Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Josafat bij Achab
1Josafat had rijkdom en eer in overvloed. Hij verbond zich door een huwelijk met Achab.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en was
לִֽיהוֹשָׁפָ֛ט
(lihoshafat)
voor Josafat
עֹ֥שֶׁר
(osher)
rijkdom
וְכָב֖וֹד
(vekhavod)
en eer
לָרֹ֑ב
(larov)
in overvloed
וַיִּתְחַתֵּ֖ן
(vayitchaten)
en verbond zich door huwelijk
לְאַחְאָֽב
(leachav)
met Achab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּתְחַתֵּן (vayitchatten), ‘hij verbond zich door een huwelijk’: Josafat werd door een huwelijk familie van Achab.
De tekst noemt hier geen namen.
Zijn zoon Joram trouwde met Atalia, een dochter van Achab; zie 2 Kron. 21:6 en 2 Kon. 8:18.
Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 22:1–35. Waar de Hebreeuwse tekst gelijk is, vertalen wij gelijk aan 1 Kon. 22.
2Na een aantal jaren ging hij naar Achab in Samaria. Achab slachtte voor hem en voor het volk dat bij hem was veel kleinvee en runderen. Hij zette hem aan om op te trekken naar Ramot in Gilead.
וַיֵּרֶד֩
(vayered)
en ging af
לְקֵ֨ץ
(leqets)
aan het einde van
שָׁנִ֤ים
(shanim)
jaren
אֶל
(el)
naar
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
לְשֹׁ֣מְר֔וֹן
(leshomeron)
naar Samaria
וַיִּֽזְבַּֽח
(vayizbach)
en slachtte
ל֨וֹ
(lo)
voor hem
אַחְאָ֜ב
(achav)
Achab
צֹ֤אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָר֙
(uvaqar)
en runderen
לָרֹ֔ב
(larov)
in menigte
וְלָעָ֖ם
(velaam)
en voor het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
וַיְסִיתֵ֕הוּ
(vaysitehu)
en hij zette aan hem
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te trekken
אֶל
(el)
naar
רָמ֥וֹת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Samaria was de hoofdstad van het noordrijk Israël, bij het huidige Sebastiya, op de Westelijke Jordaanoever.
Ramot in Gilead lag in het noorden van Gilead, ten oosten van de Jordaan; de ligging is niet zeker.
Zie 1 Kon. 22:3.
וַיְסִיתֵהוּ (vayesitehu), ‘hij zette hem aan’: hij drong bij hem aan om iets te doen. Het woord komt ook voor in vers 31. In 1 Kon. 22 staat dit niet; daar vraagt Achab het alleen.
לְקֵץ שָׁנִים (leqetz shanim), ‘na een aantal jaren’: letterlijk ‘aan het einde van jaren’. Het getal wordt niet genoemd.
3Achab, de koning van Israël, zei tegen Josafat, de koning van Juda: „Ga je met mij mee naar Ramot in Gilead?” Hij zei tegen hem: „Ik ben als u en mijn volk is als uw volk. Wij zijn met u in de strijd.”
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
אַחְאָ֣ב
(achav)
Achab
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהֽוֹשָׁפָט֙
(yehoshafat)
Josafat
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הֲתֵלֵ֥ךְ
(hatelekh)
zul je gaan
עִמִּ֖י
(imi)
met mij
רָמֹ֣ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
כָּמ֤וֹנִי
(kamoni)
zoals ik
כָמ֨וֹךָ֙
(kamokha)
zoals jij
וּכְעַמְּךָ֣
(ukheamekha)
en zoals jouw volk
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וְעִמְּךָ֖
(veimekha)
en met jou
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Josafat spreekt Achab aan met ‘u’, omdat hij tot de koning van Israël spreekt.
5De koning van Israël verzamelde de profeten, 400 man. Hij zei tegen hen: „Moeten wij naar Ramot in Gilead gaan om te strijden, of moet ik ervan afzien?” Zij zeiden: „Trek op. Elohim zal het in de hand van de koning geven.”
וַיִּקְבֹּ֨ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַנְּבִאִים֮
(haneviim)
de profeten
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִישׁ֒
(ish)
man
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
הֲנֵלֵ֞ךְ
(hanelekh)
zullen wij gaan
אֶל
(el)
naar
רָמֹ֥ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֛ד
(gilad)
Gilead
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
אִם
(im)
of
אֶחְדָּ֑ל
(echdal)
zal ik afzien
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
עֲלֵ֔ה
(ale)
trek op
וְיִתֵּ֥ן
(veyiten)
en zal geven
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Hier staat ‘400 man’; in 1 Kon. 22:6 staat ‘ongeveer 400 man’.
הָאֱלֹהִים (ha'elohim), ‘Elohim’: de profeten zeggen hier ‘Elohim’. In 1 Kon. 22:6 staat Adonai (‘mijn Heer’). Wij vertalen beide teksten zoals zij zijn.
7De koning van Israël zei tegen Josafat: „Er is nog één man door wie wij Yahweh kunnen raadplegen. Maar ik haat hem, want hij profeteert niet goed over mij, maar kwaad, al zijn dagen. Het is Micha, de zoon van Jimla.” Josafat zei: „Laat de koning dat niet zeggen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אֶֽל
(el)
tot
יְהוֹשָׁפָ֡ט
(yehoshafat)
Josafat
ע֣וֹד
(od)
nog
אִישׁ
(ish)
man
אֶחָ֡ד
(echad)
een
לִדְרוֹשׁ֩
(lidrosh)
om te raadplegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵֽאֹת֜וֹ
(meoto)
via hem
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
שְׂנֵאתִ֗יהוּ
(senetihu)
haat hem
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֠ינֶנּוּ
(einenu)
niet is
מִתְנַבֵּ֨א
(mitnabe)
profeterend
עָלַ֤י
(alay)
over mij
לְטוֹבָה֙
(letova)
tot goed
כִּ֣י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
יָמָ֣יו
(yamav)
zijn dagen
לְרָעָ֔ה
(leraa)
tot kwaad
ה֖וּא
(hu)
hij
מִיכָ֣יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
בֶן
(ben)
zoon van
יִמְלָ֑א
(yimla)
Jimla
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
יְה֣וֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
אַל
(al)
niet
יֹאמַ֥ר
(yomar)
laat zeggen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִיכָיְהוּ (mikhayehu), ‘Micha’: in de naam zit de Naam van Yahweh.
Wij schrijven ‘Micha’.
Hij is een andere man dan Micha, de overste in 2 Kron. 17:7.
9De koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten ieder op zijn troon, gekleed in gewaden. Zij zaten op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. Alle profeten profeteerden voor hen.
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוֹשָׁפָ֣ט
(vihoshafat)
en Josafat
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֡ה
(yehuda)
Juda
יוֹשְׁבִים֩
(yoshevim)
zittend
אִ֨ישׁ
(ish)
man
עַל
(al)
op
כִּסְא֜וֹ
(kiso)
zijn troon
מְלֻבָּשִׁ֤ים
(melubashim)
gekleed
בְּגָדִים֙
(begadim)
in gewaden
וְיֹשְׁבִ֣ים
(veyoshevim)
en zittend
בְּגֹ֔רֶן
(begoren)
op de dorsvloer
פֶּ֖תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
שֹׁמְר֑וֹן
(shomeron)
Samaria
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַ֨נְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
מִֽתְנַבְּאִ֖ים
(mitnabeim)
profeterend
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
De dorsvloer lag bij de poort van Samaria; zie 1 Kon. 22:10.
12De bode die Micha was gaan roepen, zei tegen hem: „Zie, de woorden van de profeten zijn met één mond goed voor de koning. Laat uw woord toch zijn als het woord van een van hen. Spreek goed.”
וְהַמַּלְאָ֞ךְ
(vehamalakh)
en de bode
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָלַ֣ךְ
(halakh)
was gegaan
לִקְרֹ֣א
(liqro)
om te roepen
לְמִיכָ֗יְהוּ
(lemikhayehu)
Micha
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֞ה
(hine)
zie
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
woorden van
הַנְּבִאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
פֶּֽה
(pe)
mond
אֶחָ֥ד
(echad)
één
ט֖וֹב
(tov)
goed
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וִֽיהִי
(vihi)
laat zijn
נָ֧א
(na)
toch
דְבָרְךָ֛
(devarekha)
uw woord
כְּאַחַ֥ד
(keachad)
als één
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
וְדִבַּ֥רְתָּ
(vedibarta)
en spreek
טּֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאָךְ (mal'akh), ‘bode’: iemand die gestuurd wordt.
14Hij kwam bij de koning. De koning zei tegen hem: „Micha, moeten wij naar Ramot in Gilead gaan om te strijden, of moet ik ervan afzien?” Hij zei: „Trek op en wees succesvol. Zij zullen in jullie hand worden gegeven.”
וַיָּבֹא֮
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הַמֶּלֶךְ֒
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
מִיכָה֙
(mikha)
Micha
הֲנֵלֵ֞ךְ
(hanelekh)
zullen wij gaan
אֶל
(el)
naar
רָמֹ֥ת
(ramot)
Ramot
גִּלְעָ֛ד
(gilad)
Gilead
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
אִם
(im)
of
אֶחְדָּ֑ל
(echdal)
zal ik afzien
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
עֲל֣וּ
(alu)
trek op
וְהַצְלִ֔יחוּ
(vehatslichu)
en wees succesvol
וְיִנָּתְנ֖וּ
(veyinatenu)
en zij zullen worden gegeven
בְּיֶדְכֶֽם
(beyedkhem)
in jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Micha herhaalt hier de woorden van de andere profeten.
Het Hebreeuws heeft hier meervoudsvormen: ‘trek op’, ‘wees succesvol’ en ‘in jullie hand’.
In 1 Kon. 22:15 staat: ‘Yahweh zal het in de hand van de koning geven’.
Hier staat: ‘zij zullen in jullie hand worden gegeven’.
Wij vertalen zoals het hier staat.
De koning reageert in vers 15 alsof Micha niet de waarheid spreekt. De tekst zegt niet hoe Micha het zegt.
16Hij zei: „Ik zag heel Israël verspreid over de bergen, als kleinvee dat geen herder heeft. Yahweh zei: ‘Dezen hebben geen heren. Laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.’”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
רָאִ֤יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נְפוֹצִ֣ים
(nefotsim)
verspreid
עַל
(al)
op
הֶֽהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
כַּצֹּ֕אן
(katson)
als kleinvee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet is
לָהֶ֖ן
(lahen)
voor hen
רֹעֶ֑ה
(roe)
herder
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
אֲדֹנִ֣ים
(adonim)
heren
לָאֵ֔לֶּה
(laele)
voor dezen
יָשׁ֥וּבוּ
(yashuvu)
laat terugkeren
אִישׁ
(ish)
man
לְבֵית֖וֹ
(leveito)
naar zijn huis
בְּשָׁלֽוֹם
(beshalom)
in vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint Micha te vertellen wat hij gezien heeft.
De woorden van Yahweh in dit visioen (vers 16, 19, 20 en 21) staan in rood.
De rest van het verhaal van Micha staat in zwart.
רֹעֶה (ro'eh), ‘herder’ en אֲדֹנִים (adonim), ‘heren’: het woord ‘heren’ staat in het meervoud. Wij vertalen letterlijk. ‘Als kleinvee dat geen herder heeft’ staat ook in Num. 27:17. In 1 Kon. 22:17 schrijven wij ‘schapen’.
18Micha zei: „Luister daarom naar het woord van Yahweh. Ik zag Yahweh zitten op Zijn troon. Heel het leger van de hemel stond aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
luister
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
רָאִ֤יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
Zijn troon
וְכָל
(vekhal)
en heel
צְבָ֤א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
עֹֽמְדִ֔ים
(omedim)
staand
עַל
(al)
aan
יְמִינ֖וֹ
(yemino)
Zijn rechterhand
וּשְׂמֹאלֽוֹ
(usemolo)
en Zijn linkerhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘en hij zei’.
Wij noemen Micha als spreker, zoals in 1 Kon. 22:19.
צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘leger van de hemel’: de hemelse wezens rondom de troon van Yahweh. Dit gedeelte tot en met vers 22 beschrijft een visioen: Micha ziet Yahweh en Zijn raad.
21Hij zei: ‘Ik ga eropuit en word een leugengeest in de mond van al zijn profeten.’ Hij zei: ‘Je zult hem overhalen en je zult het ook kunnen. Ga eropuit en doe zo.’
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵצֵא֙
(etse)
ik zal uitgaan
וְהָיִ֨יתִי֙
(vehayiti)
en ik zal worden
לְר֣וּחַ
(leruach)
tot een geest van
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
leugen
בְּפִ֖י
(befi)
in de mond van
כָּל
(kal)
alle
נְבִיאָ֑יו
(neviav)
zijn profeten
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
תְּפַתֶּה֙
(tefate)
je zult overhalen
וְגַם
(vegam)
en ook
תּוּכָ֔ל
(tukhal)
je zult kunnen
צֵ֖א
(tse)
ga uit
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en doe
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ שֶׁקֶר (ruach sheqer), ‘leugengeest’: letterlijk ‘een geest van leugen’.
Yahweh zegt ‘je zult het ook kunnen’ en vers 22 zegt dat Yahweh de leugengeest in de mond van de profeten heeft gegeven.
Wij vertalen letterlijk en leggen niets uit wat er niet staat.
Zie ook 1 Sam. 16:14 (‘een boze geest van Yahweh’).
De woorden van Yahweh in het visioen staan in rood, de woorden van de geest in zwart.
23Zedekia, de zoon van Kenaäna, kwam naderbij en sloeg Micha op de kaak. Hij zei: „Langs welke weg is de Geest van Yahweh van mij weggegaan om met jou te spreken?”
וַיִּגַּשׁ֙
(vayigash)
en kwam naderbij
צִדְקִיָּ֣הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בֶֽן
(ben)
zoon van
כְּנַעֲנָ֔ה
(kenaana)
Kenaäna
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכָ֖יְהוּ
(mikhayehu)
Micha
עַל
(al)
op
הַלֶּ֑חִי
(halechi)
de kaak
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵ֣י
(ei)
waar
זֶ֤ה
(ze)
dit
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
עָבַ֧ר
(avar)
ging voorbij
רֽוּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאִתִּ֖י
(meiti)
van mij
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אֹתָֽךְ
(otakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘Geest van Yahweh’: Zedekia zegt dat de Geest van Yahweh bij hem was.
Hij geeft Micha daarmee een klap op de kaak.
Wij schrijven ‘Geest’ met een hoofdletter, omdat het gaat om de Geest van Yahweh.
29De koning van Israël zei tegen Josafat: „Ik ga mij verkleden en de strijd ingaan. Maar jij moet je eigen kleren aantrekken.” De koning van Israël verkleedde zich en zij gingen de strijd in.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
הִתְחַפֵּשׂ֙
(hitchapes)
mij verkleden
וָב֣וֹא
(vavo)
en gaan
בַמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de strijd
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לְבַ֣שׁ
(levash)
trek aan
בְּגָדֶ֑יךָ
(begadeikha)
je kleren
וַיִּתְחַפֵּשׂ֙
(vayitchapes)
en verkleedde zich
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij gingen
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staat ‘en zij gingen de strijd in’, in het meervoud.
In 1 Kon. 22:30 staat ‘en hij ging de strijd in’.
Wij vertalen zoals het hier staat.
Achab verkleedt zich en laat Josafat zijn eigen kleren dragen. De tekst zegt niet waarom.
31Toen de wagencommandanten Josafat zagen, zeiden zij: „Dat is de koning van Israël!” Zij omsingelden hem om tegen hem te strijden. Josafat schreeuwde, en Yahweh hielp hem. Elohim zette hen ertoe aan van hem weg te gaan.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כִּרְאוֹת֩
(kirot)
bij het zien van
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
הָרֶ֜כֶב
(harekhev)
de wagens
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
וְהֵ֤מָּה
(vehema)
en zij
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zeiden
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
ה֔וּא
(hu)
hij
וַיָּסֹ֥בּוּ
(vayasobu)
en zij omringden
עָלָ֖יו
(alav)
hem
לְהִלָּחֵ֑ם
(lehilachem)
om te strijden
וַיִּזְעַ֤ק
(vayizaq)
en schreeuwde
יְהֽוֹשָׁפָט֙
(yehoshafat)
Josafat
וַֽיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עֲזָר֔וֹ
(azaro)
hielp hem
וַיְסִיתֵ֥ם
(vaysitem)
en zette hen aan
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers heeft een toevoeging ten opzichte van 1 Kon. 22:32: ‘en Yahweh hielp hem.
Elohim zette hen ertoe aan van hem weg te gaan.’
Het werkwoord ‘aanzetten’ (סוּת, sut) is hetzelfde als in vers 2.
Josafat schreeuwt. De tekst zegt niet tot wie hij roept. Het volgende zinsdeel zegt dat Yahweh hem hielp.
33Een man spande zijn boog zonder te mikken en trof de koning van Israël tussen de voegen en het pantser. Hij zei tegen de wagenmenner: „Draai om en breng mij uit het kamp, want ik ben gewond.”
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
מָשַׁ֤ךְ
(mashakh)
trok
בַּקֶּ֨שֶׁת֙
(baqeshet)
de boog
לְתֻמּ֔וֹ
(letumo)
in zijn onschuld
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en trof
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַדְּבָקִ֖ים
(hadevaqim)
de voegen
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשִּׁרְיָ֑ן
(hashiryan)
het pantser
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָֽרַכָּ֗ב
(larakav)
tot de wagenmenner
הֲפֹ֧ךְ
(hafokh)
keer om
יָדְךָ֛
(yadekha)
je hand
וְהוֹצֵאתַ֥נִי
(vehotsetani)
en breng mij uit
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
כִּ֥י
(ki)
want
הָחֳלֵֽיתִי
(hacholeiti)
ik ben gewond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ידי, ‘mijn hand’; de gelezen tekst (qere) heeft יָדְךָ, ‘jouw hand’.
Wij volgen de qere.
לְתֻמּוֹ (letummo), ‘zonder te mikken’: letterlijk ‘in zijn onschuld’ of ‘in zijn eenvoud’. De man trof de koning dus zonder dat hij wist wie het was.
הַדְּבָקִים (hadvaqim), ‘de voegen’: de betekenis is niet zeker; het gaat om de plek waar de delen van het pantser (הַשִּׁרְיָן, hashiryan) samenkomen.
34De strijd werd heftig op die dag. De koning van Israël hield zich rechtop in de wagen, tegenover Aram, tot de avond. Hij stierf op het moment dat de zon onderging.
וַתַּ֤עַל
(vataal)
en nam toe
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de strijd
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הָיָ֨ה
(haya)
was
מַעֲמִ֧יד
(maamid)
zich staande houdend
בַּמֶּרְכָּבָ֛ה
(bamerkava)
in de wagen
נֹ֥כַח
(nokhach)
tegenover
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
וַיָּ֕מָת
(vayamat)
en stierf
לְעֵ֖ת
(leet)
op het moment van
בּ֥וֹא
(bo)
het komen van
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
מַעֲמִיד (ma'amid), ‘hield zich rechtop’: de koning bleef rechtop staan in de wagen, tegenover Aram.
In 1 Kon. 22:35 staat een lijdende vorm, ‘werd rechtgehouden’.
Hier staat dat hij zichzelf staande hield.
Hier eindigt het verhaal met de dood van de koning bij zonsondergang. Dat de wagen werd afgespoeld en dat de honden zijn bloed likten (1 Kon. 22:38) staat in Kronieken niet.