Elohim Bijbel

2 Koningen 15

12345678910111213141516171819202122232425

Azaria en Jotam van Juda; Zacharia, Sjallum, Menachem, Pekachja en Pekach van Israël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Azaria, koning van Juda

1In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning. Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וָשֶׁ֨בַע֙
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְיָרָבְעָ֖ם
(leyaraveam)
van Jerobeam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מָלַ֛ךְ
(malakh)
werd koning
עֲזַרְיָ֥ה
(azarya)
Azaria
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמַצְיָ֖ה
(amatsya)
Amazia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’: de naam betekent ‘Yahweh heeft geholpen’.

In vers 13, 30, 32 en 34 heet dezelfde koning עֻזִּיָּה (Uzziyyah), ‘Uzzia’.

In de Kronieken heet hij steeds Uzzia.

Een parallel verhaal staat in 2 Kron. 26.

De jaren van een koning worden geteld naar de regering van de koning van het andere rijk. Vergelijk 2 Kon. 14:1.

2Hij was 16 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jecholia, uit Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
שֵׁ֨שׁ
(shesh)
zes
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
הָיָ֣ה
(haya)
was hij
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וַחֲמִשִּׁ֤ים
(vachamishim)
en vijftig
וּשְׁתַּ֨יִם֙
(ushtayim)
en twee
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
יְכָלְיָ֖הוּ
(yekhaleyahu)
Jecholia
מִירוּשָׁלִָֽם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Jecholia (יְכׇלְיָהוּ, Yecholyahu) is de naam van zijn moeder.

Zij wordt ook genoemd in 2 Kron. 26:3.

3Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh, helemaal zoals zijn vader Amazia had gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
had gedaan
אֲמַצְיָ֥הוּ
(amatsyahu)
Amazia
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten.
רַ֥ק
(raq)
alleen
הַבָּמ֖וֹת
(habamot)
de hoogten
לֹא
(lo)
niet
סָ֑רוּ
(saru)
weken
ע֥וֹד
(od)
nog
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
מְזַבְּחִ֥ים
(mezabechim)
offerend
וּֽמְקַטְּרִ֖ים
(umeqaterim)
en reukoffers brengend
בַּבָּמֽוֹת
(babamot)
op de hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels.

Zie 2 Kon. 14:4.

5Yahweh trof de koning. Hij werd melaats tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een afgezonderd huis. Jotam, de zoon van de koning, stond over het huis en sprak recht over het volk van het land.
וַיְנַגַּ֨ע
(vaynaga)
en trof
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en hij werd
מְצֹרָע֙
(metsora)
melaats
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag van
מֹת֔וֹ
(moto)
zijn dood
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis
הַחָפְשִׁ֑ית
(hachafeshit)
afgezonderd
וְיוֹתָ֤ם
(veyotam)
en Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
over
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
שֹׁפֵ֖ט
(shofet)
rechtsprekend
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֥ם
(am)
het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצֹרָע (metsora), ‘melaats’: een huidziekte, zoals beschreven in Lev. 13.

Het Hebreeuws zegt hier niet waarom Yahweh de koning trof.

Een uitleg staat in 2 Kron. 26:16–21.

בֵּית הַחָפְשִׁית (beit hachofshit), ‘afgezonderd huis’: letterlijk ‘huis van de vrijheid’. De betekenis is niet zeker. Het gaat om een aparte woning, buiten het gewone leven. Vergelijk Lev. 13:46.

עַל־הַבַּיִת (al habayit), ‘over het huis’: de leiding over het paleis en de hofhouding.

6De rest van de geschiedenis van Azaria en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
עֲזַרְיָ֖הוּ
(azaryahu)
Azaria
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Azaria ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Jotam werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en ging liggen
עֲזַרְיָה֙
(azarya)
Azaria
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יוֹתָ֥ם
(yotam)
Jotam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zacharia, koning van Israël

8In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Zacharia, de zoon van Jerobeam, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 6 maanden.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁמֹנֶה֙
(ushemone)
en acht
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖הוּ
(laazaryahu)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
זְכַרְיָ֨הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֶן
(ben)
zoon van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁמְר֖וֹן
(beshomeron)
in Samaria
שִׁשָּׁ֥ה
(shisha)
zes
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

Zacharia (זְכַרְיָהוּ, Zekharyahu) is de zoon van Jerobeam (2 Kon. 14:29).

Hij regeerde maar 6 maanden.

9Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, zoals zijn vaderen hadden gedaan. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַע֙
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֗ר
(sar)
week af
מֵֽחַטֹּאות֙
(mechatovt)
van de zonden van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Sjallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer voor het oog van het volk, doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיִּקְשֹׁ֤ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
שַׁלֻּ֣ם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יָבֵ֔שׁ
(yavesh)
Jabes
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
קָֽבָלְ
(qaval)
voor
עָ֖ם
(am)
het volk
וַיְמִיתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

קְבָל־עָם (qevol-am), ‘voor het oog van het volk’: letterlijk ‘voor het volk’.

Sommige oude vertalingen lezen hier een plaatsnaam.

Wij volgen de Masoretische tekst.

11De rest van de geschiedenis van Zacharia: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël.
וְיֶ֖תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de geschiedenis van
זְכַרְיָ֑ה
(zekharya)
Zacharia
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Dit was het woord van Yahweh dat Hij tot Jehu had gesproken. ‘Zonen van de vierde generatie zullen voor jou op de troon van Israël zitten.’ Zo gebeurde het.
ה֣וּא
(hu)
dit
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֤ר
(diber)
Hij sprak
אֶל
(el)
tot
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
רְבִיעִ֔ים
(reviim)
de vierde generatie
יֵשְׁב֥וּ
(yeshevu)
zullen zitten
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het woord van Yahweh tot Jehu uit 2 Kon. 10:30.

Daar spreekt Yahweh zelf en staan de woorden rood.

Hier haalt de verteller ze aan; daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

רִבֵּעִים (riv’im), ‘van de vierde generatie’: vier opvolgers van Jehu. Dat zijn Joachaz, Joas, Jerobeam en Zacharia. Zacharia is de vierde (vers 8–12).

Sjallum, koning van Israël

13Sjallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda. Hij regeerde een maand in Samaria.
שַׁלּ֤וּם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יָבֵישׁ֙
(yaveish)
Jabes
מָלַ֔ךְ
(malakh)
werd koning
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וָתֵ֨שַׁע֙
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְעֻזִיָּ֖ה
(leuziya)
van Uzzia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
יֶֽרַח
(yerach)
een maand van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

יָבֵישׁ (Yavesh), ‘Jabes’: de naam van de vader van Sjallum staat hier met een extra letter (vers 10: יָבֵשׁ).

Het is dezelfde man.

יֶרַח יָמִים (yerach yamim), ‘een maand’: letterlijk ‘een maand van dagen’, een volle maand.

Sallum en Menachem worden in hetzelfde jaar genoemd (vers 17): het negenendertigste jaar.

Menachem grijpt de macht

14Menachem, de zoon van Gadi, trok op vanuit Tirza. Hij kwam naar Samaria. In Samaria sloeg hij Sjallum, de zoon van Jabes, neer. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en trok op
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּדִ֜י
(gadi)
Gadi
מִתִּרְצָ֗ה
(mitirtsa)
vanuit Tirza
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיַּ֛ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁלּ֥וּם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יָבֵ֖ישׁ
(yaveish)
Jabes
בְּשֹׁמְר֑וֹן
(beshomeron)
in Samaria
וַיְמִיתֵ֖הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tirza ligt bij Tell el-Farah (Noord), ongeveer 11 km ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

Het was de oude hoofdstad van het noordelijke rijk (1 Kon. 15:21).

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

15De rest van de geschiedenis van Sjallum en zijn samenzwering, die hij smeedde: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël.
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de geschiedenis van
שַׁלּ֔וּם
(shalum)
Sjallum
וְקִשְׁר֖וֹ
(veqishro)
en zijn samenzwering
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
קָשָׁ֑ר
(qashar)
hij smeedde
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתֻבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Toen sloeg Menachem Tifsach, alles wat daarin was en haar gebied, vanuit Tirza. Want zij had niet opengedaan. Hij sloeg haar. Al haar zwangere vrouwen sneed hij open.
אָ֣ז
(az)
toen
יַכֶּֽה
(yake)
sloeg
מְ֠נַחֵם
(menachem)
Menachem
אֶת
(et)
(obj.)
תִּפְסַ֨ח
(tifsach)
Tifsach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּ֤הּ
(bah)
daarin
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלֶ֨יהָ֙
(gevuleiha)
haar gebied
מִתִּרְצָ֔ה
(mitirtsa)
vanuit Tirza
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
פָתַ֖ח
(patach)
had opengedaan
וַיַּ֑ךְ
(vayakh)
en hij sloeg
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הֶהָ֥רוֹתֶ֖יהָ
(heharoteiha)
haar zwangere vrouwen
בִּקֵּֽעַ
(biqea)
sneed hij open
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tifsach (תִּפְסַח, Tifsach): in 1 Kon. 5:4 is dat de stad aan de Eufraat.

Voor Menachem vanuit Tirza is die ver weg.

De ligging is hier onzeker.

Uitleg

הֶהָרוֹתֶיהָ (heharotehah), ‘zwangere vrouwen’: wreedheid tegen zwangere vrouwen komt ook voor in 2 Kon. 8:12 en Amos 1:13.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier een andere plaatsnaam dan Tifsach.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Menachem, koning van Israël

17In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menachem, de zoon van Gadi, koning over Israël. Hij regeerde 10 jaar in Samaria.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וָתֵ֨שַׁע֙
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖ה
(laazarya)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּדִ֧י
(gadi)
Gadi
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עֶ֥שֶׂר
(eser)
tien
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

18Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Al zijn dagen week hij niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֠ר
(sar)
week af
מֵעַ֨ל
(meal)
van
חַטֹּ֜אות
(chatovt)
de zonden van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֛ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
alle
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Pul, de koning van Assyrië, kwam het land binnen. Menachem gaf Pul 1.000 talent zilver, zodat Pul hem zou steunen en het koningschap in zijn hand sterk zou houden.
בָּ֣א
(ba)
kwam
פ֤וּל
(pul)
Pul
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
עַל
(al)
tegen
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
מְנַחֵם֙
(menachem)
Menachem
לְפ֔וּל
(leful)
aan Pul
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
כִּכַּר
(kikar)
talent
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
opdat zouden zijn
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
לְהַחֲזִ֥יק
(lehachaziq)
om vast te houden
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koningschap
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Assyrië ligt in het noorden van het huidige Irak.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

פּוּל (Pul): de koning van Assyrië.

Wij nemen aan dat Pul en Tiglat-Pileser (vers 29) dezelfde koning zijn, onder twee namen.

Vergelijk 1 Kron. 5:26.

כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. 1.000 talent zilver is dus ongeveer 34.000 kilogram.

יָדָיו אִתּוֹ (yadav ito), ‘zijn handen met hem’: zijn steun. Pul moest Menachem helpen om koning te blijven.

20Menachem legde het geld op aan Israël, aan alle vermogende mannen, om het aan de koning van Assyrië te geven. Dat was 50 sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug. Hij bleef niet daar in het land.
וַיֹּצֵא֩
(vayotse)
en haalde op
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֜סֶף
(hakesef)
het geld
עַל
(al)
bij
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַ֚ל
(al)
bij
כָּל
(kal)
alle
גִּבּוֹרֵ֣י
(giborei)
machtige mannen van
הַחַ֔יִל
(hachayil)
het vermogen
לָתֵת֙
(latet)
om te geven
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
חֲמִשִּׁ֧ים
(chamishim)
vijftig
שְׁקָלִ֛ים
(sheqalim)
sikkel
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor man
אֶחָ֑ד
(echad)
een
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en keerde terug
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְלֹא
(velo)
en niet
עָ֥מַד
(amad)
bleef
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

גִּבּוֹרֵי הַחַיִל (gibborei hachayil), ‘vermogende mannen’: letterlijk ‘helden van kracht’.

Hier gaat het om mannen met bezit, die belasting konden betalen.

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 50 sikkel is dus ongeveer 570 gram.

Een talent is 3.000 sikkel (Exod. 38:25–26). Wij rekenen: 1.000 talent is 3.000.000 sikkel. Gedeeld door 50 geeft dat 60.000 man.

21De rest van de geschiedenis van Menachem en alles wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
מְנַחֵ֖ם
(menachem)
Menachem
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלוֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Menachem ging liggen bij zijn vaderen. Zijn zoon Pekachja werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֥ב
(vayishkav)
en ging liggen
מְנַחֵ֖ם
(menachem)
Menachem
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
פְּקַחְיָ֥ה
(peqachya)
Pekachja
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Pekachja, koning van Israël

23In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekachja, de zoon van Menachem, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 2 jaar.
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in het jaar van
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖ה
(laazarya)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
פְּקַֽחְיָ֨ה
(peqachya)
Pekachja
בֶן
(ben)
zoon van
מְנַחֵ֧ם
(menachem)
Menachem
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁמְר֖וֹן
(beshomeron)
in Samaria
שְׁנָתָֽיִם
(shenatayim)
twee jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

24Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֗ר
(sar)
week af
מֵֽחַטֹּאות֙
(mechatovt)
van de zonden van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Pekach, de zoon van Remalja, zijn derde man, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning. Ook Argob en Arjeh sloeg hij neer. Met hem waren 50 man van de Gileadieten. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיִּקְשֹׁ֣ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָיו֩
(alav)
tegen hem
פֶּ֨קַח
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֜הוּ
(remalyahu)
Remalja
שָׁלִישׁ֗וֹ
(shalisho)
zijn derde man
וַיַּכֵּ֨הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
בְשֹׁמְר֜וֹן
(beshomeron)
in Samaria
בְּאַרְמ֤וֹן
(bearmon)
in de burcht van
בֵּית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְגֹּ֣ב
(argov)
Argob
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְיֵ֔ה
(haarye)
Arjeh
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
גִלְעָדִ֑ים
(giladim)
Gileadieten
וַיְמִיתֵ֖הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

שָׁלִישׁ (shalish), ‘derde man’: een man van hoge rang, vaak de derde man op de strijdwagen.

Zie 1 Kon. 9:22.

אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: het sterkste deel van het paleis. Zie 1 Kon. 16:18.

אַרְגֹּב (Argov), ‘Argob’, en הָאַרְיֵה (ha’aryeh), ‘Arjeh’: het Hebreeuws zegt niet wie zij zijn. Wij nemen aan dat zij ook zijn gedood. Het kunnen ook mannen van Pekachja zijn, of van Pekach.

מִבְּנֵי גִלְעָדִים (mibnei gil’adim), ‘van de Gileadieten’: mannen uit Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘koning’ (מלך).

De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘de koning’ (הַמֶּלֶךְ).

Wij volgen de qere.

26De rest van de geschiedenis van Pekachja en alles wat hij deed: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël.
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
פְקַחְיָ֖ה
(peqachya)
Pekachja
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Pekach, koning van Israël

27In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekach, de zoon van Remalja, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 20 jaar.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
חֲמִשִּׁ֤ים
(chamishim)
vijftig
וּשְׁתַּ֨יִם֙
(ushtayim)
en twee
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖ה
(laazarya)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
פֶּ֣קַח
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֧הוּ
(remalyahu)
Remalja
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁמְר֖וֹן
(beshomeron)
in Samaria
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

28Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֗ר
(sar)
week af
מִן
(min)
van
חַטֹּאות֙
(chatovt)
de zonden van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië. Hij nam Ijjon in, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes, Chasor, Gilead en Galilea, heel het land Naftali. Hij voerde hen in ballingschap naar Assyrië.
בִּימֵ֞י
(bimei)
in de dagen van
פֶּ֣קַח
(peqach)
Pekach
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
בָּא֮
(ba)
kwam
תִּגְלַ֣ת
(tiglat)
Tiglat
פִּלְאֶסֶר֮
(pileser)
Pileser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֒
(ashur)
Assyrië
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
עִיּ֡וֹן
(iyon)
Ijjon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
בֵּֽית
(beit)
Bet
מַעֲכָ֡ה
(maakha)
Maächa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָ֠נוֹחַ
(yanoach)
Janoach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קֶ֨דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חָצ֤וֹר
(chatsor)
Chasor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגִּלְעָד֙
(hagilad)
Gilead
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגָּלִ֔ילָה
(hagalila)
Galilea
כֹּ֖ל
(kol)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
וַיַּגְלֵ֖ם
(vayaglem)
en voerde hen weg
אַשּֽׁוּרָה
(ashura)
naar Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ijjon (bij Tel Dibbin, Libanon), Abel-Bet-Maächa (Tel Abil el-Qamh, Israël), Kedes (Tel Qedesh, Israël) en Chasor (Tel Hatsor, Israël) liggen allemaal in het noorden van Israël.

Dat is waarschijnlijk.

Janoach ligt ook in het noorden, maar de precieze plek is onzeker.

Gilead ligt ten oosten van de Jordaan.

Galilea en het land Naftali liggen in het noorden van Israël.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

תִּגְלַת פִּלְאֶסֶר (tiglat pil’eser), ‘Tiglat-Pileser’: koning van Assyrië.

In 1 Kron. 5:6 en 5:26 heet hij Tiglat-Pilneser.

וַיַּגְלֵם (vayyaglem), ‘hij voerde hen in ballingschap’: dit is de eerste keer in dit boek dat Assyrië mensen uit Israël wegvoert. Vergelijk 2 Kon. 17:6.

30Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekach, de zoon van Remalja. Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats. Dat was in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia.
וַיִּקְשָׁר
(vayiqshar)
en smeedde
קֶ֜שֶׁר
(qesher)
samenzwering
הוֹשֵׁ֣עַ
(hoshea)
Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
אֵלָ֗ה
(ela)
Ela
עַל
(al)
tegen
פֶּ֨קַח֙
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֔הוּ
(remalyahu)
Remalja
וַיַּכֵּ֨הוּ֙
(vayakehu)
en sloeg hem
וַיְמִיתֵ֔הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּ֑יו
(tachtav)
in zijn plaats
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
לְיוֹתָ֖ם
(leyotam)
van Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִיָּֽה
(uziya)
Uzzia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: dit is de koning, niet de profeet.

Hij is de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1).

Het Hebreeuws zegt ‘in het twintigste jaar van Jotam’. Jotam regeerde 16 jaar (vers 33). Wij vertalen letterlijk. De jaartallen in deze koningslijst hangen niet vanzelf samen. Zie ook 2 Kon. 17:1.

31De rest van de geschiedenis van Pekach en alles wat hij deed: zie, dat staat geschreven in het dagboek van de koningen van Israël.
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵי
(divrei)
de geschiedenis van
פֶ֖קַח
(peqach)
Pekach
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Jotam, koning van Juda

32In het tweede jaar van Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, werd Jotam koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda.
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתַּ֔יִם
(shetayim)
twee
לְפֶ֥קַח
(lefeqach)
van Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֖הוּ
(remalyahu)
Remalja
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מָלַ֛ךְ
(malakh)
werd koning
יוֹתָ֥ם
(yotam)
Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִיָּ֖הוּ
(uziyahu)
Uzzia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֻזִּיָּהוּ (Uzziyyahu), ‘Uzzia’: dezelfde koning als Azaria in vers 1 (zie bij vers 1).

33Hij was 25 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
הָיָ֣ה
(haya)
was hij
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
יְרוּשָׁ֖א
(yerusha)
Jerusa
בַּת
(bat)
dochter van
צָדֽוֹק
(tsadoq)
Zadok
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְרוּשָׁא (Yerusha), ‘Jerusa’: de naam van zijn moeder.

Een parallel verhaal over Jotam staat in 2 Kron. 27.

34Hij deed wat juist was in de ogen van Yahweh. Hij deed alles zoals zijn vader Uzzia had gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּכֹ֧ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֛ה
(asa)
had gedaan
עֻזִיָּ֥הוּ
(uziyahu)
Uzzia
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
עָשָֽׂה
(asa)
deed hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Hij bouwde de bovenste poort van het huis van Yahweh.
רַ֤ק
(raq)
alleen
הַבָּמוֹת֙
(habamot)
de hoogten
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֔רוּ
(saru)
weken
ע֗וֹד
(od)
nog
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
מְזַבְּחִ֥ים
(mezabechim)
offerend
וּֽמְקַטְּרִ֖ים
(umeqaterim)
en reukoffers brengend
בַּבָּמ֑וֹת
(babamot)
op de hoogten
ה֗וּא
(hu)
hij
בָּנָ֛ה
(bana)
bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הָעֶלְיֽוֹן
(haelyon)
de bovenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ‘bovenste poort’ van het huis van Yahweh is waarschijnlijk een poort aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem.

De precieze plek is onzeker.

Zie Bovenste poort van het huis van Yahweh (ligging onzeker): De bovenste poort van het huis van Yahweh lag aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

‘Huis van Yahweh’ is de tempel.

36De rest van de geschiedenis van Jotam, wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
יוֹתָ֖ם
(yotam)
Jotam
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
הֲלֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37In die dagen begon Yahweh Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, tegen Juda te sturen.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
הֵחֵ֣ל
(hechel)
begon
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַשְׁלִ֨יחַ֙
(lehashliach)
te sturen
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
tegen Juda
רְצִ֖ין
(retsin)
Rezin
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
פֶּ֥קַח
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָֽהוּ
(remalyahu)
Remalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

רְצִין (Retsin), ‘Rezin’: koning van Aram, met zijn hoofdstad Damascus.

Hij en Pekach trekken samen tegen Juda.

Vergelijk Jes. 7:1.

Het Hebreeuws zegt dat Yahweh hen begon te sturen. Wat hier begint, staat verder in 2 Kon. 16:5–9.

38Jotam ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David, zijn vader. Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en ging liggen
יוֹתָם֙
(yotam)
Jotam
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵר֙
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֖יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אָחָז (Achaz), ‘Achaz’: de zoon van Jotam.

Zijn regering staat in 2 Kon. 16.