Hizkia ordent de dienst en het volk brengt de tiende
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het land wordt gereinigd
1Toen dit alles voltooid was, ging heel Israël, allen die daar aanwezig waren, naar de steden van Juda. Zij braken de gewijde stenen in stukken en hieuwen de heilige palen om. Zij braken de hoogten en de altaren af in heel Juda, Benjamin, Efraïm en Manasse, totdat alles vernietigd was. Alle zonen van Israël keerden terug, ieder naar zijn bezit, naar hun steden.
וּכְכַלּ֣וֹת
(ukhekhalot)
en toen voltooid waren
כָּל
(kal)
alles
זֹ֗את
(zot)
dit
יָצְא֨וּ
(yatseu)
gingen uit
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
הַֽנִּמְצְאִים֮
(hanimtseim)
die aanwezig waren
לְעָרֵ֣י
(learei)
naar de steden van
יְהוּדָה֒
(yehuda)
Juda
וַיְשַׁבְּר֣וּ
(vayshaberu)
en zij braken
הַמַּצֵּב֣וֹת
(hamatsevot)
de gewijde stenen
וַיְגַדְּע֣וּ
(vaygadeu)
en hieuwen om
הָאֲשֵׁרִ֡ים
(haasherim)
de heilige palen
וַיְנַתְּצ֣וּ
(vaynatetsu)
en braken af
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֠בָּמוֹת
(habamot)
de hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽמִּזְבְּחֹ֞ת
(hamizbechot)
de altaren
מִכָּל
(mikal)
uit heel
יְהוּדָ֧ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֛ן
(uvinyamin)
en Benjamin
וּבְאֶפְרַ֥יִם
(uveefrayim)
en Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֖ה
(umenashe)
en Manasse
עַד
(ad)
tot
לְכַלֵּ֑ה
(lekhale)
volledige vernietiging
וַיָּשׁ֜וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֧י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לַאֲחֻזָּת֖וֹ
(laachuzato)
naar zijn bezit
לְעָרֵיהֶֽם
(leareihem)
naar hun steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנִּמְצָאִים (hanimtsa’im), ‘die aanwezig waren’: dat zijn de mensen die bij het Pesachfeest in Jeruzalem waren (2 Kron. 30).
מַצֵּבוֹת (matsevot), ‘gewijde stenen’: rechtopstaande stenen bij offerplaatsen. אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen bij de hoogten, genoemd naar de godin Aschera. בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. Zie ook 2 Kon. 18:4.
לְכַלֵּה (lekhalleh), ‘totdat alles vernietigd was’: letterlijk ‘tot voltooiing’.
2Hizkia stelde de afdelingen van de priesters en de Levieten aan, ieder op zijn afdeling en volgens zijn dienst. Dat gold voor de priesters en de Levieten, voor het brandoffer en de vredeoffers. Zij moesten dienen, danken en prijzen in de poorten van de kampen van Yahweh.
וַיַּעֲמֵ֣ד
(vayaamed)
en stelde aan
יְחִזְקִיָּ֡הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
אֶת
(et)
(obj.)
מַחְלְק֣וֹת
(machleqot)
de afdelingen van
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְ֠הַלְוִיִּם
(vehalviyim)
en de Levieten
עַֽל
(al)
op
מַחְלְקוֹתָ֞ם
(machleqotam)
hun afdelingen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
כְּפִ֣י
(kefi)
volgens
עֲבֹדָת֗וֹ
(avodato)
zijn dienst
לַכֹּהֲנִים֙
(lakohanim)
de priesters
וְלַלְוִיִּ֔ם
(velalviyim)
en de Levieten
לְעֹלָ֖ה
(leola)
voor het brandoffer
וְלִשְׁלָמִ֑ים
(velishlamim)
en voor de vredeoffers
לְשָׁרֵת֙
(lesharet)
om te dienen
וּלְהֹד֣וֹת
(ulehodot)
en te danken
וּלְהַלֵּ֔ל
(ulehalel)
en te prijzen
בְּשַׁעֲרֵ֖י
(beshaarei)
in de poorten van
מַחֲנ֥וֹת
(machanot)
de kampen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de groepen waarin de priesters en Levieten dienst deden (1 Kron. 23–26).
Wij vertalen overal ‘afdelingen’.
מַחֲנוֹת יְהוָה (machanot Yahweh), ‘de kampen van Yahweh’: de tempel wordt hier als een kamp van Yahweh genoemd, met poorten. De Levieten stonden daar op wacht en zongen.
3Het deel van de koning, uit zijn eigen bezit, was voor de brandoffers. Dat waren de brandoffers van de morgen en van de avond, en de brandoffers voor de sabbatten, de nieuwe manen en de vastgestelde tijden. Zo staat geschreven in de wet van Yahweh.
וּמְנָת֩
(umenat)
en het deel van
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִן
(min)
uit
רְכוּשׁ֜וֹ
(rekhusho)
zijn bezit
לָעֹל֗וֹת
(laolot)
voor brandoffers
לְעֹלוֹת֙
(leolot)
voor brandoffers
הַבֹּ֣קֶר
(haboqer)
van de morgen
וְהָעֶ֔רֶב
(vehaerev)
en van de avond
וְהָ֣עֹל֔וֹת
(vehaolot)
en de brandoffers
לַשַּׁבָּת֖וֹת
(lashabatot)
voor de sabbatten
וְלֶחֳדָשִׁ֣ים
(velechodashim)
en voor de nieuwe manen
וְלַמֹּעֲדִ֑ים
(velamoadim)
en voor de vastgestelde tijden
כַּכָּת֖וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בְּתוֹרַ֥ת
(betorat)
in de wet van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְנָת (menat), ‘deel’: het deel dat de koning uit zijn eigen bezit gaf.
Voor de offers van elke dag, sabbat en nieuwe maan zie Num. 28:1–15.
De offers voor de feesten staan in Num. 28:16–29:39.
Het volk brengt het deel van de priesters en Levieten
4Hij zei tegen het volk, de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel van de priesters en de Levieten moesten geven. Zo konden zij standvastig blijven in de wet van Yahweh.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָעָם֙
(laam)
tegen het volk
לְיוֹשְׁבֵ֣י
(leyoshevei)
tegen de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לָתֵ֕ת
(latet)
om te geven
מְנָ֥ת
(menat)
het deel van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
יֶחֶזְק֖וּ
(yechezqu)
zij standvastig zouden blijven
בְּתוֹרַ֥ת
(betorat)
in de wet van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
5Zodra dit woord zich verspreidde, brachten de zonen van Israël in overvloed het eerste van het koren, de most, de olie en de honing. Ook van alle opbrengst van het veld brachten zij het eerste. Van alles brachten zij de tiende, in grote hoeveelheid.
וְכִפְרֹ֣ץ
(vekhifrots)
en zodra verspreidde
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
הִרְבּ֤וּ
(hirbu)
brachten in overvloed
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
het eerste van
דָּגָ֗ן
(dagan)
koren
תִּיר֤וֹשׁ
(tirosh)
most
וְיִצְהָר֙
(veyitshar)
en olie
וּדְבַ֔שׁ
(udevash)
en honing
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
תְּבוּאַ֣ת
(tevuat)
opbrengst van
שָׂדֶ֑ה
(sade)
het veld
וּמַעְשַׂ֥ר
(umasar)
en de tiende van
הַכֹּ֛ל
(hakol)
alles
לָרֹ֖ב
(larov)
in grote hoeveelheid
הֵבִֽיאוּ
(heviu)
brachten zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּפְרֹץ (kifrots), ‘zodra het zich verspreidde’: letterlijk ‘zoals het doorbrak’.
רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst van de oogst.
Zie Deut. 18:4.
מַעְשַׂר (ma’aser), ‘tiende’: een tiende deel van de opbrengst (Lev. 27:30–32; Num. 18:21–28; Deut. 14:22–29).
6Ook de zonen van Israël en Juda die in de steden van Juda woonden, brachten de tiende van het rundvee en het kleinvee. Ook brachten zij de tiende van de heilige dingen, die aan Yahweh, hun Elohim, waren gewijd. Zij legden die neer in hopen, hoop naast hoop.
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֗ה
(vihuda)
en Juda
הַיּֽוֹשְׁבִים֮
(hayoshevim)
die woonden
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָה֒
(yehuda)
Juda
גַּם
(gam)
ook
הֵ֗ם
(hem)
zij
מַעְשַׂ֤ר
(masar)
de tiende van
בָּקָר֙
(baqar)
rundvee
וָצֹ֔אן
(vatson)
en kleinvee
וּמַעְשַׂ֣ר
(umasar)
en de tiende van
קָֽדָשִׁ֔ים
(qadashim)
heilige dingen
הַמְקֻדָּשִׁ֖ים
(hamqudashim)
die gewijd waren
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
הֵבִ֕יאוּ
(heviu)
brachten zij
וַֽיִּתְּנ֖וּ
(vayitenu)
en zij legden neer
עֲרֵמ֥וֹת
(aremot)
hopen
עֲרֵמֽוֹת
(aremot)
hopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָדָשִׁים (qodashim), ‘heilige dingen’: alles wat aan Yahweh was gewijd.
Het woord ‘heilige dingen’ geldt hier voor de gewijde gaven die los staan van de tiende van de oogst en van het vee.
9Hizkia vroeg de priesters en de Levieten naar de hopen.
וַיִּדְרֹ֣שׁ
(vayidrosh)
en vroeg
יְחִזְקִיָּ֗הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עַל
(al)
naar
הַכֹּֽהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֖ם
(vehalviyim)
en de Levieten
עַל
(al)
naar
הָעֲרֵמֽוֹת
(haaremot)
de hopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּדְרשׁ עַל (vayidrosh al), ‘hij vroeg naar’: hij onderzocht, hij vroeg uitleg over de hopen.
10Azarja, de hoofdpriester uit het huis van Zadok, zei tegen hem. Hij zei: „Sinds men begon de heffing naar het huis van Yahweh te brengen, is er gegeten. Wij zijn verzadigd en er is veel overgebleven. Want Yahweh heeft Zijn volk gezegend. Wat er overblijft, is deze grote hoeveelheid.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
עֲזַרְיָ֧הוּ
(azaryahu)
Azarja
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
הָרֹ֖אשׁ
(harosh)
het hoofd
לְבֵ֣ית
(leveit)
van het huis van
צָד֑וֹק
(tsadoq)
Zadok
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
מֵהָחֵ֨ל
(mehachel)
sinds begon
הַתְּרוּמָ֜ה
(hateruma)
de heffing
לָבִ֣יא
(lavi)
te brengen naar
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אָכ֨וֹל
(akhol)
eten
וְשָׂב֤וֹעַ
(vesavoa)
en verzadigd worden
וְהוֹתֵר֙
(vehoter)
en overhouden
עַד
(ad)
tot
לָר֔וֹב
(larov)
overvloed
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בֵּרַ֣ךְ
(berakh)
heeft gezegend
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
וְהַנּוֹתָ֖ר
(vehanotar)
en wat overblijft
אֶת
(et)
(obj.)
הֶהָמ֥וֹן
(hehamon)
deze grote hoeveelheid
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’: de hoofdpriester (הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ, hakohen harosh) uit het huis van Zadok.
Dit is een ander woord dan ‘hogepriester’ (kohen gadol, 2 Kron. 34:9).
Hij is een andere man dan Azarja, de zoon van Oded (2 Kron. 15:1).
Voor Zadok zie 1 Kron. 5:34.
הַתְּרוּמָה (hatterumah), ‘de heffing’: wat men voor Yahweh opheft, zoals in Num. 18:8.
הָמוֹן (hamon), ‘menigte’: hier wordt het woord gebruikt voor de grote hoop voorraad. Wij vertalen ‘grote hoeveelheid’. In 2 Kron. 32:7 betekent het woord ‘menigte’ (van mensen).
אָכוֹל וְשָׂבוֹעַ וְהוֹתֵר (akhol vesavoa vehoter), ‘eten, verzadigd worden en overhouden’: drie werkwoordsvormen na elkaar, zonder onderwerp. De zin zegt dat men at, genoeg had en nog overhield.
Lezing
De laatste zin (וְהַנּוֹתָר אֶת־הֶהָמוֹן הַזֶּה, vehannotar et hehamon hazeh) is kort en moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘en het overgeblevene, (obj.) deze menigte’.
Wij lezen: ‘wat er overblijft, is deze grote hoeveelheid’.
12Zij brachten de heffing, de tiende en de heilige dingen met betrouwbaarheid binnen. Over hen was Kenanja, de Leviet, de leider. Zijn broer Simeï was de tweede.
וַיָּבִ֨יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten binnen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּרוּמָ֧ה
(hateruma)
de heffing
וְהַֽמַּעֲשֵׂ֛ר
(vehamaaser)
en de tiende
וְהַקֳּדָשִׁ֖ים
(vehaqodashim)
en de heilige dingen
בֶּאֱמוּנָ֑ה
(beemuna)
met betrouwbaarheid
וַעֲלֵיהֶ֤ם
(vaaleihem)
en over hen
נָגִיד֙
(nagid)
leider
כָּֽנַנְיָ֣הוּ
(kananyahu)
Kenanja
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
de Leviet
וְשִׁמְעִ֥י
(veshimi)
en Simeï
אָחִ֖יהוּ
(achihu)
zijn broer
מִשְׁנֶֽה
(mishne)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּאֱמוּנָה (be’emunah), ‘met betrouwbaarheid’: zonder iets achter te houden.
Het woord staat ook in vers 15 en 18, en in 2 Kron. 19:9 en 34:12.
נָגִיד (nagid), ‘leider’: de hoogste in zijn taak. מִשְׁנֶה (mishneh), ‘de tweede’: de tweede na hem.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat de naam van Kenanja hier met een andere spelling (כונניהו, Kononyahu).
13Jechiël, Azazja, Nachat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismachja, Machat en Benaja waren opzichters onder de hand van Kenanja en van zijn broer Simeï. Zij waren aangesteld door koning Hizkia. Azarja was de leider van het huis van Elohim.
וִֽיחִיאֵ֡ל
(vichiel)
en Jechiël
וַ֠עֲזַזְיָהוּ
(vaazazyahu)
en Azazja
וְנַ֨חַת
(venachat)
en Nachat
וַעֲשָׂהאֵ֜ל
(vaasahel)
en Asaël
וִֽירִימ֤וֹת
(virimot)
en Jerimot
וְיוֹזָבָד֙
(veyozavad)
en Jozabad
וֶאֱלִיאֵ֣ל
(veeliel)
en Eliël
וְיִסְמַכְיָ֔הוּ
(veyismakhyahu)
en Jismachja
וּמַ֖חַת
(umachat)
en Machat
וּבְנָיָ֑הוּ
(uvenayahu)
en Benaja
פְּקִידִ֗ים
(peqidim)
opzichters
מִיַּ֤ד
(miyad)
onder de hand van
כָּֽנַנְיָ֨הוּ֙
(kananyahu)
Kenanja
וְשִׁמְעִ֣י
(veshimi)
en Simeï
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
בְּמִפְקַד֙
(bemifqad)
op aanstelling van
יְחִזְקִיָּ֣הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַעֲזַרְיָ֖הוּ
(vaazaryahu)
en Azarja
נְגִ֥יד
(negid)
leider van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּקִידִים (peqidim), ‘opzichters’: mannen die zijn aangesteld om toezicht te houden.
בְּמִפְקַד (bemifqad), ‘op aanstelling van’: letterlijk ‘in de aanstelling van’.
Twee van deze namen komen ook voor in 1 Kron. 15: Jechiël (vers 18) en Azazja (vers 21).
Dat kunnen andere mannen zijn met dezelfde naam.
עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’: de hoofdpriester uit vers 10. נְגִיד בֵּית הָאֱלֹהִים (nagid beit ha’Elohim), ‘leider van het huis van Elohim’: de titel van de hoogste priester, zoals in 1 Kron. 9:11.
14Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter aan de oostkant, was aangesteld over de vrijwillige gaven aan Elohim. Hij moest de heffing van Yahweh en de hoogheilige dingen uitdelen.
וְקוֹרֵ֨א
(veqore)
en Kore
בֶן
(ben)
zoon van
יִמְנָ֤ה
(yimna)
Jimna
הַלֵּוִי֙
(halevi)
de Leviet
הַשּׁוֹעֵ֣ר
(hashoer)
de poortwachter
לַמִּזְרָ֔חָה
(lamizracha)
aan de oostkant
עַ֖ל
(al)
over
נִדְב֣וֹת
(nidvot)
de vrijwillige gaven van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
לָתֵת֙
(latet)
om uit te delen
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְקָדְשֵׁ֖י
(veqadeshei)
en de heilige dingen van
הַקֳּדָשִֽׁים
(haqodashim)
de hoogheilige dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קוֹרֵא (Qore), ‘Kore’: een Leviet, de zoon van Jimna.
Hij is een andere man dan Kore de Korachiet (1 Kron. 26:1).
נִדְבוֹת (nidvot), ‘vrijwillige gaven’: gaven die men uit eigen wil aan Elohim bracht, naast wat de wet vroeg.
קָדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (qodshei haqodashim), ‘de hoogheilige dingen’: de delen die alleen de priesters mochten eten (Lev. 2:3).
שׁוֹעֵר (sho’er), ‘poortwachter’. De oostelijke poort was de belangrijkste ingang van de tempel.
15Onder zijn hand stonden Eden, Minjamin, Jesua, Sjemaja, Amarja en Sjekanja in de steden van de priesters. Zij moesten met betrouwbaarheid uitdelen aan hun broeders, volgens de afdelingen, aan groot en klein.
וְעַל
(veal)
en onder
יָד֡וֹ
(yado)
zijn hand
עֵ֣דֶן
(eden)
Eden
וּ֠מִנְיָמִן
(uminyamin)
en Minjamin
וְיֵשׁ֨וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
וּֽשְׁמַֽעְיָ֜הוּ
(ushemayahu)
en Sjemaja
אֲמַרְיָ֧הוּ
(amaryahu)
Amarja
וּשְׁכַנְיָ֛הוּ
(ushekhanyahu)
en Sjekanja
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in de steden van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
בֶּאֱמוּנָ֑ה
(beemuna)
met betrouwbaarheid
לָתֵ֤ת
(latet)
om uit te delen
לַאֲחֵיהֶם֙
(laacheihem)
aan hun broeders
בְּמַחְלְק֔וֹת
(bemachleqot)
volgens de afdelingen
כַּגָּד֖וֹל
(kagadol)
als de grote
כַּקָּטָֽן
(kaqatan)
als de kleine
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵדֶן (Eden), ‘Eden’: hier de naam van een man.
Het is niet de tuin van Genesis 2.
Dezelfde naam komt voor in 2 Kron. 29:12.
מִנְיָמִן (Minyamin), ‘Minjamin’: een andere man dan Benjamin (בִּנְיָמִן) en dan Mijamin uit 1 Kron. 24:9.
בְּעָרֵי הַכֹּהֲנִים (be’arei hakohanim), ‘in de steden van de priesters’: de steden die aan de priesters waren gegeven (Joz. 21:9–19).
16Dit kwam bovenop de inschrijving van de mannen van 3 jaar oud en ouder. Het gold voor iedereen die in het huis van Yahweh binnenkwam voor het werk van elke dag. Het was voor hun dienst, in hun wachtdiensten, volgens hun afdelingen.
מִלְּבַ֞ד
(milevad)
behalve
הִתְיַחְשָׂ֣ם
(hityachsam)
hun inschrijving
לִזְכָרִ֗ים
(lizkharim)
van de mannen
מִבֶּ֨ן
(miben)
vanaf de leeftijd van
שָׁל֤וֹשׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִים֙
(shanim)
jaar
וּלְמַ֔עְלָה
(ulemala)
en ouder
לְכָל
(lekhal)
voor iedereen
הַבָּ֥א
(haba)
die binnenkomt
לְבֵית
(leveit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לִדְבַר
(lidvar)
voor het werk van
י֣וֹם
(yom)
elke dag
בְּיוֹמ֑וֹ
(beyomo)
op zijn dag
לַעֲב֣וֹדָתָ֔ם
(laavodatam)
voor hun dienst
בְּמִשְׁמְרוֹתָ֖ם
(bemishmerotam)
in hun wachtdiensten
כְּמַחְלְקוֹתֵיהֶֽם
(kemachleqoteihem)
volgens hun afdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin is niet af: hij sluit aan bij de uitdeling in vers 15.
Het gaat om de mannen vanaf 3 jaar oud die in de lijsten stonden en die ook een deel kregen.
Zij mochten dag aan dag het huis van Yahweh binnengaan.
Wij vertalen de Hebreeuwse tekst zoals hij er staat.
מִשְׁמָרוֹת (mishmarot), ‘wachtdiensten’, en מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: zie vers 2.
Lezing
De leeftijd van 3 jaar is hier opvallend: in 1 Kron. 23:3 worden de Levieten geteld vanaf 30 jaar en in 23:24 en 23:27 vanaf 20 jaar.
17Ook de priesters werden ingeschreven naar het huis van hun vaderen. Zo ook de Levieten van 20 jaar oud en ouder, in hun wachtdiensten, volgens hun afdelingen.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
הִתְיַחֵ֤שׂ
(hityaches)
de inschrijving van
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבוֹתֵיהֶ֔ם
(avoteihem)
hun vaderen
וְהַ֨לְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מִבֶּ֛ן
(miben)
vanaf de leeftijd van
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וּלְמָ֑עְלָה
(ulemaela)
en ouder
בְּמִשְׁמְרוֹתֵיהֶ֖ם
(bemishmeroteihem)
in hun wachtdiensten
בְּמַחְלְקוֹתֵיהֶֽם
(bemachleqoteihem)
volgens hun afdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ook dit vers is een afgebroken zin: ‘en de inschrijving van de priesters’.
Wij lezen: ook de priesters en Levieten werden ingeschreven, de Levieten vanaf 20 jaar (zie 1 Kron. 23:24–27).
18Zij werden ingeschreven met al hun kleine kinderen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, voor heel de vergadering. Want in hun betrouwbaarheid maakten zij zich heilig, heilig.
וּלְהִתְיַחֵ֗שׂ
(ulehityaches)
en om in te schrijven
בְּכָל
(bekhal)
met al
טַפָּ֧ם
(tapam)
hun kleine kinderen
נְשֵׁיהֶ֛ם
(nesheihem)
hun vrouwen
וּבְנֵיהֶ֥ם
(uveneihem)
en hun zonen
וּבְנוֹתֵיהֶ֖ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
לְכָל
(lekhal)
voor heel
קָהָ֑ל
(qahal)
de vergadering
כִּ֥י
(ki)
want
בֶאֱמוּנָתָ֖ם
(beemunatam)
in hun betrouwbaarheid
יִתְקַדְּשׁוּ
(yitqadeshu)
zij maakten zich heilig
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טַפָּם (tappam), ‘hun kleine kinderen’: de kinderen die nog niet kunnen lopen of nog klein zijn.
קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de hele groep van priesters en Levieten.
יִתְקַדְּשׁוּ קֹדֶשׁ (yitqaddeshu qodesh), ‘zij maakten zich heilig, heilig’: letterlijk ‘zij heiligden zich in heiligheid’. De betekenis is waarschijnlijk dat zij zich met grote zorg aan het heilige wijdden. Wij laten de herhaling staan.
19Ook waren er voor de zonen van Aäron, de priesters, mannen die bij naam waren aangewezen. Zij waren er op de velden van de weidegrond van hun steden, in elke stad. Zij moesten porties geven aan elke man onder de priesters en aan iedereen die onder de Levieten was ingeschreven.
וְלִבְנֵי֩
(velivnei)
en voor de zonen van
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֲנִ֜ים
(hakohanim)
de priesters
בִּשְׂדֵ֨י
(bisdei)
op de velden van
מִגְרַ֤שׁ
(migrash)
de weidegrond van
עָרֵיהֶם֙
(areihem)
hun steden
בְּכָל
(bekhal)
in elke
עִ֣יר
(ir)
stad
וָעִ֔יר
(vair)
en stad
אֲנָשִׁ֕ים
(anashim)
mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִקְּב֖וּ
(niqevu)
waren aangewezen
בְּשֵׁמ֑וֹת
(beshemot)
bij naam
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
מָנ֗וֹת
(manot)
porties
לְכָל
(lekhal)
aan elke
זָכָר֙
(zakhar)
man
בַּכֹּ֣הֲנִ֔ים
(bakohanim)
onder de priesters
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan elke
הִתְיַחֵ֖שׂ
(hityaches)
ingeschrevene
בַּלְוִיִּֽם
(balviyim)
onder de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De steden van de priesters lagen in Juda en Benjamin (Joz. 21:9–19).
Uitleg
מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rond een stad dat bij de stad hoorde, zoals in Num. 35:2–5.
מָנוֹת (manot), ‘porties’: een deel van het eten dat men uitdeelde.
20Zo deed Hizkia in heel Juda. Hij deed wat goed en juist en waar was voor het aangezicht van Yahweh, zijn Elohim.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
כָּזֹ֛את
(kazot)
zo
יְחִזְקִיָּ֖הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
הַטּ֤וֹב
(hatov)
het goede
וְהַיָּשָׁר֙
(vehayashar)
en het juiste
וְהָ֣אֱמֶ֔ת
(vehaemet)
en de waarheid
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַטּוֹב וְהַיָּשָׁר וְהָאֱמֶת (hatov vehayashar vehe’emet), ‘het goede, het juiste en de waarheid’: drie woorden die samen zeggen dat Hizkia volledig deed wat Yahweh vraagt.
Het woord אֱמֶת (emet), ‘waarheid’, komt terug in 2 Kron. 32:1.
21Bij elk werk dat hij begon voor de dienst van het huis van Elohim, voor de wet en voor het gebod, zocht hij zijn Elohim. Hij deed het met heel zijn hart en had succes.
וּבְכָֽל
(uvekhal)
en in elk
מַעֲשֶׂ֞ה
(maase)
werk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵחֵ֣ל
(hechel)
hij begon
בַּעֲבוֹדַ֣ת
(baavodat)
in de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
וּבַתּוֹרָה֙
(uvatora)
en in de wet
וּבַמִּצְוָ֔ה
(uvamitsva)
en in het gebod
לִדְרֹ֖שׁ
(lidrosh)
om te zoeken
לֵֽאלֹהָ֑יו
(lelohav)
zijn Elohim
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָב֥וֹ
(levavo)
zijn hart
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed hij
וְהִצְלִֽיחַ
(vehitsliach)
en had succes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִדְרשׁ (lidrosh), ‘zoeken’: Yahweh of Elohim zoeken is in Kronieken vaak een kernwoord (zie 2 Kron. 15:2).