Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Achazia wordt koning
1De inwoners van Jeruzalem maakten Achazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats. Want de bende die met de Arabieren naar het kamp was gekomen, had alle oudere zonen gedood. Zo werd Achazia, de zoon van Joram, koning van Juda.
וַיַּמְלִיכוּ֩
(vayamlikhu)
en maakten koning
יוֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחַזְיָ֨הוּ
(achazyahu)
Achazia
בְנ֤וֹ
(beno)
zijn zoon
הַקָּטֹן֙
(haqaton)
de jongste
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
in zijn plaats
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
הָרִאשֹׁנִים֙
(harishonim)
de eersten
הָרַ֣ג
(harag)
doodde
הַגְּד֔וּד
(hagedud)
de bende
הַבָּ֥א
(haba)
die kwam
בָֽעַרְבִ֖ים
(baarvim)
met de Arabieren
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
naar het kamp
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֲחַזְיָ֥הוּ
(achazyahu)
Achazia
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹרָ֖ם
(yehoram)
Joram
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Vers 1–6 komen gedeeltelijk overeen met 2 Kon. 8:24–29.
Het verhaal over de bende van de Arabieren staat alleen hier (zie ook 2 Kron. 21:16–17).
הָרִאשֹׁנִים (harishonim), ‘de eersten’: wij vertalen ‘de oudere zonen’, de zonen die eerder geboren waren.
בְּעֲרָבִים (ba’aravim), ‘met de Arabieren’: het kan ook ‘in de woestijnvlakte’ betekenen. Wij volgen de eerste lezing, die past bij 2 Kron. 21:16.
5Ook naar hun raad liep hij. Hij ging met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, ten strijde. Het ging tegen Hazaël, de koning van Aram, bij Ramot in Gilead. De Arameeërs sloegen Joram.
גַּ֣ם
(gam)
ook
בַּעֲצָתָם֮
(baatsatam)
naar hun raad
הָלַךְ֒
(halakh)
liep hij
וַיֵּלֶךְ֩
(vayelekh)
en ging
אֶת
(et)
met
יְהוֹרָ֨ם
(yehoram)
Joram
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֜ב
(achav)
Achab
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לַמִּלְחָמָ֛ה
(lamilchama)
naar de oorlog
עַל
(al)
tegen
חֲזָאֵ֥ל
(chazael)
Hazaël
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
בְּרָמ֣וֹת
(beramot)
bij Ramot
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
הָֽרַמִּ֖ים
(haramim)
de Arameeërs
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹרָֽם
(yoram)
Joram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Ramot in Gilead lag in het noorden van Gilead, oostelijk van de Jordaan.
De ligging is niet zeker; vaak wordt gedacht aan Tell Ramith, in het noorden van het huidige Jordanië.
Zie ook 1 Kon. 22:3.
הָרַמִּים (harammim), ‘de Arameeërs’: een korte schrijfwijze van אֲרַמִּים (aramim). Joram, de koning van Israël, is niet dezelfde man als Joram van Juda.
6Hij keerde terug om in Jizreël te genezen van de wonden die zij hem bij Rama hadden toegebracht. Dat was toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, ging naar Jizreël om Joram, de zoon van Achab, te bezoeken, want die was ziek.
וַיָּ֜שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
לְהִתְרַפֵּ֣א
(lehitrape)
om te genezen
בְיִזְרְעֶ֗אל
(beyizreel)
in Jizreël
כִּ֤י
(ki)
want
הַמַּכִּים֙
(hamakim)
de wonden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִכֻּ֣הוּ
(hikuhu)
hem sloegen
בָֽרָמָ֔ה
(barama)
bij Rama
בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ
(behilachamo)
bij zijn strijden
אֶת
(et)
tegen
חֲזָהאֵ֖ל
(chazahel)
Hazaël
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַעֲזַרְיָ֨הוּ
(vaazaryahu)
en Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹרָ֜ם
(yehoram)
Joram
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָרַ֡ד
(yarad)
ging af
לִרְא֞וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹרָ֧ם
(yehoram)
Joram
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֛ב
(achav)
Achab
בְּיִזְרְעֶ֖אל
(beyizreel)
in Jizreël
כִּי
(ki)
want
חֹלֶ֥ה
(chole)
was ziek
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.
Zie Rama (Ramot in Gilead; ligging onzeker): Rama is hier de korte vorm van Ramot in Gilead.
Het wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Dit is niet zeker.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
Rama (רָמָה, ramah) is een korte vorm van Ramot in Gilead.
Jizreël lag in de vallei van Jizreël, in het noorden van Israël, bij het huidige Zer’in.
Het onderwerp van ‘keerde terug’ is Joram, de koning van Israël. De tekst zegt alleen ‘hij’.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’, voor de koning die ook אֲחַזְיָהוּ (Achazia) heet.
Het zijn twee vormen van dezelfde naam, met de delen omgekeerd.
7Van Elohim kwam de ondergang van Achazia, doordat hij naar Joram ging. Toen hij daar kwam, trok hij met Joram uit naar Jehu, de zoon van Nimsi. Yahweh had hem gezalfd om het huis van Achab uit te roeien.
וּמֵֽאֱלֹהִ֗ים
(umeelohim)
en van Elohim
הָיְתָה֙
(hayeta)
was
תְּבוּסַ֣ת
(tevusat)
ondergang van
אֲחַזְיָ֔הוּ
(achazyahu)
Achazia
לָב֖וֹא
(lavo)
door te komen
אֶל
(el)
naar
יוֹרָ֑ם
(yoram)
Joram
וּבְבֹא֗וֹ
(uvevoo)
en bij zijn komen
יָצָ֤א
(yatsa)
trok hij uit
עִם
(im)
met
יְהוֹרָם֙
(yehoram)
Joram
אֶל
(el)
naar
יֵה֣וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
נִמְשִׁ֔י
(nimshi)
Nimsi
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מְשָׁח֣וֹ
(meshacho)
had gezalfd hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְרִ֖ית
(lehakhrit)
om uit te roeien
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אַחְאָֽב
(achav)
Achab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Toen Jehu het oordeel uitvoerde over het huis van Achab, vond hij de leiders van Juda en de zonen van de broers van Achazia. Zij dienden Achazia. Hij doodde hen.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּהִשָּׁפֵ֥ט
(kehishafet)
toen uitvoerde het oordeel
יֵה֖וּא
(yehu)
Jehu
עִם
(im)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וַיִּמְצָא֩
(vayimtsa)
en vond
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֨י
(sarei)
leiders van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en zonen van
אֲחֵ֧י
(achei)
broers van
אֲחַזְיָ֛הוּ
(achazyahu)
Achazia
מְשָׁרְתִ֥ים
(mesharetim)
dienend
לַאֲחַזְיָ֖הוּ
(laachazyahu)
aan Achazia
וַיַּהַרְגֵֽם
(vayahargem)
en doodde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De zonen van de broers van Achazia’: Joram had zijn broers gedood (2 Kron. 21:4), dus dit zijn hun zonen, de neven van Achazia.
9Zij zochten Achazia en grepen hem, terwijl hij zich in Samaria verborgen hield. Zij brachten hem bij Jehu en doodden hem. Zij begroeven hem, want zij zeiden: „Hij is een zoon van Josafat, die Yahweh zocht met heel zijn hart.” Niemand in het huis van Achazia was sterk genoeg om het koninkrijk te behouden.
וַיְבַקֵּשׁ֩
(vayvaqesh)
en zocht
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחַזְיָ֨הוּ
(achazyahu)
Achazia
וַֽיִּלְכְּדֻ֜הוּ
(vayilkeduhu)
en zij grepen hem
וְה֧וּא
(vehu)
en hij
מִתְחַבֵּ֣א
(mitchabe)
zich verbergend
בְשֹֽׁמְר֗וֹן
(beshomeron)
in Samaria
וַיְבִאֻ֣הוּ
(vayviuhu)
en zij brachten hem
אֶל
(el)
naar
יֵהוּא֮
(yehu)
Jehu
וַיְמִתֻהוּ֒
(vaymituhu)
en zij doodden hem
וַֽיִּקְבְּרֻ֔הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
כִּ֤י
(ki)
want
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zeiden zij
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹשָׁפָ֣ט
(yehoshafat)
Josafat
ה֔וּא
(hu)
hij
אֲשֶׁר
(asher)
die
דָּרַ֥שׁ
(darash)
zocht
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָב֑וֹ
(levavo)
zijn hart
וְאֵין֙
(veein)
en er was niet
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
אֲחַזְיָ֔הוּ
(achazyahu)
Achazia
לַעְצֹ֥ר
(latsor)
om te behouden
כֹּ֖חַ
(koach)
kracht
לְמַמְלָכָֽה
(lemamlakha)
voor het koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
Samaria was de hoofdstad van het noordelijke rijk Israël, het huidige Sebaste, op de Westelijke Jordaanoever.
De werkwoorden in het begin van dit vers staan in het Hebreeuws in het enkelvoud: ‘hij zocht’, ‘hij greep’. Wij vertalen met ‘zij’, voor Jehu en zijn mannen.
In 2 Kon. 9:27 staat dat Achazia naar Megiddo vluchtte en daar stierf. Wij vertalen beide teksten zoals ze staan.
11Maar Josjeba, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Achazia. Zij stal hem weg uit de zonen van de koning die werden gedood. Zij bracht hem met zijn voedster in de slaapkamer. Josjeba, de dochter van koning Joram, de vrouw van Joiada, de priester, verborg hem voor Atalia. Want zij was de zus van Achazia. Atalia doodde hem niet.
וַתִּקַּח֩
(vatiqach)
en nam
יְהוֹשַׁבְעַ֨ת
(yehoshavat)
Josjeba
בַּת
(bat)
dochter van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחַזְיָ֗הוּ
(achazyahu)
Achazia
וַתִּגְנֹ֤ב
(vatignov)
en stal
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
מִתּ֤וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַמּ֣וּמָתִ֔ים
(hamumatim)
die gedood werden
וַתִּתֵּ֥ן
(vatiten)
en plaatste
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֵֽינִקְתּ֖וֹ
(meiniqto)
zijn voedster
בַּחֲדַ֣ר
(bachadar)
in de kamer van
הַמִּטּ֑וֹת
(hamitot)
de bedden
וַתַּסְתִּירֵ֡הוּ
(vatastirehu)
en verborg hem
יְהוֹשַׁבְעַ֣ת
(yehoshavat)
Josjeba
בַּת
(bat)
dochter van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
koning
יְהוֹרָ֡ם
(yehoram)
Joram
אֵשֶׁת֩
(eshet)
vrouw van
יְהוֹיָדָ֨ע
(yehoyada)
Joiada
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
כִּ֣י
(ki)
want
הִיא֩
(hi)
zij
הָיְתָ֨ה
(hayeta)
was
אֲח֧וֹת
(achot)
zus van
אֲחַזְיָ֛הוּ
(achazyahu)
Achazia
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
עֲתַלְיָ֖הוּ
(atalyahu)
Atalia
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֱמִיתָֽתְהוּ
(hemitatehu)
doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוֹשַׁבְעַת (Yehoshav’at), ‘Josjeba’: in 2 Kon. 11:2 staat de vorm Jehoseba (יְהוֹשֶׁבַע, Yehosheva).
Josjeba was de dochter van koning Joram en de vrouw van de priester Joiada.
Zij was de zus van Achazia, waarschijnlijk zijn halfzus (dezelfde vader, andere moeder).
חֲדַר הַמִּטּוֹת (cheder hammittot), ‘de slaapkamer’: letterlijk ‘de kamer van de bedden’. Het kan een bergplaats voor beddengoed zijn, in het huis van Yahweh (vers 12).
Het onderwerp van het laatste zinsdeel, ‘doodde hem niet’, is Atalia; wij noemen haar naam.