Elohim Bijbel

2 Kronieken 11

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Rechabeam versterkt Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Rechabeam wil Israël terugwinnen

1Rechabeam kwam in Jeruzalem. Hij riep het huis van Juda en Benjamin bijeen: 180.000 uitgelezen krijgers. Zij moesten strijden tegen Israël, om het koninkrijk terug te brengen aan Rechabeam.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
רְחַבְעָם֮
(rechavam)
Rechabeam
יְרוּשָׁלִַם֒
(yerushaliam)
in Jeruzalem
וַיַּקְהֵל֩
(vayaqhel)
en hij riep bijeen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֗ן
(uvinyamin)
en Benjamin
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וּשְׁמוֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen man
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
die doen
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
לְהִלָּחֵם֙
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
tegen
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om terug te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
לִרְחַבְעָֽם
(lirchavam)
aan Rechabeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 1 Kon. 12:21–24.

Daar staat ‘heel het huis van Juda en de stam Benjamin’; hier ‘het huis van Juda en Benjamin’.

בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen’: een uitgekozen, jonge krijger. Wij vertalen overal ‘uitgelezen’, zoals in 1 Kon. 12:21.

הַמַּמְלָכָה (hammamlakhah), ‘het koninkrijk’: het koninkrijk als staat. Het woord מְלוּכָה (meluchah), ‘koningschap’, staat in vers 17.

2Het woord van Yahweh kwam tot Sjemaja, de man van Elohim:
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמַֽעְיָ֥הוּ
(shemayahu)
Sjemaja
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een naam voor een profeet.

In 1 Kon. 12:22 staat ‘het woord van Elohim’; hier staat ‘het woord van Yahweh’.

3„Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel Israël in Juda en Benjamin:
אֱמֹ֕ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tegen
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל֙
(veel)
en tegen
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּיהוּדָ֥ה
(bihuda)
in Juda
וּבִנְיָמִ֖ן
(uvinyamin)
en in Benjamin
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wij zetten de opdracht aan Sjemaja zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’ (vers 4), zoals in 1 Kon. 12:23–24.

Het is een boodschap die Sjemaja moet doorgeven.

‘Heel Israël in Juda en Benjamin’ zijn de Israëlieten die in deze twee stamgebieden wonen. In 1 Kon. 12:23 staat: ‘de rest van het volk’.

4‘Zo zegt Yahweh: Jullie mogen niet optrekken en niet strijden tegen jullie broeders. Ga terug, ieder naar zijn huis, want van Mij is deze zaak gekomen.’” Zij luisterden naar de woorden van Yahweh en keerden terug, zonder tegen Jerobeam op te trekken.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
תַעֲלוּ֩
(taalu)
jullie zullen optrekken
וְלֹא
(velo)
en niet
תִלָּ֨חֲמ֜וּ
(tilachamu)
jullie zullen strijden
עִם
(im)
tegen
אֲחֵיכֶ֗ם
(acheikhem)
jullie broeders
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵית֔וֹ
(leveito)
naar zijn huis
כִּ֧י
(ki)
want
מֵֽאִתִּ֛י
(meiti)
van Mij
נִהְיָ֖ה
(nihya)
is gekomen
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַֽיִּשְׁמְעוּ֙
(vayishmeu)
en zij luisterden
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
מִלֶּ֥כֶת
(milekhet)
van het gaan
אֶל
(el)
tegen
יָרָבְעָֽם
(yaraveam)
Jerobeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאִתִּי נִהְיָה הַדָּבָר הַזֶּה (me’itti nihyah haddavar hazzeh), ‘van Mij is deze zaak gekomen’: Yahweh laat de splitsing van het rijk toe, zoals 1 Kon. 12:15 en 12:24 zeggen.

מִלֶּכֶת (milleket), ‘van het gaan’: zij zagen af van de tocht tegen Jerobeam.

Rechabeam bouwt vestingsteden

5Rechabeam bleef in Jeruzalem wonen. Hij bouwde steden tot vestingen in Juda.
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef wonen
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיִּ֧בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
עָרִ֛ים
(arim)
steden
לְמָצ֖וֹר
(lematsor)
tot vesting
בִּיהוּדָֽה
(bihuda)
in Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מָצוֹר (matsor), ‘vesting’, en in vers 10 מְצֻרוֹת (metsurot), ‘vestingen’: versterkte steden met muren.

Wij vertalen alle vormen met ‘vesting’.

6Hij bouwde Betlehem, Etam en Tekoa.
וַיִּ֧בֶן
(vayiven)
en hij bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּֽית
(beit)
Bet
לֶ֛חֶם
(lechem)
Lechem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵיטָ֖ם
(eitam)
Etam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּקֽוֹעַ
(teqoa)
Tekoa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is zeker.

Zie Etam (bij Betlehem; ligging onzeker): Dit Etam lag in het bergland van Juda, ten zuiden van Betlehem; Khirbet el-Khokh is voorgesteld.

Het is niet het Etam aan de rand van de woestijn bij Egypte.

Dit is niet zeker.

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

Etam ligt waarschijnlijk in de buurt van de Pools van Salomo, ten zuiden van Betlehem. De ligging is onzeker.

Tekoa ligt bij Khirbet Tuqu’, ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

De steden uit vers 6–10 liggen rondom Jeruzalem en vormen een ring van vestingen in het zuiden, het westen en het bergland van Juda.

Wij nemen aan dat Rechabeam ze versterkte; ‘bouwen’ kan ook ‘herbouwen’ en ‘versterken’ betekenen.

7Hij bouwde ook Bet-Tsur, Soko en Adullam.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּֽית
(beit)
Bet
צ֥וּר
(tsur)
Tsur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שׂוֹכ֖וֹ
(sokho)
Soko
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲדֻלָּֽם
(adulam)
Adullam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Tsur ligt bij Khirbet et-Tubeiqah, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Dat is waarschijnlijk.

Zie Soko (Khirbet Shuweikeh): Soko (Khirbet Shuweikeh) lag in de Sefela, aan de zuidkant van het Elahdal.

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

Soko (in Juda) ligt bij Khirbet Shuweikeh, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël), in de Sefela. Dat is waarschijnlijk.

Adullam ligt waarschijnlijk bij Tel Adullam, in de Sefela, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël).

8Hij bouwde ook Gat, Maresa en Zif.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גַּ֥ת
(gat)
Gat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מָרֵשָׁ֖ה
(maresha)
Maresa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זִֽיף
(zif)
Zif
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat ligt waarschijnlijk bij Tell es-Safi in de kustvlakte (Israël).

Het is niet zeker of dit de Filistijnse stad Gat is of een andere plaats met dezelfde naam in Juda.

Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.

Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron.

Maresa ligt bij Tel Maresja, naast Bet-Gubrin (Israël), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk.

Zif ligt bij Tell Zif, ongeveer 7 km ten zuidoosten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.

9Hij bouwde ook Adoraïm, Lachis en Azeka.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲדוֹרַ֥יִם
(adorayim)
Adoraïm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לָכִ֖ישׁ
(lakhish)
Lachis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲזֵקָֽה
(azeqa)
Azeka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Adoraïm ligt waarschijnlijk bij Dura, ongeveer 8 km ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever).

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.

Lachis ligt bij Tel Lachis (Tell ed-Duweir), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Dat is waarschijnlijk.

Azeka ligt bij Tel Azeka, ongeveer 30 km ten westen van Betlehem (Israël). Dat is waarschijnlijk.

10Hij bouwde ook Tsora, Ajalon en Hebron. Dat zijn de vestingsteden in Juda en Benjamin.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צָרְעָה֙
(tsarea)
Tsora
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַיָּל֔וֹן
(ayalon)
Ajalon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בִּיהוּדָ֖ה
(bihuda)
in Juda
וּבְבִנְיָמִ֑ן
(uvevinyamin)
en in Benjamin
עָרֵ֖י
(arei)
steden van
מְצֻרֽוֹת
(metsurot)
vestingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsora ligt bij Tel Tsora, ongeveer 25 km ten westen van Jeruzalem (Israël).

Dat is waarschijnlijk.

Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.

Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Ajalon ligt bij het huidige Yalo, ongeveer 23 km ten noordwesten van Jeruzalem, aan de rand van het dal van Ajalon (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.

Hebron ligt ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker.

Uitleg

Soko, Adullam, Azeka, Lachis en Maresa komen ook voor in Joz. 15:35, 15:39 en 15:44.

11Hij versterkte de vestingen. Hij stelde er leiders aan. Hij richtte er voorraadkamers in met voedsel, olie en wijn.
וַיְחַזֵּ֖ק
(vaychazeq)
en hij versterkte
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּצֻר֑וֹת
(hametsurot)
de vestingen
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en hij plaatste
בָּהֶם֙
(bahem)
daarin
נְגִידִ֔ים
(negidim)
leiders
וְאֹצְר֥וֹת
(veotserot)
en voorraadkamers van
מַאֲכָ֖ל
(maakhal)
voedsel
וְשֶׁ֥מֶן
(veshemen)
en olie
וָיָֽיִן
(vayayin)
en wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְגִידִים (negidim), ‘leiders’: zo vertalen wij het woord overal, ook in vers 22 en in 1 Sam. 9:16.

אֹצְרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: hetzelfde woord staat in 12:9 voor de ‘schatten’ van het huis van Yahweh. Het gaat om opslagplaatsen.

12In elke stad zette hij schilden en speren. Hij versterkte ze buitengewoon. Juda en Benjamin waren van hem.
וּבְכָל
(uvekhal)
en in elke
עִ֤יר
(ir)
stad
וָעִיר֙
(vair)
en stad
צִנּ֣וֹת
(tsinot)
grote schilden
וּרְמָחִ֔ים
(uremachim)
en speren
וַֽיְחַזְּקֵ֖ם
(vaychazeqem)
en hij versterkte ze
לְהַרְבֵּ֣ה
(leharbe)
tot overvloed
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיְהִי
(vayhi)
en het was
ל֖וֹ
(lo)
van hem
יְהוּדָ֥ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִֽן
(uvinyamin)
en Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִנּוֹת (tsinnot), ‘grote schilden’: schilden die het hele lichaam bedekken; het kleine schild heet מָגֵן (magen), zoals in 14:7.

Zie ook 1 Kon. 10:16–17.

Het werkwoord ‘zette’ loopt door uit vers 11 (‘plaatste’). Het Hebreeuws heeft het in dit vers niet.

Priesters en Levieten komen naar Juda

13De priesters en de Levieten die in heel Israël waren, kwamen aan zijn kant staan, uit al hun gebieden.
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הִֽתְיַצְּב֥וּ
(hityatsevu)
stelden zich op
עָלָ֖יו
(alav)
aan zijn kant
מִכָּל
(mikal)
uit al
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְיַצְּבוּ עָלָיו (hityatsevu alav), ‘zij stelden zich naast hem op’: zij kozen zijn kant.

Dit zijn de priesters en de Levieten uit het noordelijke rijk.

14Want de Levieten verlieten hun weidegrond en hun bezit en gingen naar Juda en Jeruzalem. Want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, zodat zij niet meer als priesters voor Yahweh dienden.
כִּֽי
(ki)
want
עָזְב֣וּ
(azevu)
verlieten
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֶת
(et)
(obj.)
מִגְרְשֵׁיהֶם֙
(migresheihem)
hun weidegronden
וַאֲחֻזָּתָ֔ם
(vaachuzatam)
en hun bezit
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לִיהוּדָ֖ה
(lihuda)
naar Juda
וְלִֽירוּשָׁלִָ֑ם
(velirushaliam)
en naar Jeruzalem
כִּֽי
(ki)
want
הִזְנִיחָ֤ם
(hiznicham)
had verstoten hen
יָֽרָבְעָם֙
(yaraveam)
Jerobeam
וּבָנָ֔יו
(uvanav)
en zijn zonen
מִכַּהֵ֖ן
(mikahen)
van het priesterschap
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rondom de Levietensteden (Num. 35:2–5; Joz. 21).

Hun bezit (אֲחֻזָּה, achuzzah) was het land dat daarbij hoorde.

מִכַּהֵן לַיהוָה (mikkahen laYahweh), ‘van het priesterschap voor Yahweh’: letterlijk ‘van het priester zijn voor Yahweh’. Jerobeam maakte andere priesters; zie 1 Kon. 12:31 en 13:33.

15Jerobeam stelde voor zichzelf priesters aan voor de hoogten, voor de bokgeesten en voor de kalveren die hij had gemaakt.
וַיַּֽעֲמֶד
(vayaamed)
en hij stelde aan
לוֹ֙
(lo)
voor zich
כֹּֽהֲנִ֔ים
(kohanim)
priesters
לַבָּמ֖וֹת
(labamot)
voor de hoogten
וְלַשְּׂעִירִ֑ים
(velaseirim)
en voor de bokgeesten
וְלָעֲגָלִ֖ים
(velaagalim)
en voor de kalveren
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
hij maakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier geen naam bij het werkwoord.

Wij noemen Jerobeam, omdat 1 Kon. 12:31 en 13:33 hetzelfde van hem zeggen.

לַשְּׂעִירִים (lassa’irim), ‘de bokgeesten’: letterlijk ‘de harigen’. Zie Lev. 17:7, waar wij hetzelfde woord zo vertalen. Het is geen gewone bokken.

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. De kalveren van Jerobeam staan in 1 Kon. 12:28–32. De bokgeesten komen in 1 Kon. niet voor.

16Na hen kwamen uit alle stammen van Israël zij die hun hart erop richtten om Yahweh, de Elohim van Israël, te zoeken. Zij kwamen naar Jeruzalem om te offeren aan Yahweh, de Elohim van hun vaderen.
וְאַחֲרֵיהֶ֗ם
(veachareihem)
en na hen
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַנֹּֽתְנִים֙
(hanotenim)
zij die richten
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָבָ֔ם
(levavam)
hun hart
לְבַקֵּ֕שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בָּ֚אוּ
(bau)
zij kwamen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
לִזְבּ֕וֹחַ
(lizboach)
om te offeren
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit vers en vers 17 staan niet in Koningen.

De Kronieken laten zien dat ook gewone Israëlieten uit het noorden naar Jeruzalem trokken, omdat zij Yahweh zochten.

17Zij versterkten het koningschap van Juda. Zij maakten Rechabeam, de zoon van Salomo, sterk, drie jaar lang. Want zij liepen drie jaar lang op de weg van David en Salomo.
וַֽיְחַזְּקוּ֙
(vaychazequ)
en zij versterkten
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְכ֣וּת
(malkhut)
het koningschap van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַֽיְאַמְּצ֛וּ
(vayametsu)
en zij maakten sterk
אֶת
(et)
(obj.)
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְשָׁנִ֣ים
(leshanim)
voor jaren
שָׁל֑וֹשׁ
(shalosh)
drie
כִּ֣י
(ki)
want
הָֽלְכ֗וּ
(halekhu)
zij liepen
בְּדֶ֧רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
דָּוִ֛יד
(david)
David
וּשְׁלֹמֹ֖ה
(ushelomo)
en Salomo
לְשָׁנִ֥ים
(leshanim)
voor jaren
שָׁלֽוֹשׁ
(shalosh)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Drie jaar lang: de tijd tot Rechabeam de wet van Yahweh verliet (12:1).

De ‘weg van David en Salomo’ is hier de weg van trouw aan Yahweh.

De vrouwen en kinderen van Rechabeam

18Rechabeam nam Machalat tot vrouw, de dochter van Jerimot, de zoon van David, en van Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï.
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
ל֤וֹ
(lo)
voor zich
רְחַבְעָם֙
(rechavam)
Rechabeam
אִשָּׁ֔ה
(isha)
tot vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
מָ֣חֲלַ֔ת
(machalat)
Machalat
בַּת
(bat)
dochter van
יְרִימ֖וֹת
(yerimot)
Jerimot
בֶּן
(ben)
zoon van
דָּוִ֑יד
(david)
David
אֲבִיהַ֕יִל
(avihayil)
Abihaïl
בַּת
(bat)
dochter van
אֱלִיאָ֖ב
(eliav)
Eliab
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשָֽׁי
(yishay)
Isaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Machalat is de dochter van Jerimot, een zoon van David, en van Abihaïl, de dochter van Eliab, de broer van David (1 Sam. 17:13).

Lezing

Het Hebreeuws heeft tussen ‘de zoon van David’ en ‘Abihaïl’ geen woord ‘en’.

Zowel Jerimot als Abihaïl worden dus als ouders van Machalat genoemd.

Wij vullen ‘en van’ aan.

Dat Abihaïl de vrouw of de moeder is, volgt uit de enkelvoudige vorm van vers 19: ‘zij beviel hem’.

Het kan ook zijn dat Abihaïl een tweede vrouw is.

Het Hebreeuws zegt het niet.

Een van de twee woorden ‘dochter van’ heeft een ketiv en een qere: de geschreven tekst (ketiv) heeft בן (ben), ‘zoon’, de voorgelezen tekst (qere) heeft בַּת (bat), ‘dochter’. Wij volgen de qere.

19Zij beviel hem van zonen: Jeüs, Sjemarja en Zaham.
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij beviel
ל֖וֹ
(lo)
hem
בָּנִ֑ים
(banim)
zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְע֥וּשׁ
(yeush)
Jeüs
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁמַרְיָ֖ה
(shemarya)
Sjemarja
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זָֽהַם
(zaham)
Zaham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְעוּשׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’: zoals in 1 Kron. 7:10.

שְׁמַרְיָה (Shemaryah), ‘Sjemarja’: zoals in 1 Kron. 12:6.

זַהַם (Zaham), ‘Zaham’: deze naam komt verder niet in onze tekst voor.

20Na haar nam hij Maächa, de dochter van Absalom. Zij beviel hem van Abia, Attai, Ziza en Sjelomit.
וְאַחֲרֶ֣יהָ
(veachareiha)
en na haar
לָקַ֔ח
(laqach)
hij nam
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maächa
בַּת
(bat)
dochter van
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij beviel
ל֗וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִיָּה֙
(aviya)
Abia
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַתַּ֔י
(atay)
Attai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זִיזָ֖א
(ziza)
Ziza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלֹמִֽית
(shelomit)
Sjelomit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Maächa heet hier ‘dochter van Absalom’, zoals in 1 Kon. 15:2.

De moeder van Absalom heette ook Maächa, maar zij was een dochter van Talmai (2 Sam. 3:3).

In 13:2 heet de moeder van Abia ‘Michaja, de dochter van Uriël’.

Wij laten beide zoals het staat.

‘Dochter’ kan in het Hebreeuws ook ‘kleindochter’ betekenen.

אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 14:31).

21Rechabeam hield van Maächa, de dochter van Absalom, meer dan van al zijn vrouwen en bijvrouwen. Want hij had 18 vrouwen genomen en 60 bijvrouwen. Hij verwekte 28 zonen en 60 dochters.
וַיֶּאֱהַ֨ב
(vayeehav)
en hij hield van
רְחַבְעָ֜ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲכָ֣ה
(maakha)
Maächa
בַת
(bat)
dochter van
אַבְשָׁל֗וֹם
(avshalom)
Absalom
מִכָּל
(mikal)
meer dan al
נָשָׁיו֙
(nashav)
zijn vrouwen
וּפִ֣ילַגְשָׁ֔יו
(ufilagshav)
en zijn bijvrouwen
כִּ֠י
(ki)
want
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
שְׁמוֹנֶֽה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
נָשָׂ֔א
(nasa)
hij nam
וּפִֽילַגְשִׁ֖ים
(ufilagshim)
en bijvrouwen
שִׁשִּׁ֑ים
(shishim)
zestig
וַיּ֗וֹלֶד
(vayoled)
en hij verwekte
עֶשְׂרִ֧ים
(esrim)
twintig
וּשְׁמוֹנָ֛ה
(ushemona)
en acht
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
בָּנֽוֹת
(banot)
dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּילַגְשִׁים (pilagshim), ‘bijvrouwen’: vrouwen met een lagere rang dan de eerste vrouwen.

Het getal van 18 vrouwen en 60 bijvrouwen staat alleen hier.

Vergelijk Deut. 17:17.

22Rechabeam stelde Abia, de zoon van Maächa, aan tot hoofd, tot leider onder zijn broers. Want hij wilde hem koning maken.
וַיַּֽעֲמֵ֨ד
(vayaamed)
en hij stelde aan
לָרֹ֧אשׁ
(larosh)
tot hoofd
רְחַבְעָ֛ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִיָּ֥ה
(aviya)
Abia
בֶֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָ֖ה
(maakha)
Maächa
לְנָגִ֣יד
(lenagid)
tot leider
בְּאֶחָ֑יו
(beechav)
onder zijn broers
כִּ֖י
(ki)
want
לְהַמְלִיכֽוֹ
(lehamlikho)
om hem koning te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’, en נָגִיד (nagid), ‘leider’: Rechabeam maakt Abia de eerste onder zijn broers.

Hij wilde hem koning maken: Abia volgt hem later op (12:16).

23Hij handelde verstandig. Hij verspreidde een aantal van zijn zonen over alle landstreken van Juda en Benjamin, over alle vestingsteden. Hij gaf hun voedsel in overvloed. En hij vroeg een grote menigte vrouwen voor hen.
וַיָּבֶן֩
(vayaven)
en hij handelde verstandig
וַיִּפְרֹ֨ץ
(vayifrots)
en hij verspreidde
מִכָּל
(mikal)
uit al
בָּנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
לְֽכָל
(lekhal)
over alle
אַרְצ֧וֹת
(artsot)
landstreken van
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֗ן
(uvinyamin)
en Benjamin
לְכֹל֙
(lekhol)
over alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַמְּצֻר֔וֹת
(hametsurot)
de vestingen
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֛ם
(lahem)
hun
הַמָּז֖וֹן
(hamazon)
het voedsel
לָרֹ֑ב
(larov)
in overvloed
וַיִּשְׁאַ֖ל
(vayishal)
en hij vroeg
הֲמ֥וֹן
(hamon)
menigte van
נָשִֽׁים
(nashim)
vrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּבֶן (wayyaven), ‘hij handelde verstandig’: het werkwoord komt van בִּין (bin), ‘begrijpen, inzicht hebben’.

Het is niet het werkwoord ‘bouwen’ (בָּנָה).

Dit staat in tegenstelling tot Rechabeams eerdere antwoord aan het volk (1 Kon. 12:13–14).

מִכָּל (mikkol), ‘uit alle’: Rechabeam spreidde een deel van zijn zonen over het land. ‘Voor hen’ vullen wij aan: de vrouwen worden voor de zonen gevraagd.