Elohim Bijbel

2 Kronieken 9

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De koningin van Sjeba, de rijkdom en de dood van Salomo

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De koningin van Sjeba bij Salomo

1De koningin van Sjeba hoorde de faam van Salomo. Zij kwam om Salomo met raadsels te beproeven, in Jeruzalem. Zij kwam met een zeer groot gevolg: kamelen met specerijen, heel veel goud en edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak met hem over alles wat zij op haar hart had.
וּמַֽלְכַּת
(umalkat)
en de koningin van
שְׁבָ֗א
(sheva)
Sjeba
שָֽׁמְעָה֮
(shamea)
hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣מַע
(shema)
de faam van
שְׁלֹמֹה֒
(shelomo)
Salomo
וַתָּב֣וֹא
(vatavo)
en kwam
לְנַסּוֹת֩
(lenasot)
om te beproeven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֨ה
(shelomo)
Salomo
בְחִיד֜וֹת
(bechidot)
met raadsels
בִּירֽוּשָׁלִַ֗ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
בְּחַ֣יִל
(bechayil)
met een gevolg
כָּבֵ֣ד
(kaved)
zwaar
מְאֹ֡ד
(meod)
zeer
וּ֠גְמַלִּים
(ugemalim)
en kamelen
נֹשְׂאִ֨ים
(noseim)
dragend
בְּשָׂמִ֧ים
(besamim)
specerijen
וְזָהָ֛ב
(vezahav)
en goud
לָרֹ֖ב
(larov)
in menigte
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָ֑ה
(yeqara)
kostbare
וַתָּבוֹא֙
(vatavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וַתְּדַבֵּ֣ר
(vatedaber)
en sprak
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
הָיָ֖ה
(haya)
was
עִם
(im)
met
לְבָבָֽהּ
(levavah)
haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sjeba (שְׁבָא) lag in het zuidwesten van Arabië, waarschijnlijk in het huidige Jemen.

De afstand naar Jeruzalem is meer dan 2.000 kilometer.

De precieze ligging is niet zeker.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt grotendeels parallel met 1 Kon. 10.

De woorden ‘in verband met de naam van Yahweh’ (1 Kon. 10:1) staan hier niet.

חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: moeilijke vragen en spreuken, om te toetsen of iemand echt wijs is.

2Salomo gaf haar uitleg over al haar woorden. Er was niets verborgen voor Salomo wat hij haar niet kon uitleggen.
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en gaf uitleg
לָ֥הּ
(lah)
haar
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
דְּבָרֶ֑יהָ
(devareiha)
haar woorden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נֶעְלַ֤ם
(nelam)
was verborgen
דָּבָר֙
(davar)
iets
מִשְּׁלֹמֹ֔ה
(mishelomo)
voor Salomo
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
לֹ֦א
(lo)
niet
הִגִּ֖יד
(higid)
hij uitlegde
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3De koningin van Sjeba zag de wijsheid van Salomo en het huis dat hij gebouwd had,
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en zag
מַֽלְכַּת
(malkat)
de koningin van
שְׁבָ֔א
(sheva)
Sjeba
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
de wijsheid van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנָֽה
(bana)
hij bouwde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

4het eten op zijn tafel, de zitplaatsen van zijn dienaren, het staan van zijn bedienden en hun kleding, zijn schenkers en hun kleding, en zijn opgang, waarmee hij opging naar het huis van Yahweh. Toen was er geen adem meer in haar.
וּמַאֲכַ֣ל
(umaakhal)
en het eten van
שֻׁלְחָנ֡וֹ
(shulchano)
zijn tafel
וּמוֹשַׁ֣ב
(umoshav)
en de zitplaats van
עֲבָדָיו֩
(avadav)
zijn dienaren
וּמַעֲמַ֨ד
(umaamad)
en het staan van
מְשָׁרְתָ֜יו
(mesharetav)
zijn bedienden
וּמַלְבּֽוּשֵׁיהֶ֗ם
(umalbusheihem)
en hun kleding
וּמַשְׁקָיו֙
(umashqav)
en zijn schenkers
וּמַלְבּ֣וּשֵׁיהֶ֔ם
(umalbusheihem)
en hun kleding
וַעֲלִיָּת֔וֹ
(vaaliyato)
en zijn opgang
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
hij opging
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
was
ע֛וֹד
(od)
meer
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
רֽוּחַ
(ruach)
adem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘adem, geest’: ‘er was geen adem meer in haar’ betekent dat zij overweldigd was en geen woord kon uitbrengen.

Lezing

וַעֲלִיָּתוֹ (va’aliyyato), ‘en zijn opgang’: de trap of de weg waarlangs hij naar het huis van Yahweh opging.

In 1 Kon. 10:5 staat וְעֹלָתוֹ (ve’olato), ‘en zijn brandoffer’.

De twee woorden verschillen in één letter.

Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst.

5Zij zei tegen de koning: „Het was waar wat ik in mijn land gehoord heb over uw woorden en uw wijsheid.
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֱמֶת֙
(emet)
waar
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
ik hoorde
בְּאַרְצִ֑י
(beartsi)
in mijn land
עַל
(al)
over
דְּבָרֶ֖יךָ
(devareikha)
uw woorden
וְעַל
(veal)
en over
חָכְמָתֶֽךָ
(chakhematekha)
uw wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook1 Kon 10:6
6Ik geloofde hun woorden niet, tot ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. En zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet verteld. U overtreft het gerucht dat ik gehoord heb.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הֶאֱמַ֣נְתִּי
(heemanti)
ik geloofde
לְדִבְרֵיהֶ֗ם
(ledivreihem)
hun woorden
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֨אתִי֙
(bati)
ik kwam
וַתִּרְאֶ֣ינָה
(vatireina)
en zagen
עֵינַ֔י
(einay)
mijn ogen
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
לֹ֣א
(lo)
niet
הֻגַּד
(hugad)
is verteld
לִ֔י
(li)
mij
חֲצִ֖י
(chatsi)
de helft
מַרְבִּ֣ית
(marbit)
van de grootheid van
חָכְמָתֶ֑ךָ
(chakhematekha)
uw wijsheid
יָסַ֕פְתָּ
(yasafta)
u hebt toegevoegd
עַל
(al)
aan
הַשְּׁמוּעָ֖ה
(hashemua)
het gerucht
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שָׁמָֽעְתִּי
(shamati)
ik hoorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵרֹב חָכְמָתֶךָ (merov chokhmatekha), ‘de grootheid van uw wijsheid’: letterlijk ‘de menigte van uw wijsheid’.

7Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig zijn deze dienaren van u, die voortdurend voor u staan en uw wijsheid horen!
אַשְׁרֵ֣י
(ashrei)
gelukkig zijn
אֲנָשֶׁ֔יךָ
(anasheikha)
uw mannen
וְאַשְׁרֵ֖י
(veashrei)
en gelukkig zijn
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
הָעֹמְדִ֤ים
(haomedim)
die staan
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor u
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
וְשֹׁמְעִ֖ים
(veshomeim)
en horen
אֶת
(et)
(obj.)
חָכְמָתֶֽךָ
(chakhematekha)
uw wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Gezegend zij Yahweh, uw Elohim, die vreugde in u heeft gehad. Hij heeft u op Zijn troon gezet als koning voor Yahweh, uw Elohim. Omdat uw Elohim Israël liefheeft en het voor altijd wil laten bestaan, heeft Hij u over hen tot koning gemaakt, om recht en gerechtigheid te doen.”
יְהִ֨י
(yehi)
laat zijn
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
uw Elohim
בָּר֔וּךְ
(barukh)
gezegend
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָפֵ֣ץ
(chafets)
vreugde had
בְּךָ֗
(bekha)
in u
לְתִתְּךָ֤
(letitekha)
om u te zetten
עַל
(al)
op
כִּסְאוֹ֙
(kiso)
Zijn troon
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
als koning
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
בְּאַהֲבַ֨ת
(beahavat)
in het liefhebben van
אֱלֹהֶ֤יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְהַעֲמִיד֣וֹ
(lehaamido)
om het te laten bestaan
לְעוֹלָ֔ם
(leolam)
voor altijd
וַיִּתֶּנְךָ֤
(vayitenkha)
en Hij zette u
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
als koning
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
מִשְׁפָּ֥ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָֽה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 1 Kon. 10:9 staat ‘op de troon van Israël’.

Hier staat ‘op Zijn troon’ en ‘als koning voor Yahweh, uw Elohim’: de troon is die van Yahweh.

Zie ook 1 Kron. 28:5 en 29:23.

צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’.

9Zij gaf de koning 120 talent goud en heel veel specerijen en edelstenen. Er was geen specerij zoals die welke de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf.
וַתִּתֵּ֨ן
(vatiten)
en zij gaf
לַמֶּ֜לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֣ים
(veesrim)
en twintig
כִּכַּ֣ר
(kikar)
talent
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
וּבְשָׂמִ֛ים
(uvesamim)
en specerijen
לָרֹ֥ב
(larov)
in menigte
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָ֑ה
(yeqara)
kostbare
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הָיָה֙
(haya)
was
כַּבֹּ֣שֶׂם
(kabosem)
zoals de specerij
הַה֔וּא
(hahu)
die
אֲשֶׁר
(asher)
welke
נָתְנָ֥ה
(natena)
gaf
מַֽלְכַּת
(malkat)
de koningin van
שְׁבָ֖א
(sheva)
Sjeba
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram. 120 talent is dus ongeveer 4.100 kilogram goud.

בְּשָׂמִים (besamim), ‘specerijen’: welriekende stoffen, zoals wierook en balsem.

10Ook de dienaren van Churam en de dienaren van Salomo, die goud uit Ofir brachten, brachten almoeghout en edelstenen.
וְגַם
(vegam)
en ook
עַבְדֵ֤י
(avdei)
de dienaren van
חוּרָם֙
(churam)
Churam
וְעַבְדֵ֣י
(veavdei)
en de dienaren van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵבִ֥יאוּ
(heviu)
brachten
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מֵאוֹפִ֑יר
(meofir)
uit Ofir
הֵבִ֛יאוּ
(heviu)
brachten
עֲצֵ֥י
(atsei)
hout van
אַלְגּוּמִּ֖ים
(algumim)
almoeg
וְאֶ֥בֶן
(veeven)
en steen
יְקָרָֽה
(yeqara)
kostbare
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofir: zie bij 8:18.

Uitleg

אַלְגֻּמִּים (algummim), ‘almoeghout’: in 1 Kon. 10:11 staat אַלְמֻגִּים (almuggim).

Dat is waarschijnlijk dezelfde houtsoort, met twee letters in andere volgorde.

Welke boom het was, weten wij niet zeker.

Daarom houden wij het woord ‘almoeghout’.

Lezing

Er staat een ketiv (חירם, ‘Hiram’) en een qere (חוּרָם, ‘Churam’).

Wij nemen de qere, zoals in 8:2.

11De koning maakte van het almoeghout opgangen voor het huis van Yahweh en voor het huis van de koning. Ook maakte hij lieren en harpen voor de zangers. Zulke dingen waren eerder niet gezien in het land Juda.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַ֠מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצֵ֨י
(atsei)
hout van
הָֽאַלְגּוּמִּ֜ים
(haalgumim)
het almoeg
מְסִלּ֤וֹת
(mesilot)
opgangen
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּלְבֵ֣ית
(uleveit)
en voor het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכִנֹּר֥וֹת
(vekhinorot)
en lieren
וּנְבָלִ֖ים
(unevalim)
en harpen
לַשָּׁרִ֑ים
(lasharim)
voor de zangers
וְלֹא
(velo)
en niet
נִרְא֥וּ
(niru)
werden gezien
כָהֵ֛ם
(kahem)
zoals zij
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
eerder
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְסִלּוֹת (mesillot), ‘opgangen’: het woord hangt samen met een werkwoord voor ‘ophogen’ en kan trappen, terrassen of opgaande wegen betekenen.

De betekenis is onzeker.

In 1 Kon. 10:12 staat een ander woord: מִסְעָד (mis’ad), ‘steunen’.

כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’, en נֵבֶל (nevel), ‘harp’: twee snaarinstrumenten.

12Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba alles wat zij wenste, alles wat zij vroeg, afgezien van wat zij aan de koning had gebracht. Toen keerde zij om en ging naar haar land, zij en haar dienaren.
וְהַמֶּ֨לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
לְמַֽלְכַּת
(lemalkat)
aan de koningin van
שְׁבָ֗א
(sheva)
Sjeba
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
חֶפְצָהּ֙
(cheftsah)
haar wens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
שָׁאָ֔לָה
(shaala)
zij vroeg
מִלְּבַ֖ד
(milevad)
afgezien van
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הֵבִ֣יאָה
(hevia)
zij bracht
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽתַּהֲפֹ֛ךְ
(vatahafokh)
en zij keerde om
וַתֵּ֥לֶךְ
(vatelekh)
en ging
לְאַרְצָ֖הּ
(leartsah)
naar haar land
הִ֥יא
(hi)
zij
וַעֲבָדֶֽיהָ
(vaavadeiha)
en haar dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

Uitleg

מִלְּבַד (millevad), ‘afgezien van’: de tekst zegt niet precies wat bedoeld wordt.

Misschien gaf Salomo haar méér dan wat zij had gebracht.

Wij vertalen letterlijk.

Zie ook 1 Kon. 10:13.

De rijkdom van Salomo

13Het gewicht van het goud dat in één jaar bij Salomo binnenkwam, was 666 talent goud,
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִשְׁקַ֣ל
(mishqal)
het gewicht van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֥א
(ba)
kwam
לִשְׁלֹמֹ֖ה
(lishlomo)
aan Salomo
בְּשָׁנָ֣ה
(beshana)
in jaar
אֶחָ֑ת
(echat)
één
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁשִּׁ֥ים
(veshishim)
en zestig
וָשֵׁ֖שׁ
(vashesh)
en zes
כִּכְּרֵ֥י
(kikerei)
talenten van
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

666 talent is ongeveer 22.600 kilogram goud.

Zie ook 1 Kon. 10:14.

14afgezien van wat de handelsreizigers en de kooplieden brachten. Ook alle koningen van Arabië en de landvoogden van het land brachten goud en zilver naar Salomo.
לְבַ֞ד
(levad)
afgezien van
מֵאַנְשֵׁ֧י
(meanshei)
de mannen van
הַתָּרִ֛ים
(hatarim)
de handelsreizigers
וְהַסֹּחֲרִ֖ים
(vehasocharim)
en de kooplieden
מְבִיאִ֑ים
(meviim)
die brachten
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַלְכֵ֤י
(malkhei)
koningen van
עֲרַב֙
(arav)
Arabië
וּפַח֣וֹת
(ufachot)
en landvoogden van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מְבִיאִ֛ים
(meviim)
die brachten
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
וָכֶ֖סֶף
(vakhesef)
en zilver
לִשְׁלֹמֹֽה
(lishlomo)
aan Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Arabië (ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.

De grenzen zijn niet scherp te trekken.

Uitleg

הַתָּרִים (hattarim), ‘handelsreizigers’: mensen die rondtrekken om handel te drijven.

הַסֹּחֲרִים (hassochrim), ‘kooplieden’.

Zie ook 1 Kon. 10:15.

15Koning Salomo maakte 200 grote schilden van geslagen goud. Er ging 600 sikkel geslagen goud op elk groot schild.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
צִנָּ֖ה
(tsina)
grote schilden
זָהָ֣ב
(zahav)
van goud
שָׁח֑וּט
(shachut)
geslagen
שֵׁ֤שׁ
(shesh)
zes
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
שָׁח֔וּט
(shachut)
geslagen
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
ging op
עַל
(al)
op
הַצִּנָּ֥ה
(hatsina)
het grote schild
הָאֶחָֽת
(haechat)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִנָּה (tsinnah), ‘groot schild’, dat het hele lichaam bedekt, en מָגֵן (magen), ‘klein schild’ (vers 16).

Het Hebreeuws noemt bij ‘600’ geen eenheid. Wij vullen ‘sikkel’ aan, zoals in 1 Kon. 10:16. Een sikkel is ongeveer 11,4 gram; 600 sikkel is dus ongeveer 6,8 kilogram.

16Hij maakte ook 300 kleine schilden van geslagen goud. Er ging 300 sikkel goud op elk klein schild. De koning plaatste ze in het Huis van het Woud van de Libanon.
וּשְׁלֹשׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֤וֹת
(meot)
honderd
מָֽגִנִּים֙
(maginim)
kleine schilden
זָהָ֣ב
(zahav)
van goud
שָׁח֔וּט
(shachut)
geslagen
שְׁלֹ֤שׁ
(shelosh)
drie
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
יַעֲלֶ֖ה
(yaale)
ging op
עַל
(al)
op
הַמָּגֵ֣ן
(hamagen)
het kleine schild
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
één
וַיִּתְּנֵ֣ם
(vayitenem)
en plaatste ze
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּבֵ֖ית
(beveit)
in het huis van
יַ֥עַר
(yaar)
het woud van
הַלְּבָנֽוֹן
(halevanon)
de Libanon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Ook hier noemt het Hebreeuws bij ‘300’ geen eenheid.

Wij vullen ‘sikkel’ aan. 300 sikkel is ongeveer 3,4 kilogram.

In 1 Kon. 10:17 staat ‘3 mina’. Een mina is ongeveer 570 gram (50 sikkel); 3 mina is dus ongeveer 1,7 kilogram. Wij vertalen beide getallen letterlijk.

בֵּית יַעַר הַלְּבָנוֹן (beit ya’ar haLevanon), ‘Huis van het Woud van de Libanon’: een gebouw van Salomo in Jeruzalem (1 Kon. 7:2).

17De koning maakte ook een grote troon van ivoor en bekleedde die met zuiver goud.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en maakte
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּסֵּא
(kise)
troon
שֵׁ֖ן
(shen)
van ivoor
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיְצַפֵּ֖הוּ
(vaytsapehu)
en bekleedde hem
זָהָ֥ב
(zahav)
met goud
טָהֽוֹר
(tahor)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָהָב טָהוֹר (zahav tahor), ‘zuiver goud’.

In 1 Kon. 10:18 staat een ander woord, מוּפָז (mufaz), ‘gezuiverd goud’.

18De troon had zes treden en een voetbank van goud, vastgemaakt aan de troon. Aan beide kanten van de zitplaats waren armleuningen. Twee leeuwen stonden naast de armleuningen.
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en zes
מַעֲל֣וֹת
(maalot)
treden
לַ֠כִּסֵּא
(lakise)
voor de troon
וְכֶ֨בֶשׁ
(vekhevesh)
en een voetbank
בַּזָּהָ֤ב
(bazahav)
van goud
לַכִּסֵּא֙
(lakise)
voor de troon
מָאֳחָזִ֔ים
(maochazim)
vastgemaakt
וְיָד֛וֹת
(veyadot)
en armleuningen
מִזֶּ֥ה
(mize)
aan de ene kant
וּמִזֶּ֖ה
(umize)
en aan de andere kant
עַל
(al)
bij
מְק֣וֹם
(meqom)
de plaats van
הַשָּׁ֑בֶת
(hashavet)
de zitplaats
וּשְׁנַ֣יִם
(ushenayim)
en twee
אֲרָי֔וֹת
(arayot)
leeuwen
עֹמְדִ֖ים
(omedim)
staande
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
הַיָּדֽוֹת
(hayadot)
de armleuningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֶּבֶשׁ (kevesh), ‘voetbank’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is niet zeker.

יָדוֹת (yadot), letterlijk ‘handen’: armleuningen, waar de armen op rusten.

Lezing

In 1 Kon. 10:19 staat ook een ‘kalfskop’ aan de achterkant van de troon.

Dat staat hier niet.

Wij vertalen wat er staat.

19Twaalf leeuwen stonden daar op de zes treden, aan beide kanten. Zoiets was voor geen enkel koninkrijk gemaakt.
וּשְׁנֵ֧ים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֣ר
(asar)
tien
אֲרָי֗וֹת
(arayot)
leeuwen
עֹמְדִ֥ים
(omedim)
staande
שָׁ֛ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
הַֽמַּעֲל֖וֹת
(hamaalot)
de treden
מִזֶּ֣ה
(mize)
van hier
וּמִזֶּ֑ה
(umize)
en van daar
לֹא
(lo)
niet
נַעֲשָׂ֥ה
(naasa)
werd gemaakt
כֵ֖ן
(ken)
zo
לְכָל
(lekhal)
voor alle
מַמְלָכָֽה
(mamlakha)
koninkrijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Alle drinkvaten van koning Salomo waren van goud. Alle vaten van het Huis van het Woud van de Libanon waren van zuiver goud. Zilver werd in de dagen van Salomo nergens voor gerekend.
וְ֠כֹל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֞י
(kelei)
vaten van
מַשְׁקֵ֨ה
(mashqe)
drinken van
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְכֹ֗ל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֛י
(kelei)
vaten van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יַ֥עַר
(yaar)
woud van
הַלְּבָנ֖וֹן
(halevanon)
de Libanon
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
סָג֑וּר
(sagur)
zuiver
אֵ֣ין
(ein)
niet
כֶּ֗סֶף
(kesef)
zilver
נֶחְשָׁ֛ב
(nechshav)
werd gerekend
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לִמְאֽוּמָה
(limuma)
voor iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Huis van het Libanonwoud (Jeruzalem; ligging onzeker): Het Huis van het Libanonwoud was een gebouw van Salomo, vermoedelijk in Jeruzalem; het had zijn naam van het cederhout van de Libanon.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

זָהָב סָגוּר (zahav sagur), ‘zuiver goud’: letterlijk ‘omsloten goud’.

Wij vertalen het zoals in 1 Kon. 6:20 en 10:21.

21Want de schepen van de koning gingen naar Tarsis, met de dienaren van Churam. Eén keer in de drie jaar kwamen de Tarsis-schepen aan, met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.
כִּֽי
(ki)
want
אֳנִיּ֤וֹת
(oniyot)
schepen
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
van de koning
הֹלְכ֣וֹת
(holekhot)
gaande
תַּרְשִׁ֔ישׁ
(tarshish)
naar Tarsis
עִ֖ם
(im)
met
עַבְדֵ֣י
(avdei)
de dienaren van
חוּרָ֑ם
(churam)
Churam
אַחַת֩
(achat)
eens
לְשָׁל֨וֹשׁ
(leshalosh)
per drie
שָׁנִ֜ים
(shanim)
jaren
תָּב֣וֹאנָה
(tavona)
kwamen
אֳנִיּ֣וֹת
(oniyot)
schepen van
תַּרְשִׁ֗ישׁ
(tarshish)
Tarsis
נֹֽשְׂאוֹת֙
(noseot)
dragend
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכֶ֔סֶף
(vakhesef)
en zilver
שֶׁנְהַבִּ֥ים
(shenhabim)
ivoor
וְקוֹפִ֖ים
(veqofim)
en apen
וְתוּכִּיִּֽים
(vetukiyim)
en pauwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tarsis (תַּרְשִׁישׁ) is een ver land aan de zee.

De ligging is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan het zuiden van Spanje; andere voorstellen zijn Sardinië en een plaats in Afrika.

Uitleg

Hier gaan de schepen van de koning ‘naar Tarsis’ (הֹלְכוֹת תַּרְשִׁישׁ), samen met de dienaren van Churam.

In 1 Kon. 10:22 staat ‘een Tarsis-vloot’ samen met de vloot van Hiram.

Een ‘Tarsis-schip’ kan ook een soort schip voor lange zeereizen zijn.

שֶׁנְהַבִּים (shenhabbim), ‘ivoor’; קֹפִים (qofim), ‘apen’; תֻכִּיִּים (tukkiyyim), ‘pauwen’. Het laatste woord is onzeker; het kan ook een andere exotische vogel zijn.

Salomo, groter dan alle koningen

22Koning Salomo werd groter dan alle koningen van de aarde, in rijkdom en in wijsheid.
וַיִּגְדַּל֙
(vayigdal)
en werd groot
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
מִכֹּ֖ל
(mikol)
meer dan alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לְעֹ֖שֶׁר
(leosher)
in rijkdom
וְחָכְמָֽה
(vechakhema)
en wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Alle koningen van de aarde zochten Salomo op om zijn wijsheid te horen, die Elohim in zijn hart had gelegd.
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
מְבַקְשִׁ֖ים
(mevaqshim)
zoekend
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
לִשְׁמֹ֨עַ֙
(lishmoa)
om te horen
אֶת
(et)
(obj.)
חָכְמָת֔וֹ
(chakhemato)
zijn wijsheid
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בְּלִבּֽוֹ
(belibo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie 1 Kon. 3:12: Elohim gaf Salomo een wijs en verstandig hart.

24Zij brachten ieder hun geschenk mee: zilveren vaten en gouden vaten, kleren, wapens, specerijen, paarden en muildieren. Zo ging het jaar na jaar.
וְהֵ֣ם
(vehem)
en zij
מְבִיאִ֣ים
(meviim)
brengend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִנְחָת֡וֹ
(minchato)
zijn geschenk
כְּלֵ֣י
(kelei)
vaten van
כֶסֶף֩
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֨י
(ukhelei)
en vaten van
זָהָ֤ב
(zahav)
goud
וּשְׂלָמוֹת֙
(uselamot)
en kleren
נֵ֣שֶׁק
(nesheq)
wapens
וּבְשָׂמִ֔ים
(uvesamim)
en specerijen
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
וּפְרָדִ֑ים
(uferadim)
en muildieren
דְּבַר
(devar)
aandeel van
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּשָׁנָֽה
(beshana)
in jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah): hier niet het graanoffer, maar een geschenk dat men een koning brengt.

Wij vertalen ‘geschenk’.

25Salomo had 4.000 stallen voor paarden en wagens, en 12.000 ruiters. Hij liet ze achter in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en was
לִשְׁלֹמֹ֜ה
(lishlomo)
aan Salomo
אַרְבַּעַת֩
(arbaat)
vier
אֲלָפִ֨ים
(alafim)
duizend
אֻֽרְי֤וֹת
(uryot)
stallen
סוּסִים֙
(susim)
paarden
וּמַרְכָּב֔וֹת
(umarkavot)
en wagens
וּשְׁנֵים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
פָּרָשִׁ֑ים
(parashim)
ruiters
וַיַּנִּיחֵם֙
(vayanichem)
en hij legde ze neer
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in steden van
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de wagens
וְעִם
(veim)
en bij
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֻרְיוֹת (uryot), ‘stallen’: plaatsen voor paarden.

Lezing

Het getal 4.000 verschilt van 1 Kon. 5:6 (Hebreeuwse telling), waar 40.000 stallen staan (met ook 12.000 ruiters).

Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen letterlijk.

26Hij was heerser over alle koningen, van de Rivier tot het land van de Filistijnen en tot de grens van Egypte.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij was
מוֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heerser
בְּכָל
(bekhal)
over alle
הַמְּלָכִ֑ים
(hamelakhim)
koningen
מִן
(min)
van
הַנָּהָר֙
(hanahar)
de Rivier
וְעַד
(vead)
en tot
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
גְּב֥וּל
(gevul)
de grens van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat, zoals in Gen. 15:18.

Zie ook 1 Kon. 5:1.

27De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo gewoon als stenen. De cederbomen maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen in de Sefela.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֛סֶף
(hakesef)
het zilver
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כָּאֲבָנִ֑ים
(kaavanim)
als stenen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הָאֲרָזִ֗ים
(haarazim)
de cederbomen
נָתַ֛ן
(natan)
hij gaf
כַּשִּׁקְמִ֥ים
(kashiqmim)
als wilde vijgenbomen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּשְּׁפֵלָ֖ה
(bashefela)
in de Sefela
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Sefela (הַשְּׁפֵלָה) is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda, in het zuidwesten van Israël.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met zacht hout die in groten getale in het laagland groeide.

28Er werden paarden voor Salomo gehaald uit Egypte en uit alle landen.
וּמוֹצִיאִ֨ים
(umotsiim)
en brengend uit
סוּסִ֧ים
(susim)
paarden
מִמִּצְרַ֛יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לִשְׁלֹמֹ֖ה
(lishlomo)
voor Salomo
וּמִכָּל
(umikal)
en uit alle
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

In 1 Kon. 10:28 worden ook de paarden uit Kewe genoemd.

Hier staat ‘uit alle landen’.

De dood van Salomo

29De rest van de geschiedenis van Salomo, de eerste en de laatste: staat die niet opgeschreven in de geschiedenis van Natan, de profeet, en in de profetie van Achia uit Silo? Ook in de visioenen van Iddo, de ziener, over Jerobeam, de zoon van Nebat?
וּשְׁאָר֙
(ushear)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de geschiedenis van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאֲחֲרוֹנִ֑ים
(vehaacharonim)
en de laatste
הֲלֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
opgeschreven
עַל
(al)
in
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de geschiedenis van
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וְעַל
(veal)
en in
נְבוּאַ֞ת
(nevuat)
de profetie van
אֲחִיָּ֣ה
(achiya)
Achia
הַשִּֽׁילוֹנִ֗י
(hashiloni)
uit Silo
וּבַחֲזוֹת֙
(uvachazot)
en in de visioenen van
יֶעְדּ֣וֹ
(yedo)
Iddo
הַחֹזֶ֔ה
(hachoze)
de ziener
עַל
(al)
over
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
de zoon van
נְבָֽט
(nevat)
Nebat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’.

Wij houden ‘geschiedenis’, zoals in 1 Kron. 29:29.

De drie werken die hier genoemd worden, kennen wij niet als losse boeken.

Vergelijk 1 Kon. 11:41, waar het ‘boek van de verhalen van Salomo’ wordt genoemd.

הָרִאשֹׁנִים וְהָאַחֲרֹנִים (harishonim vehaacharonim), ‘de eerste en de laatste’: van het begin tot het einde.

הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’. Achia uit Silo is de profeet van 1 Kon. 11:29–39. Wat Achia zei, staat in 1 Kon. 11:31–39.

Lezing

Bij Iddo staat een ketiv (יעדי, ‘Jedi’) en een qere (יֶעְדּוֹ, ‘Jedo’).

Wij nemen de qere en schrijven de naam als Iddo.

Een profeet Iddo wordt ook genoemd in 2 Kron. 12:15 en 13:22.

Of het dezelfde man is, zegt de tekst hier niet.

30Salomo was 40 jaar koning in Jeruzalem, over heel Israël.
וַיִּמְלֹ֨ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
שְׁלֹמֹ֧ה
(shelomo)
Salomo
בִֽירוּשָׁלִַ֛ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook 1 Kon. 11:42.

31Salomo ging bij zijn vaderen liggen. Hij werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Rechabeam werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַֽיִּקְבְּרֻ֔הוּ
(vayiqberuhu)
en begroeven hem
בְּעִ֖יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)