Elohim Bijbel

2 Kronieken 17

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Josafat versterkt Juda en laat de wet onderwijzen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Josafat wordt koning

1Zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. Hij maakte zich sterk tegen Israël.
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּ֑יו
(tachtav)
in zijn plaats
וַיִּתְחַזֵּ֖ק
(vayitchazeq)
en maakte zich sterk
עַל
(al)
tegen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk volgt op het verhaal van Asa.

Josafat is de zoon van Asa; zie 1 Kon. 22:41.

עַל־יִשְׂרָאֵל (al Yisra'el), ‘tegen Israël’: het woord ‘al’ kan ook ‘over’ of ‘tegenover’ betekenen. De tekst zegt niet hoe Josafat zich sterk maakte. Wij vertalen ‘tegen Israël’; in 18:1 sluit hij een verbond met Achab.

2Hij legde troepen in alle versterkte steden van Juda. Ook stelde hij bezettingen aan in het land Juda en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa had veroverd.
וַיִּ֨תֶּן
(vayiten)
en gaf
חַ֔יִל
(chayil)
leger
בְּכָל
(bekhal)
in alle
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
הַבְּצֻר֑וֹת
(habetsurot)
de versterkte
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
נְצִיבִים֙
(netsivim)
bezettingen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in steden van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָכַ֖ד
(lakhad)
had veroverd
אָסָ֥א
(asa)
Asa
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’: aangestelde mannen of troepen die een stad bewaken.

Het woord hangt samen met het ‘aangestelde’ in 1 Kon. 22:48.

De steden van Efraïm zijn de steden die Asa had veroverd; zie 2 Kron. 15:8.

Yahweh is met Josafat

3Yahweh was met Josafat, want hij liep op de eerste wegen van David, zijn vader. Hij zocht de Baäls niet.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
יְהוֹשָׁפָ֑ט
(yehoshafat)
Josafat
כִּ֣י
(ki)
want
הָלַ֗ךְ
(halakh)
hij liep
בְּדַרְכֵ֞י
(bedarkhei)
in wegen van
דָּוִ֤יד
(david)
David
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(harishonim)
de eerste
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
דָרַ֖שׁ
(darash)
zocht hij
לַבְּעָלִֽים
(labealim)
de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרִאשֹׁנִים (harishonim), ‘de eerste’: de tekst zegt niet waarop ‘eerste’ slaat.

Wij vertalen letterlijk, zonder iets toe te voegen.

הַבְּעָלִים (haba'alim), ‘de Baäls’: het meervoud. Het gaat om de afgoden die onder de naam Baäl worden gediend.

4Want hij zocht de Elohim van zijn vader. Hij liep in Zijn geboden en deed niet wat Israël deed.
כִּ֠י
(ki)
want
לֵֽאלֹהֵ֤י
(lelohei)
naar Elohim van
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
דָּרָ֔שׁ
(darash)
zocht hij
וּבְמִצְוֺתָ֖יו
(uvemitsvotav)
en in Zijn geboden
הָלָ֑ךְ
(halakh)
liep hij
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
כְּמַעֲשֵׂ֥ה
(kemaase)
zoals het doen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִצְוֹת (mitsvot), ‘geboden’: de geboden van Yahweh.

Het woord ‘Zijn’ verwijst naar de Elohim van zijn vader.

5Yahweh bevestigde het koningschap in zijn hand. Heel Juda gaf Josafat geschenken. Hij kreeg rijkdom en eer in overvloed.
וַיָּ֨כֶן
(vayakhen)
en bevestigde
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koningschap
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּתְּנ֧וּ
(vayitenu)
en gaven
כָל
(kal)
heel
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
מִנְחָ֖ה
(mincha)
geschenk
לִיהוֹשָׁפָ֑ט
(lihoshafat)
aan Josafat
וַֽיְהִי
(vayhi)
en was
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
עֹֽשֶׁר
(osher)
rijkdom
וְכָב֖וֹד
(vekhavod)
en eer
לָרֹֽב
(larov)
in overvloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier geen offer maar een gave van een volk aan zijn koning.

Zie ook vers 11.

In offerwetten vertalen wij het woord met ‘graanoffer’.

6Zijn hart kreeg moed op de wegen van Yahweh. Hij verwijderde bovendien de hoogten en de heilige palen uit Juda.
וַיִּגְבַּ֥הּ
(vayigbah)
en werd hoog
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
בְּדַרְכֵ֣י
(bedarkhei)
op de wegen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְע֗וֹד
(veod)
en bovendien
הֵסִ֛יר
(hesir)
verwijderde hij
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֥וֹת
(habamot)
de hoogten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲשֵׁרִ֖ים
(haasherim)
de heilige palen
מִיהוּדָֽה
(mihuda)
uit Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is het zuidelijke koninkrijk en stamgebied rond Jeruzalem en Hebron.

Uitleg

וַיִּגְבַּהּ לִבּוֹ (vayigbah libbo), ‘zijn hart werd hoog’: hier in goede zin, moed en vastberadenheid voor de wegen van Yahweh.

Elders kan hetzelfde woord trots betekenen.

Wij schrijven ‘kreeg moed’.

אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’: houten palen of heilige bomen bij een heiligdom, ook verbonden met de godin Asjera. Zie 2 Kron. 15:16.

הַבָּמוֹת (habamot), ‘de hoogten’: offerplaatsen buiten Jeruzalem; zie Deut. 12:2–14. Volgens 1 Kon. 22:44 verdwenen de hoogten niet. Wij vertalen beide teksten zoals zij zijn.

De wet wordt onderwezen in de steden van Juda

7In het derde jaar van zijn regering zond hij zijn oversten Ben-Chaïl, Obadja, Zacharia, Netanel en Micha om les te geven in de steden van Juda.
וּבִשְׁנַ֨ת
(uvishnat)
en in het jaar van
שָׁל֜וֹשׁ
(shalosh)
drie
לְמָלְכ֗וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
שָׁלַ֤ח
(shalach)
zond hij
לְשָׂרָיו֙
(lesarav)
zijn oversten
לְבֶן
(leven)
Ben
חַ֨יִל֙
(chayil)
Chaïl
וּלְעֹבַדְיָ֣ה
(uleovadya)
en Obadja
וְלִזְכַרְיָ֔ה
(velizkharya)
en Zacharia
וְלִנְתַנְאֵ֖ל
(velintanel)
en Netanel
וּלְמִיכָיָ֑הוּ
(ulemikhayahu)
en Micha
לְלַמֵּ֖ד
(lelamed)
om te onderwijzen
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in steden van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־חַיִל (ben-chayil), ‘Ben-Chaïl’: letterlijk ‘zoon van kracht’.

Wij nemen het als een naam, zoals de andere namen in de lijst.

Het kan ook een beschrijving zijn.

De tekst zegt niet meer.

מִיכָיָהוּ (Micha): de naam is dezelfde als die van de profeet Micha, de zoon van Jimla (2 Kron. 18:8). Het is waarschijnlijk een andere man.

לְלַמֵּד (lelammed), ‘om les te geven’: het onderwijzen van de wet; zie vers 9.

8Bij hen waren de Levieten Sjemaja, Netanja, Zebadja, Asaël, Sjemiramot, Jonatan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten. Bij hen waren ook de priesters Elisjama en Joram.
וְעִמָּהֶ֣ם
(veimahem)
en met hen
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
שְֽׁמַֽעְיָ֡הוּ
(shemayahu)
Sjemaja
וּנְתַנְיָ֡הוּ
(unetanyahu)
en Netanja
וּזְבַדְיָ֡הוּ
(uzevadyahu)
en Zebadja
וַעֲשָׂהאֵ֡ל
(vaasahel)
en Asaël
וּשְׁמִֽירָמ֡וֹת
(ushemiramot)
en Sjemiramot
וִֽיהוֹנָתָן֩
(vihonatan)
en Jonatan
וַאֲדֹ֨נִיָּ֧הוּ
(vaadoniyahu)
en Adonia
וְטֽוֹבִיָּ֛הוּ
(vetoviyahu)
en Tobia
וְט֥וֹב
(vetov)
en Tob
אֲדוֹנִיָּ֖ה
(adoniya)
Adonia
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
וְעִמָּהֶ֛ם
(veimahem)
en met hen
אֱלִישָׁמָ֥ע
(elishama)
Elisjama
וִֽיהוֹרָ֖ם
(vihoram)
en Joram
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Tob-Adonia’ (טוֹב אֲדוֹנִיָּה) is één naam; ‘Tobia’ (טוֹבִיָּהוּ) is een andere man.

Samen met de vijf oversten van vers 7 gaat het om zestien mannen: vijf oversten, negen Levieten en twee priesters.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft וּשְׁמֵרִימוֹת, de gelezen tekst (qere) וּשְׁמִירָמוֹת (Sjemiramot).

Wij volgen de qere.

Zo staat de naam ook in 1 Kron. 15:18.

9Zij onderwezen in Juda. Het boek van de wet van Yahweh was bij hen. Zij trokken rond door alle steden van Juda en onderwezen onder het volk.
וַֽיְלַמְּדוּ֙
(vaylamedu)
en zij onderwezen
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
in Juda
וְעִ֨מָּהֶ֔ם
(veimahem)
en met hen
סֵ֖פֶר
(sefer)
boek van
תּוֹרַ֣ת
(torat)
wet van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּסֹ֨בּוּ֙
(vayasobu)
en zij trokken rond
בְּכָל
(bekhal)
door alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַֽיְלַמְּד֖וּ
(vaylamedu)
en zij onderwezen
בָּעָֽם
(baam)
onder het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het boek van de wet van Yahweh.

Zie ook Deut. 31:9–13.

וַיְלַמְּדוּ (vayelammedu), ‘zij onderwezen’: het woord komt twee keer voor in dit vers. De wet werd in alle steden van Juda aan het volk onderwezen.

Josafats macht

10De schrik van Yahweh kwam over alle koninkrijken van de landen rondom Juda. Zij voerden geen oorlog tegen Josafat.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
פַּ֣חַד
(pachad)
schrik van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָֽאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
סְבִיב֣וֹת
(sevivot)
rondom
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִלְחֲמ֖וּ
(nilchamu)
streden zij
עִם
(im)
met
יְהוֹשָׁפָֽט
(yehoshafat)
Josafat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחַד יְהוָה (pachad Yahweh), ‘de schrik van Yahweh’: een angst die Yahweh zelf op mensen legt.

Zo vertalen wij het ook in 1 Sam. 11:7.

11Sommige Filistijnen brachten Josafat geschenken en zilver als tribuut. Ook de Arabieren brachten hem kleinvee: 7700 rammen en 7700 bokken.
וּמִן
(umin)
en van
פְּלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
מְבִיאִ֧ים
(meviim)
brengend
לִֽיהוֹשָׁפָ֛ט
(lihoshafat)
aan Josafat
מִנְחָ֖ה
(mincha)
geschenk
וְכֶ֣סֶף
(vekhesef)
en zilver
מַשָּׂ֑א
(masa)
last
גַּ֣ם
(gam)
ook
הָֽעַרְבִיאִ֗ים
(haarviim)
de Arabieren
מְבִיאִ֥ים
(meviim)
brengend
לוֹ֙
(lo)
aan hem
צֹ֕אן
(tson)
kleinvee
אֵילִ֔ים
(eilim)
rammen
שִׁבְעַ֤ת
(shivat)
zeven
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
וּשְׁבַ֣ע
(usheva)
en zeven
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
וּתְיָשִׁ֕ים
(uteyashim)
en bokken
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וּשְׁבַ֥ע
(usheva)
en zeven
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: zie vers 5.

מַשָּׂא (massa), ‘tribuut’: letterlijk ‘last’, wat men moet dragen: een belasting van zilver. Wij schrijven ‘tribuut’.

עַרְבִיאִים (Arabieren): het volk uit de woestijn ten oosten en zuiden van Juda. Zie ook 1 Kon. 10:15 (koningen van Arabië).

Het getal 7700 voor zowel rammen als bokken staat zo in de tekst.

12Josafat werd steeds groter, tot hij uiterst machtig was. Hij bouwde in Juda burchten en voorraadsteden.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en was
יְהוֹשָׁפָ֛ט
(yehoshafat)
Josafat
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaand
וְגָדֵ֖ל
(vegadel)
en groot wordend
עַד
(ad)
tot
לְמָ֑עְלָה
(lemaela)
boven
וַיִּ֧בֶן
(vayiven)
en bouwde
בִּֽיהוּדָ֛ה
(bihuda)
in Juda
בִּירָנִיּ֖וֹת
(biraniyot)
burchten
וְעָרֵ֥י
(vearei)
en steden van
מִסְכְּנֽוֹת
(miskenot)
voorraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּירָנִיּוֹת (biraniyot), ‘burchten’: versterkte gebouwen.

מִסְכְּנוֹת (miskenot), ‘voorraadsteden’: steden waar voorraden werden bewaard. Zie 1 Kon. 9:19.

13Hij had veel werk in de steden van Juda. In Jeruzalem had hij krijgers, dappere mannen.
וּמְלָאכָ֥ה
(umelakha)
en werk
רַבָּ֛ה
(raba)
veel
הָ֥יָה
(haya)
was
ל֖וֹ
(lo)
hem
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְאַנְשֵׁ֧י
(veanshei)
en mannen van
מִלְחָמָ֛ה
(milchama)
oorlog
גִּבּ֥וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מְלָאכָה (melakhah), ‘werk’: het woord kan ook ‘bezit’ of ‘voorraad’ betekenen.

De tekst zegt niet precies wat Josafat in de steden had.

Wij vertalen ‘veel werk’.

Zijn krijgers

14Dit is hun telling naar hun families. Voor Juda: de aanvoerders van duizendtallen. Adna, de overste, en met hem 300.000 dappere mannen.
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dit
פְקֻדָּתָ֖ם
(pequdatam)
hun telling
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar huis van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaderen
לִֽיהוּדָה֙
(lihuda)
voor Juda
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
אֲלָפִ֔ים
(alafim)
duizendtallen
עַדְנָ֣ה
(adna)
Adna
הַשָּׂ֔ר
(hasar)
de overste
וְעִמּוֹ֙
(veimo)
en met hem
גִּבּ֣וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלֶף (eleph), ‘duizend’: het woord kan ook ‘familie’ of ‘onderdeel van een stam’ betekenen (Richt. 6:15).

Wij vertalen de getallen letterlijk als cijfers.

Het totaal van de legers is 300.000 (Adna), 280.000 (Jochanan), 200.000 (Amasja), 200.000 (Eljada) en 180.000 (Jozabad). Wij rekenen dit niet verder uit.

15Naast hem was Jochanan, de overste, en met hem 280.000.
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
יְהוֹחָנָ֣ן
(yehochanan)
Jochanan
הַשָּׂ֑ר
(hasar)
de overste
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
וּשְׁמוֹנִ֖ים
(ushemonim)
en tachtig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Naast hem was Amasja, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig had aangeboden voor Yahweh, en met hem 200.000 dappere mannen.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
עֲמַסְיָ֣ה
(amasya)
Amasja
בֶן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֔י
(zikhri)
Zichri
הַמִּתְנַדֵּ֖ב
(hamitnadev)
de vrijwillige
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמִּתְנַדֵּב (hamitnadev), ‘die zich vrijwillig had aangeboden’: iemand die uit eigen wil iets aan Yahweh geeft of doet.

De tekst zegt niet wat Amasja deed.

Zie ook Richt. 5:2.

17Uit Benjamin: Eljada, een dappere held, en met hem 200.000 man, bewapend met boog en schild.
וּמִ֨ן
(umin)
en uit
בִּנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
אֶלְיָדָ֑ע
(elyada)
Eljada
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
נֹֽשְׁקֵי
(nosheqei)
gewapenden met
קֶ֥שֶׁת
(qeshet)
boog
וּמָגֵ֖ן
(umagen)
en schild
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹשְׁקֵי קֶשֶׁת וּמָגֵן (nosheqei qeshet umagen), ‘bewapend met boog en schild’: boogschutters met een schild.

Benjamin staat bekend om zijn boogschutters; zie 1 Kron. 12:2.

18Naast hem was Jozabad, en met hem 180.000 man, toegerust voor het leger.
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
יְהוֹזָבָ֑ד
(yehozavad)
Jozabad
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
מֵאָֽה
(mea)
honderd
וּשְׁמוֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
חֲלוּצֵ֥י
(chalutsei)
toegerusten van
צָבָֽא
(tsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Dit zijn zij die de koning dienden, behalve degenen die de koning had geplaatst in de versterkte steden in heel Juda.
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
הַמְשָׁרְתִ֣ים
(hamsharetim)
de dienenden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִלְּבַ֞ד
(milevad)
afgezien van
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
had geplaatst
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in steden van
הַמִּבְצָ֖ר
(hamivtsar)
de versterking
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze mannen dienden de koning in Jeruzalem.

De bezettingen in de versterkte steden van Juda (vers 2) staan hier los van.

Wij vertalen letterlijk.