Elohim Bijbel

2 Kronieken 33

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Manasse en Amon, koningen van Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Manasse, koning van Juda

1Manasse was 12 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֛ה
(esre)
tien
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
בְמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וַחֲמִשִּׁ֤ים
(vachamishim)
en vijftig
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst.

Wij rekenen niet na.

Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 2 Kon. 21:1–26. In Kronieken ontbreekt de naam van de moeder van Manasse (Chefzi-Ba, 2 Kon. 21:1). De verzen 10–17 over Manasse in Babel staan alleen in Kronieken.

2Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּתֽוֹעֲבוֹת֙
(ketoavot)
naar de gruwelen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Hizkia had afgebroken. Hij richtte altaren op voor de Baäls en maakte heilige palen. Hij wierp zich neer voor heel het leger van de hemel en diende hen.
וַיָּ֗שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֔וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִתַּ֖ץ
(nitats)
had afgebroken
יְחִזְקִיָּ֣הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיָּ֨קֶם
(vayaqem)
en richtte op
מִזְבְּח֤וֹת
(mizbechot)
altaren
לַבְּעָלִים֙
(labealim)
voor de Baäls
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
אֲשֵׁר֔וֹת
(asherot)
heilige palen
וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙
(vayishtachu)
en wierp zich neer
לְכָל
(lekhal)
voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַֽיַּעֲבֹ֖ד
(vayaavod)
en diende
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen.

Hizkia had ze afgebroken (2 Kron. 31:1; 2 Kon. 18:4).

אֲשֵׁרוֹת (asherot), ‘heilige palen’: houten palen of bomen bij de hoogten, genoemd naar de godin Aschera. In 2 Kon. 21:3 staat het enkelvoud ‘heilige paal’.

הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: meervoud, zoals in 2 Kron. 28:2.

צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren, die als goden werden aanbeden (Deut. 4:19).

4Hij bouwde altaren in het huis van Yahweh, waarvan Yahweh had gezegd: „In Jeruzalem zal Mijn naam zijn voor altijd.”
וּבָנָ֥ה
(uvana)
en bouwde
מִזְבְּח֖וֹת
(mizbechot)
altaren
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
waarvan
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּירוּשָׁלִַ֥ם
(birushalaim)
in Jeruzalem
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
שְּׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het woord van Yahweh dat hier wordt aangehaald, staat ook in 2 Kron. 6:6 en 7:16.

Hier is het een verslag van de verteller.

Daarom staat het in zwart, met aanhalingstekens.

Vergelijk 2 Kon. 21:4, waar de woorden iets anders luiden.

5Hij bouwde altaren voor heel het leger van de hemel in de twee voorhoven van het huis van Yahweh.
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en bouwde
מִזְבְּח֖וֹת
(mizbechot)
altaren
לְכָל
(lekhal)
voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
בִּשְׁתֵּ֖י
(bishtei)
in twee
חַצְר֥וֹת
(chatsrot)
voorhoven van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij liet zijn zonen door het vuur gaan in het dal van de zoon van Hinnom. Hij duidde tekens, zocht voortekenen en bedreef toverij. Hij stelde een dodengeest en waarzeggers in. Hij deed in overvloed wat slecht is in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen.
וְהוּא֩
(vehu)
en hij
הֶעֱבִ֨יר
(heevir)
liet doorgaan
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָ֤יו
(banav)
zijn zonen
בָּאֵשׁ֙
(baesh)
door het vuur
בְּגֵ֣י
(begei)
in het dal van
בֶן
(ben)
zoon van
הִנֹּ֔ם
(hinom)
Hinnom
וְעוֹנֵ֤ן
(veonen)
en duidde tekens
וְנִחֵשׁ֙
(venichesh)
en zocht voortekenen
וְֽכִשֵּׁ֔ף
(vekhishef)
en bedreef toverij
וְעָ֥שָׂה
(veasa)
en stelde in
א֖וֹב
(ov)
dodengeest
וְיִדְּעוֹנִ֑י
(veyideoni)
en waarzeggers
הִרְבָּ֗ה
(hirba)
veel
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֛ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִיסֽוֹ
(lehakhiso)
om Hem tot toorn te prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:8).

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod offeren (Deut. 18:10).

In 2 Kon. 21:6 staat ‘zijn zoon’ in het enkelvoud; hier staat ‘zijn zonen’.

Vergelijk 2 Kron. 28:3.

עוֹנֵן (onen), ‘tekens duiden’, נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen zoeken’, אוֹב (ov), ‘dodengeest’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: dezelfde reeks als in 2 Kon. 21:6 en Deut. 18:10–11. Hier staat één werkwoord extra: כִּשֵּׁף (kishef), ‘toverij bedrijven’.

7Hij zette het gesneden beeld, het afbeeldsel dat hij had gemaakt, in het huis van Elohim. Over dat huis had Elohim tegen David en tegen zijn zoon Salomo gesproken. Hij had gezegd: „In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn naam vestigen voor altijd.
וַיָּ֕שֶׂם
(vayasem)
en zette
אֶת
(et)
(obj.)
פֶּ֥סֶל
(pesel)
gesneden beeld van
הַסֶּ֖מֶל
(hasemel)
het afbeeldsel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֑ה
(asa)
maakte
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarvan
אָמַ֤ר
(amar)
had gezegd
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
דָּוִיד֙
(david)
David
וְאֶל
(veel)
en tot
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בְנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
בַּבַּ֨יִת
(babayit)
in huis
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
וּבִֽירוּשָׁלִַ֗ם
(uvirushalaim)
en in Jeruzalem
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
בָּחַ֨רְתִּי֙
(bacharti)
Ik heb gekozen
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אָשִׂ֥ים
(asim)
Ik zal vestigen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
לְעֵילֽוֹם
(leeilom)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פֶּסֶל הַסֶּמֶל (pesel hasemel), ‘het gesneden beeld, het afbeeldsel’: סֶמֶל (semel) betekent ‘afbeelding’ en staat ook in Deut. 4:16.

In 2 Kon. 21:7 staat ‘het gesneden beeld van de heilige paal’.

De woorden van Elohim aan David en Salomo staan in 1 Kon. 9:3 en 2 Kron. 7:16. Hier zijn zij een verslag van de verteller, daarom zwart. Het citaat loopt door in vers 8.

8En Ik zal de voet van Israël niet meer laten wijken van de grond die Ik voor jullie vaders heb vastgesteld. Alleen: als zij erop letten alles te doen wat Ik hun geboden heb, naar heel de wet, de voorschriften en de rechtsregels, door Mozes.”
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אוֹסִ֗יף
(osif)
Ik zal toevoegen
לְהָסִיר֙
(lehasir)
om te laten wijken
אֶת
(et)
(obj.)
רֶ֣גֶל
(regel)
voet van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֵעַל֙
(meal)
van op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶֽעֱמַ֖דְתִּי
(heemadti)
Ik heb vastgesteld
לַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם
(laavoteikhem)
voor jullie vaders
רַ֣ק
(raq)
alleen
אִם
(im)
als
יִשְׁמְר֣וּ
(yishmeru)
zij letten erop
לַעֲשׂ֗וֹת
(laasot)
om te doen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוִּיתִ֔ים
(tsivitim)
Ik heb geboden
לְכָל
(lekhal)
naar heel
הַתּוֹרָ֛ה
(hatora)
de wet
וְהַֽחֻקִּ֥ים
(vehachuqim)
en de voorschriften
וְהַמִּשְׁפָּטִ֖ים
(vehamishpatim)
en de rechtsregels
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעֱמַדְתִּי (he’emadti), ‘Ik heb vastgesteld’: letterlijk ‘Ik heb laten staan’.

In 2 Kon. 21:8 staat ‘Ik heb gegeven’ en ‘hun vaders’.

Hier staat ‘jullie vaders’, want de woorden zijn gericht tot David en Salomo.

בְּיַד מֹשֶׁה (beyad Mosheh), ‘door de hand van Mozes’: door Mozes gegeven.

9Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen. Zij deden meer kwaad dan de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had vernietigd.
וַיֶּ֣תַע
(vayeta)
en liet dwalen
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
רָ֔ע
(ra)
kwaad
מִן
(min)
meer dan
הַ֨גּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הִשְׁמִ֣יד
(hishmid)
vernietigde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Manasse in Babel

10Yahweh sprak tot Manasse en tot zijn volk, maar zij letten er niet op.
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
וְאֶל
(veel)
en tot
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִקְשִֽׁיבוּ
(hiqshivu)
zij letten op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers staat niet in 2 Kon. 21.

De tekst zegt niet wat Yahweh tot Manasse sprak.

Vergelijk 2 Kon. 21:10–15, waar Yahweh door de profeten spreekt.

Er is hier geen toespraak, dus geen rood.

11Yahweh bracht de legeroversten van de koning van Assyrië over hen. Zij namen Manasse gevangen met haken. Zij bonden hem met koperen boeien en voerden hem weg naar Babel.
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en bracht
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֤י
(sarei)
oversten van
הַצָּבָא֙
(hatsava)
het leger
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
van de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיִּלְכְּד֥וּ
(vayilkedu)
en zij namen gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
בַּחֹחִ֑ים
(bachochim)
met haken
וַיַּֽאַסְרֻ֨הוּ֙
(vayaasruhu)
en zij bonden hem
בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם
(banchushtayim)
met koperen boeien
וַיּוֹלִיכֻ֖הוּ
(vayolikhuhu)
en zij voerden hem weg
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Babel (בָּבֶלָה, bavelah, ‘naar Babel’) is de stad Babel in het zuiden van het huidige Irak.

De tekst noemt de koning van Assyrië niet bij naam.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

חֹחִים (chochim), ‘haken’: het woord kan ook ‘doornen’ betekenen.

Vergelijk 2 Kon. 19:28, waar Yahweh een haak in de neus van de koning van Assyrië legt.

נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen boeien’: letterlijk ‘dubbel koper’.

12Toen hij in nood was, smeekte hij Yahweh, zijn Elohim. Hij vernederde zich zeer voor het aangezicht van de Elohim van zijn vaders.
וּכְהָצֵ֣ר
(ukhehatser)
en toen hij in nood was
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
חִלָּ֕ה
(chila)
smeekte hij
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
וַיִּכָּנַ֣ע
(vayikana)
en vernederde zich
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִלָּה פְּנֵי (chilla penei), ‘het aangezicht zacht maken’: Yahweh om gunst smeken.

Zo vertalen wij ook in Exod. 32:11.

וַיִּכָּנַע (vayikkana), ‘hij vernederde zich’: dit werkwoord is een sleutelwoord in dit verhaal (vers 19 en 23).

13Hij bad tot Hem. Hij liet Zich door hem verbidden, hoorde zijn smeking en bracht hem terug naar Jeruzalem, naar zijn koningschap. Toen wist Manasse dat Yahweh, Hij, de Elohim is.
וַיִּתְפַּלֵּ֣ל
(vayitpalel)
en bad
אֵלָ֗יו
(elav)
tot Hem
וַיֵּעָ֤תֶר
(vayeater)
en Hij liet Zich verbidden
לוֹ֙
(lo)
door hem
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en Hij hoorde
תְּחִנָּת֔וֹ
(techinato)
zijn smeking
וַיְשִׁיבֵ֥הוּ
(vayshivehu)
en Hij bracht hem terug
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
naar Jeruzalem
לְמַלְכוּת֑וֹ
(lemalkhuto)
naar zijn koningschap
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en wist
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
כִּ֥י
(ki)
dat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֥וּא
(hu)
Hij
הָֽאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיֵּעָתֵר לוֹ (vayye’ater lo), ‘Hij liet Zich door hem verbidden’: Yahweh gaf toe aan het gebed.

יְהוָה הוּא הָאֱלֹהִים (Yahweh hu ha’Elohim), ‘Yahweh, Hij is de Elohim’: dezelfde belijdenis als in 1 Kon. 18:39.

Manasse bouwt en herstelt

14Daarna bouwde hij een buitenmuur voor de stad van David, ten westen van Gihon, in het beekdal. Die liep tot aan de ingang van de Vispoort. Hij liet haar om de Ofel lopen en maakte haar zeer hoog. Hij zette bevelhebbers in alle versterkte steden van Juda.
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֡ן
(ken)
dat
בָּנָ֣ה
(bana)
bouwde hij
חוֹמָ֣ה
(choma)
muur
חִֽיצוֹנָ֣ה
(chitsona)
buitenste
לְעִיר
(leir)
voor de stad van
דָּוִ֡יד
(david)
David
מַעְרָבָה֩
(marava)
ten westen
לְגִיח֨וֹן
(legichon)
van Gihon
בַּנַּ֜חַל
(banachal)
in het beekdal
וְלָב֨וֹא
(velavo)
en tot het komen
בְשַׁ֤עַר
(beshaar)
bij de poort van
הַדָּגִים֙
(hadagim)
de Vissen
וְסָבַ֣ב
(vesavav)
en liet rondgaan
לָעֹ֔פֶל
(laofel)
om de Ofel
וַיַּגְבִּיהֶ֖הָ
(vayagbiheha)
en maakte haar hoog
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en zette
שָֽׂרֵי
(sarei)
oversten van
חַ֛יִל
(chayil)
strijdkracht
בְּכָל
(bekhal)
in alle
הֶעָרִ֥ים
(hearim)
de steden
הַבְּצֻר֖וֹת
(habetsurot)
de versterkte
בִּיהוּדָֽה
(bihuda)
in Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gihon is de bron in het Kidrondal, aan de oostkant van de stad van David in Jeruzalem.

De Vispoort lag waarschijnlijk in de noordmuur van de stad; de precieze ligging is onzeker.

De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg (2 Kron. 27:3).

Uitleg

חוֹמָה חִיצוֹנָה (chomah chitsonah), ‘buitenmuur’: een muur buiten de oude stadsmuur.

Hizkia bouwde al een andere muur (2 Kron. 32:5).

15Hij verwijderde de vreemde goden en het afbeeldsel uit het huis van Yahweh. Ook alle altaren die hij had gebouwd op de berg van het huis van Yahweh en in Jeruzalem, wierp hij buiten de stad.
וַ֠יָּסַר
(vayasar)
en verwijderde
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
goden van
הַנֵּכָ֤ר
(hanekhar)
de vreemde
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסֶּ֨מֶל֙
(hasemel)
het afbeeldsel
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַֽמִּזְבְּח֗וֹת
(hamizbechot)
de altaren
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּנָ֛ה
(bana)
hij had gebouwd
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבִירוּשָׁלִָ֑ם
(uvirushalaim)
en in Jeruzalem
וַיַּשְׁלֵ֖ךְ
(vayashlekh)
en wierp
ח֥וּצָה
(chutsa)
naar buiten
לָעִֽיר
(lair)
van de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֱלֹהֵי הַנֵּכָר (elohei hanekhar), ‘de goden van het vreemde’: afgoden van vreemde volken.

Hier staat het woord אֱלֹהִים in het meervoud en vertalen wij ‘goden’.

16Hij bouwde het altaar van Yahweh en offerde daarop vredeoffers en dankoffers. Hij zei tegen Juda dat zij Yahweh, de Elohim van Israël, moesten dienen.
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
altaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּזְבַּ֣ח
(vayizbach)
en offerde
עָלָ֔יו
(alav)
daarop
זִבְחֵ֥י
(zivchei)
slachtoffers van
שְׁלָמִ֖ים
(shelamim)
vredeoffers
וְתוֹדָ֑ה
(vetoda)
en dankoffer
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לִֽיהוּדָ֔ה
(lihuda)
tot Juda
לַעֲב֕וֹד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִבְחֵי שְׁלָמִים (zivchei shelamim), ‘vredeoffers’, en תּוֹדָה (todah), ‘dankoffer’: zie Lev. 7:12.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft וַיָּכֶן (vayyaken), ‘hij richtte op’; het qere is וַיִּבֶן (vayyiven), ‘hij bouwde’.

Wij volgen het qere.

17Maar het volk bracht nog offers op de hoogten, alleen voor Yahweh, hun Elohim.
אֲבָל֙
(aval)
maar
ע֣וֹד
(od)
nog
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
זֹבְחִ֖ים
(zovechim)
offerend
בַּבָּמ֑וֹת
(babamot)
op de hoogten
רַ֖ק
(raq)
alleen
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het slot van Manasse

18De rest van de geschiedenis van Manasse, zijn gebed tot zijn Elohim en de woorden van de zieners: zie, dat staat in de geschiedenis van de koningen van Israël. Die zieners spraken tot hem in de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
zaken van
מְנַשֶּׁה֮
(menashe)
Manasse
וּתְפִלָּת֣וֹ
(utefilato)
en zijn gebed
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהָיו֒
(elohav)
zijn Elohim
וְדִבְרֵי֙
(vedivrei)
en woorden van
הַֽחֹזִ֔ים
(hachozim)
de zieners
הַֽמְדַבְּרִ֣ים
(hamdaberim)
die spraken
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הִנָּ֕ם
(hinam)
zie ze
עַל
(al)
bij
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
zaken van
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (divrei malkhei Yisra’el), ‘de geschiedenis van de koningen van Israël’: het Hebreeuws heeft hier geen woord ‘boek’.

Het is misschien dezelfde kroniek als het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ (2 Kron. 28:26), maar de tekst zegt dat niet.

חֹזִים (chozim), ‘zieners’: profeten die in een visioen zien.

19Zijn gebed en hoe Hij Zich door hem liet verbidden, heel zijn zonde en zijn trouweloosheid, en de plaatsen waar hij hoogten bouwde en de heilige palen en de gesneden beelden oprichtte, voordat hij zich vernederde: zie, dat staat opgeschreven in de woorden van de zieners.
וּתְפִלָּת֣וֹ
(utefilato)
en zijn gebed
וְהֵֽעָתֶר
(veheater)
en dat Hij Zich liet verbidden
לוֹ֮
(lo)
door hem
וְכָל
(vekhal)
en heel
חַטָּאת֣וֹ
(chatato)
zijn zonde
וּמַעְלוֹ֒
(umalo)
en zijn trouweloosheid
וְהַמְּקֹמ֗וֹת
(vehameqomot)
en de plaatsen
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
בָּנָ֨ה
(bana)
hij bouwde
בָהֶ֤ם
(bahem)
daar
בָּמוֹת֙
(bamot)
hoogten
וְהֶעֱמִיד֙
(veheemid)
en richtte op
הָאֲשֵׁרִ֣ים
(haasherim)
de heilige palen
וְהַפְּסִלִ֔ים
(vehapesilim)
en de gesneden beelden
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voordat
הִכָּנְע֑וֹ
(hikaneo)
hij zich vernederde
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֔ים
(ketuvim)
geschreven
עַ֖ל
(al)
bij
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
zaken van
חוֹזָֽי
(chozay)
de zieners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהֵעָתֶר לוֹ (vehe’ater lo), ‘en dat Hij Zich door hem liet verbidden’: de verteller noemt het gebed en de verhoring als twee dingen die in de geschiedenis staan.

מַעְלוֹ (ma’alo), ‘zijn trouweloosheid’: het woord voor ontrouw tegenover Yahweh.

Lezing

חוֹזָי (chozai) kan ‘mijn zieners’ betekenen of de eigennaam Chozai zijn.

Sommige oude vertalingen lezen hier een eigennaam.

Wij vertalen ‘zieners’, zoals in vers 18.

20Manasse ging liggen bij zijn vaderen. Men begroef hem in zijn huis. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַֽיִּקְבְּרֻ֖הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בֵּית֑וֹ
(beito)
in zijn huis
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אָמ֥וֹן
(amon)
Amon
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּיתוֹ (beito), ‘zijn huis’: in 2 Kon. 21:18 staat ‘in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza’.

Kronieken noemt de tuin niet.

Amon, koning van Juda

21Amon was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 2 jaar in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֧ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֛יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
אָמ֣וֹן
(amon)
Amon
בְּמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁתַּ֣יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּֽירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit verhaal van Amon loopt parallel met 2 Kon. 21:19–26.

Kronieken laat de naam van zijn moeder weg (Mesjullemet, 2 Kon. 21:19).

22Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, zoals zijn vader Manasse had gedaan. Amon offerde aan alle gesneden beelden die zijn vader Manasse had gemaakt, en hij diende ze.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַע֙
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en voor alle
הַפְּסִילִ֗ים
(hapesilim)
de gesneden beelden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עָשָׂה֙
(asa)
maakte
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
זִבַּ֥ח
(zibach)
offerde
אָמ֖וֹן
(amon)
Amon
וַיַּֽעַבְדֵֽם
(vayaavdem)
en diende ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij vernederde zich niet voor het aangezicht van Yahweh, zoals zijn vader Manasse zich had vernederd. Want hij, Amon, vermeerderde de schuld.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
נִכְנַע֙
(nikhna)
vernederde zich
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּהִכָּנַ֖ע
(kehikana)
zoals zich vernederde
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
כִּ֛י
(ki)
want
ה֥וּא
(hu)
hij
אָמ֖וֹן
(amon)
Amon
הִרְבָּ֥ה
(hirba)
vermeerderde
אַשְׁמָֽה
(ashma)
schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִכָּנַע (hikkana), ‘zich vernederen’: Amon deed dit niet, anders dan Manasse (vers 12–13).

Daarom werd zijn schuld alleen maar groter.

24Zijn dienaren smeedden een samenzwering tegen hem en doodden hem in zijn huis.
וַיִּקְשְׁר֤וּ
(vayiqsheru)
en smeedden een samenzwering
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיְמִיתֻ֖הוּ
(vaymituhu)
en doodden hem
בְּבֵיתֽוֹ
(beveito)
in zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Het volk van het land sloeg alle samenzweerders tegen koning Amon dood. Het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.
וַיַּכּוּ֙
(vayaku)
en sloegen
עַם
(am)
volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַקֹּֽשְׁרִ֖ים
(haqosherim)
de samenzweerders
עַל
(al)
tegen
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָמ֑וֹן
(amon)
Amon
וַיַּמְלִ֧יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
עַם
(am)
volk van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
יֹאשִׁיָּ֥הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: zie 2 Kon. 21:24.