2 Kronieken 11
Rechabeam versterkt Juda
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Rechabeam wil Israël terugwinnen
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 1 Kon. 12:21–24.
Daar staat ‘heel het huis van Juda en de stam Benjamin’; hier ‘het huis van Juda en Benjamin’.
בָּחוּר (bachur), ‘uitgelezen’: een uitgekozen, jonge krijger. Wij vertalen overal ‘uitgelezen’, zoals in 1 Kon. 12:21.
הַמַּמְלָכָה (hammamlakhah), ‘het koninkrijk’: het koninkrijk als staat. Het woord מְלוּכָה (meluchah), ‘koningschap’, staat in vers 17.
אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haElohim), ‘man van Elohim’: een naam voor een profeet.
In 1 Kon. 12:22 staat ‘het woord van Elohim’; hier staat ‘het woord van Yahweh’.
Wij zetten de opdracht aan Sjemaja zwart, met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’ (vers 4), zoals in 1 Kon. 12:23–24.
Het is een boodschap die Sjemaja moet doorgeven.
‘Heel Israël in Juda en Benjamin’ zijn de Israëlieten die in deze twee stamgebieden wonen. In 1 Kon. 12:23 staat: ‘de rest van het volk’.
מֵאִתִּי נִהְיָה הַדָּבָר הַזֶּה (me’itti nihyah haddavar hazzeh), ‘van Mij is deze zaak gekomen’: Yahweh laat de splitsing van het rijk toe, zoals 1 Kon. 12:15 en 12:24 zeggen.
מִלֶּכֶת (milleket), ‘van het gaan’: zij zagen af van de tocht tegen Jerobeam.
Rechabeam bouwt vestingsteden
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מָצוֹר (matsor), ‘vesting’, en in vers 10 מְצֻרוֹת (metsurot), ‘vestingen’: versterkte steden met muren.
Wij vertalen alle vormen met ‘vesting’.
Betlehem ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Zie Etam (bij Betlehem; ligging onzeker): Dit Etam lag in het bergland van Juda, ten zuiden van Betlehem; Khirbet el-Khokh is voorgesteld.
Het is niet het Etam aan de rand van de woestijn bij Egypte.
Dit is niet zeker.
Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.
Etam ligt waarschijnlijk in de buurt van de Pools van Salomo, ten zuiden van Betlehem. De ligging is onzeker.
Tekoa ligt bij Khirbet Tuqu’, ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.
De steden uit vers 6–10 liggen rondom Jeruzalem en vormen een ring van vestingen in het zuiden, het westen en het bergland van Juda.
Wij nemen aan dat Rechabeam ze versterkte; ‘bouwen’ kan ook ‘herbouwen’ en ‘versterken’ betekenen.
Bet-Tsur ligt bij Khirbet et-Tubeiqah, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is waarschijnlijk.
Zie Soko (Khirbet Shuweikeh): Soko (Khirbet Shuweikeh) lag in de Sefela, aan de zuidkant van het Elahdal.
Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.
Soko (in Juda) ligt bij Khirbet Shuweikeh, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël), in de Sefela. Dat is waarschijnlijk.
Adullam ligt waarschijnlijk bij Tel Adullam, in de Sefela, ongeveer 25 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël).
Gat ligt waarschijnlijk bij Tell es-Safi in de kustvlakte (Israël).
Het is niet zeker of dit de Filistijnse stad Gat is of een andere plaats met dezelfde naam in Juda.
Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.
Zie Zif: Zif wordt gezocht bij Tell Zif, ten zuidoosten van Hebron.
Maresa ligt bij Tel Maresja, naast Bet-Gubrin (Israël), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem. Dat is waarschijnlijk.
Zif ligt bij Tell Zif, ongeveer 7 km ten zuidoosten van Hebron (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.
Adoraïm ligt waarschijnlijk bij Dura, ongeveer 8 km ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever).
Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.
Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.
Lachis ligt bij Tel Lachis (Tell ed-Duweir), ongeveer 40 km ten zuidwesten van Jeruzalem (Israël). Dat is waarschijnlijk.
Azeka ligt bij Tel Azeka, ongeveer 30 km ten westen van Betlehem (Israël). Dat is waarschijnlijk.
Tsora ligt bij Tel Tsora, ongeveer 25 km ten westen van Jeruzalem (Israël).
Dat is waarschijnlijk.
Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.
Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela.
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Ajalon ligt bij het huidige Yalo, ongeveer 23 km ten noordwesten van Jeruzalem, aan de rand van het dal van Ajalon (Westelijke Jordaanoever). Dat is waarschijnlijk.
Hebron ligt ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever). Dat is zeker.
Soko, Adullam, Azeka, Lachis en Maresa komen ook voor in Joz. 15:35, 15:39 en 15:44.
נְגִידִים (negidim), ‘leiders’: zo vertalen wij het woord overal, ook in vers 22 en in 1 Sam. 9:16.
אֹצְרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: hetzelfde woord staat in 12:9 voor de ‘schatten’ van het huis van Yahweh. Het gaat om opslagplaatsen.
צִנּוֹת (tsinnot), ‘grote schilden’: schilden die het hele lichaam bedekken; het kleine schild heet מָגֵן (magen), zoals in 14:7.
Zie ook 1 Kon. 10:16–17.
Het werkwoord ‘zette’ loopt door uit vers 11 (‘plaatste’). Het Hebreeuws heeft het in dit vers niet.
Priesters en Levieten komen naar Juda
הִתְיַצְּבוּ עָלָיו (hityatsevu alav), ‘zij stelden zich naast hem op’: zij kozen zijn kant.
Dit zijn de priesters en de Levieten uit het noordelijke rijk.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rondom de Levietensteden (Num. 35:2–5; Joz. 21).
Hun bezit (אֲחֻזָּה, achuzzah) was het land dat daarbij hoorde.
מִכַּהֵן לַיהוָה (mikkahen laYahweh), ‘van het priesterschap voor Yahweh’: letterlijk ‘van het priester zijn voor Yahweh’. Jerobeam maakte andere priesters; zie 1 Kon. 12:31 en 13:33.
Het Hebreeuws heeft hier geen naam bij het werkwoord.
Wij noemen Jerobeam, omdat 1 Kon. 12:31 en 13:33 hetzelfde van hem zeggen.
לַשְּׂעִירִים (lassa’irim), ‘de bokgeesten’: letterlijk ‘de harigen’. Zie Lev. 17:7, waar wij hetzelfde woord zo vertalen. Het is geen gewone bokken.
בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels. De kalveren van Jerobeam staan in 1 Kon. 12:28–32. De bokgeesten komen in 1 Kon. niet voor.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Dit vers en vers 17 staan niet in Koningen.
De Kronieken laten zien dat ook gewone Israëlieten uit het noorden naar Jeruzalem trokken, omdat zij Yahweh zochten.
Drie jaar lang: de tijd tot Rechabeam de wet van Yahweh verliet (12:1).
De ‘weg van David en Salomo’ is hier de weg van trouw aan Yahweh.
De vrouwen en kinderen van Rechabeam
Machalat is de dochter van Jerimot, een zoon van David, en van Abihaïl, de dochter van Eliab, de broer van David (1 Sam. 17:13).
Het Hebreeuws heeft tussen ‘de zoon van David’ en ‘Abihaïl’ geen woord ‘en’.
Zowel Jerimot als Abihaïl worden dus als ouders van Machalat genoemd.
Wij vullen ‘en van’ aan.
Dat Abihaïl de vrouw of de moeder is, volgt uit de enkelvoudige vorm van vers 19: ‘zij beviel hem’.
Het kan ook zijn dat Abihaïl een tweede vrouw is.
Het Hebreeuws zegt het niet.
Een van de twee woorden ‘dochter van’ heeft een ketiv en een qere: de geschreven tekst (ketiv) heeft בן (ben), ‘zoon’, de voorgelezen tekst (qere) heeft בַּת (bat), ‘dochter’. Wij volgen de qere.
יְעוּשׁ (Ye’ush), ‘Jeüs’: zoals in 1 Kron. 7:10.
שְׁמַרְיָה (Shemaryah), ‘Sjemarja’: zoals in 1 Kron. 12:6.
זַהַם (Zaham), ‘Zaham’: deze naam komt verder niet in onze tekst voor.
Maächa heet hier ‘dochter van Absalom’, zoals in 1 Kon. 15:2.
De moeder van Absalom heette ook Maächa, maar zij was een dochter van Talmai (2 Sam. 3:3).
In 13:2 heet de moeder van Abia ‘Michaja, de dochter van Uriël’.
Wij laten beide zoals het staat.
‘Dochter’ kan in het Hebreeuws ook ‘kleindochter’ betekenen.
אֲבִיָּה (Aviyyah), ‘Abia’: in Koningen heet hij Abijam (אֲבִיָּם, 1 Kon. 14:31).
פִּילַגְשִׁים (pilagshim), ‘bijvrouwen’: vrouwen met een lagere rang dan de eerste vrouwen.
Het getal van 18 vrouwen en 60 bijvrouwen staat alleen hier.
Vergelijk Deut. 17:17.
רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’, en נָגִיד (nagid), ‘leider’: Rechabeam maakt Abia de eerste onder zijn broers.
Hij wilde hem koning maken: Abia volgt hem later op (12:16).
וַיָּבֶן (wayyaven), ‘hij handelde verstandig’: het werkwoord komt van בִּין (bin), ‘begrijpen, inzicht hebben’.
Het is niet het werkwoord ‘bouwen’ (בָּנָה).
Dit staat in tegenstelling tot Rechabeams eerdere antwoord aan het volk (1 Kon. 12:13–14).
מִכָּל (mikkol), ‘uit alle’: Rechabeam spreidde een deel van zijn zonen over het land. ‘Voor hen’ vullen wij aan: de vrouwen worden voor de zonen gevraagd.