Elohim Bijbel

Ezra 4

12345678910

Tegenstand tegen de bouw van de tempel en de brief aan Artachsasta

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De tegenstanders bieden hulp aan

1De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de ballingen een tempel bouwden voor Yahweh, de Elohim van Israël.
וַֽיִּשְׁמְע֔וּ
(vayishmeu)
en zij hoorden
צָרֵ֥י
(tsarei)
de tegenstanders van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֑ן
(uvinyamin)
en Benjamin
כִּֽי
(ki)
dat
בְנֵ֤י
(benei)
de zonen van
הַגּוֹלָה֙
(hagola)
de ballingschap
בּוֹנִ֣ים
(bonim)
bouwden
הֵיכָ֔ל
(heikhal)
een tempel
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הַגּוֹלָה (bene hagolah), ‘de ballingen’: letterlijk ‘de zonen van de ballingschap’.

Zo noemt het boek Ezra de mensen die uit de ballingschap in Babel zijn teruggekeerd.

Wij vertalen steeds ‘de ballingen’.

צָרֵי (tsare), ‘tegenstanders’: de mensen van het land, genoemd in vers 4.

2Zij gingen naar Zerubbabel en naar de hoofden van de vaderhuizen. Zij zeiden tegen hen: „Laat ons met jullie bouwen. Want net als jullie zoeken wij jullie Elohim. Wij offeren aan Hem sinds de dagen van Esarhaddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten optrekken.”
וַיִּגְּשׁ֨וּ
(vayigeshu)
en zij kwamen naderbij
אֶל
(el)
tot
זְרֻבָּבֶ֜ל
(zerubavel)
Zerubbabel
וְאֶל
(veel)
en tot
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
de hoofden van
הָֽאָב֗וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
נִבְנֶ֣ה
(nivne)
laten wij bouwen
עִמָּכֶ֔ם
(imakhem)
met jullie
כִּ֣י
(ki)
want
כָכֶ֔ם
(kakhem)
zoals jullie
נִדְר֖וֹשׁ
(nidrosh)
zoeken wij
לֵֽאלֹהֵיכֶ֑ם
(leloheikhem)
jullie Elohim
וְל֣וֹ
(velo)
en aan Hem
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
זֹבְחִ֗ים
(zovechim)
offeren
מִימֵי֙
(mimei)
sinds de dagen van
אֵסַ֤ר
(esar)
Esar
חַדֹּן֙
(chadon)
Haddon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
הַמַּעֲלֶ֥ה
(hamaale)
die liet optrekken
אֹתָ֖נוּ
(otanu)
ons
פֹּֽה
(po)
hierheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Esarhaddon (אֵסַר־חַדֹּן, Esar-Chaddon) was koning van Assyrië.

Zie 2 Kon. 19:37 en 2 Kon. 17:24–28.

De Assyriërs hadden volken in het land laten wonen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft וְלֹא (velo), ‘en niet’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְלוֹ (velo), ‘en aan Hem’.

Wij volgen het qere.

3Zerubbabel, Jesua en de andere hoofden van de vaderhuizen van Israël zeiden tegen hen: „Het is niet aan jullie, maar aan ons, om een huis te bouwen voor onze Elohim. Want alleen wij samen bouwen voor Yahweh, de Elohim van Israël. Zo heeft koning Kores, de koning van Perzië, ons opgedragen.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
לָהֶ֨ם
(lahem)
tot hen
זְרֻבָּבֶ֜ל
(zerubavel)
Zerubbabel
וְיֵשׁ֗וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
וּשְׁאָ֨ר
(ushear)
en de rest van
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
de hoofden van
הָֽאָבוֹת֙
(haavot)
de vaderhuizen
לְיִשְׂרָאֵ֔ל
(leyisrael)
van Israël
לֹֽא
(lo)
niet
לָ֣כֶם
(lakhem)
voor jullie
וָלָ֔נוּ
(valanu)
en voor ons
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
לֵאלֹהֵ֑ינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
כִּי֩
(ki)
want
אֲנַ֨חְנוּ
(anachnu)
wij
יַ֜חַד
(yachad)
samen
נִבְנֶ֗ה
(nivne)
bouwen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֔נוּ
(tsivanu)
heeft ons opgedragen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כּ֥וֹרֶשׁ
(koresh)
Kores
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרָֽס
(paras)
Perzië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

יַחַד (yachad), ‘samen’: de leiders bedoelen dat alleen de teruggekeerde ballingen als gemeenschap bouwen.

Zij verwijzen naar de opdracht van Kores (Ezra 1:2–4; 2 Kron. 36:23).

Tegenwerking tijdens de bouw

4Toen maakte het volk van het land de handen van het volk van Juda slap. Zij joegen hun schrik aan bij het bouwen.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
עַם
(am)
het volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מְרַפִּ֖ים
(merapim)
die slap maakten
יְדֵ֣י
(yedei)
de handen van
עַם
(am)
het volk van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּֽמְבַהֲלִ֥ים
(umevahalim)
en die schrik aanjoegen
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
לִבְנֽוֹת
(livnot)
bij het bouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְרַפִּים יְדֵי (merappim yede), ‘de handen slap maken’: ontmoedigen, de moed ontnemen.

5Zij huurden raadgevers tegen hen in om hun raad te laten mislukken. Dat deden zij alle dagen van Kores, de koning van Perzië, tot aan het koningschap van Darius, de koning van Perzië.
וְסֹכְרִ֧ים
(vesokherim)
en huurden in
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
tegen hen
יוֹעֲצִ֖ים
(yoatsim)
raadgevers
לְהָפֵ֣ר
(lehafer)
om te verijdelen
עֲצָתָ֑ם
(atsatam)
hun raad
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֗י
(yemei)
dagen van
כּ֚וֹרֶשׁ
(koresh)
Kores
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרַ֔ס
(paras)
Perzië
וְעַד
(vead)
en tot
מַלְכ֖וּת
(malkhut)
het koningschap van
דָּרְיָ֥וֶשׁ
(dareyavesh)
Darius
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרָֽס
(paras)
Perzië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

סֹכְרִים (sokhrim), ‘huren’: zij betaalden raadgevers om het werk tegen te werken.

Darius is hier waarschijnlijk Darius I. De verzen 6–23 vertellen over tegenstand onder latere koningen. Vers 24 pakt de lijn van vers 5 weer op.

6Onder het koningschap van Ahasveros, aan het begin van zijn koningschap, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
וּבְמַלְכוּת֙
(uvemalkhut)
en in het koningschap van
אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
בִּתְחִלַּ֖ת
(bitchilat)
aan het begin van
מַלְכוּת֑וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
כָּתְב֣וּ
(katevu)
schreven zij
שִׂטְנָ֔ה
(sitna)
een aanklacht
עַל
(al)
tegen
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achashverosh), ‘Ahasveros’: dit is Xerxes I, de koning van Perzië.

Zo ook in het boek Ester.

שִׂטְנָה (sitnah), ‘aanklacht’: een woord van dezelfde stam als ‘satan’, ‘tegenstander’.

7In de dagen van Artachsasta schreef Bisjlam, samen met Mitredat, Tabeël en de rest van zijn medewerkers, aan Artachsasta, de koning van Perzië. De brief was in het Aramees geschreven en werd in het Aramees vertaald.
וּבִימֵ֣י
(uvimei)
en in de dagen van
אַרְתַּחְשַׁ֗שְׂתָּא
(artachshasta)
Artachsasta
כָּתַ֨ב
(katav)
schreef
בִּשְׁלָ֜ם
(bishlam)
Bisjlam
מִתְרְדָ֤ת
(mitredat)
Mitredat
טָֽבְאֵל֙
(taveel)
Tabeël
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en de rest van
כְּנָוֺתָ֔יו
(kenavotav)
zijn medewerkers
עַל
(al)
aan
אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּ
(artachshast)
Artachsasta
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרָ֑ס
(paras)
Perzië
וּכְתָב֙
(ukhetav)
en geschreven was
הַֽנִּשְׁתְּוָ֔ן
(hanishtevan)
de brief
כָּת֥וּב
(katuv)
geschreven
אֲרָמִ֖ית
(aramit)
in het Aramees
וּמְתֻרְגָּ֥ם
(umeturgam)
en vertaald
אֲרָמִֽית
(aramit)
in het Aramees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

Artachsasta (Artaxerxes) is waarschijnlijk Artaxerxes I.

Dit is niet zeker.

De volgorde in dit hoofdstuk is niet die van de tijd: de verzen 6–23 gaan over koningen na Darius.

בִּשְׁלָם (bishlam): dit kan een eigennaam zijn, Bisjlam, of ‘in vrede’. Wij lezen een naam.

מְתֻרְגָּם (meturgam), ‘vertaald’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘uitgelegd’ of ‘voorgelezen’ betekenen.

De brief van Rechum en Sjimsjai

8Rechum, de bestuurder, en Sjimsjai, de schrijver, schreven een brief over Jeruzalem aan koning Artachsasta. Dit was de inhoud:
רְח֣וּם
(rechum)
Rechum
בְּעֵל
(beel)
meester van
טְעֵ֗ם
(teem)
bevel
וְשִׁמְשַׁי֙
(veshimshay)
en Sjimsjai
סָֽפְרָ֔א
(safera)
de schrijver
כְּתַ֛בוּ
(ketavu)
schreven
אִגְּרָ֥ה
(igera)
een brief
חֲדָ֖ה
(chada)
één
עַל
(al)
over
יְרוּשְׁלֶ֑ם
(yerushelem)
Jeruzalem
לְאַרְתַּחְשַׁ֥שְׂתְּא
(leartachshaste)
aan Artachsasta
מַלְכָּ֖א
(malka)
de koning
כְּנֵֽמָא
(kenema)
als volgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vanaf hier tot en met Ezra 6:18 is de brontekst Aramees, de taal van het Perzische bestuur.

Het Aramees is verwant aan het Hebreeuws.

Het begint met de brief die in vers 7 is aangekondigd.

בְּעֵל־טְעֵם (be’el te’em), ‘bestuurder’: letterlijk ‘meester van bevel’, een hoge ambtenaar. Wij schrijven ‘bestuurder’.

9Toen schreven Rechum, de bestuurder, Sjimsjai, de schrijver, en de rest van hun medewerkers: de rechters, de ambtenaren, de Tarpeliërs, de Perzen, de mensen van Erech, de Babyloniërs, de mensen van Susa, de Dehaïeten en de Elamieten,
אֱדַ֜יִן
(edayin)
toen
רְח֣וּם
(rechum)
Rechum
בְּעֵל
(beel)
meester van
טְעֵ֗ם
(teem)
bevel
וְשִׁמְשַׁי֙
(veshimshay)
en Sjimsjai
סָֽפְרָ֔א
(safera)
de schrijver
וּשְׁאָ֖ר
(ushear)
en de rest van
כְּנָוָתְה֑וֹן
(kenavatehon)
hun medewerkers
דִּ֠ינָיֵא
(dinaye)
de rechters
וַאֲפַרְסַתְכָיֵ֞א
(vaafarsatkhaye)
en de ambtenaren
טַרְפְּלָיֵ֣א
(tarpelaye)
de Tarpeliërs
אֲפָֽרְסָיֵ֗א
(afaresaye)
de Perzen
אַרְכְּוָיֵ֤א
(arkevaye)
de mensen van Erech
בָבְלָיֵא֙
(bavelaye)
de Babyloniërs
שֽׁוּשַׁנְכָיֵ֔א
(shushankhaye)
de mensen van Susa
דֶּהָיֵ֖א
(dehaye)
de Dehaïeten
עֵלְמָיֵֽא
(elemaye)
de Elamieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Erech: Erech (Uruk) lag in het zuiden van Mesopotamië, aan de Eufraat.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

Het werkwoord ‘schreven’ staat in vers 8 en loopt hier door.

Wij herhalen het.

De lijst van volken en ambtenaren is moeilijk. Wij vertalen דִּינָיֵא (dinaye) als ‘rechters’ en אַפַרְסַתְכָיֵא (afarsatkaye) als ‘ambtenaren’. Dat kunnen ook volksnamen zijn. De Tarpeliërs en de Dehaïeten zijn onzeker. Erech, Susa en Elam zijn bekende plaatsen en landen.

10en de rest van de volken die de grote en eerbiedwaardige Asnappar had weggevoerd en in de stad Samaria had laten wonen, en de rest van het gebied over de rivier. Enzovoort.
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en de rest van
אֻמַּיָּ֗א
(umaya)
de volken
דִּ֤י
(di)
die
הַגְלִי֙
(hagli)
had weggevoerd
אָסְנַפַּר֙
(asenapar)
Asnappar
רַבָּ֣א
(raba)
de grote
וְיַקִּירָ֔א
(veyaqira)
en eerbiedwaardige
וְהוֹתֵ֣ב
(vehotev)
en liet wonen
הִמּ֔וֹ
(himo)
hen
בְּקִרְיָ֖ה
(beqirya)
in de stad
דִּ֣י
(di)
van
שָׁמְרָ֑יִן
(shamerayin)
Samaria
וּשְׁאָ֥ר
(ushear)
en de rest van
עֲבַֽר
(avar)
gebied over
נַהֲרָ֖ה
(nahara)
de rivier
וּכְעֶֽנֶת
(ukheenet)
en enzovoort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

אָסְנַפַּר (Osnappar), ‘Asnappar’: dit is waarschijnlijk een Assyrische koning, vaak verbonden met Assurbanipal.

Dat is niet zeker.

עֲבַר נַהֲרָה (avar nahara), ‘het gebied over de rivier’: letterlijk ‘overkant van de Rivier’. Het is het Perzische gebied ten westen van de Eufraat. Wij schrijven overal ‘het gebied over de rivier’.

וּכְעֶנֶת (uke’enet), ‘enzovoort’: dit woord staat in Aramese brieven na de aanhef. De betekenis is onzeker. Het kan ook ‘en nu’ betekenen.

11Dit is een afschrift van de brief die zij naar hem stuurden: „Aan koning Artachsasta: uw dienaren, de mannen van het gebied over de rivier. Enzovoort.
דְּנָה֙
(dena)
dit
פַּרְשֶׁ֣גֶן
(parshegen)
afschrift van
אִגַּרְתָּ֔א
(igarta)
de brief
דִּ֚י
(di)
die
שְׁלַ֣חוּ
(shelachu)
zij stuurden
עֲל֔וֹהִי
(alohi)
naar hem
עַל
(al)
aan
אַרְתַּחְשַׁ֖שְׂתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
מַלְכָּ֑א
(malka)
de koning
עַבְדָ֛יךְ
(avdaykh)
uw dienaren
אֱנָ֥שׁ
(enash)
de mannen van
עֲבַֽר
(avar)
gebied over
נַהֲרָ֖ה
(nahara)
de rivier
וּכְעֶֽנֶת
(ukheenet)
en enzovoort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De koning moet weten dat de Joden die van u zijn weggetrokken, bij ons zijn gekomen in Jeruzalem. Zij bouwen de opstandige en slechte stad opnieuw op. Zij voltooien de muren en herstellen de fundamenten.
יְדִ֨יעַ֙
(yedia)
bekend
לֶהֱוֵ֣א
(leheve)
laat zijn
לְמַלְכָּ֔א
(lemalka)
aan de koning
דִּ֣י
(di)
dat
יְהוּדָיֵ֗א
(yehudaye)
de Joden
דִּ֤י
(di)
die
סְלִ֨קוּ֙
(seliqu)
zijn opgetrokken
מִן
(min)
van
לְוָתָ֔ךְ
(levatakh)
u
עֲלֶ֥ינָא
(aleina)
naar ons
אֲת֖וֹ
(ato)
zijn gekomen
לִירוּשְׁלֶ֑ם
(lirushelem)
naar Jeruzalem
קִרְיְתָ֨א
(qiryeta)
de stad
מָֽרָדְתָּ֤א
(maradta)
de opstandige
וּבִֽישְׁתָּא֙
(uvishta)
en slechte
בָּנַ֔יִן
(banayin)
zij bouwen
וְשׁוּרַיָּ֣א
(veshuraya)
en de muren
שַׁכְלִ֔ילוּ
(shakhlilu)
voltooien zij
וְאֻשַּׁיָּ֖א
(veushaya)
en de fundamenten
יַחִֽיטוּ
(yachitu)
herstellen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְהוּדָיֵא (yehudaye), ‘de Joden’: inwoners van Juda.

יַחִיטוּ (yachitu), ‘zij herstellen’: een zeldzaam woord. De betekenis is onzeker.

13Nu moet de koning weten: als die stad wordt herbouwd en de muren worden voltooid, betalen zij geen belasting, schatting of tol meer. Uiteindelijk zal dat de koningen schade doen.
כְּעַ֗ן
(kean)
nu
יְדִ֨יעַ֙
(yedia)
bekend
לֶהֱוֵ֣א
(leheve)
laat zijn
לְמַלְכָּ֔א
(lemalka)
aan de koning
דִּ֠י
(di)
dat
הֵ֣ן
(hen)
als
קִרְיְתָ֥א
(qiryeta)
die stad
דָךְ֙
(dakh)
deze
תִּתְבְּנֵ֔א
(titbene)
wordt herbouwd
וְשׁוּרַיָּ֖ה
(veshuraya)
en haar muren
יִֽשְׁתַּכְלְל֑וּן
(yishtakhlelun)
worden voltooid
מִנְדָּֽה
(minda)
belasting
בְל֤וֹ
(belo)
schatting
וַהֲלָךְ֙
(vahalakh)
en tol
לָ֣א
(la)
niet
יִנְתְּנ֔וּן
(yintenun)
zullen zij betalen
וְאַפְּתֹ֥ם
(veapetom)
en uiteindelijk
מַלְכִ֖ים
(malkhim)
de koningen
תְּהַנְזִֽק
(tehanziq)
zal het schaden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְדָּה (mindah), בְּלוֹ (belo) en הֲלָךְ (halakh): ‘belasting’, ‘schatting’ en ‘tol’.

Het zijn drie soorten betalingen aan de koning.

Wat het verschil is, is niet helemaal zeker.

אַפְּתֹם (afatom), ‘uiteindelijk’: het woord is onzeker. Sommigen begrijpen ‘de inkomsten’.

14Nu eten wij het zout van het paleis. Het past ons niet de schande van de koning aan te zien. Daarom hebben wij bericht gestuurd en het de koning laten weten.
כְּעַ֗ן
(kean)
nu
כָּל
(kal)
alle
קֳבֵל֙
(qovel)
tegenover
דִּֽי
(di)
dat
מְלַ֤ח
(melach)
het zout van
הֵֽיכְלָא֙
(heikhela)
het paleis
מְלַ֔חְנָא
(melachna)
wij eten
וְעַרְוַ֣ת
(vearvat)
en de schande van
מַלְכָּ֔א
(malka)
de koning
לָ֥א
(la)
niet
אֲֽרִֽיךְ
(arikh)
past
לַ֖נָא
(lana)
ons
לְמֶֽחֱזֵ֑א
(lemecheze)
om te zien
עַ֨ל
(al)
op
דְּנָ֔ה
(dena)
dit
שְׁלַ֖חְנָא
(shelachna)
hebben wij gestuurd
וְהוֹדַ֥עְנָא
(vehodana)
en laten weten
לְמַלְכָּֽא
(lemalka)
aan de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְלַח הֵיכְלָא מְלַחְנָא (melach heikhla melachna), ‘wij eten het zout van het paleis’: wij zijn in dienst van de koning en worden door hem onderhouden.

עֲרַוְתָא (aravat), ‘schande’: letterlijk ‘naaktheid’.

15Laat men zoeken in het boek met de gedenkschriften van uw vaders. In dat boek zult u het vinden en zult u weten dat die stad een opstandige stad is. Zij doet koningen en provincies schade. Er is al sinds de dagen van weleer oproer in gemaakt. Daarom is die stad verwoest.
דִּ֡י
(di)
dat
יְבַקַּר֩
(yevaqar)
men zoekt
בִּֽסְפַר
(bisfar)
in het boek van
דָּכְרָ֨נַיָּ֜א
(dakheranaya)
de gedenkschriften
דִּ֣י
(di)
van
אֲבָהָתָ֗ךְ
(avahatakh)
uw vaders
וּ֠תְהַשְׁכַּח
(utehashkach)
en u zult vinden
בִּסְפַ֣ר
(bisfar)
in het boek van
דָּכְרָנַיָּא֮
(dakheranaya)
de gedenkschriften
וְתִנְדַּע֒
(vetinda)
en u zult weten
דִּי֩
(di)
dat
קִרְיְתָ֨א
(qiryeta)
die stad
דָ֜ךְ
(dakh)
deze
קִרְיָ֣א
(qirya)
een stad is
מָֽרָדָ֗א
(marada)
opstandige
וּֽמְהַנְזְקַ֤ת
(umehanzeqat)
en schadelijk voor
מַלְכִין֙
(malkhin)
koningen
וּמְדִנָ֔ן
(umedinan)
en provincies
וְאֶשְׁתַּדּוּר֙
(veeshtadur)
en oproer
עָבְדִ֣ין
(avedin)
maakten zij
בְּגַוַּ֔הּ
(begavah)
in haar midden
מִן
(min)
sinds
יוֹמָ֖ת
(yomat)
de dagen van
עָלְמָ֑א
(alema)
weleer
עַ֨ל
(al)
op
דְּנָ֔ה
(dena)
dit
קִרְיְתָ֥א
(qiryeta)
die stad
דָ֖ךְ
(dakh)
deze
הָֽחָרְבַֽת
(hacharevat)
is verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דָּכְרָנַיָּא (sefer dokhranaya), ‘het boek met de gedenkschriften’: de koninklijke archieven.

אִשְׁתַּדּוּר (ishtaddur), ‘oproer’: het woord is zeldzaam. De betekenis is ‘opstand’ of ‘oproer’.

16Wij laten de koning weten: als die stad wordt herbouwd en de muren worden voltooid, hebt u hierdoor geen deel meer in het gebied over de rivier.”
מְהוֹדְעִ֤ין
(mehodein)
wij laten weten
אֲנַ֨חְנָה֙
(anachna)
wij
לְמַלְכָּ֔א
(lemalka)
aan de koning
דִּ֠י
(di)
dat
הֵ֣ן
(hen)
als
קִרְיְתָ֥א
(qiryeta)
die stad
דָךְ֙
(dakh)
deze
תִּתְבְּנֵ֔א
(titbene)
wordt herbouwd
וְשׁוּרַיָּ֖ה
(veshuraya)
en haar muren
יִֽשְׁתַּכְלְל֑וּן
(yishtakhlelun)
worden voltooid
לָקֳבֵ֣ל
(laqovel)
tegenover
דְּנָ֔ה
(dena)
dit
חֲלָק֙
(chalaq)
een deel
בַּעֲבַ֣ר
(baavar)
in gebied over
נַהֲרָ֔א
(nahara)
de rivier
לָ֥א
(la)
niet
אִיתַ֖י
(itay)
is er
לָֽךְ
(lakh)
voor u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het antwoord van de koning

17De koning stuurde dit antwoord aan Rechum, de bestuurder, aan Sjimsjai, de schrijver, en aan de rest van hun medewerkers die in Samaria wonen, en aan de rest van het gebied over de rivier: „Vrede. Enzovoort.
פִּתְגָמָ֞א
(pitgama)
een antwoord
שְׁלַ֣ח
(shelach)
stuurde
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
עַל
(al)
aan
רְח֤וּם
(rechum)
Rechum
בְּעֵל
(beel)
meester van
טְעֵם֙
(teem)
bevel
וְשִׁמְשַׁ֣י
(veshimshay)
en Sjimsjai
סָֽפְרָ֔א
(safera)
de schrijver
וּשְׁאָר֙
(ushear)
en de rest van
כְּנָוָ֣תְה֔וֹן
(kenavatehon)
hun medewerkers
דִּ֥י
(di)
die
יָתְבִ֖ין
(yatevin)
wonen
בְּשָֽׁמְרָ֑יִן
(beshamerayin)
in Samaria
וּשְׁאָ֧ר
(ushear)
en de rest van
עֲבַֽר
(avar)
gebied over
נַהֲרָ֛ה
(nahara)
de rivier
שְׁלָ֖ם
(shelam)
vrede
וּכְעֶֽת
(ukheet)
en nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

18De brief die jullie ons hebben gestuurd, is duidelijk voor mij voorgelezen.
נִשְׁתְּוָנָ֕א
(nishtevana)
de brief
דִּ֥י
(di)
die
שְׁלַחְתּ֖וּן
(shelachtun)
jullie hebben gestuurd
עֲלֶ֑ינָא
(aleina)
aan ons
מְפָרַ֥שׁ
(mefarash)
duidelijk
קֱרִ֖י
(qeri)
is voorgelezen
קָדָמָֽי
(qadamay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְפָרַשׁ (mefarash), ‘duidelijk’: het woord kan ook ‘vertaald’ betekenen.

Wij kiezen ‘duidelijk’.

Zie ookNeh 8:8
19Op mijn bevel is er onderzoek gedaan. Men heeft ontdekt dat die stad zich sinds de dagen van weleer tegen koningen verheft. Er is opstand en oproer in gemaakt.
וּמִנִּי֮
(umini)
en door mij
שִׂ֣ים
(sim)
is gegeven
טְעֵם֒
(teem)
bevel
וּבַקַּ֣רוּ
(uvaqaru)
en men onderzocht
וְהַשְׁכַּ֔חוּ
(vehashkachu)
en vond
דִּ֚י
(di)
dat
קִרְיְתָ֣א
(qiryeta)
die stad
דָ֔ךְ
(dakh)
deze
מִן
(min)
sinds
יוֹמָת֙
(yomat)
de dagen van
עָֽלְמָ֔א
(alema)
weleer
עַל
(al)
tegen
מַלְכִ֖ין
(malkhin)
koningen
מִֽתְנַשְּׂאָ֑ה
(mitnasea)
zich verheft
וּמְרַ֥ד
(umerad)
en opstand
וְאֶשְׁתַּדּ֖וּר
(veeshtadur)
en oproer
מִתְעֲבֶד
(mitaved)
wordt gemaakt
בַּֽהּ
(bah)
in haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest. Zij heersten over het hele gebied over de rivier. Belasting, schatting en tol werden hun betaald.
וּמַלְכִ֣ין
(umalkhin)
en koningen
תַּקִּיפִ֗ין
(taqifin)
machtige
הֲווֹ֙
(havo)
waren
עַל
(al)
over
יְר֣וּשְׁלֶ֔ם
(yerushelem)
Jeruzalem
וְשַׁ֨לִּיטִ֔ין
(veshalitin)
en heersers
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
over heel
עֲבַ֣ר
(avar)
gebied over
נַהֲרָ֑ה
(nahara)
de rivier
וּמִדָּ֥ה
(umida)
en belasting
בְל֛וֹ
(belo)
schatting
וַהֲלָ֖ךְ
(vahalakh)
en tol
מִתְיְהֵ֥ב
(mityehev)
werd betaald
לְהֽוֹן
(lehon)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De tekst noemt de machtige koningen niet bij naam.

Het kunnen David en Salomo zijn, die ver buiten Juda heersten.

Dat zegt de brief niet.

21Geef nu bevel dat deze mannen moeten ophouden. Die stad mag niet worden herbouwd, totdat ik daarover bevel geef.
כְּעַן֙
(kean)
nu
שִׂ֣ימוּ
(simu)
geef
טְּעֵ֔ם
(teem)
bevel
לְבַטָּלָ֖א
(levatala)
om te laten ophouden
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
mannen
אִלֵּ֑ךְ
(ilekh)
deze
וְקִרְיְתָ֥א
(veqiryeta)
en die stad
דָךְ֙
(dakh)
deze
לָ֣א
(la)
niet
תִתְבְּנֵ֔א
(titbene)
wordt herbouwd
עַד
(ad)
totdat
מִנִּ֖י
(mini)
door mij
טַעְמָ֥א
(tama)
bevel
יִתְּשָֽׂם
(yitesam)
wordt gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Wees voorzichtig en wees hierin niet nalatig. Waarom zou de schade groter worden, tot nadeel van de koningen?”
וּזְהִירִ֥ין
(uzehirin)
en voorzichtig
הֱו֛וֹ
(hevo)
wees
שָׁל֖וּ
(shalu)
nalatig
לְמֶעְבַּ֣ד
(lemebad)
om te doen
עַל
(al)
op
דְּנָ֑ה
(dena)
dit
לְמָה֙
(lema)
waarom
יִשְׂגֵּ֣א
(yisge)
zou groeien
חֲבָלָ֔א
(chavala)
de schade
לְהַנְזָקַ֖ת
(lehanzaqat)
tot nadeel van
מַלְכִֽין
(malkhin)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het werk ligt stil

23Zodra het afschrift van de brief van koning Artachsasta voor Rechum, Sjimsjai, de schrijver, en hun medewerkers was voorgelezen, gingen zij haastig naar de Joden in Jeruzalem. Zij dwongen hen met geweld en macht op te houden.
אֱדַ֗יִן
(edayin)
toen
מִן
(min)
sinds
דִּ֞י
(di)
dat
פַּרְשֶׁ֤גֶן
(parshegen)
het afschrift van
נִשְׁתְּוָנָא֙
(nishtevana)
de brief
דִּ֚י
(di)
van
אַרְתַּחְשַׁ֣שְׂתְּ
(artachshast)
Artachsasta
מַלְכָּ֔א
(malka)
de koning
קֱרִ֧י
(qeri)
werd voorgelezen
קֳדָם
(qodam)
voor
רְח֛וּם
(rechum)
Rechum
וְשִׁמְשַׁ֥י
(veshimshay)
en Sjimsjai
סָפְרָ֖א
(safera)
de schrijver
וּכְנָוָתְה֑וֹן
(ukhenavatehon)
en hun medewerkers
אֲזַ֨לוּ
(azalu)
gingen zij
בִבְהִיל֤וּ
(bivhilu)
haastig
לִירֽוּשְׁלֶם֙
(lirushelem)
naar Jeruzalem
עַל
(al)
tegen
יְה֣וּדָיֵ֔א
(yehudaye)
de Joden
וּבַטִּ֥לוּ
(uvatilu)
en zij lieten ophouden
הִמּ֖וֹ
(himo)
hen
בְּאֶדְרָ֥ע
(beedra)
met geweld
וְחָֽיִל
(vechayil)
en macht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בְּאֶדְרַע (be’edra), ‘met geweld’: letterlijk ‘met arm’.

24Toen lag het werk aan het huis van Elohim in Jeruzalem stil. Het bleef stilliggen tot het tweede jaar van het koningschap van Darius, de koning van Perzië.
בֵּאדַ֗יִן
(bedayin)
toen
בְּטֵלַת֙
(betelat)
hield op
עֲבִידַ֣ת
(avidat)
het werk van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֱלָהָ֔א
(elaha)
Elohim
דִּ֖י
(di)
dat
בִּירוּשְׁלֶ֑ם
(birushelem)
in Jeruzalem
וַהֲוָת֙
(vahavat)
en het was
בָּֽטְלָ֔א
(batela)
stilliggend
עַ֚ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
het jaar
תַּרְתֵּ֔ין
(tartein)
twee
לְמַלְכ֖וּת
(lemalkhut)
van het koningschap van
דָּרְיָ֥וֶשׁ
(dareyavesh)
Darius
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרָֽס
(paras)
Perzië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

Dit vers pakt het verhaal van vers 5 weer op.

Het tweede jaar van Darius I wordt gewoonlijk gedateerd op 520 voor Christus.