Azaria en Jotam van Juda; Zacharia, Sjallum, Menachem, Pekachja en Pekach van Israël
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Azaria, koning van Juda
1In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning. Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וָשֶׁ֨בַע֙
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְיָרָבְעָ֖ם
(leyaraveam)
van Jerobeam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מָלַ֛ךְ
(malakh)
werd koning
עֲזַרְיָ֥ה
(azarya)
Azaria
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמַצְיָ֖ה
(amatsya)
Amazia
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’: de naam betekent ‘Yahweh heeft geholpen’.
In vers 13, 30, 32 en 34 heet dezelfde koning עֻזִּיָּה (Uzziyyah), ‘Uzzia’.
In de Kronieken heet hij steeds Uzzia.
Een parallel verhaal staat in 2 Kron. 26.
De jaren van een koning worden geteld naar de regering van de koning van het andere rijk. Vergelijk 2 Kon. 14:1.
5Yahweh trof de koning. Hij werd melaats tot de dag van zijn dood. Hij woonde in een afgezonderd huis. Jotam, de zoon van de koning, stond over het huis en sprak recht over het volk van het land.
וַיְנַגַּ֨ע
(vaynaga)
en trof
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en hij werd
מְצֹרָע֙
(metsora)
melaats
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag van
מֹת֔וֹ
(moto)
zijn dood
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis
הַחָפְשִׁ֑ית
(hachafeshit)
afgezonderd
וְיוֹתָ֤ם
(veyotam)
en Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
over
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
שֹׁפֵ֖ט
(shofet)
rechtsprekend
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֥ם
(am)
het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְצֹרָע (metsora), ‘melaats’: een huidziekte, zoals beschreven in Lev. 13.
Het Hebreeuws zegt hier niet waarom Yahweh de koning trof.
Een uitleg staat in 2 Kron. 26:16–21.
בֵּית הַחָפְשִׁית (beit hachofshit), ‘afgezonderd huis’: letterlijk ‘huis van de vrijheid’. De betekenis is niet zeker. Het gaat om een aparte woning, buiten het gewone leven. Vergelijk Lev. 13:46.
עַל־הַבַּיִת (al habayit), ‘over het huis’: de leiding over het paleis en de hofhouding.
8In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Zacharia, de zoon van Jerobeam, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 6 maanden.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁמֹנֶה֙
(ushemone)
en acht
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖הוּ
(laazaryahu)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
זְכַרְיָ֨הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֶן
(ben)
zoon van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁמְר֖וֹן
(beshomeron)
in Samaria
שִׁשָּׁ֥ה
(shisha)
zes
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
Zacharia (זְכַרְיָהוּ, Zekharyahu) is de zoon van Jerobeam (2 Kon. 14:29).
9Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh, zoals zijn vaderen hadden gedaan. Hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַע֙
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֗ר
(sar)
week af
מֵֽחַטֹּאות֙
(mechatovt)
van de zonden van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֔ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶחֱטִ֖יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Sjallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer voor het oog van het volk, doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיִּקְשֹׁ֤ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
שַׁלֻּ֣ם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יָבֵ֔שׁ
(yavesh)
Jabes
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
קָֽבָלְ
(qaval)
voor
עָ֖ם
(am)
het volk
וַיְמִיתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
קְבָל־עָם (qevol-am), ‘voor het oog van het volk’: letterlijk ‘voor het volk’.
Sommige oude vertalingen lezen hier een plaatsnaam.
12Dit was het woord van Yahweh dat Hij tot Jehu had gesproken. ‘Zonen van de vierde generatie zullen voor jou op de troon van Israël zitten.’ Zo gebeurde het.
ה֣וּא
(hu)
dit
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֤ר
(diber)
Hij sprak
אֶל
(el)
tot
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
רְבִיעִ֔ים
(reviim)
de vierde generatie
יֵשְׁב֥וּ
(yeshevu)
zullen zitten
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het woord van Yahweh tot Jehu uit 2 Kon. 10:30.
Daar spreekt Yahweh zelf en staan de woorden rood.
Hier haalt de verteller ze aan; daarom staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens.
רִבֵּעִים (riv’im), ‘van de vierde generatie’: vier opvolgers van Jehu. Dat zijn Joachaz, Joas, Jerobeam en Zacharia. Zacharia is de vierde (vers 8–12).
14Menachem, de zoon van Gadi, trok op vanuit Tirza. Hij kwam naar Samaria. In Samaria sloeg hij Sjallum, de zoon van Jabes, neer. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en trok op
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּדִ֜י
(gadi)
Gadi
מִתִּרְצָ֗ה
(mitirtsa)
vanuit Tirza
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיַּ֛ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁלּ֥וּם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יָבֵ֖ישׁ
(yaveish)
Jabes
בְּשֹׁמְר֑וֹן
(beshomeron)
in Samaria
וַיְמִיתֵ֖הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tirza ligt bij Tell el-Farah (Noord), ongeveer 11 km ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is waarschijnlijk.
Het was de oude hoofdstad van het noordelijke rijk (1 Kon. 15:21).
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
16Toen sloeg Menachem Tifsach, alles wat daarin was en haar gebied, vanuit Tirza. Want zij had niet opengedaan. Hij sloeg haar. Al haar zwangere vrouwen sneed hij open.
אָ֣ז
(az)
toen
יַכֶּֽה
(yake)
sloeg
מְ֠נַחֵם
(menachem)
Menachem
אֶת
(et)
(obj.)
תִּפְסַ֨ח
(tifsach)
Tifsach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּ֤הּ
(bah)
daarin
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלֶ֨יהָ֙
(gevuleiha)
haar gebied
מִתִּרְצָ֔ה
(mitirtsa)
vanuit Tirza
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
פָתַ֖ח
(patach)
had opengedaan
וַיַּ֑ךְ
(vayakh)
en hij sloeg
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הֶהָ֥רוֹתֶ֖יהָ
(heharoteiha)
haar zwangere vrouwen
בִּקֵּֽעַ
(biqea)
sneed hij open
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tifsach (תִּפְסַח, Tifsach): in 1 Kon. 5:4 is dat de stad aan de Eufraat.
Voor Menachem vanuit Tirza is die ver weg.
De ligging is hier onzeker.
Uitleg
הֶהָרוֹתֶיהָ (heharotehah), ‘zwangere vrouwen’: wreedheid tegen zwangere vrouwen komt ook voor in 2 Kon. 8:12 en Amos 1:13.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen hier een andere plaatsnaam dan Tifsach.
17In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menachem, de zoon van Gadi, koning over Israël. Hij regeerde 10 jaar in Samaria.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וָתֵ֨שַׁע֙
(vatesha)
en negen
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לַעֲזַרְיָ֖ה
(laazarya)
van Azaria
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּדִ֧י
(gadi)
Gadi
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עֶ֥שֶׂר
(eser)
tien
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
18Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Al zijn dagen week hij niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee hij Israël had laten zondigen.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֠ר
(sar)
week af
מֵעַ֨ל
(meal)
van
חַטֹּ֜אות
(chatovt)
de zonden van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֛ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
alle
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Pul, de koning van Assyrië, kwam het land binnen. Menachem gaf Pul 1.000 talent zilver, zodat Pul hem zou steunen en het koningschap in zijn hand sterk zou houden.
בָּ֣א
(ba)
kwam
פ֤וּל
(pul)
Pul
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
עַל
(al)
tegen
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
מְנַחֵם֙
(menachem)
Menachem
לְפ֔וּל
(leful)
aan Pul
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
כִּכַּר
(kikar)
talent
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
opdat zouden zijn
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
לְהַחֲזִ֥יק
(lehachaziq)
om vast te houden
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koningschap
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Assyrië ligt in het noorden van het huidige Irak.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
פּוּל (Pul): de koning van Assyrië.
Wij nemen aan dat Pul en Tiglat-Pileser (vers 29) dezelfde koning zijn, onder twee namen.
Vergelijk 1 Kron. 5:26.
כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: ongeveer 34 kilogram. 1.000 talent zilver is dus ongeveer 34.000 kilogram.
יָדָיו אִתּוֹ (yadav ito), ‘zijn handen met hem’: zijn steun. Pul moest Menachem helpen om koning te blijven.
20Menachem legde het geld op aan Israël, aan alle vermogende mannen, om het aan de koning van Assyrië te geven. Dat was 50 sikkel zilver voor elke man. Toen keerde de koning van Assyrië terug. Hij bleef niet daar in het land.
וַיֹּצֵא֩
(vayotse)
en haalde op
מְנַחֵ֨ם
(menachem)
Menachem
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֜סֶף
(hakesef)
het geld
עַל
(al)
bij
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַ֚ל
(al)
bij
כָּל
(kal)
alle
גִּבּוֹרֵ֣י
(giborei)
machtige mannen van
הַחַ֔יִל
(hachayil)
het vermogen
לָתֵת֙
(latet)
om te geven
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
חֲמִשִּׁ֧ים
(chamishim)
vijftig
שְׁקָלִ֛ים
(sheqalim)
sikkel
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor man
אֶחָ֑ד
(echad)
een
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en keerde terug
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְלֹא
(velo)
en niet
עָ֥מַד
(amad)
bleef
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
גִּבּוֹרֵי הַחַיִל (gibborei hachayil), ‘vermogende mannen’: letterlijk ‘helden van kracht’.
Hier gaat het om mannen met bezit, die belasting konden betalen.
שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram. 50 sikkel is dus ongeveer 570 gram.
Een talent is 3.000 sikkel (Exod. 38:25–26). Wij rekenen: 1.000 talent is 3.000.000 sikkel. Gedeeld door 50 geeft dat 60.000 man.
25Pekach, de zoon van Remalja, zijn derde man, smeedde een samenzwering tegen hem. Hij sloeg hem neer in Samaria, in de burcht van het huis van de koning. Ook Argob en Arjeh sloeg hij neer. Met hem waren 50 man van de Gileadieten. Hij doodde hem en werd koning in zijn plaats.
וַיִּקְשֹׁ֣ר
(vayiqshor)
en smeedde samenzwering
עָלָיו֩
(alav)
tegen hem
פֶּ֨קַח
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֜הוּ
(remalyahu)
Remalja
שָׁלִישׁ֗וֹ
(shalisho)
zijn derde man
וַיַּכֵּ֨הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
בְשֹׁמְר֜וֹן
(beshomeron)
in Samaria
בְּאַרְמ֤וֹן
(bearmon)
in de burcht van
בֵּית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְגֹּ֣ב
(argov)
Argob
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְיֵ֔ה
(haarye)
Arjeh
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
גִלְעָדִ֑ים
(giladim)
Gileadieten
וַיְמִיתֵ֖הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
שָׁלִישׁ (shalish), ‘derde man’: een man van hoge rang, vaak de derde man op de strijdwagen.
Zie 1 Kon. 9:22.
אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: het sterkste deel van het paleis. Zie 1 Kon. 16:18.
אַרְגֹּב (Argov), ‘Argob’, en הָאַרְיֵה (ha’aryeh), ‘Arjeh’: het Hebreeuws zegt niet wie zij zijn. Wij nemen aan dat zij ook zijn gedood. Het kunnen ook mannen van Pekachja zijn, of van Pekach.
מִבְּנֵי גִלְעָדִים (mibnei gil’adim), ‘van de Gileadieten’: mannen uit Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘koning’ (מלך).
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘de koning’ (הַמֶּלֶךְ).
29In de dagen van Pekach, de koning van Israël, kwam Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië. Hij nam Ijjon in, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes, Chasor, Gilead en Galilea, heel het land Naftali. Hij voerde hen in ballingschap naar Assyrië.
בִּימֵ֞י
(bimei)
in de dagen van
פֶּ֣קַח
(peqach)
Pekach
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
בָּא֮
(ba)
kwam
תִּגְלַ֣ת
(tiglat)
Tiglat
פִּלְאֶסֶר֮
(pileser)
Pileser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֒
(ashur)
Assyrië
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
עִיּ֡וֹן
(iyon)
Ijjon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
בֵּֽית
(beit)
Bet
מַעֲכָ֡ה
(maakha)
Maächa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָ֠נוֹחַ
(yanoach)
Janoach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קֶ֨דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חָצ֤וֹר
(chatsor)
Chasor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגִּלְעָד֙
(hagilad)
Gilead
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגָּלִ֔ילָה
(hagalila)
Galilea
כֹּ֖ל
(kol)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
וַיַּגְלֵ֖ם
(vayaglem)
en voerde hen weg
אַשּֽׁוּרָה
(ashura)
naar Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ijjon (bij Tel Dibbin, Libanon), Abel-Bet-Maächa (Tel Abil el-Qamh, Israël), Kedes (Tel Qedesh, Israël) en Chasor (Tel Hatsor, Israël) liggen allemaal in het noorden van Israël.
Dat is waarschijnlijk.
Janoach ligt ook in het noorden, maar de precieze plek is onzeker.
Gilead ligt ten oosten van de Jordaan.
Galilea en het land Naftali liggen in het noorden van Israël.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
תִּגְלַת פִּלְאֶסֶר (tiglat pil’eser), ‘Tiglat-Pileser’: koning van Assyrië.
In 1 Kron. 5:6 en 5:26 heet hij Tiglat-Pilneser.
וַיַּגְלֵם (vayyaglem), ‘hij voerde hen in ballingschap’: dit is de eerste keer in dit boek dat Assyrië mensen uit Israël wegvoert. Vergelijk 2 Kon. 17:6.
30Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekach, de zoon van Remalja. Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats. Dat was in het twintigste jaar van Jotam, de zoon van Uzzia.
וַיִּקְשָׁר
(vayiqshar)
en smeedde
קֶ֜שֶׁר
(qesher)
samenzwering
הוֹשֵׁ֣עַ
(hoshea)
Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
אֵלָ֗ה
(ela)
Ela
עַל
(al)
tegen
פֶּ֨קַח֙
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֔הוּ
(remalyahu)
Remalja
וַיַּכֵּ֨הוּ֙
(vayakehu)
en sloeg hem
וַיְמִיתֵ֔הוּ
(vaymitehu)
en doodde hem
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
תַּחְתָּ֑יו
(tachtav)
in zijn plaats
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
לְיוֹתָ֖ם
(leyotam)
van Jotam
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִיָּֽה
(uziya)
Uzzia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: dit is de koning, niet de profeet.
Hij is de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1).
Het Hebreeuws zegt ‘in het twintigste jaar van Jotam’. Jotam regeerde 16 jaar (vers 33). Wij vertalen letterlijk. De jaartallen in deze koningslijst hangen niet vanzelf samen. Zie ook 2 Kon. 17:1.
35Alleen verdwenen de hoogten niet. Het volk bleef nog offers brengen en reukoffers laten opgaan op de hoogten. Hij bouwde de bovenste poort van het huis van Yahweh.
רַ֤ק
(raq)
alleen
הַבָּמוֹת֙
(habamot)
de hoogten
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֔רוּ
(saru)
weken
ע֗וֹד
(od)
nog
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
מְזַבְּחִ֥ים
(mezabechim)
offerend
וּֽמְקַטְּרִ֖ים
(umeqaterim)
en reukoffers brengend
בַּבָּמ֑וֹת
(babamot)
op de hoogten
ה֗וּא
(hu)
hij
בָּנָ֛ה
(bana)
bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הָעֶלְיֽוֹן
(haelyon)
de bovenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De ‘bovenste poort’ van het huis van Yahweh is waarschijnlijk een poort aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem.
De precieze plek is onzeker.
Zie Bovenste poort van het huis van Yahweh (ligging onzeker): De bovenste poort van het huis van Yahweh lag aan de noordkant van het tempelplein in Jeruzalem.