrouwen’: het sleutelwoord van de hoofdstukken 36–37, zoals in 2 Kon. 18:5.
Wij vertalen het steeds met ‘vertrouwen’.
De vaste formule van een bode: ‘Zo zegt de grote koning’. ‘De grote koning’ is een titel van Assyrische koningen. Dit vers staat gelijk in 2 Kon. 18:19.
6Zie, je vertrouwt op Egypte, die steunstaf van een gebroken riet. Als een man erop leunt, gaat het in zijn hand en doorboort die. Zo is farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בָטַ֡חְתָּ
(batachta)
je vertrouwt
עַל
(al)
op
מִשְׁעֶנֶת֩
(mishenet)
steunstaf van
הַקָּנֶ֨ה
(haqane)
het riet
הָרָצ֤וּץ
(haratsuts)
het gebroken
הַזֶּה֙
(haze)
dit
עַל
(al)
op
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִסָּמֵ֥ךְ
(yisamekh)
steunt
אִישׁ֙
(ish)
een man
עָלָ֔יו
(alav)
erop
וּבָ֥א
(uva)
en het komt
בְכַפּ֖וֹ
(bekhapo)
in zijn hand
וּנְקָבָ֑הּ
(uneqavah)
en doorboort haar
כֵּ֚ן
(ken)
zo
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְכָֽל
(lekhal)
voor allen
הַבֹּטְחִ֖ים
(habotechim)
die vertrouwen
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
מִשְׁעֶנֶת (mish’enet), ‘steunstaf’: een stok om op te leunen.
De Rabsake noemt Egypte een stok van gebroken riet die in de hand binnendringt en haar doorboort.
Zo kon Hizkia zeker niet op Egypte rekenen.
Dit vers staat gelijk in 2 Kon. 18:21; daar staat ‘Zie nu’, hier ‘Zie’.
7En als je tegen mij zegt: ‘Op Yahweh, onze Elohim, vertrouwen wij’, is Hij het dan niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor dit altaar moeten jullie je neerbuigen.’
וְכִי
(vekhi)
en als
תֹאמַ֣ר
(tomar)
je zegt
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
אֶל
(el)
op
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
בָּטָ֑חְנוּ
(batachenu)
vertrouwen wij
הֲלוֹא
(halo)
is het niet
ה֗וּא
(hu)
Hij
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wiens
הֵסִ֤יר
(hesir)
nam weg
חִזְקִיָּ֨הוּ֙
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמֹתָ֣יו
(bamotav)
Zijn hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִזְבְּחֹתָ֔יו
(mizbechotav)
Zijn altaren
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לִֽיהוּדָה֙
(lihuda)
tegen Juda
וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(velirushaliam)
en tegen Jeruzalem
לִפְנֵ֛י
(lifnei)
voor
הַמִּזְבֵּ֥חַ
(hamizbeach)
het altaar
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
תִּֽשְׁתַּחֲוֽוּ
(tishtachavu)
moeten jullie je neerbuigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Met ‘Hij’ bedoelt de Rabsake Yahweh.
Hij noemt de hoogten en altaren ‘Zijn’ hoogten en altaren.
Hizkia had die weggenomen (2 Kon. 18:4).
De Rabsake maakt daarvan een verwijt tegen Hizkia.
Het tweede ‘Hij’ (‘Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd’) is Hizkia.
Zie ook 2 Kron. 32:12, waar het woord anders luidt: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’
In 2 Kon. 18:22 staat ‘als jullie zeggen’ (meervoud) en eindigt het vers met ‘in Jeruzalem’. Jesaja heeft ‘als je zegt’ (enkelvoud) en zonder ‘in Jeruzalem’.
10En nu, ben ik soms zonder Yahweh tegen dit land opgetrokken om het te verwoesten? Yahweh heeft tegen mij gezegd: ‘Trek op naar dit land en verwoest het.’”
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הֲמִבַּלְעֲדֵ֣י
(hamibaladei)
is het zonder
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלִ֛יתִי
(aliti)
ben ik opgetrokken
עַל
(al)
tegen
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לְהַשְׁחִיתָ֑הּ
(lehashchitah)
om het te verwoesten
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֣ר
(amar)
heeft gezegd
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
עֲלֵ֛ה
(ale)
trek op
אֶל
(el)
naar
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
וְהַשְׁחִיתָֽהּ
(vehashchitah)
en verwoest het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Rabsake beweert dat Yahweh hem heeft gestuurd.
Dit zijn zijn woorden, geen woorden van Yahweh zelf.
Daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens.
De tekst zegt nergens dat dit waar is.
In 2 Kon. 18:25 staat ‘deze plaats’, ‘haar’ en ‘tegen dit land’. Hier staat ‘dit land’, ‘het’ en ‘naar dit land’.
11Eljakim, Sjebna en Joach zeiden tegen de Rabsake: „Spreek toch Aramees met uw dienaren, want wij verstaan het. Spreek niet Judees tegen ons, voor de oren van het volk dat op de muur is.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶלְיָקִים֩
(elyaqim)
Eljakim
וְשֶׁבְנָ֨א
(veshevna)
en Sjebna
וְיוֹאָ֜ח
(veyoach)
en Joach
אֶל
(el)
tot
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
דַּבֶּר
(daber)
spreek
נָ֤א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
אֲרָמִ֔ית
(aramit)
in het Aramees
כִּ֥י
(ki)
want
שֹׁמְעִ֖ים
(shomeim)
verstaan
אֲנָ֑חְנוּ
(anachenu)
wij
וְאַל
(veal)
en niet
תְּדַבֵּ֤ר
(tedaber)
spreek
אֵלֵ֨ינוּ֙
(eleinu)
tot ons
יְהוּדִ֔ית
(yehudit)
in het Judees
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרָמִית (aramit), ‘Aramees’: de taal die overheden van verschillende volken gebruikten om elkaar te verstaan.
יְהוּדִית (yehudit), ‘Judees’, letterlijk ‘in de taal van Juda’: dat is hier het Hebreeuws van het volk op de muur.
In 2 Kon. 18:26 staan bij Eljakim ook de naam van zijn vader (Hilkia) en ‘met ons’ in plaats van ‘tegen ons’.
12De Rabsake zei: „Heeft mijn heer mij soms naar jullie heer en naar jou gestuurd om deze woorden te spreken? Is het niet naar de mannen die op de muur zitten? Zij moeten met jullie hun eigen uitwerpselen eten en hun eigen urine drinken.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
הַאֶ֨ל
(hael)
is het naar
אֲדֹנֶ֤יךָ
(adoneikha)
jullie heer
וְאֵלֶ֨יךָ֙
(veeleikha)
en naar jou
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לְדַבֵּ֖ר
(ledaber)
om te spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
הֲלֹ֣א
(halo)
is het niet
עַל
(al)
naar
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַיֹּֽשְׁבִים֙
(hayoshevim)
die zitten
עַל
(al)
op
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
אֶת
(et)
(obj.)
צוֹאָתָ֗ם
(tsoatam)
hun uitwerpselen
וְלִשְׁתּ֛וֹת
(velishtot)
en om te drinken
אֶת
(et)
(obj.)
מֵימֵ֥י
(meimei)
het water van
רַגְלֵיהֶ֖ם
(ragleihem)
hun voeten
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft twee grovere woorden: ‘hun drek’ voor ‘uitwerpselen’ en ‘hun urine’ voor ‘het water van hun voeten’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft de mildere uitdrukking.
Wij volgen de qere en vertalen het tweede met ‘urine’.
15Laat Hizkia jullie niet op Yahweh laten vertrouwen met de woorden: ‘Yahweh zal ons zeker redden. Deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’
וְאַל
(veal)
en niet
יַבְטַ֨ח
(yavtach)
laat laten vertrouwen
אֶתְכֶ֤ם
(etkhem)
jullie
חִזְקִיָּ֨הוּ֙
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶל
(el)
op
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַצֵּ֥ל
(hatsel)
zeker redden
יַצִּילֵ֖נוּ
(yatsilenu)
zal ons redden
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֤א
(lo)
niet
תִנָּתֵן֙
(tinaten)
zal worden gegeven
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
16Luister niet naar Hizkia. Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een overeenkomst met mij en kom naar mij uit. Dan zal ieder van zijn wijnstok eten en ieder van zijn vijgenboom, en ieder het water van zijn eigen put drinken,
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁמְע֖וּ
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֑הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַשּׁ֗וּר
(ashur)
Assyrië
עֲשֽׂוּ
(asu)
maak
אִתִּ֤י
(iti)
met mij
בְרָכָה֙
(berakha)
een zegen
וּצְא֣וּ
(utseu)
en kom uit
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְאִכְל֤וּ
(veikhlu)
en eet
אִישׁ
(ish)
ieder
גַּפְנוֹ֙
(gafno)
zijn wijnstok
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
תְּאֵנָת֔וֹ
(teenato)
zijn vijgenboom
וּשְׁת֖וּ
(ushetu)
en drink
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מֵי
(mei)
water van
בוֹרֽוֹ
(boro)
zijn put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
18Pas op dat Hizkia jullie niet misleidt met de woorden: ‘Yahweh zal ons redden.’ Hebben de goden van de volken ieder zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië?
פֶּן
(pen)
opdat niet
יַסִּ֨ית
(yasit)
misleidt
אֶתְכֶ֤ם
(etkhem)
jullie
חִזְקִיָּ֨הוּ֙
(chizqiyahu)
Hizkia
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יַצִּילֵ֑נוּ
(yatsilenu)
zal ons redden
הַהִצִּ֜ילוּ
(hahitsilu)
hebben gered
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצ֔וֹ
(artso)
zijn land
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
פֶּן (pen), ‘pas op dat … niet’: in 2 Kon. 18:32 staat hier een andere zin: ‘Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie’.
Het vervolg ‘Hebben de goden … gered’ staat daar in vers 33 en begint met een versterkend werkwoord (‘ooit’); in Jesaja ontbreekt dat.
אֱלֹהֵי הַגּוֹיִם (elohei haggoyim), ‘de goden van de volken’: het meervoud van אֱלֹהִים (elohim), maar dan voor goden van andere volken. Wij schrijven ‘goden’ met een kleine letter, ook in de verzen 19–20.
22Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, kwamen met gescheurde kleren naar Hizkia. Zij vertelden hem de woorden van de Rabsake.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אֶלְיָקִ֣ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֣הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
אֲשֶׁר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַ֠בַּיִת
(habayit)
het huis
וְשֶׁבְנָ֨א
(veshevna)
en Sjebna
הַסּוֹפֵ֜ר
(hasofer)
de schrijver
וְיוֹאָ֨ח
(veyoach)
en Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָ֧ף
(asaf)
Asaf
הַמַּזְכִּ֛יר
(hamazkir)
de archivaris
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
קְרוּעֵ֣י
(qeruei)
gescheurd van
בְגָדִ֑ים
(begadim)
kleren
וַיַּגִּ֣ידוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵֽה
(shaqe)
de schenkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het scheuren van de kleren is een teken van rouw en ontzetting, zoals Hizkia ook doet in Jes. 37:1 en 2 Kon. 19:1.
De drie mannen die de Rabsake hebben aangehoord, komen terug met gescheurde kleren.