Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Josia viert het Pesach
1Josia vierde in Jeruzalem het Pesach voor Yahweh. Zij slachtten het Pesach op de veertiende van de eerste maand.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en vierde
יֹאשִׁיָּ֧הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בִֽירוּשָׁלִַ֛ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
פֶּ֖סַח
(pesach)
Pesach
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיִּשְׁחֲט֣וּ
(vayishchatu)
en zij slachtten
הַפֶּ֔סַח
(hapesach)
het Pesach
בְּאַרְבָּעָ֥ה
(bearbaa)
op vier
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
in de maand
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Kon. 23:21–23 (het Pesach) en 2 Kon. 23:28–30 (de dood van Josia).
Kronieken vertelt het Pesach veel uitvoeriger dan Koningen.
פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: het woord noemt zowel het feest als het dier dat geslacht wordt. Wij schrijven ‘Pesach’ en ‘het Pesach slachten’, zoals in Exod. 12 en Deut. 16:1–8.
De veertiende dag van de eerste maand is de dag van het Pesach (Exod. 12:6, Lev. 23:5, Num. 28:16).
3Hij zei tegen de Levieten, die heel Israël onderwijzen en aan Yahweh geheiligd zijn. Hij zei: „Zet de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, heeft gebouwd. Het is geen last meer voor jullie schouder. Dien nu Yahweh, jullie Elohim, en Zijn volk Israël.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לַ֠לְוִיִּם
(lalviyim)
tegen de Levieten
הַמְּבִינִ֨ים
(hamevinim)
die onderwijzen
לְכָל
(lekhal)
heel
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
הַקְּדוֹשִׁ֣ים
(haqedoshim)
de geheiligden
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
aan Yahweh
תְּנ֤וּ
(tenu)
plaats
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרוֹן
(aron)
ark van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
de heiligheid
בַּ֠בַּיִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
בָּנָ֜ה
(bana)
heeft gebouwd
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
בֶן
(ben)
zoon van
דָּוִיד֙
(david)
David
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵין
(ein)
er is niet
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
מַשָּׂ֖א
(masa)
last
בַּכָּתֵ֑ף
(bakatef)
op de schouder
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
עִבְדוּ֙
(ivdu)
dient
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
עַמּ֥וֹ
(amo)
Zijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
אֲרוֹן הַקֹּדֶשׁ (aron haqodesh), ‘de heilige ark’: de ark van het verbond (Exod. 25:10–22). De tekst zegt niet waarom de ark verplaatst moest worden of waar hij tot dan toe stond. Wij voegen daar niets aan toe.
אֵין לָכֶם מַשָּׂא בַּכָּתֵף (ein lakhem massa bakkatef), ‘het is geen last voor jullie schouder’: de Levieten droegen de ark vroeger op hun schouders (Num. 7:9, 1 Kron. 15:15). Nu staat hij vast in het huis van Salomo.
De toespraak van Josia loopt door tot vers 6.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat המבונים (hamevonim), in de gelezen tekst (qere) הַמְּבִינִים (hamevinim).
4Maak jullie gereed per vaderhuis, volgens jullie afdelingen. Doe dat volgens het geschrift van David, de koning van Israël, en volgens het geschrift van Salomo, zijn zoon.
וְהָכִ֥ונוּ
(vehakhinu)
en maak gereed
לְבֵית
(leveit)
per huis van
אֲבוֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
כְּמַחְלְקוֹתֵיכֶ֑ם
(kemachleqoteikhem)
volgens jullie afdelingen
בִּכְתָ֗ב
(bikhtav)
volgens het geschrift van
דָּוִיד֙
(david)
David
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּבְמִכְתַּ֖ב
(uvemikhtav)
en volgens het geschrift van
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het ‘geschrift van David’ en het ‘geschrift van Salomo’ verwijzen naar de indeling van de priesters, Levieten, zangers en poortwachters door David (1 Kron. 23–26) en door Salomo (2 Kron. 8:14).
5Ga in het heiligdom staan, per afdeling van de vaderhuizen, voor jullie broeders, de zonen van het volk. En voor de Levieten is er een deel van een vaderhuis.
וְעִמְד֣וּ
(veimdu)
en ga staan
בַקֹּ֗דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
לִפְלֻגּוֹת֙
(liflugot)
volgens de afdelingen van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָֽאָב֔וֹת
(haavot)
de vaders
לַאֲחֵיכֶ֖ם
(laacheikhem)
voor jullie broeders
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַחֲלֻקַּ֥ת
(vachaluqat)
en een deel van
בֵּֽית
(beit)
huis van
אָ֖ב
(av)
een vader
לַלְוִיִּֽם
(lalviyim)
voor de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘en een deel van een vaderhuis voor de Levieten’.
Wij vertalen letterlijk.
Het gaat waarschijnlijk om een indeling waarbij bij elke groep van het volk (een vaderhuis) een groep Levieten hoort, die bij het offeren helpt (zie vers 12–14).
בְּנֵי הָעָם (benei ha’am), ‘de zonen van het volk’: gewone mensen, tegenover de priesters en de Levieten.
7Josia schonk aan de zonen van het volk kleinvee: lammeren en jonge geiten, alles voor de Pesachoffers, voor allen die aanwezig waren. Het waren 30.000 stuks, en 3.000 runderen. Dat kwam uit het bezit van de koning.
וַיָּ֣רֶם
(vayarem)
en schonk
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
לִבְנֵ֪י
(livnei)
aan de zonen van
הָעָ֟ם
(haam)
het volk
צֹ֞אן
(tson)
kleinvee
כְּבָשִׂ֣ים
(kevasim)
lammeren
וּבְנֵֽי
(uvenei)
en jonge
עִזִּים֮
(izim)
geiten
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
לַפְּסָחִים֒
(lapesachim)
voor de Pesachoffers
לְכָל
(lekhal)
voor allen
הַנִּמְצָ֗א
(hanimtsa)
die aanwezig waren
לְמִסְפַּר֙
(lemispar)
tot een aantal van
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וּבָקָ֖ר
(uvaqar)
en runderen
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֑ים
(alafim)
duizend
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
מֵרְכ֥וּשׁ
(merekhush)
uit het bezit van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Ook zijn leiders schonken uit vrije wil aan het volk, aan de priesters en aan de Levieten. Hilkia, Zacharia en Jechiël, de leiders van het huis van Elohim, gaven aan de priesters voor de Pesachoffers 2.600 stuks en 300 runderen.
וְשָׂרָ֞יו
(vesarav)
en zijn leiders
לִנְדָבָ֥ה
(lindava)
als vrijwillige gift
לָעָ֛ם
(laam)
aan het volk
לַכֹּהֲנִ֥ים
(lakohanim)
aan de priesters
וְלַלְוִיִּ֖ם
(velalviyim)
en aan de Levieten
הֵרִ֑ימוּ
(herimu)
schonken
חִלְקִיָּ֨ה
(chilqiya)
Hilkia
וּזְכַרְיָ֜הוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
וִֽיחִיאֵ֗ל
(vichiel)
en Jechiël
נְגִידֵי֙
(negidei)
leiders van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
לַכֹּהֲנִ֞ים
(lakohanim)
aan de priesters
נָתְנ֣וּ
(natenu)
gaven
לַפְּסָחִ֗ים
(lapesachim)
voor de Pesachoffers
אַלְפַּ֨יִם֙
(alpayim)
tweeduizend
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
וּבָקָ֖ר
(uvaqar)
en runderen
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְגִיד בֵּית הָאֱלֹהִים (nagid beit ha’Elohim), ‘leider van het huis van Elohim’: de hoogste opzichter van het huis.
Zie 1 Kron. 9:11, waar Azaria zo heet.
Hilkia is waarschijnlijk de hogepriester uit 2 Kon. 22:4 (zie ook 2 Kron. 34:9).
Het Hebreeuws zegt bij ‘2.600’ en ‘300’ alleen de getallen; in vers 7 staat ‘kleinvee’. Wij schrijven ‘stuks’.
9Kenanja, Sjemaja en Netanel, zijn broers, en Chasabja, Jeïël en Jozabad, de leiders van de Levieten, schonken aan de Levieten voor de Pesachoffers 5.000 stuks en 500 runderen.
וְ֠כָֽנַנְיָהוּ
(vekhananyahu)
en Kenanja
וּשְׁמַֽעְיָ֨הוּ
(ushemayahu)
en Sjemaja
וּנְתַנְאֵ֜ל
(unetanel)
en Netanel
אֶחָ֗יו
(echav)
zijn broers
וַחֲשַׁבְיָ֧הוּ
(vachashavyahu)
en Chasabja
וִיעִיאֵ֛ל
(viiel)
en Jeïël
וְיוֹזָבָ֖ד
(veyozavad)
en Jozabad
שָׂרֵ֣י
(sarei)
leiders van
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
הֵרִ֨ימוּ
(herimu)
schonken
לַלְוִיִּ֤ם
(lalviyim)
aan de Levieten
לַפְּסָחִים֙
(lapesachim)
voor de Pesachoffers
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
vijf
אֲלָפִ֔ים
(alafim)
duizend
וּבָקָ֖ר
(uvaqar)
en runderen
חֲמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶחָיו (achiv), ‘zijn broers’: ‘broer’ kan in het Hebreeuws ook ‘stamverwant’ of ‘collega’ betekenen.
Het ‘zijn’ slaat waarschijnlijk op Kenanja, de eerste naam.
Jeïël (יְעִיאֵל, Ye‘i’el) is een andere man dan Jechiël (יְחִיאֵל, Yechi’el) in vers 8.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat de naam Kenanja in een andere spelling (וכונניהו, Kononyahu), in de gelezen tekst (qere) וְכָנַנְיָהוּ (Kenanjahu).
12Zij zetten het brandoffer apart om het te geven aan de afdelingen van de vaderhuizen van de zonen van het volk. Dat was om het aan Yahweh te brengen, zoals geschreven staat in het boek van Mozes. Zo deden zij ook met de runderen.
וַיָּסִ֨ירוּ
(vayasiru)
en zij zetten apart
הָעֹלָ֜ה
(haola)
het brandoffer
לְ֠תִתָּם
(letitam)
om te geven
לְמִפְלַגּ֤וֹת
(lemiflagot)
aan de afdelingen van
לְבֵית
(leveit)
het huis van
אָבוֹת֙
(avot)
vaders
לִבְנֵ֣י
(livnei)
aan de zonen van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְהַקְרִיב֙
(lehaqriv)
om te brengen
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כַּכָּת֖וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בְּסֵ֣פֶר
(besefer)
in het boek van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וְכֵ֖ן
(vekhen)
en zo
לַבָּקָֽר
(labaqar)
met de runderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָעֹלָה (ha’olah), ‘het brandoffer’: de tekst zegt niet precies welke delen van de dieren bedoeld zijn.
In vers 14 staan ‘het brandoffer en het vet’ naast elkaar.
Wij vertalen zoals het er staat.
Voor de offers in de week van het Pesach, zie Num. 28:16–25.
13Zij kookten het Pesach op het vuur, volgens het recht. De heilige gaven kookten zij in potten, ketels en pannen. Zij brachten ze snel bij alle zonen van het volk.
וַֽיְבַשְּׁל֥וּ
(vayvashelu)
en zij kookten
הַפֶּ֛סַח
(hapesach)
het Pesach
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
op het vuur
כַּמִּשְׁפָּ֑ט
(kamishpat)
volgens het recht
וְהַקֳּדָשִׁ֣ים
(vehaqodashim)
en de heilige gaven
בִּשְּׁל֗וּ
(bishelu)
kookten zij
בַּסִּיר֤וֹת
(basirot)
in de potten
וּבַדְּוָדִים֙
(uvadevadim)
en in de ketels
וּבַצֵּ֣לָח֔וֹת
(uvatselachot)
en in de pannen
וַיָּרִ֖יצוּ
(vayaritsu)
en zij brachten snel
לְכָל
(lekhal)
naar alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בִּשֵּׁל (bishel), ‘koken’: wij vertalen dit werkwoord overal met ‘koken’ (zie Deut. 16:7).
Exod. 12:8–9 zegt dat het vlees van het Pesach op het vuur gebraden moet worden en niet in water gekookt.
Hier staat ‘koken op het vuur, volgens het recht’.
Wij zeggen niet meer dan de tekst.
קֳדָשִׁים (qodashim), ‘heilige gaven’: de andere offers, die niet het Pesach zelf zijn. Zij worden in vaten gekookt.
14Daarna maakten zij het klaar voor hen en voor de priesters. Want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot in de nacht bezig het brandoffer en het vet op te brengen. De Levieten maakten het klaar voor hen en voor de priesters, de zonen van Aäron.
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
הֵכִ֤ינוּ
(hekhinu)
maakten klaar
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
וְלַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(velakohanim)
en voor de priesters
כִּ֤י
(ki)
want
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
בְּהַֽעֲל֛וֹת
(behaalot)
bij het opbrengen van
הָעוֹלָ֥ה
(haola)
het brandoffer
וְהַחֲלָבִ֖ים
(vehachalavim)
en het vet
עַד
(ad)
tot
לָ֑יְלָה
(layela)
de nacht
וְהַלְוִיִּם֙
(vehalviyim)
en de Levieten
הֵכִ֣ינוּ
(hekhinu)
maakten klaar
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
וְלַכֹּהֲנִ֖ים
(velakohanim)
en voor de priesters
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָהֶם (lahem), ‘voor hen’: de Levieten.
Het slot van het vers maakt dat duidelijk.
De priesters hadden geen tijd om voor zichzelf te zorgen, omdat zij tot in de nacht met de offers bezig waren.
15De zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun plaats, volgens het gebod van David, van Asaf, van Heman en van Jedutun, de ziener van de koning. De poortwachters waren bij elke poort. Zij hoefden hun dienst niet te verlaten, want hun broeders, de Levieten, maakten het voor hen klaar.
וְהַמְשֹֽׁרֲרִ֨ים
(vehamshorarim)
en de zangers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
אָסָ֜ף
(asaf)
Asaf
עַל
(al)
op
מַעֲמָדָ֗ם
(maamadam)
hun plaats
כְּמִצְוַ֤ת
(kemitsvat)
volgens het gebod van
דָּוִיד֙
(david)
David
וְאָסָ֞ף
(veasaf)
en Asaf
וְהֵימָ֤ן
(veheiman)
en Heman
וִֽידֻתוּן֙
(vidutun)
en Jedutun
חוֹזֵ֣ה
(choze)
ziener van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשֹּׁעֲרִ֖ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
לְשַׁ֣עַר
(leshaar)
bij poort
וָשָׁ֑עַר
(vashaar)
en poort
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
לָהֶ֗ם
(lahem)
voor hen
לָסוּר֙
(lasur)
om af te wijken
מֵעַ֣ל
(meal)
van
עֲבֹֽדָתָ֔ם
(avodatam)
hun dienst
כִּֽי
(ki)
want
אֲחֵיהֶ֥ם
(acheihem)
hun broeders
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
הֵכִ֥ינוּ
(hekhinu)
maakten klaar
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמְשֹׁרֲרִים (hamsho’rerim), ‘de zangers’, en הַשֹּׁעֲרִים (hasho’arim), ‘de poortwachters’: zie 1 Kron. 25 en 26 voor hun indeling.
חוֹזֵה הַמֶּלֶךְ (choze hamelekh), ‘de ziener van de koning’: Jedutun. In 1 Kron. 25:5 krijgt Heman dezelfde titel.
16Zo werd op die dag heel de dienst van Yahweh geregeld. Het Pesach werd gevierd en er werden brandoffers opgedragen op het altaar van Yahweh, volgens het gebod van koning Josia.
וַ֠תִּכּוֹן
(vatikon)
en werd geregeld
כָּל
(kal)
heel
עֲבוֹדַ֨ת
(avodat)
de dienst van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te vieren
הַפֶּ֔סַח
(hapesach)
het Pesach
וְהַעֲל֣וֹת
(vehaalot)
en om op te dragen
עֹל֔וֹת
(olot)
brandoffers
עַ֖ל
(al)
op
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּמִצְוַ֖ת
(kemitsvat)
volgens het gebod van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יֹאשִׁיָּֽהוּ
(yoshiyahu)
Josia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De zonen van Israël die aanwezig waren, vierden in die tijd het Pesach en zeven dagen het feest van de ongezuurde broden.
וַיַּעֲשׂ֨וּ
(vayaasu)
en vierden
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
הַֽנִּמְצְאִ֛ים
(hanimtseim)
die aanwezig waren
אֶת
(et)
(obj.)
הַפֶּ֖סַח
(hapesach)
het Pesach
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חַ֥ג
(chag)
feest van
הַמַּצּ֖וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Er was in Israël geen Pesach gevierd zoals dit sinds de dagen van Samuël, de profeet. Geen van alle koningen van Israël vierde het Pesach zoals Josia het vierde. Hij deed dat met de priesters, de Levieten, heel Juda en Israël dat aanwezig was en de inwoners van Jeruzalem.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נַעֲשָׂ֨ה
(naasa)
werd gevierd
פֶ֤סַח
(pesach)
Pesach
כָּמֹ֨הוּ֙
(kamohu)
zoals het
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
מִימֵ֖י
(mimei)
sinds de dagen van
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
עָשׂ֡וּ
(asu)
vierden
כַּפֶּ֣סַח
(kapesach)
zoals het Pesach
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
vierde
יֹֽ֠אשִׁיָּהוּ
(yoshiyahu)
Josia
וְהַכֹּהֲנִ֨ים
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֤ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְיִשְׂרָאֵ֣ל
(veyisrael)
en Israël
הַנִּמְצָ֔א
(hanimtsa)
dat aanwezig was
וְיוֹשְׁבֵ֖י
(veyoshevei)
en de inwoners van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
In 2 Kon. 23:22 staat ‘sinds de dagen van de rechters die Israël richtten’.
Hier staat ‘sinds de dagen van Samuël, de profeet’.
Wij vertalen beide letterlijk.
Over het Pesach van Hizkia, zie 2 Kron. 30.
הַנִּמְצָא (hannimtsa), ‘dat aanwezig was’: zie vers 17.
20Na dit alles, nadat Josia het huis had klaargemaakt, trok Necho, de koning van Egypte, op om te strijden bij Karkemis, aan de Eufraat. Josia trok uit om hem tegemoet te gaan.
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
כָל
(kal)
al
זֹ֗את
(zot)
dit
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
toen
הֵכִ֤ין
(hekhin)
had klaargemaakt
יֹֽאשִׁיָּ֨הוּ֙
(yoshiyahu)
Josia
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
עָלָ֞ה
(ala)
trok op
נְכ֧וֹ
(nekho)
Necho
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּכַרְכְּמִ֖ישׁ
(bekharkemish)
bij Karkemis
עַל
(al)
aan
פְּרָ֑ת
(perat)
de Eufraat
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en hij trok uit
לִקְרָאת֖וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
יֹאשִׁיָּֽהוּ
(yoshiyahu)
Josia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
הַבַּיִת (habayit), ‘het huis’: het huis van Yahweh, de tempel.
Josia had het hersteld en in orde gebracht (zie 2 Kron. 34:8–13).
In 2 Kon. 23:29 staat dat Necho optrok ‘naar de koning van Assyrië’. Kronieken noemt alleen Karkemis.
21Necho stuurde boodschappers naar hem en liet zeggen: „Wat heb ik met u te maken, koning van Juda? Niet tegen u kom ik vandaag, maar naar het huis van mijn oorlog. Elohim heeft gezegd dat ik mij moet haasten. Laat Elohim, die met mij is, met rust, anders vernietigt Hij u.”
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en hij stuurde
אֵלָ֣יו
(elav)
naar hem
מַלְאָכִ֣ים
(malakhim)
boodschappers
לֵאמֹר֩
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
לִּ֨י
(li)
voor mij
וָלָ֜ךְ
(valakh)
en voor u
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
לֹא
(lo)
niet
עָלֶ֨יךָ
(aleikha)
tegen u
אַתָּ֤ה
(ata)
u zelf
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
כִּ֚י
(ki)
maar
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מִלְחַמְתִּ֔י
(milchamti)
mijn oorlog
וֵאלֹהִ֖ים
(vElohim)
en Elohim
אָמַ֣ר
(amar)
heeft gezegd
לְבַֽהֲלֵ֑נִי
(levahaleni)
om mij te haasten
חֲדַל
(chadal)
houd op
לְךָ֛
(lekha)
voor u
מֵאֱלֹהִ֥ים
(meElohim)
met Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמִּ֖י
(imi)
met mij is
וְאַל
(veal)
en niet
יַשְׁחִיתֶֽךָ
(yashchitekha)
opdat Hij u vernietigt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַה לִּי וָלָךְ (mah li valakh), ‘wat heb ik met u te maken?’: letterlijk ‘wat is er voor mij en voor u?’
Dezelfde woorden staan in 1 Kon. 17:18.
בֵּית מִלְחַמְתִּי (beit milchamti), ‘het huis van mijn oorlog’: de tekst zegt niet wie of wat bedoeld wordt. Wij vertalen letterlijk.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij stuurde’. Wij schrijven ‘Necho’.
Een aanspreking met ‘u’ past bij een koning tegen een koning.
Necho zegt hier ‘Elohim’ en niet ‘Yahweh’. Welke god hij bedoelt, zegt de tekst niet. In vers 22 zegt de schrijver dat de woorden van Necho ‘uit de mond van Elohim’ kwamen. Wij vertalen ‘Elohim’ en schrijven ‘Hij’ met een hoofdletter.
לְבַהֲלֵנִי (levahaleni), ‘om mij te haasten’: hetzelfde werkwoord kan ook ‘angst aanjagen’ betekenen.
חֲדַל לְךָ מֵאֱלֹהִים (chadal lekha me’Elohim), ‘laat Elohim met rust’: letterlijk ‘houd op voor u van Elohim’. De betekenis is: stop met je te verzetten tegen Elohim.
22Josia keerde zijn gezicht niet van hem af. Hij verkleedde zich om met hem te strijden. Hij luisterde niet naar de woorden van Necho uit de mond van Elohim. Hij kwam om te strijden in de vlakte van Megiddo.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הֵסֵב֩
(hesev)
keerde af
יֹאשִׁיָּ֨הוּ
(yoshiyahu)
Josia
פָנָ֜יו
(panav)
zijn gezicht
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
van hem
כִּ֤י
(ki)
maar
לְהִלָּחֵֽם
(lehilachem)
om te strijden
בּוֹ֙
(bo)
tegen hem
הִתְחַפֵּ֔שׂ
(hitchapes)
verkleedde hij zich
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֛ע
(shama)
luisterde hij
אֶל
(el)
naar
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
נְכ֖וֹ
(nekho)
Necho
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de mond van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיָּבֹ֕א
(vayavo)
en hij kwam
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּבִקְעַ֥ת
(beviqat)
in de vlakte van
מְגִדּֽוֹ
(megido)
Megiddo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De vlakte van Megiddo ligt in het noorden van Israël, bij Tel Megiddo in de Jizreëlvlakte.
Uitleg
הִתְחַפֵּשׂ (hitchappes), ‘verkleedde zich’: hetzelfde werkwoord staat in 1 Kon. 22:30 bij Achab.
מִפִּי אֱלֹהִים (mippi Elohim), ‘uit de mond van Elohim’: de schrijver vat de woorden van Necho op als woorden van Elohim. Zie ook vers 21.
In 2 Kon. 23:29 staat korter dat Necho Josia doodde bij Megiddo.
24Zijn dienaren brachten hem van de wagen af. Zij lieten hem rijden op de tweede wagen die hij had en brachten hem naar Jeruzalem. Hij stierf en werd begraven in de graven van zijn vaderen. Heel Juda en Jeruzalem rouwden om Josia.
וַיַּֽעֲבִירֻ֨הוּ
(vayaaviruhu)
en zij brachten hem over
עֲבָדָ֜יו
(avadav)
zijn dienaren
מִן
(min)
van
הַמֶּרְכָּבָ֗ה
(hamerkava)
de wagen
וַֽיַּרְכִּיבֻהוּ֮
(vayarkivuhu)
en zij lieten hem rijden
עַ֣ל
(al)
op
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagen van
הַמִּשְׁנֶה֮
(hamishne)
de tweede
אֲשֶׁר
(asher)
die
לוֹ֒
(lo)
van hem
וַיּוֹלִיכֻ֨הוּ֙
(vayolikhuhu)
en zij brachten hem
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיָּ֕מָת
(vayamat)
en hij stierf
וַיִּקָּבֵ֖ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּקִבְר֣וֹת
(beqivrot)
in de graven van
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
מִֽתְאַבְּלִ֖ים
(mitabelim)
rouwden
עַל
(al)
om
יֹאשִׁיָּֽהוּ
(yoshiyahu)
Josia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
רֶכֶב הַמִּשְׁנֶה (rekhev hamishneh), ‘de tweede wagen’: letterlijk ‘wagen van de tweede’.
De tekst zegt niet precies wat dat is.
In 2 Kon. 23:30 staat: ‘Zijn dienaren vervoerden hem dood, vanuit Megiddo.’ Kronieken laat hem in vers 23 nog spreken en vertelt dat hij in Jeruzalem stierf. Wij vertalen beide teksten letterlijk.
25Jeremia hief een klaaglied aan over Josia. Alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen over Josia, tot op de dag van vandaag. Zij maakten ze tot een vaste regel voor Israël. Zie, ze staan opgeschreven bij de klaagliederen.
וַיְקוֹנֵ֣ן
(vayqonen)
en hief een klaaglied aan
יִרְמְיָהוּ֮
(yirmeyahu)
Jeremia
עַל
(al)
over
יֹאשִׁיָּהוּ֒
(yoshiyahu)
Josia
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
כָֽל
(kal)
alle
הַשָּׁרִ֣ים
(hasharim)
de zangers
וְ֠הַשָּׁרוֹת
(vehasharot)
en de zangeressen
בְּקִינ֨וֹתֵיהֶ֤ם
(beqinoteihem)
in hun klaagliederen
עַל
(al)
over
יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙
(yoshiyahu)
Josia
עַד
(ad)
tot
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּתְּנ֥וּם
(vayitenum)
en zij maakten ze
לְחֹ֖ק
(lechoq)
tot een vaste regel
עַל
(al)
voor
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהִנָּ֥ם
(vehinam)
en zie ze
כְּתוּבִ֖ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
bij
הַקִּינֽוֹת
(haqinot)
de klaagliederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִינוֹת (qinot), ‘klaagliederen’: Jeremia’s klaaglied over Josia.
Welke verzameling met ‘de klaagliederen’ bedoeld is, weten wij niet.
Het boek Klaagliederen wordt ook aan Jeremia toegeschreven, maar de tekst zegt niet dat dit hetzelfde is.
27en zijn daden, de eerste en de laatste: zie, ze staan opgeschreven in het dagboek van de koningen van Israël en Juda.
וּדְבָרָ֕יו
(udevarav)
en zijn zaken
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאַחֲרֹנִ֑ים
(vehaacharonim)
en de laatste
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֔ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֥פֶר
(sefer)
het boek van
מַלְכֵֽי
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָֽה
(vihuda)
en Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל וִיהוּדָה (sefer malkhei yisra’el vihudah), ‘het boek van de koningen van Israël en Juda’: wij schrijven overal ‘dagboek van de koningen’, ook waar het Hebreeuws in Koningen דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘woorden van de dagen’, heeft (1 Kon. 14:19; 2 Kon. 23:28).
Of dit hetzelfde werk is als de boeken Koningen, weten wij niet.