Elohim Bijbel

Jozua 6

123456789101112131415161718192021222324

De val van Jericho en de redding van Rachab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh geeft Jericho in de hand van Jozua

1Jericho was dichtgesloten en op slot vanwege de zonen van Israël. Niemand ging naar buiten en niemand kwam binnen.
וִֽירִיחוֹ֙
(viricho)
en Jericho
סֹגֶ֣רֶת
(sogeret)
was gesloten
וּמְסֻגֶּ֔רֶת
(umesugeret)
en afgesloten
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֵ֥ין
(ein)
niemand
יוֹצֵ֖א
(yotse)
ging naar buiten
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
בָּֽא
(ba)
kwam binnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jericho ligt bij het huidige Jericho (Tel es-Soeltan) op de Westelijke Jordaanoever, ongeveer 10 kilometer ten westen van de Jordaan.

2Yahweh zei tegen Jozua: „Zie, Ik heb Jericho in je hand gegeven, met haar koning en haar dappere krijgers.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
רְאֵה֙
(ree)
zie
נָתַ֣תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
בְיָֽדְךָ֔
(beyadekha)
in je hand
אֶת
(et)
(obj.)
יְרִיח֖וֹ
(yericho)
Jericho
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּ֑הּ
(malkah)
haar koning
גִּבּוֹרֵ֖י
(giborei)
de helden van
הֶחָֽיִל
(hechayil)
de kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

נָתַתִּי (natatti), ‘Ik heb gegeven’: Yahweh spreekt alsof de stad al gegeven is.

Vergelijk Joz. 8:1.

3Jullie moeten rond de stad trekken, alle krijgslieden. Ga één keer rond de stad. Zo moet je zes dagen doen.
וְסַבֹּתֶ֣ם
(vesabotem)
en jullie zullen omringen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
כֹּ֚ל
(kol)
alle
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de oorlog
הַקֵּ֥יף
(haqeif)
rondgaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
פַּ֣עַם
(paam)
keer
אֶחָ֑ת
(echat)
één
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תַעֲשֶׂ֖ה
(taase)
zul je doen
שֵׁ֥שֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zeven priesters moeten zeven ramshoorns dragen, voor de ark uit. Op de zevende dag moeten jullie zeven keer rond de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen.
וְשִׁבְעָ֣ה
(veshiva)
en zeven
כֹהֲנִ֡ים
(kohanim)
priesters
יִשְׂאוּ֩
(yisu)
zullen dragen
שִׁבְעָ֨ה
(shiva)
zeven
שׁוֹפְר֤וֹת
(shoferot)
ramshoorns van
הַיּֽוֹבְלִים֙
(hayovelim)
de rammen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָאָר֔וֹן
(haaron)
de ark
וּבַיּוֹם֙
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
תָּסֹ֥בּוּ
(tasobu)
zullen jullie rondgaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(vehakohanim)
en de priesters
יִתְקְע֖וּ
(yitqeu)
zullen blazen
בַּשּׁוֹפָרֽוֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפְרוֹת הַיּוֹבְלִים (shofrot ha-yovelim), ‘ramshoorns’: hoorns van een ram.

Het woord יוֹבֵל (yovel) betekent ‘ram’ en geeft ook zijn naam aan het jubeljaar (Lev. 25:9).

De ark is hier de ark van het verbond (vers 6).

5Zodra de ramshoorn lang klinkt en jullie het geluid horen, moet heel het volk een groot gejuich aanheffen. Dan zal de muur van de stad ter plekke instorten. Het volk gaat dan omhoog, ieder recht voor zich uit.”
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
בִּמְשֹׁ֣ךְ
(bimshokh)
bij het lang klinken
בְּקֶ֣רֶן
(beqeren)
van de hoorn
הַיּוֹבֵ֗ל
(hayovel)
van de ram
כְּשָׁמְעֲכֶם֙
(keshameakhem)
als jullie horen
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
הַשּׁוֹפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
יָרִ֥יעוּ
(yariu)
zullen juichen
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
תְּרוּעָ֣ה
(terua)
met gejuich
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
groot
וְנָ֨פְלָ֜ה
(venafela)
en zal vallen
חוֹמַ֤ת
(chomat)
de muur van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
תַּחְתֶּ֔יהָ
(tachteiha)
ter plekke
וְעָל֥וּ
(vealu)
en zij zullen opgaan
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
נֶגְדּֽוֹ
(negdo)
recht voor zich uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְתֶּיהָ (tachteha), ‘ter plekke’: letterlijk ‘onder zich’.

De muur zakt op zijn plaats in elkaar.

Zes dagen rond de stad

6Jozua, de zoon van Nun, riep de priesters en zei tegen hen: „Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten zeven ramshoorns dragen, voor de ark van Yahweh uit.”
וַיִּקְרָ֞א
(vayiqra)
en riep
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
de zoon van
נוּן֙
(nun)
Nun
אֶל
(el)
tot
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
שְׂא֖וּ
(seu)
draag
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הַבְּרִ֑ית
(haberit)
het verbond
וְשִׁבְעָ֣ה
(veshiva)
en zeven
כֹֽהֲנִ֗ים
(kohanim)
priesters
יִשְׂאוּ֙
(yisu)
zullen dragen
שִׁבְעָ֤ה
(shiva)
zeven
שֽׁוֹפְרוֹת֙
(shoferot)
ramshoorns van
יוֹבְלִ֔ים
(yovelim)
rammen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Tegen het volk zei hij: „Trek verder en ga rond de stad. De gewapende mannen moeten voor de ark van Yahweh uit gaan.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
עִבְר֖וּ
(ivru)
trek verder
וְסֹ֣בּוּ
(vesobu)
en ga rond
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְהֶ֣חָל֔וּץ
(vehechaluts)
en de gewapende
יַעֲבֹ֕ר
(yaavor)
zal gaan
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלוּץ (chalutz), ‘gewapend’: de toegeruste mannen die voor de ark uit gaan.

Vergelijk Joz. 4:13 en Num. 32:17.

8Toen Jozua dit tegen het volk had gezegd, gingen de zeven priesters met de zeven ramshoorns voor Yahweh uit. Zij bliezen op de ramshoorns. De ark van het verbond van Yahweh ging achter hen aan.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
כֶּאֱמֹ֣ר
(keemor)
toen sprak
יְהוֹשֻׁעַ֮
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הָעָם֒
(haam)
het volk
וְשִׁבְעָ֣ה
(veshiva)
en zeven
הַכֹּהֲנִ֡ים
(hakohanim)
de priesters
נֹשְׂאִים֩
(noseim)
dragend
שִׁבְעָ֨ה
(shiva)
zeven
שׁוֹפְר֤וֹת
(shoferot)
ramshoorns van
הַיּֽוֹבְלִים֙
(hayovelim)
de rammen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עָבְר֕וּ
(averu)
gingen verder
וְתָקְע֖וּ
(vetaqeu)
en bliezen
בַּשּֽׁוֹפָר֑וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
וַֽאֲרוֹן֙
(vaaron)
en de ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
ging
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De gewapende mannen gingen voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen. De achterhoede ging achter de ark aan. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns.
וְהֶחָל֣וּץ
(vehechaluts)
en de gewapende
הֹלֵ֔ךְ
(holekh)
ging
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
תֹּקְעֵ֖י
(toqeei)
die bliezen op
הַשּֽׁוֹפָר֑וֹת
(hashofarot)
de ramshoorns
וְהַֽמְאַסֵּ֗ף
(vehamasef)
en de achterhoede
הֹלֵךְ֙
(holekh)
ging
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הָאָר֔וֹן
(haaron)
de ark
הָל֖וֹךְ
(halokh)
gaande
וְתָק֥וֹעַ
(vetaqoa)
en blazend
בַּשּׁוֹפָרֽוֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאַסֵּף (meassef), ‘achterhoede’: letterlijk ‘wie verzamelt’, de groep die achteraan komt.

Vergelijk Num. 10:25.

10Jozua gebood het volk: „Jullie mogen niet juichen en jullie stem niet laten horen. Er mag geen woord uit jullie mond komen, tot de dag dat ik tegen jullie zeg: ‘Juich!’ Dan moeten jullie juichen.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָם֩
(haam)
het volk
צִוָּ֨ה
(tsiva)
gebood
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לֹ֤א
(lo)
niet
תָרִ֨יעוּ֙
(tariu)
zullen jullie juichen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַשְׁמִ֣יעוּ
(tashmiu)
zullen jullie laten horen
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלְכֶ֔ם
(qolekhem)
jullie stem
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵצֵ֥א
(yetse)
zal komen
מִפִּיכֶ֖ם
(mipikhem)
uit jullie mond
דָּבָ֑ר
(davar)
woord
עַ֠ד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag
אָמְרִ֧י
(ameri)
ik zeg
אֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
tegen jullie
הָרִ֖יעוּ
(hariu)
juich
וַהֲרִיעֹתֶֽם
(vahariotem)
dan zullen jullie juichen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij liet de ark van Yahweh één keer rond de stad gaan. Daarna kwamen zij in het kamp en overnachtten zij in het kamp.
וַיַּסֵּ֤ב
(vayasev)
en hij liet rondgaan
אֲרוֹן
(aron)
de ark van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
הַקֵּ֖ף
(haqef)
rondgaand
פַּ֣עַם
(paam)
keer
אֶחָ֑ת
(echat)
één
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
in het kamp
וַיָּלִ֖ינוּ
(vayalinu)
en overnachtten
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Jozua stond 's ochtends vroeg op. De priesters droegen de ark van Yahweh.
וַיַּשְׁכֵּ֥ם
(vayashkem)
en stond vroeg op
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en droegen
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van Yahweh uit. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns. De gewapende mannen gingen voor hen uit en de achterhoede ging achter de ark van Yahweh aan. Zij liepen en bliezen steeds op de ramshoorns.
וְשִׁבְעָ֣ה
(veshiva)
en zeven
הַכֹּהֲנִ֡ים
(hakohanim)
de priesters
נֹשְׂאִים֩
(noseim)
dragend
שִׁבְעָ֨ה
(shiva)
zeven
שׁוֹפְר֜וֹת
(shoferot)
ramshoorns van
הַיֹּבְלִ֗ים
(hayovelim)
de rammen
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֹלְכִ֣ים
(holekhim)
gaande
הָל֔וֹךְ
(halokh)
voortgaand
וְתָקְע֖וּ
(vetaqeu)
en bliezen
בַּשּׁוֹפָר֑וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
וְהֶחָלוּץ֙
(vehechaluts)
en de gewapende
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
ging
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
וְהַֽמְאַסֵּ֗ף
(vehamasef)
en de achterhoede
הֹלֵךְ֙
(holekh)
ging
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָל֖וֹךְ
(halokh)
gaande
וְתָק֥וֹעַ
(vetaqoa)
en blazend
בַּשּׁוֹפָרֽוֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Op de tweede dag gingen zij één keer rond de stad en keerden terug naar het kamp. Zo deden zij zes dagen.
וַיָּסֹ֨בּוּ
(vayasobu)
en zij gingen rond
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
tweede
פַּ֣עַם
(paam)
keer
אַחַ֔ת
(achat)
één
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
naar het kamp
כֹּ֥ה
(ko)
zo
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden zij
שֵׁ֥שֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zevende dag

15Op de zevende dag stonden zij vroeg op, bij het aanbreken van de dageraad. Zij gingen op dezelfde wijze zeven keer rond de stad. Alleen op die dag gingen zij zeven keer rond de stad.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
zevende
וַיַּשְׁכִּ֨מוּ֙
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
כַּעֲל֣וֹת
(kaalot)
bij het opgaan van
הַשַּׁ֔חַר
(hashachar)
de dageraad
וַיָּסֹ֧בּוּ
(vayasobu)
en zij gingen rond
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֛יר
(hair)
de stad
כַּמִּשְׁפָּ֥ט
(kamishpat)
op de wijze
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
רַ֚ק
(raq)
alleen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
סָבְב֥וּ
(savevu)
gingen zij rond
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִֽים
(peamim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּמִּשְׁפָּט הַזֶּה (kamishpat hazeh), ‘op dezelfde wijze’: letterlijk ‘volgens dit recht’.

Het woord מִשְׁפָּט (mishpat) betekent hier ‘gebruik, wijze’.

16Bij de zevende keer bliezen de priesters op de ramshoorns. Toen zei Jozua tegen het volk: „Juich! Want Yahweh heeft jullie de stad gegeven.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
בַּפַּ֣עַם
(bapaam)
bij de keer
הַשְּׁבִיעִ֔ית
(hasheviit)
zevende
תָּקְע֥וּ
(taqeu)
bliezen
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
בַּשּׁוֹפָר֑וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הָעָם֙
(haam)
het volk
הָרִ֔יעוּ
(hariu)
juich
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֧ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De stad en alles wat erin is, is voor Yahweh aan de ban gewijd. Alleen Rachab, de hoer, zal leven, zij en allen die bij haar in huis zijn. Want zij heeft de boden verborgen die wij hebben gestuurd.
וְהָיְתָ֨ה
(vehayeta)
en zal zijn
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
חֵ֛רֶם
(cherem)
ban
הִ֥יא
(hi)
zij
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
רַק֩
(raq)
alleen
רָחָ֨ב
(rachav)
Rachab
הַזּוֹנָ֜ה
(hazona)
de hoer
תִּֽחְיֶ֗ה
(tichye)
zal leven
הִ֚יא
(hi)
zij
וְכָל
(vekhal)
en allen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתָּ֣הּ
(itah)
met haar
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
כִּ֣י
(ki)
want
הֶחְבְּאַ֔תָה
(hechbeata)
zij heeft verborgen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָכִ֖ים
(hamalakhim)
de boden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁלָֽחְנוּ
(shalachenu)
wij hebben gestuurd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets of iemand wordt volledig aan Yahweh toegewijd.

Het mag niet gebruikt of gespaard worden.

Zie Deut. 7:2 en Deut. 20:16–18.

מַלְאָכִים (malachim), ‘boden’: hetzelfde woord als ‘engelen’. In Joz. 2:1 heten zij ‘mannen’ en ‘verspieders’.

הַזּוֹנָה (hazonah), ‘de hoer’. Zie Joz. 2:1.

18Maar jullie, hoed jullie voor de ban. Anders wijden jullie iets aan de ban en nemen jullie toch van de ban. Dan maken jullie het kamp van Israël tot een ban en brengen jullie het in ongeluk.
וְרַק
(veraq)
en alleen
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
שִׁמְר֣וּ
(shimru)
hoed jullie
מִן
(min)
voor
הַחֵ֔רֶם
(hacherem)
de ban
פֶּֽן
(pen)
anders
תַּחֲרִ֖ימוּ
(tacharimu)
wijden jullie aan de ban
וּלְקַחְתֶּ֣ם
(uleqachtem)
en nemen jullie
מִן
(min)
van
הַחֵ֑רֶם
(hacherem)
de ban
וְשַׂמְתֶּ֞ם
(vesamtem)
en maken jullie
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֤ה
(machane)
het kamp van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְחֵ֔רֶם
(lecherem)
tot een ban
וַעֲכַרְתֶּ֖ם
(vaakhartem)
en brengen jullie in ongeluk
אוֹתֽוֹ
(oto)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

תַּחֲרִימוּ (tacharimu), ‘anders wijden jullie aan de ban’, heeft in het Hebreeuws geen voorwerp.

Het is daarom moeilijk te verstaan.

Wij vertalen letterlijk.

Sommigen verstaan: ‘anders brengen jullie jezelf onder de ban’.

19Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper en ijzer zijn heilig voor Yahweh. Zij moeten in de schatkamer van Yahweh komen.”
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֗ב
(vezahav)
en goud
וּכְלֵ֤י
(ukhelei)
en voorwerpen van
נְחֹ֨שֶׁת֙
(nechoshet)
koper
וּבַרְזֶ֔ל
(uvarzel)
en ijzer
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
ה֖וּא
(hu)
is het
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אוֹצַ֥ר
(otsar)
de schatkamer van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יָבֽוֹא
(yavo)
zal komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’: zilver, goud, koper en ijzer worden niet vernietigd, maar zijn voor Yahweh.

Zij komen in Zijn schatkamer (vers 24).

De muur valt

20Het volk juichte en zij bliezen op de ramshoorns. Zodra het volk het geluid van de ramshoorn hoorde, hief het een groot gejuich aan. Toen stortte de muur ter plekke in. Het volk ging de stad in, ieder recht voor zich uit. Zo veroverden zij de stad.
וַיָּ֣רַע
(vayara)
en juichte
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיִּתְקְע֖וּ
(vayitqeu)
en zij bliezen
בַּשֹּֽׁפָר֑וֹת
(bashofarot)
op de ramshoorns
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het gebeurde
כִשְׁמֹ֨עַ
(kishmoa)
toen hoorde
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
הַשּׁוֹפָ֗ר
(hashofar)
de ramshoorn
וַיָּרִ֤יעוּ
(vayariu)
en juichte
הָעָם֙
(haam)
het volk
תְּרוּעָ֣ה
(terua)
gejuich
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
groot
וַתִּפֹּ֨ל
(vatipol)
en viel
הַֽחוֹמָ֜ה
(hachoma)
de muur
תַּחְתֶּ֗יהָ
(tachteiha)
ter plekke
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en ging op
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הָעִ֨ירָה֙
(haira)
de stad in
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
נֶגְדּ֔וֹ
(negdo)
recht voor zich uit
וַֽיִּלְכְּד֖וּ
(vayilkedu)
en zij veroverden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 88:14–23 bevestigt dit verhaal van de val van Jericho.

21Zij sloegen alles wat in de stad was met de ban: man en vrouw, jongen en oude man, rund, schaap en ezel. Dat deden zij met de scherpte van het zwaard.
וַֽיַּחֲרִ֨ימוּ֙
(vayacharimu)
en zij wijdden aan de ban
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בָּעִ֔יר
(bair)
in de stad
מֵאִישׁ֙
(meish)
van man
וְעַד
(vead)
tot
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
מִנַּ֖עַר
(minaar)
van jongen
וְעַד
(vead)
tot
זָקֵ֑ן
(zaqen)
oude man
וְעַ֨ד
(vead)
tot
שׁ֥וֹר
(shor)
rund
וָשֶׂ֛ה
(vase)
en schaap
וַחֲמ֖וֹר
(vachamor)
en ezel
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘met de ban slaan’ (הֶחֱרִים, hecherim) is hier de uitvoering van het cherem uit vers 17.

Zie Deut. 7:2.

Rachab wordt gered

22Tegen de twee mannen die het land hadden verkend, zei Jozua: „Ga het huis van de hoer binnen. Breng de vrouw daar vandaan, met alles wat van haar is, zoals jullie haar hebben gezworen.”
וְלִשְׁנַ֨יִם
(velishnayim)
en tot de twee
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
mannen
הַֽמְרַגְּלִ֤ים
(hamragelim)
die verkend hadden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אָמַ֣ר
(amar)
zei
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
בֹּ֖אוּ
(bou)
ga
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
הַזּוֹנָ֑ה
(hazona)
de hoer
וְהוֹצִ֨יאוּ
(vehotsiu)
en breng naar buiten
מִשָּׁ֤ם
(misham)
vandaar
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָ֔הּ
(lah)
van haar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּעְתֶּ֖ם
(nishbatem)
jullie hebben gezworen
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De jongens die het land verkend hadden, gingen erheen en brachten Rachab naar buiten. Ook haar vader, haar moeder, haar broers en alles wat van haar was brachten zij naar buiten. Ook al haar families brachten zij naar buiten. Zij lieten hen achter buiten het kamp van Israël.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en gingen
הַנְּעָרִ֣ים
(hanearim)
de jongens
הַֽמְרַגְּלִ֗ים
(hamragelim)
de verspieders
וַיֹּצִ֡יאוּ
(vayotsiu)
en brachten naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
רָ֠חָב
(rachav)
Rachab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אָבִ֨יהָ
(aviha)
haar vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִמָּ֤הּ
(imah)
haar moeder
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחֶ֨יהָ֙
(acheiha)
haar broers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָ֔הּ
(lah)
van haar
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִשְׁפְּחוֹתֶ֖יהָ
(mishpechoteiha)
haar families
הוֹצִ֑יאוּ
(hotsiu)
brachten zij naar buiten
וַיַּ֨נִּיח֔וּם
(vayanichum)
en lieten hen
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לְמַחֲנֵ֥ה
(lemachane)
het kamp van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְעָרִים (ne'arim), ‘jongens’: jonge mannen.

Het zijn de twee verspieders uit Joz. 2.

24De stad verbrandden zij met vuur, met alles wat erin was. Alleen het zilver, het goud en de voorwerpen van koper en ijzer gaven zij voor de schatkamer van het huis van Yahweh.
וְהָעִ֛יר
(vehair)
en de stad
שָׂרְפ֥וּ
(sarefu)
verbrandden zij
בָאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּ֑הּ
(bah)
in haar
רַ֣ק
(raq)
alleen
הַכֶּ֣סֶף
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָ֗ב
(vehazahav)
en het goud
וּכְלֵ֤י
(ukhelei)
en de voorwerpen van
הַנְּחֹ֨שֶׁת֙
(hanechoshet)
het koper
וְהַבַּרְזֶ֔ל
(vehabarzel)
en het ijzer
נָתְנ֖וּ
(natenu)
gaven zij
אוֹצַ֥ר
(otsar)
de schatkamer van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: hier de tabernakel, de tent van Yahweh.

Zie ook Joz. 18:1.

25Rachab, de hoer, het huis van haar vader en alles wat van haar was, liet Jozua in leven. Zij woont tot op deze dag midden in Israël. Want zij had de boden verborgen die Jozua had gestuurd om Jericho te verkennen.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
רָחָ֣ב
(rachav)
Rachab
הַ֠זּוֹנָה
(hazona)
de hoer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
אָבִ֤יהָ
(aviha)
haar vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לָהּ֙
(lah)
van haar
הֶחֱיָ֣ה
(hecheya)
liet in leven
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַתֵּ֨שֶׁב֙
(vateshev)
en zij woonde
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
in het midden van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֤י
(ki)
want
הֶחְבִּ֨יאָה֙
(hechbia)
zij had verborgen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boden
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
had gestuurd
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
לְרַגֵּ֥ל
(leragel)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

‘Tot op deze dag’: de schrijver zegt dat Rachab en haar familie nog altijd in Israël wonen.

Rachab komt ook voor in het geslachtsregister van Matt. 1:5.

De eed van Jozua

26In die tijd liet Jozua het volk zweren: „Vervloekt is de man, voor het aangezicht van Yahweh, die opstaat en deze stad bouwt, Jericho. Met zijn eerstgeborene zal hij haar fundament leggen. Met zijn jongste zal hij haar deuren plaatsen.”
וַיַּשְׁבַּ֣ע
(vayashba)
en liet zweren
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֖יא
(hahi)
die
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אָר֨וּר
(arur)
vervloekt
הָאִ֜ישׁ
(haish)
de man
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יָקוּם֙
(yaqum)
opstaat
וּבָנָ֞ה
(uvana)
en bouwt
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
יְרִיח֔וֹ
(yericho)
Jericho
בִּבְכֹר֣וֹ
(bivkhoro)
met zijn eerstgeborene
יְיַסְּדֶ֔נָּה
(yeyasedena)
zal hij haar fundament leggen
וּבִצְעִיר֖וֹ
(uvitsiro)
en met zijn jongste
יַצִּ֥יב
(yatsiv)
zal hij plaatsen
דְּלָתֶֽיהָ
(delateiha)
haar deuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

וַיַּשְׁבַּע (wayyashba), ‘liet zweren’: Jozua nam het volk een eed af.

‘Het volk’ is door ons aangevuld.

De vervloeking komt uit in 1 Kon. 16:34.

27Yahweh was met Jozua. Zijn faam ging door heel het land.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
met
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
שָׁמְע֖וֹ
(shameo)
zijn faam
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)