Elohim Bijbel

2 Kronieken 12

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Sisak trekt op tegen Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Rechabeam verlaat de wet van Yahweh

1Toen het koningschap van Rechabeam stevig stond en hij sterk was geworden, verliet hij de wet van Yahweh, en heel Israël met hem.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּהָכִ֞ין
(kehakhin)
toen stevig stond
מַלְכ֤וּת
(malkhut)
het koningschap van
רְחַבְעָם֙
(rechavam)
Rechabeam
וּכְחֶזְקָת֔וֹ
(ukhechezqato)
en toen hij sterk was
עָזַ֖ב
(azav)
verliet hij
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 14:21–31.

De Kronieken vertellen meer: het gaat over Rechabeams afvalligheid, de woorden van Sjemaja en zijn vernedering voor Yahweh (vers 1, 5–8, 12).

In Koningen staat daarover niets.

תּוֹרַת יְהוָה (torat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: תּוֹרָה (torah) betekent ‘onderricht’ en ‘wet’. Het gaat om de wet die Yahweh aan Israël gaf.

‘Heel Israël’ zijn hier de inwoners van Juda; het noordelijke rijk is sinds de splitsing een apart rijk.

Sisak trekt op tegen Jeruzalem

2In het vijfde jaar van koning Rechabeam trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem. Want zij hadden ontrouw gepleegd tegen Yahweh.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
בַּשָּׁנָ֤ה
(bashana)
in het jaar
הַֽחֲמִישִׁית֙
(hachamishit)
het vijfde
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
van koning
רְחַבְעָ֔ם
(rechavam)
Rechabeam
עָלָ֛ה
(ala)
trok op
שִׁישַׁ֥ק
(shishaq)
Sisak
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כִּ֥י
(ki)
want
מָעֲל֖וּ
(maalu)
zij pleegden ontrouw
בַּיהוָֽה
(baYahweh)
tegen Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁישַׁק (Shishaq), ‘Sisak’: farao Sjosjenq I van Egypte.

Het ‘vijfde jaar’ is gerekend vanaf het begin van Rechabeams regering.

Zie 1 Kon. 14:25.

מָעַל (ma’al), ‘ontrouw plegen’: de trouw aan Yahweh breken, zoals Lev. 5:15 en 1 Kron. 10:13.

3Hij kwam met 1.200 strijdwagens en 60.000 ruiters. Het volk dat met hem uit Egypte was gekomen, was niet te tellen: Libiërs, Sukkieten en Kushieten.
בְּאֶ֤לֶף
(beelef)
met duizend
וּמָאתַ֨יִם֙
(umatayim)
en tweehonderd
רֶ֔כֶב
(rekhev)
strijdwagen
וּבְשִׁשִּׁ֥ים
(uveshishim)
en met zestig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
פָּרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet was er
מִסְפָּ֗ר
(mispar)
getal
לָעָ֞ם
(laam)
voor het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֤אוּ
(bau)
kwam
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לוּבִ֥ים
(luvim)
Libiërs
סֻכִּיִּ֖ים
(sukiyim)
Sukkieten
וְכוּשִֽׁים
(vekhushim)
en Kushieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

רֶכֶב (rekev), ‘strijdwagens’, en פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’.

Dit getal staat niet in Koningen.

לוּבִים (luvim), ‘Libiërs’, סֻכִּיִּים (sukkiyyim), ‘Sukkieten’ en כּוּשִׁים (kushim), ‘Kushieten’: volken uit Afrika die met Sisak meetrokken. Wie de Sukkieten waren, is onzeker.

4Hij nam de vestingsteden van Juda in en kwam tot aan Jeruzalem.
וַיִּלְכֹּ֛ד
(vayilkod)
en hij nam in
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַמְּצֻר֖וֹת
(hametsurot)
de vestingen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לִֽיהוּדָ֑ה
(lihuda)
van Juda
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De vestingsteden zijn de steden die Rechabeam in 11:5–10 bouwde.

Het woord van Sjemaja

5De profeet Sjemaja kwam naar Rechabeam en naar de oversten van Juda, die zich vanwege Sisak in Jeruzalem hadden verzameld. Hij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh: ‘Jullie hebben Mij verlaten. Ook Ik heb jullie verlaten, in de hand van Sisak.’”
וּֽשְׁמַֽעְיָ֤ה
(ushemaya)
en Sjemaja
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
בָּ֣א
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
רְחַבְעָ֔ם
(rechavam)
Rechabeam
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de oversten van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁר
(asher)
die
נֶאֶסְפ֥וּ
(neesfu)
zich verzameld hadden
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
שִׁישָׁ֑ק
(shishaq)
Sisak
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֜ם
(lahem)
tot hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
עֲזַבְתֶּ֣ם
(azavtem)
hebben verlaten
אֹתִ֔י
(oti)
Mij
וְאַף
(veaf)
en ook
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
עָזַ֥בְתִּי
(azavti)
heb verlaten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שִׁישָֽׁק
(shishaq)
Sisak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Hier spreekt Sjemaja namens Yahweh.

Zijn woorden staan zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, zoals bij Natan in 2 Sam. 7:5.

בְּיַד־שִׁישַׁק (beyad Shishaq), ‘in de hand van Sisak’: Yahweh laat Juda in de macht van Sisak komen. Het is een gevolg van het verlaten van Hem.

שָׂרֵי יְהוּדָה (sarei Yehudah), ‘de oversten van Juda’: leiders van het volk.

6De oversten van Israël en de koning vernederden zich. Zij zeiden: „Yahweh is rechtvaardig.”
וַיִּכָּנְע֥וּ
(vayikaneu)
en zij vernederden zich
שָׂרֵֽי
(sarei)
oversten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְהַמֶּ֑לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִכְנְעוּ (nichnetu), ‘zij vernederden zich’: het werkwoord כָּנַע (kana) betekent ‘zich buigen’ of ‘zich onderwerpen’ in nederigheid.

Het staat ook in vers 7 en 12.

Zie 1 Kon. 21:29 voor Achab.

‘Oversten van Israël’: hier de leiders van Juda (vers 5).

צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: Zij erkennen dat Yahweh terecht handelt.

Yahweh ziet dat zij zich vernederen

7Toen Yahweh zag dat zij zich vernederd hadden, kwam het woord van Yahweh tot Sjemaja: „Zij hebben zich vernederd. Ik zal hen niet vernietigen. Ik zal hun enige ontkoming geven. Mijn woede zal niet over Jeruzalem uitgestort worden door de hand van Sisak.
וּבִרְא֤וֹת
(uvirot)
en toen Hij zag
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
dat
נִכְנָ֔עוּ
(nikhnau)
zij zich vernederd hadden
הָיָה֩
(haya)
was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמַֽעְיָ֧ה
(shemaya)
Sjemaja
לֵאמֹ֛ר
(lemor)
zeggende
נִכְנְע֖וּ
(nikhneu)
zij hebben zich vernederd
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִיתֵ֑ם
(ashchitem)
Ik zal vernietigen hen
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֤ם
(lahem)
hun
כִּמְעַט֙
(kimat)
een weinig
לִפְלֵיטָ֔ה
(lifleita)
tot ontkoming
וְלֹא
(velo)
en niet
תִתַּ֧ךְ
(titakh)
zal uitgestort worden
חֲמָתִ֛י
(chamati)
Mijn woede
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
שִׁישָֽׁק
(shishaq)
Sisak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het woord van Yahweh tot Sjemaja is ingeleid als aangehaald woord (‘kwam het woord van Yahweh tot Sjemaja’).

Het staat daarom zwart, met aanhalingstekens, net als in 11:2–4.

כִּמְעָט (kim’at), ‘een weinig’: kan ook ‘binnenkort’ betekenen. Wij nemen aan dat Yahweh enige ontkoming schenkt, ook al plundert Sisak nog (vers 9).

פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkoming’: het ontsnappen, of de overgeblevenen. Het hangt samen met ‘de rest’.

חֵמָה (chemah), ‘woede’: wij vertalen dit woord als ‘woede’ en אַף (af) in vers 12 als ‘toorn’.

8Maar zij zullen zijn dienaren worden. Dan zullen zij weten wat Mijn dienst is, en wat de dienst van de koninkrijken van de landen is.”
כִּ֥י
(ki)
maar
יִהְיוּ
(yihyu)
zij zullen zijn
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot dienaren
וְיֵדְעוּ֙
(veyedeu)
en zij zullen weten
עֲב֣וֹדָתִ֔י
(avodati)
Mijn dienst
וַעֲבוֹדַ֖ת
(vaavodat)
en de dienst van
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲבוֹדָתִי (avodati), ‘Mijn dienst’, en עֲבוֹדַת מַמְלְכוֹת הָאֲרָצוֹת (avodat mamlekhot ha’aratsot), ‘de dienst van de koninkrijken van de landen’: Juda moet ervaren hoe het is om een vreemde koning te dienen, zodat het het verschil kent met de dienst aan Yahweh.

Sisak plundert de schatten

9Sisak, de koning van Egypte, trok op tegen Jeruzalem. Hij nam de schatten van het huis van Yahweh en de schatten van het huis van de koning. Alles nam hij. Hij nam ook de gouden schilden die Salomo had gemaakt.
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en hij trok op
שִׁישַׁ֥ק
(shishaq)
Sisak
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַיִם֮
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִַם֒
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
de schatten van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹֽצְרוֹת֙
(otserot)
de schatten van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
לָקָ֑ח
(laqach)
hij nam
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
מָגִנֵּ֣י
(maginei)
de schilden van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֹצְרוֹת (otsarot), ‘schatten’: schatkamers of voorraden; zie 11:11.

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:26.

מָגִנֵּי הַזָּהָב (maginnei hazzahav), ‘gouden schilden’: de schilden die Salomo liet maken (1 Kon. 10:16–17).

10Koning Rechabeam maakte in hun plaats koperen schilden. Hij vertrouwde ze toe aan de oversten van de lopers, die de wacht hielden bij de ingang van het huis van de koning.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָם֙
(rechavam)
Rechabeam
תַּחְתֵּיהֶ֔ם
(tachteihem)
in hun plaats
מָגִנֵּ֖י
(maginei)
schilden van
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְהִפְקִ֗יד
(vehifqid)
en hij vertrouwde toe
עַל
(al)
aan
יַד֙
(yad)
de hand van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הָרָצִ֔ים
(haratsim)
de lopers
הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים
(hashomerim)
die bewaken
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרָצִים (haratsim), ‘de lopers’: de lijfwacht van de koning.

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:27.

Zie ook 1 Sam. 22:17.

נְחֹשֶׁת (nechoshet), ‘koper’: de oude naam van het metaal, ook gebruikt voor brons.

11Telkens als de koning het huis van Yahweh binnenging, kwamen de lopers en droegen ze. Daarna brachten zij ze terug naar de kamer van de lopers.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
מִדֵּי
(midei)
telkens als
ב֥וֹא
(bo)
binnenging
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֤אוּ
(bau)
kwamen
הָרָצִים֙
(haratsim)
de lopers
וּנְשָׂא֔וּם
(unesaum)
en zij droegen hen
וֶהֱשִׁב֖וּם
(veheshivum)
en zij brachten hen terug
אֶל
(el)
naar
תָּ֥א
(ta)
de kamer van
הָרָצִֽים
(haratsim)
de lopers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:28.

De lopers dragen de schilden alleen als de koning naar het huis van Yahweh gaat; verder liggen ze in de kamer van de lopers.

12Toen hij zich vernederde, keerde de toorn van Yahweh zich van hem af. Hij vernietigde hem niet helemaal. Ook in Juda waren goede dingen.
וּבְהִכָּֽנְע֗וֹ
(uvehikaneo)
en toen hij zich vernederde
שָׁ֤ב
(shav)
keerde terug
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
van hem
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְהַשְׁחִ֖ית
(lehashchit)
om te vernietigen
לְכָלָ֑ה
(lekhala)
helemaal
וְגַם֙
(vegam)
en ook
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
in Juda
הָיָ֖ה
(haya)
was
דְּבָרִ֥ים
(devarim)
dingen
טוֹבִֽים
(tovim)
goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבָרִים טוֹבִים (devarim tovim), ‘goede dingen’: er was ook iets goeds in Juda.

De tekst zegt niet precies wat.

Vergelijk 11:13–17.

לְכָלָה (lekhalah), ‘helemaal’: letterlijk ‘tot voltooiing’; Yahweh maakt geen einde aan Juda.

הִשְׁחִית (hishchit), ‘vernietigen’: zo vertalen wij dit werkwoord in vers 7 en hier.

Het einde van Rechabeam

13Koning Rechabeam versterkte zich in Jeruzalem en regeerde. Rechabeam was 41 jaar toen hij koning werd. Hij regeerde 17 jaar in Jeruzalem, de stad die Yahweh uit alle stammen van Israël had gekozen om Zijn naam daar te vestigen. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische.
וַיִּתְחַזֵּ֞ק
(vayitchazeq)
en hij versterkte zich
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָ֛ם
(rechavam)
Rechabeam
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיִּמְלֹ֑ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
כִּ֣י
(ki)
want
בֶן
(ben)
zoon van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
וְאַחַ֣ת
(veachat)
en een
שָׁנָה֩
(shana)
jaar
רְחַבְעָ֨ם
(rechavam)
Rechabeam
בְּמָלְכ֜וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וּֽשֲׁבַ֨ע
(ushava)
en zeven
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
מָלַ֣ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּֽירוּשָׁלִַ֗ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הָ֠עִיר
(hair)
de stad
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּחַ֨ר
(bachar)
koos
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָשׂ֨וּם
(lasum)
om te zetten
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֥וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁם֙
(sham)
daar
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
נַעֲמָ֖ה
(naama)
Naäma
הָֽעַמֹּנִֽית
(haamonit)
de Ammonitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:21.

Het getal 41 en 17 is hetzelfde als daar.

Het Hebreeuws heeft na ‘regeerde’ het woord כִּי (ki), ‘want’; wij laten het in de vertaling weg omdat het de zin niet verandert. In de glosses staat het.

נָעֲמָה (Na’amah), ‘Naäma’: een Ammonitische vrouw van Salomo (1 Kon. 14:21).

14Hij deed wat slecht was, want hij had zijn hart er niet op gericht om Yahweh te zoeken.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
הָרָ֑ע
(hara)
het kwaad
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
הֵכִין֙
(hekhin)
richtte
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
לִדְר֖וֹשׁ
(lidrosh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵכִין לִבּוֹ (hekhin libbo), ‘zijn hart richtte’: letterlijk ‘zijn hart vast maken’.

Rechabeam richtte zijn hart niet vast op het zoeken van Yahweh.

Dit vers staat niet in Koningen.

15De geschiedenis van Rechabeam, van begin tot einde: staat die niet geschreven in het verslag van de profeet Sjemaja en van de ziener Iddo, volgens de geslachtsregisters? Er waren oorlogen tussen Rechabeam en Jerobeam, al die dagen.
וְדִבְרֵ֣י
(vedivrei)
en de geschiedenis van
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
הָרִאשֹׁנִים֙
(harishonim)
de eerste
וְהָאֲ֣חַרוֹנִ֔ים
(vehaacharonim)
en de laatste
הֲלֹא
(halo)
niet waar
הֵ֨ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֜ים
(ketuvim)
geschreven
בְּדִבְרֵ֨י
(bedivrei)
in het verslag van
שְׁמַֽעְיָ֧ה
(shemaya)
Sjemaja
הַנָּבִ֛יא
(hanavi)
de profeet
וְעִדּ֥וֹ
(veido)
en Iddo
הַחֹזֶ֖ה
(hachoze)
de ziener
לְהִתְיַחֵ֑שׂ
(lehityaches)
volgens geslachtsregistratie
וּמִלְחֲמ֧וֹת
(umilchamot)
en oorlogen
רְחַבְעָ֛ם
(rechavam)
Rechabeam
וְיָרָבְעָ֖ם
(veyaraveam)
en Jerobeam
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’; ook ‘zaken’ en ‘daden’.

Wij vertalen het zo in de formule over bronnen.

In Koningen staat daar ‘het dagboek van de koningen van Juda’ (1 Kon. 14:29).

Hier verwijzen de Kronieken naar profeten: Sjemaja en Iddo.

הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’: iemand die visioenen ziet.

לְהִתְיַחֵשׂ (lehityachesh), ‘volgens de geslachtsregisters’: het werkwoord betekent ‘zich laten inschrijven’ in een geslachtslijst. De betekenis hier is niet helemaal zeker; wij houden het bij de woorden zoals ze staan.

מִלְחָמוֹת (milchamot), ‘oorlogen’: het Hebreeuws heeft een meervoud. Vergelijk 1 Kon. 14:30.

16Rechabeam ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven in de stad van David. Zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en hij ging liggen
רְחַבְעָם֙
(rechavam)
Rechabeam
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֖ר
(vayiqaver)
en hij werd begraven
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en hij werd koning
אֲבִיָּ֥ה
(aviya)
Abia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 14:31).

Dit vers komt overeen met 1 Kon. 14:31.