Elohim Bijbel

2 Koningen 18

12345678910111213141516171819202122232425

Hizkia, Samaria en de Rabsake

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hizkia, koning van Juda

1In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz, de koning van Juda.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שָׁלֹ֔שׁ
(shalosh)
drie
לְהוֹשֵׁ֥עַ
(lehoshea)
van Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מָלַ֛ךְ
(malakh)
werd koning
חִזְקִיָּ֥ה
(chizqiya)
Hizkia
בֶן
(ben)
zoon van
אָחָ֖ז
(achaz)
Achaz
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hizkia’s regering wordt ook verteld in 2 Kron. 29–32.

De verzen 13–37 van dit hoofdstuk lopen, samen met 2 Kon. 19–20, parallel met Jes. 36–39.

Hosea is de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1). Jaartallen en regeringsjaren geven wij letterlijk weer.

2Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Abi, de dochter van Zacharia.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
הָיָ֣ה
(haya)
was hij
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְעֶשְׂרִ֤ים
(veesrim)
en twintig
וָתֵ֨שַׁע֙
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
אֲבִ֖י
(avi)
Abi
בַּת
(bat)
dochter van
זְכַרְיָֽה
(zekharya)
Zacharia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֲבִי (Avi), ‘Abi’: de moeder van Hizkia.

In 2 Kron. 29:1 staat haar naam als אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’.

Wij houden in elk boek de vorm van de tekst.

3Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, geheel zoals David, zijn vader, had gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
wat recht is
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
דָּוִ֥ד
(david)
David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij nam de hoogten weg, brak de gewijde stenen stuk en hakte de heilige paal om. Ook sloeg hij de koperen slang kapot die Mozes had gemaakt. Want tot die dagen toe lieten de zonen van Israël er offers voor in rook opgaan. Hij noemde haar Nechusjtan.
ה֣וּא
(hu)
hij
הֵסִ֣יר
(hesir)
nam weg
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֗וֹת
(habamot)
de hoogten
וְשִׁבַּר֙
(veshibar)
en brak
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּצֵּבֹ֔ת
(hamatsevot)
de gewijde stenen
וְכָרַ֖ת
(vekharat)
en hieuw om
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאֲשֵׁרָ֑ה
(haashera)
de heilige paal
וְכִתַּת֩
(vekhitat)
en sloeg kapot
נְחַ֨שׁ
(nechash)
slang van
הַנְּחֹ֜שֶׁת
(hanechoshet)
koper
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
כִּ֣י
(ki)
want
עַד
(ad)
tot
הַיָּמִ֤ים
(hayamim)
de dagen
הָהֵ֨מָּה֙
(hahema)
die
הָי֤וּ
(hayu)
waren
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מְקַטְּרִ֣ים
(meqaterim)
rook latend opgaan
ל֔וֹ
(lo)
voor haar
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en hij noemde
ל֖וֹ
(lo)
haar
נְחֻשְׁתָּֽן
(nechushtan)
Nechusjtan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבָּמוֹת (habbamot), ‘de hoogten’: offerplaatsen op heuvels.

מַצֵּבֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij zulke plaatsen.

אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera.

Het meervoud (asherim) vertalen wij als ‘heilige palen’ (1 Kon. 14:23).

נְחֻשְׁתָּן (Nechushtan), ‘Nechusjtan’: de naam lijkt op נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’, en op נָחָשׁ (nachash), ‘slang’. Over de koperen slang van Mozes zie Num. 21:9. Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij noemde’. Het kan Hizkia zijn, of het kan onbepaald bedoeld zijn: ‘men noemde’. Wij vertalen ‘hij’.

מְקַטְּרִים (meqatterim), ‘zij lieten rook opgaan’: offers in rook laten opgaan, zoals in 1 Kon. 3:3.

Hizkia vertrouwt op Yahweh

5Hij vertrouwde op Yahweh, de Elohim van Israël. Na hem was er niemand zoals hij onder alle koningen van Juda, en ook niet onder hen die voor hem waren.
בַּיהוָ֥ה
(baYahweh)
op Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּטָ֑ח
(batach)
vertrouwde hij
וְאַחֲרָ֞יו
(veacharav)
en na hem
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֣ה
(haya)
was
כָמֹ֗הוּ
(kamohu)
zoals hij
בְּכֹל֙
(bekhol)
onder alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en onder hen die
הָי֖וּ
(hayu)
waren
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּטַח (batach), ‘vertrouwen’: dit werkwoord is het sleutelwoord van de hoofdstukken 18–19.

Wij vertalen het steeds met ‘vertrouwen’.

Een gelijke lof voor Josia staat in 2 Kon. 23:25.

6Hij hield zich vast aan Yahweh en week niet van Hem af. Hij onderhield Zijn geboden, die Yahweh aan Mozes had opgedragen.
וַיִּדְבַּק֙
(vayidbaq)
en hij hechtte zich
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
לֹא
(lo)
niet
סָ֖ר
(sar)
week hij af
מֵאַֽחֲרָ֑יו
(meacharav)
van achter Hem
וַיִּשְׁמֹר֙
(vayishmor)
en hij onderhield
מִצְוֺתָ֔יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Yahweh was met hem. Waar hij ook op uittrok, hij had succes. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en was
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
יֵצֵ֖א
(yetse)
hij uittrok
יַשְׂכִּ֑יל
(yaskil)
had hij succes
וַיִּמְרֹ֥ד
(vayimrod)
en hij kwam in opstand
בְּמֶֽלֶךְ
(bemelekh)
tegen de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲבָדֽוֹ
(avado)
diende hij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

יַשְׂכִּיל (yaskil), ‘hij had succes’: letterlijk ‘hij handelde verstandig’.

De stam kan zowel ‘inzicht hebben’ als ‘succes hebben’ betekenen.

8Hij versloeg de Filistijnen tot aan Gaza en zijn gebieden, van de wachttoren tot de versterkte stad.
הֽוּא
(hu)
hij
הִכָּ֧ה
(hika)
versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֛ים
(pelishtim)
de Filistijnen
עַד
(ad)
tot
עַזָּ֖ה
(aza)
Gaza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלֶ֑יהָ
(gevuleiha)
haar gebieden
מִמִּגְדַּ֥ל
(mimigdal)
van de toren van
נוֹצְרִ֖ים
(notserim)
de wachters
עַד
(ad)
tot
עִ֥יר
(ir)
stad van
מִבְצָֽר
(mivtsar)
vesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.

Uitleg

Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Gazastrook, ten zuidwesten van Juda.

Dat is zeker.

מִמִּגְדַּל נוֹצְרִים עַד עִיר מִבְצָר (mimmigdal notsrim ad ir mivtsar), ‘van de wachttoren tot de versterkte stad’: een uitdrukking voor ‘overal, van het kleinste dorp tot de grootste stad’. Zie ook 2 Kon. 17:9.

De val van Samaria

9In het vierde jaar van koning Hizkia trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op tegen Samaria. Dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël. Hij belegerde de stad.
וַֽיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בַּשָּׁנָ֤ה
(bashana)
in het jaar
הָֽרְבִיעִית֙
(hareviit)
vierde
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van koning
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
הִ֚יא
(hi)
dat is
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַשְּׁבִיעִ֔ית
(hasheviit)
zevende
לְהוֹשֵׁ֥עַ
(lehoshea)
van Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עָלָ֞ה
(ala)
trok op
שַׁלְמַנְאֶ֧סֶר
(shalmaneser)
Salmaneser
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֛וּר
(ashur)
Assyrië
עַל
(al)
tegen
שֹׁמְר֖וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיָּ֥צַר
(vayatsar)
en hij belegerde
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Salmaneser (שַׁלְמַנְאֶסֶר, Shalmaneser) was koning van Assyrië.

Over de komst tegen Samaria zie 2 Kon. 17:3–6.

De tekst telt hier tegelijk in de jaren van Hizkia en van Hosea, zoals in vers 1.

10Aan het eind van drie jaar namen zij de stad in. In het zesde jaar van Hizkia, dat is het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, werd Samaria ingenomen.
וַֽיִּלְכְּדֻ֗הָ
(vayilkeduha)
en zij namen haar in
מִקְצֵה֙
(miqtse)
aan het einde van
שָׁלֹ֣שׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar
שֵׁ֖שׁ
(shesh)
zesde
לְחִזְקִיָּ֑ה
(lechizqiya)
van Hizkia
הִ֣יא
(hi)
dat is
שְׁנַת
(shenat)
het jaar
תֵּ֗שַׁע
(tesha)
negende
לְהוֹשֵׁ֨עַ֙
(lehoshea)
van Hosea
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נִלְכְּדָ֖ה
(nilkeda)
werd ingenomen
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Het beleg duurde drie jaar: van het vierde tot het zesde jaar van Hizkia, dat is van het zevende tot het negende jaar van Hosea.

Zie ook 2 Kon. 17:6.

11De koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië. Hij bracht hen onder in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan, en in de steden van Medië.
וַיֶּ֧גֶל
(vayegel)
en voerde weg
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֛וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַשּׁ֑וּרָה
(ashura)
naar Assyrië
וַיַּנְחֵ֞ם
(vayanchem)
en bracht hen onder
בַּחְלַ֧ח
(bachlach)
in Chalach
וּבְחָב֛וֹר
(uvechavor)
en aan de Chabor
נְהַ֥ר
(nehar)
rivier van
גּוֹזָ֖ן
(gozan)
Gozan
וְעָרֵ֥י
(vearei)
en in de steden van
מָדָֽי
(maday)
Medië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Chalach en Hara (ligging onzeker): Chalach en Hara waren gebieden in het noorden van Mesopotamië, bij de Chabor en de Gozan, waarheen Assyrië Israëlieten wegvoerde.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Chabor: De Chabor is een zijrivier van de Eufraat in het noordoosten van Syrië.

Daar liggen de gebieden waarheen Israël in ballingschap werd gevoerd.

Zie Gozan (Tell Halaf): Gozan lag aan de Chabor, bij het huidige Tell Halaf, in het noordoosten van Syrië.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

Uitleg

Chalach, de Chabor en Gozan liggen in het noorden van Mesopotamië, in het noordoosten van het huidige Syrië en het noorden van Irak.

Medië ligt ten oosten daarvan, in het noordwesten van het huidige Iran.

Zie ook 1 Kron. 5:26.

Over de verbanning van Israël, zie 2 Kon. 17:6.

12Want zij hadden niet geluisterd naar de stem van Yahweh, hun Elohim. Zij overtraden Zijn verbond, alles wat Mozes, de dienaar van Yahweh, had geboden. Zij luisterden niet en deden het niet.
עַ֣ל
(al)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמְע֗וּ
(shameu)
zij luisterden
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
וַיַּעַבְרוּ֙
(vayaavru)
en zij overtraden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִית֔וֹ
(berito)
Zijn verbond
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוָּ֔ה
(tsiva)
gebood
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
עֶ֣בֶד
(eved)
dienaar van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
luisterden zij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָשֽׂוּ
(asu)
deden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers zegt waarom Samaria viel.

De uitleg staat uitvoeriger in 2 Kon. 17:7–23.

Sanherib trekt tegen Juda op

13In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda. Hij nam ze in.
וּבְאַרְבַּע֩
(uvearba)
en in het vier
עֶשְׂרֵ֨ה
(esre)
tiende
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van koning
חִזְקִיָּ֗ה
(chizqiya)
Hizkia
עָלָ֞ה
(ala)
trok op
סַנְחֵרִ֤יב
(sancheriv)
Sanherib
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
עַ֣ל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֧י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
הַבְּצֻר֖וֹת
(habetsurot)
de versterkte
וַֽיִּתְפְּשֵֽׂם
(vayitpesem)
en nam ze in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

סַנְחֵרִיב (Sancheriv), ‘Sanherib’: koning van Assyrië.

In vers 13 begint het verhaal dat ook in Jes. 36–37 en in 2 Kron. 32:1–23 staat.

Het ‘veertiende jaar’ geven wij letterlijk.

14Hizkia, de koning van Juda, stuurde een boodschap naar de koning van Assyrië in Lachis: „Ik heb gezondigd. Keer terug van mij. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.” De koning van Assyrië legde Hizkia, de koning van Juda, 300 talent zilver en 30 talent goud op.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
חִזְקִיָּ֣ה
(chizqiya)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁוּר֩
(ashur)
Assyrië
לָכִ֨ישָׁה
(lakhisha)
naar Lachis
לֵאמֹ֤ר
(lemor)
zeggende
חָטָ֨אתִי֙
(chatati)
ik heb gezondigd
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van mij
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תִּתֵּ֥ן
(titen)
u oplegt
עָלַ֖י
(alay)
aan mij
אֶשָּׂ֑א
(esa)
zal ik dragen
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en legde op
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֜וּר
(ashur)
Assyrië
עַל
(al)
aan
חִזְקִיָּ֣ה
(chizqiya)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
שְׁלֹ֤שׁ
(shelosh)
drie
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
כִּכַּר
(kikar)
talent
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
וּשְׁלֹשִׁ֖ים
(usheloshim)
en dertig
כִּכַּ֥ר
(kikar)
talent
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Uitleg

Lachis (Tel Lachis, bij het huidige Tel Lachish) ligt in de Sjefela, in het zuidwesten van Juda, in Israël.

Dat is vrijwel zeker.

Zie ook Joz. 10:32.

חָטָאתִי (chatati), ‘ik heb gezondigd’: Hizkia erkent dat hij in opstand is gekomen (vers 7).

אֶשָּׂא (esa), ‘ik zal dragen’: dezelfde stam als nasa, ‘dragen’. Hier gaat het om de last van de betaling.

כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kg (3.000 sikkel; zie Exod. 38:25–26). 300 talent zilver is ongeveer 10.000 kg, 30 talent goud ongeveer 1.000 kg.

15Hizkia gaf al het zilver dat gevonden werd in het huis van Yahweh en in de schatkamers van het huis van de koning.
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en gaf
חִזְקִיָּ֔ה
(chizqiya)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
הַנִּמְצָ֣א
(hanimtsa)
dat gevonden werd
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְאֹצְר֖וֹת
(uveotserot)
en in de schatkamers van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16In die tijd sneed Hizkia de deuren van de tempel van Yahweh af, en ook de deurposten die Hizkia, de koning van Juda, had overtrokken. Hij gaf ze aan de koning van Assyrië.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
קִצַּ֨ץ
(qitsats)
sneed af
חִזְקִיָּ֜ה
(chizqiya)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
דַּלְת֨וֹת
(daltot)
de deuren van
הֵיכַ֤ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֹ֣מְנ֔וֹת
(haomenot)
de deurposten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִפָּ֔ה
(tsipa)
overtrok
חִזְקִיָּ֖ה
(chizqiya)
Hizkia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַֽיִּתְּנֵ֖ם
(vayitenem)
en gaf ze
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

הֵיכַל (heikhal), ‘tempel’: in het verhaal over de bouw vertalen wij het als ‘hoofdzaal’ (1 Kon. 6:3).

Hier gaat het om de hele tempel.

קִצַּץ (qitsats), ‘hij sneed af’: de tekst noemt het goud niet. Wij laten het zoals het staat.

הָאֹמְנוֹת (ha’omnot), ‘de deurposten’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis volgt uit de stam ‘steunen’; wij vertalen ‘deurposten’. Dat is onzeker.

De Rabsake bij Jeruzalem

17De koning van Assyrië stuurde de Tartan, de Rabsaris en de Rabsake vanuit Lachis naar koning Hizkia, met een groot leger, naar Jeruzalem. Zij trokken op en kwamen in Jeruzalem. Zij trokken op en kwamen. Zij bleven staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, die op de weg naar het veld van de voller ligt.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֡וּר
(ashur)
Assyrië
אֶת
(et)
(obj.)
תַּרְתָּ֥ן
(tartan)
de Tartan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רַב
(rav)
de overste van
סָרִ֣יס
(saris)
de hovelingen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֨ה
(shaqe)
de schenkers
מִן
(min)
vanuit
לָכִ֜ישׁ
(lakhish)
Lachis
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חִזְקִיָּ֛הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
בְּחֵ֥יל
(becheil)
met een leger
כָּבֵ֖ד
(kaved)
zwaar
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַֽיַּעֲלוּ֙
(vayaalu)
en zij trokken op
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
וַיַּֽעַמְדוּ֙
(vayaamdu)
en zij bleven staan
בִּתְעָלַת֙
(bitalat)
bij de waterleiding van
הַבְּרֵכָ֣ה
(haberekha)
de vijver
הָֽעֶלְיוֹנָ֔ה
(haelyona)
de bovenste
אֲשֶׁ֕ר
(asher)
die
בִּמְסִלַּ֖ת
(bimsilat)
op de weg naar
שְׂדֵ֥ה
(sede)
het veld van
כוֹבֵֽס
(koves)
de voller
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Waterleiding van de bovenste vijver (ligging onzeker): De waterleiding van de bovenste vijver lag bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Veld van de voller (ligging onzeker): Het veld van de voller lag bij Jeruzalem, aan de weg langs de bovenste vijver.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

De waterleiding van de bovenste vijver en het veld van de voller lagen bij Jeruzalem, buiten de stad.

De precieze ligging is onzeker.

תַּרְתָּן (tartan), ‘Tartan’; רַב סָרִיס (rav saris), ‘Rabsaris’, letterlijk ‘overste van de hovelingen’; רַב שָׁקֵה (rav shaqeh), ‘Rabsake’, letterlijk ‘overste van de schenkers’. Dit zijn Assyrische titels van hoge ambtenaren en legerleiders. Wij laten ze staan als namen. Van hen spreekt alleen de Rabsake.

כוֹבֵס (kovess), ‘voller’: iemand die kleren wast en bleekt.

18Zij riepen de koning. Naar hen ging uit Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was. Ook gingen Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, naar hen uit.
וַֽיִּקְרְאוּ֙
(vayiqreu)
en zij riepen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֵּצֵ֧א
(vayetse)
en ging uit
אֲלֵהֶ֛ם
(alehem)
naar hen
אֶלְיָקִ֥ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֖הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְשֶׁבְנָה֙
(veshevna)
en Sjebna
הַסֹּפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
וְיוֹאָ֥ח
(veyoach)
en Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָ֖ף
(asaf)
Asaf
הַמַּזְכִּֽיר
(hamazkir)
de archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל הַבַּיִת (al habbayit), ‘over het huis’: de man die het paleis van de koning beheert, zoals in 1 Kon. 4:6.

סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’, en מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: zie 1 Kon. 4:3.

שֶׁבְנָה (Shevnah), ‘Sjebna’: in vers 37 en in 19:2 staat de naam als שֶׁבְנָא (Shevna).

De woorden van de Rabsake

19De Rabsake zei tegen hen: „Zeg toch tegen Hizkia. Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor een vertrouwen waarmee je vertrouwt?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֔ה
(shaqe)
de schenkers
אִמְרוּ
(imru)
zeg
נָ֖א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
חִזְקִיָּ֑הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
מָ֧ה
(ma)
wat
הַבִּטָּח֛וֹן
(habitachon)
het vertrouwen
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
בָּטָֽחְתָּ
(batachta)
je vertrouwt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Hij begint met de vaste formule van een bode: ‘Zo zegt de grote koning’.

‘De grote koning’ is een titel van Assyrische koningen.

Wat Hizkia zegt, verdraait hij tot spot.

20Je zegt: Er zijn raad en kracht voor de oorlog. Maar het zijn slechts woorden van de lippen. Nu, op wie vertrouw je, dat je in opstand bent gekomen tegen mij?
אָמַ֨רְתָּ֙
(amarta)
je zegt
אַךְ
(akh)
maar
דְּבַר
(devar)
woord van
שְׂפָתַ֔יִם
(sefatayim)
lippen
עֵצָ֥ה
(etsa)
raad
וּגְבוּרָ֖ה
(ugevura)
en kracht
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
voor de oorlog
עַתָּה֙
(ata)
nu
עַל
(al)
op
מִ֣י
(mi)
wie
בָטַ֔חְתָּ
(batachta)
vertrouw je
כִּ֥י
(ki)
dat
מָרַ֖דְתָּ
(maradta)
je bent in opstand gekomen
בִּֽי
(bi)
tegen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws van de eerste helft van het vers is kort en moeilijk: ‘je zegt maar een woord van lippen, raad en kracht voor de oorlog’.

Het heeft geen werkwoord bij ‘raad en kracht’.

Wij lezen: ‘Je zegt: er zijn raad en kracht voor de oorlog.

Maar het zijn slechts woorden van de lippen.’

21Zie nu, je vertrouwt op Egypte, die steunstaf van een gebroken riet. Als een man erop leunt, gaat het in zijn hand en doorboort die. Zo is farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.
עַתָּ֡ה
(ata)
nu
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בָטַ֣חְתָּ
(batachta)
je vertrouwt
לְּךָ֡
(lekha)
voor jou
עַל
(al)
op
מִשְׁעֶנֶת֩
(mishenet)
steunstaf van
הַקָּנֶ֨ה
(haqane)
het riet
הָרָצ֤וּץ
(haratsuts)
het gebroken
הַזֶּה֙
(haze)
dit
עַל
(al)
op
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִסָּמֵ֥ךְ
(yisamekh)
steunt
אִישׁ֙
(ish)
een man
עָלָ֔יו
(alav)
erop
וּבָ֥א
(uva)
en het komt
בְכַפּ֖וֹ
(bekhapo)
in zijn hand
וּנְקָבָ֑הּ
(uneqavah)
en doorboort haar
כֵּ֚ן
(ken)
zo
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְכָֽל
(lekhal)
voor allen
הַבֹּטְחִ֖ים
(habotechim)
die vertrouwen
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מִשְׁעֶנֶת (mish’enet), ‘steunstaf’: een stok om op te leunen.

De Rabsake noemt Egypte een stok van gebroken riet die in de hand binnendringt en haar doorboort.

Zo kon Hizkia zeker niet op Egypte rekenen.

22En als jullie tegen mij zeggen: ‘Op Yahweh, onze Elohim, vertrouwen wij’, is Hij het dan niet wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen? Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Voor dit altaar moeten jullie je neerbuigen, in Jeruzalem.’
וְכִי
(vekhi)
en als
תֹאמְר֣וּן
(tomrun)
jullie zeggen
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
אֶל
(el)
op
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
בָּטָ֑חְנוּ
(batachenu)
vertrouwen wij
הֲלוֹא
(halo)
is het niet
ה֗וּא
(hu)
Hij
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wiens
הֵסִ֤יר
(hesir)
nam weg
חִזְקִיָּ֨הוּ֙
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמֹתָ֣יו
(bamotav)
Zijn hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִזְבְּחֹתָ֔יו
(mizbechotav)
Zijn altaren
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לִֽיהוּדָה֙
(lihuda)
tegen Juda
וְלִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(velirushaliam)
en tegen Jeruzalem
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
הַמִּזְבֵּ֣חַ
(hamizbeach)
het altaar
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
תִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(tishtachavu)
moeten jullie je neerbuigen
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Met ‘Hij’ bedoelt de Rabsake Yahweh.

Hij noemt de hoogten en altaren ‘Zijn’ hoogten en altaren.

Hizkia had die weggenomen (vers 4).

De Rabsake maakt daarvan een verwijt tegen Hizkia.

Zie ook 2 Kron. 32:12.

Daar luidt het woord anders: ‘Voor één altaar moeten jullie je neerbuigen, en daarop moeten jullie wierook laten opgaan.’

23Ga nu toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië. Ik geef je 2.000 paarden, als je zelf de berijders voor hen kunt leveren.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הִתְעָ֣רֶב
(hitarev)
ga een weddenschap aan
נָ֔א
(na)
toch
אֶת
(et)
met
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
אֶת
(et)
met
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וְאֶתְּנָ֤ה
(veetena)
en ik zal geven
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
אַלְפַּ֣יִם
(alpayim)
tweeduizend
סוּסִ֔ים
(susim)
paarden
אִם
(im)
als
תּוּכַ֕ל
(tukhal)
je kunt
לָ֥תֶת
(latet)
geven
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
רֹכְבִ֥ים
(rokhevim)
berijders
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

הִתְעָרֵב (hit’arev), ‘ga een weddenschap aan’: de stam betekent ‘zich borg stellen, inzetten, ruilen’.

De betekenis hier is onzeker.

Wij vertalen ‘weddenschap’.

De Rabsake zegt spottend: Assyrië geeft paarden, maar Juda heeft de berijders niet.

אַלְפַּיִם (alpayim), ‘2.000’: het getal staat zo in de Masoretische tekst.

24Hoe kun je dan één landvoogd terugdrijven, een van de geringste dienaren van mijn heer? Toch vertrouw je op Egypte, voor wagens en ruiters.
וְאֵ֣יךְ
(veeikh)
en hoe
תָּשִׁ֗יב
(tashiv)
zou je terugdrijven
אֵ֠ת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֨י
(penei)
het gezicht van
פַחַ֥ת
(pachat)
een landvoogd
אַחַ֛ד
(achad)
een
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
הַקְּטַנִּ֑ים
(haqetanim)
de geringsten
וַתִּבְטַ֤ח
(vativtach)
en je vertrouwt
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
עַל
(al)
op
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְרֶ֖כֶב
(lerekhev)
voor wagens
וּלְפָרָשִֽׁים
(ulefarashim)
en voor ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

פַּחַת (pachat), ‘landvoogd’: zoals in 1 Kon. 10:15.

Een landvoogd is een gewestelijk bestuurder.

Zelfs de geringste ervan kan Hizkia niet terugdrijven.

25Ben ik nu soms zonder Yahweh tegen deze plaats opgetrokken om haar te verwoesten? Yahweh heeft tegen mij gezegd: ‘Trek op tegen dit land en verwoest het.’”
עַתָּה֙
(ata)
nu
הֲמִבַּלְעֲדֵ֣י
(hamibaladei)
is het zonder
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלִ֛יתִי
(aliti)
dat ik opgetrokken ben
עַל
(al)
tegen
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לְהַשְׁחִת֑וֹ
(lehashchito)
om haar te verwoesten
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֣ר
(amar)
heeft gezegd
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
עֲלֵ֛ה
(ale)
trek op
עַל
(al)
tegen
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
וְהַשְׁחִיתָֽהּ
(vehashchitah)
en verwoest het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Rabsake beweert dat Yahweh hem heeft gestuurd.

Dit zijn zijn woorden, geen woorden van Yahweh zelf.

Daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

De tekst zegt nergens dat dit waar is.

Het verzoek om Aramees te spreken

26Eljakim, de zoon van Hilkia, Sjebna en Joach zeiden tegen de Rabsake: „Spreek toch Aramees met uw dienaren, want wij verstaan het. Spreek niet Judees met ons, voor de oren van het volk dat op de muur is.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶלְיָקִ֣ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
חִ֠לְקִיָּהוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
וְשֶׁבְנָ֨ה
(veshevna)
en Sjebna
וְיוֹאָ֜ח
(veyoach)
en Joach
אֶל
(el)
tot
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
דַּבֶּר
(daber)
spreek
נָ֤א
(na)
toch
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
אֲרָמִ֔ית
(aramit)
in het Aramees
כִּ֥י
(ki)
want
שֹׁמְעִ֖ים
(shomeim)
verstaan
אֲנָ֑חְנוּ
(anachenu)
wij
וְאַל
(veal)
en niet
תְּדַבֵּ֤ר
(tedaber)
spreek
עִמָּ֨נוּ֙
(imanu)
met ons
יְהוּדִ֔ית
(yehudit)
in het Judees
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַחֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרָמִית (aramit), ‘Aramees’: de taal die overheden van verschillende volken gebruikten om elkaar te verstaan.

יְהוּדִית (yehudit), ‘Judees’, letterlijk ‘in de taal van Juda’: dat is hier het Hebreeuws van het volk op de muur.

27De Rabsake zei tegen hen: „Heeft mijn heer mij soms naar jullie heer en naar jou gestuurd om deze woorden te spreken? Is het niet naar de mannen die op de muur zitten? Zij moeten met jullie hun eigen uitwerpselen eten en hun eigen urine drinken.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֗ה
(shaqe)
de schenkers
הַעַ֨ל
(haal)
is het naar
אֲדֹנֶ֤יךָ
(adoneikha)
jullie heer
וְאֵלֶ֨יךָ֙
(veeleikha)
en naar jou
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לְדַבֵּ֖ר
(ledaber)
om te spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
הֲלֹ֣א
(halo)
is het niet
עַל
(al)
naar
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַיֹּֽשְׁבִים֙
(hayoshevim)
die zitten
עַל
(al)
op
הַ֣חֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
אֶת
(et)
(obj.)
צוֹאָתָ֗ם
(tsoatam)
hun uitwerpselen
וְלִשְׁתּ֛וֹת
(velishtot)
en om te drinken
אֶת
(et)
(obj.)
מימֵ֥י
(mymei)
het water van
רַגְלֵיהֶ֖ם
(ragleihem)
hun voeten
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft twee grovere woorden: ‘hun drek’ voor ‘uitwerpselen’ en ‘hun urine’ voor ‘het water van hun voeten’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft de mildere uitdrukking.

Wij volgen de qere en vertalen het tweede met ‘urine’.

De Rabsake roept in het Judees

28De Rabsake ging staan en riep met luide stem in het Judees. Hij sprak en zei: „Luister naar het woord van de grote koning, de koning van Assyrië.
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en ging staan
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵ֔ה
(shaqe)
de schenkers
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
בְקוֹל
(beqol)
met stem
גָּד֖וֹל
(gadol)
luide
יְהוּדִ֑ית
(yehudit)
in het Judees
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁמְע֛וּ
(shimu)
luister
דְּבַר
(devar)
naar het woord van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

De Rabsake spreekt het volk rechtstreeks aan, in de taal die zij verstaan.

Zijn woorden gaan vanaf hier over de hoofden van de ambtenaren heen naar de mannen op de muur.

29Zo zegt de koning: Laat Hizkia jullie niet misleiden, want hij kan jullie niet uit zijn hand redden.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַל
(al)
niet
יַשִּׁ֥יא
(yashi)
laat misleiden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
jullie
חִזְקִיָּ֑הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יוּכַ֔ל
(yukhal)
hij kan
לְהַצִּ֥יל
(lehatsil)
redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדֽוֹ
(miyado)
uit zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Laat Hizkia jullie niet op Yahweh laten vertrouwen met de woorden: ‘Yahweh zal ons zeker redden. Deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië worden gegeven.’
וְאַל
(veal)
en niet
יַבְטַ֨ח
(yavtach)
laat laten vertrouwen
אֶתְכֶ֤ם
(etkhem)
jullie
חִזְקִיָּ֨הוּ֙
(chizqiyahu)
Hizkia
אֶל
(el)
op
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַצֵּ֥ל
(hatsel)
zeker redden
יַצִּילֵ֖נוּ
(yatsilenu)
zal ons redden
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִנָּתֵן֙
(tinaten)
zal worden gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

31Luister niet naar Hizkia. Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een overeenkomst met mij en kom naar mij uit. Dan zal ieder van zijn wijnstok eten en ieder van zijn vijgenboom, en ieder het water van zijn eigen put drinken,
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁמְע֖וּ
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֑הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֗וּר
(ashur)
Assyrië
עֲשֽׂוּ
(asu)
maak
אִתִּ֤י
(iti)
met mij
בְרָכָה֙
(berakha)
een zegen
וּצְא֣וּ
(utseu)
en kom uit
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְאִכְל֤וּ
(veikhlu)
en eet
אִישׁ
(ish)
ieder
גַּפְנוֹ֙
(gafno)
zijn wijnstok
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en ieder
תְּאֵֽנָת֔וֹ
(teenato)
zijn vijgenboom
וּשְׁת֖וּ
(ushetu)
en drink
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מֵֽי
(mei)
water van
בוֹרֽוֹ
(boro)
zijn put
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: wij vertalen ‘overeenkomst’.

Letterlijk staat er ‘maak met mij een zegen’.

Het kan een verdrag of een overgave bedoelen, of een geschenk.

De betekenis is onzeker.

32totdat ik kom en jullie meeneem naar een land zoals jullie eigen land. Dat is een land van koren en most, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfolie en honing. Dan zullen jullie leven en niet sterven. Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie met de woorden: ‘Yahweh zal ons redden.’
עַד
(ad)
totdat
בֹּאִי֩
(boi)
ik kom
וְלָקַחְתִּ֨י
(velaqachti)
en ik zal nemen
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
כְּאַרְצְכֶ֗ם
(keartsekhem)
zoals jullie land
אֶרֶץ֩
(erets)
een land van
דָּגָ֨ן
(dagan)
koren
וְתִיר֜וֹשׁ
(vetirosh)
en most
אֶ֧רֶץ
(erets)
een land van
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
וּכְרָמִ֗ים
(ukheramim)
en wijngaarden
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land van
זֵ֤ית
(zeit)
olijf
יִצְהָר֙
(yitshar)
olie
וּדְבַ֔שׁ
(udevash)
en honing
וִֽחְי֖וּ
(vichyu)
en leef
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָמֻ֑תוּ
(tamutu)
sterf
וְאַֽל
(veal)
en niet
תִּשְׁמְעוּ֙
(tishmeu)
luister
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֔הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כִּֽי
(ki)
want
יַסִּ֤ית
(yasit)
hij misleidt
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יַצִּילֵֽנוּ
(yatsilenu)
zal ons redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘land zoals jullie land’ doet denken aan het beloofde land van Deut. 8:8.

De Rabsake belooft het volk een nieuw land, maar het is een verbanning (vergelijk vers 11).

תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’: jonge wijn, zoals in Deut. 7:13.

33Hebben de goden van de volken ooit ieder zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië?
הַהַצֵּ֥ל
(hahatsel)
is het zeker dat redden
הִצִּ֛ילוּ
(hitsilu)
hebben gered
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de goden van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

אֱלֹהֵי הַגּוֹיִם (elohei haggoyim), ‘de goden van de volken’: het meervoud van אֱלֹהִים (elohim), maar dan voor goden van andere volken.

Wij schrijven ‘goden’ met een kleine letter, ook in de verzen 34–35.

34Waar zijn de goden van Chamat en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben zij Samaria dan uit mijn hand gered?
אַיֵּה֩
(aye)
waar
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
goden van
חֲמָ֜ת
(chamat)
Chamat
וְאַרְפָּ֗ד
(vearpad)
en Arpad
אַיֵּ֛ה
(aye)
waar
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
goden van
סְפַרְוַ֖יִם
(sefarvayim)
Sefarwaïm
הֵנַ֣ע
(hena)
Hena
וְעִוָּ֑ה
(veiva)
en Iwwa
כִּֽי
(ki)
dat
הִצִּ֥ילוּ
(hitsilu)
hebben gered
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁמְר֖וֹן
(shomeron)
Samaria
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Chamat (het huidige Hama) ligt in Syrië, aan de Orontes.

Arpad ligt in het noorden van Syrië, bij het huidige Tell Rifaat.

Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn steden in Syrië of Mesopotamië.

Hun ligging is onzeker.

Lezing

כִּי (ki), ‘dat’: hier leidt het woord een vraag in: ‘Hebben zij dan Samaria gered?’

35Wie onder alle goden van de landen heeft zijn land uit mijn hand gered, dat Yahweh Jeruzalem uit mijn hand zou redden?”
מִ֚י
(mi)
wie
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
goden van
הָֽאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִצִּ֥ילוּ
(hitsilu)
hebben gered
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֖ם
(artsam)
hun land
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit mijn hand
כִּי
(ki)
dat
יַצִּ֧יל
(yatsil)
zal redden
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִיָּדִֽי
(miyadi)
uit mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Het volk zwijgt

36Het volk zweeg en antwoordde hem niet één woord. Want het gebod van de koning luidde: „Antwoord hem niet.”
וְהֶחֱרִ֣ישׁוּ
(vehecherishu)
en zij zwegen
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָנ֥וּ
(anu)
antwoordden zij
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
דָּבָ֑ר
(davar)
een woord
כִּי
(ki)
want
מִצְוַ֨ת
(mitsvat)
gebod van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הִ֛יא
(hi)
het
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲנֻֽהוּ
(taanuhu)
antwoord hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִצְוַת (mitsvat), ‘gebod’: een bevel van de koning van Juda.

Het volk gehoorzaamt.

Het verhaal gaat verder met 19:1.

37Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, Sjebna, de schrijver, en Joach, de zoon van Asaf, de archivaris, kwamen met gescheurde kleren naar Hizkia. Zij vertelden hem de woorden van de Rabsake.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אֶלְיָקִ֣ים
(elyaqim)
Eljakim
בֶּן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֣ה
(chilqiya)
Hilkia
אֲשֶׁר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַ֠בַּיִת
(habayit)
het huis
וְשֶׁבְנָ֨א
(veshevna)
en Sjebna
הַסֹּפֵ֜ר
(hasofer)
de schrijver
וְיוֹאָ֨ח
(veyoach)
en Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָ֧ף
(asaf)
Asaf
הַמַּזְכִּ֛יר
(hamazkir)
de archivaris
אֶל
(el)
naar
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
קְרוּעֵ֣י
(qeruei)
gescheurd van
בְגָדִ֑ים
(begadim)
kleren
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
רַב
(rav)
de overste van
שָׁקֵֽה
(shaqe)
de schenkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het scheuren van de kleren is een teken van rouw en ontzetting, zoals Hizkia ook doet in 19:1.

De drie mannen die de Rabsake hebben aangehoord, komen terug met gescheurde kleren.