De man met een onreine geest, de vrouw met de bloedvloeiing en de dochter van Jaïrus
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua en de man met een onreine geest
1Zij kwamen aan de overkant van de zee, in het gebied van de Gerasenen.
Καὶ
(Kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
τῆς
(tes)
van de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
χώραν
(choran)
gebied
τῶν
(ton)
van de
Γερασηνῶν
(Gerasenon)
Gerasenen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.
Zie Gebied van de Gerasenen (Kursi?; ligging onzeker): Gerasa (Jerash) ligt ver van het meer; daarom wordt voor dit gebied vaak gedacht aan Kursi (el-Koursi), aan de oostkust van het meer van Galilea.
Matteüs 8:28 heeft ‘Gadarenen’.
De precieze plek is niet zeker.
Uitleg
θάλασσα (thalassa), ‘zee’: hier is het meer van Galilea bedoeld.
Het gebied van de Gerasenen lag aan de overkant van het meer; de precieze ligging is niet zeker.
Matteüs heeft ‘Gadarenen’ (Matt. 8:28).
Zie ook Matt. 8:28–34; Luc. 8:26–39.
Lezing
In sommige handschriften staat bij Markus ‘Gadarenen’ of ‘Gergesenen’ in plaats van ‘Gerasenen’.
3De man had zijn woonplaats in de graven. Niemand kon hem nog binden, zelfs niet met een ketting.
ὃς
(hos)
die
τὴν
(ten)
de
κατοίκησιν
(katoikesin)
woonplaats
εἶχεν
(eichen)
had
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
μνήμασιν
(mnemasin)
graven
καὶ
(kai)
en
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
ἁλύσει
(halysei)
met een ketting
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐδύνατο
(edynato)
kon
αὐτὸν
(auton)
hem
δῆσαι
(desai)
binden
Bron: SBLGNT
4Want hij was vaak geboeid geweest met voetboeien en kettingen, maar de kettingen waren door hem verscheurd en de voetboeien stukgewreven. Niemand was sterk genoeg om hem te temmen.
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
het
αὐτὸν
(auton)
hij
πολλάκις
(pollakis)
vaak
πέδαις
(pedais)
met voetboeien
καὶ
(kai)
en
ἁλύσεσι
(halysesi)
kettingen
δεδέσθαι
(dedesthai)
geboeid te zijn geweest
καὶ
(kai)
en
διεσπάσθαι
(diespasthai)
verscheurd te zijn
ὑπ’
(hyp’)
door
αὐτοῦ
(autou)
hem
τὰς
(tas)
de
ἁλύσεις
(halyseis)
kettingen
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
πέδας
(pedas)
voetboeien
συντετρῖφθαι
(syntetriphthai)
stukgewreven te zijn
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἴσχυεν
(ischyen)
was sterk genoeg
αὐτὸν
(auton)
hem
δαμάσαι
(damasai)
te temmen
Bron: SBLGNT
5Voortdurend, nacht en dag, schreeuwde hij in de graven en in de bergen en verwondde hij zichzelf met stenen.
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
door
παντὸς
(pantos)
altijd
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
καὶ
(kai)
en
ἡμέρας
(hemeras)
dag
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
μνήμασιν
(mnemasin)
graven
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
ὄρεσιν
(oresin)
bergen
ἦν
(en)
was
κράζων
(krazon)
schreeuwend
καὶ
(kai)
en
κατακόπτων
(katakopton)
verwondend
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
λίθοις
(lithois)
met stenen
Bron: SBLGNT
6Toen hij Yeshua van ver zag, rende hij naar Hem toe en boog zich voor Hem neer.
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
τὸν
(ton)
(de)
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
ver
ἔδραμεν
(edramen)
rende
καὶ
(kai)
en
προσεκύνησεν
(prosekynesen)
boog zich neer
αὐτόν
(auton)
voor Hem
Bron: SBLGNT
7Hij schreeuwde met luide stem en zei: „Wat heb ik met U te maken, Yeshua, Zoon van Elohim, de Allerhoogste? Ik bezweer U bij Elohim: kwel mij niet!”
καὶ
(kai)
en
κράξας
(kraxas)
schreeuwend
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luid
λέγει
(legei)
zegt
Τί
(Ti)
wat
ἐμοὶ
(emoi)
mij
καὶ
(kai)
en
σοί
(soi)
U
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
υἱὲ
(huie)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
de
ὑψίστου
(hypsistou)
Allerhoogste
ὁρκίζω
(horkizo)
ik bezweer
σε
(se)
U
τὸν
(ton)
bij de
θεόν
(theon)
Elohim
μή
(me)
niet
με
(me)
mij
βασανίσῃς
(basanises)
kwel
Bron: SBLGNT
Uitleg
Τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi) is letterlijk ‘wat is er tussen mij en U?’ en betekent: ‘wat hebben wij met elkaar te maken?’
Ὕψιστος (hypsistos), ‘de Allerhoogste’, is de Griekse weergave van het Hebreeuwse עֶלְיוֹן (Elyon); zie Gen. 14:18–22. Het Grieks laat de onreine geest door de man heen spreken; daarom staan deze woorden als woorden van een onreine geest.
12Zij smeekten Hem: „Stuur ons naar de varkens, zodat wij in hen binnengaan.”
καὶ
(kai)
en
παρεκάλεσαν
(parekalesan)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Πέμψον
(Pempson)
stuur
ἡμᾶς
(hemas)
ons
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
χοίρους
(choirous)
varkens
ἵνα
(hina)
opdat
εἰς
(eis)
in
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἰσέλθωμεν
(eiselthomen)
wij binnengaan
Bron: SBLGNT
13Hij stond het hun toe. De onreine geesten kwamen naar buiten en gingen in de varkens. De kudde stortte zich van de steile helling in de zee, ongeveer 2000, en zij verdronken in de zee.
καὶ
(kai)
en
ἐπέτρεψεν
(epetrepsen)
Hij stond toe
αὐτοῖς
(autois)
hun
καὶ
(kai)
en
ἐξελθόντα
(exelthonta)
uitgegaan
τὰ
(ta)
de
πνεύματα
(pneumata)
geesten
τὰ
(ta)
de
ἀκάθαρτα
(akatharta)
onreine
εἰσῆλθον
(eiselthon)
gingen binnen
εἰς
(eis)
in
τοὺς
(tous)
de
χοίρους
(choirous)
varkens
καὶ
(kai)
en
ὥρμησεν
(hormesen)
stortte zich
ἡ
(he)
de
ἀγέλη
(agele)
kudde
κατὰ
(kata)
van
τοῦ
(tou)
de
κρημνοῦ
(kremnou)
steile helling
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
ὡς
(hos)
ongeveer
δισχίλιοι
(dischilioi)
2000
καὶ
(kai)
en
ἐπνίγοντο
(epnigonto)
verdronken
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
θαλάσσῃ
(thalasse)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.
De mensen vragen Yeshua weg te gaan
14De herders vluchtten en brachten het bericht in de stad en op het land. Zij kwamen kijken wat er gebeurd was.
Καὶ
(Kai)
en
οἱ
(hoi)
de
βόσκοντες
(boskontes)
herders
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἔφυγον
(ephygon)
vluchtten
καὶ
(kai)
en
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
meldden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
τοὺς
(tous)
de
ἀγρούς
(agrous)
landerijen
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
ἰδεῖν
(idein)
zien
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
γεγονός
(gegonos)
gebeurde
Bron: SBLGNT
15Zij kwamen bij Yeshua en zagen de bezeten man zitten. Hij was gekleed en bij zijn verstand, hij die het Legioen had gehad. Zij werden bang.
καὶ
(kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
θεωροῦσιν
(theorousin)
zien
τὸν
(ton)
de
δαιμονιζόμενον
(daimonizomenon)
bezeten man
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἱματισμένον
(himatismenon)
gekleed
καὶ
(kai)
en
σωφρονοῦντα
(sophronounta)
bij zinnen
τὸν
(ton)
de
ἐσχηκότα
(eschekota)
gehad hebbende
τὸν
(ton)
het
λεγιῶνα
(legiona)
Legioen
καὶ
(kai)
en
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bang
Bron: SBLGNT
16Wie het gezien hadden, vertelden hun hoe het met de bezeten man gegaan was, en over de varkens.
καὶ
(kai)
en
διηγήσαντο
(diegesanto)
vertelden
αὐτοῖς
(autois)
hun
οἱ
(hoi)
de
ἰδόντες
(idontes)
zienden
πῶς
(pos)
hoe
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
τῷ
(to)
aan de
δαιμονιζομένῳ
(daimonizomeno)
bezeten man
καὶ
(kai)
en
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
χοίρων
(choiron)
varkens
Bron: SBLGNT
17Zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
παρακαλεῖν
(parakalein)
te smeken
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπελθεῖν
(apelthein)
weg te gaan
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ὁρίων
(horion)
gebieden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
De genezen man moet vertellen
18Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest, dat hij bij Hem mocht zijn.
καὶ
(kai)
en
ἐμβαίνοντος
(embainontos)
instappend
αὐτοῦ
(autou)
Hij
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
παρεκάλει
(parekalei)
smeekte
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
δαιμονισθεὶς
(daimonistheis)
bezeten gewordene
ἵνα
(hina)
opdat
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ᾖ
(e)
hij zou zijn
Bron: SBLGNT
19Hij stond het hem niet toe, maar zei tegen hem: „Ga naar je huis, naar je eigen mensen. Vertel hun hoeveel de Heer voor je gedaan heeft en Zich over je ontfermd heeft.”
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφῆκεν
(apheken)
liet toe
αὐτόν
(auton)
hem
ἀλλὰ
(alla)
maar
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ὕπαγε
(Hypage)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκόν
(oikon)
huis
σου
(sou)
je
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
σούς
(sous)
jouwen
καὶ
(kai)
en
ἀπάγγειλον
(apangeilon)
vertel
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὅσα
(hosa)
hoeveel
ὁ
(ho)
de
κύριός
(kyrios)
Heer
σοι
(soi)
je
πεποίηκεν
(pepoieken)
heeft gedaan
καὶ
(kai)
en
ἠλέησέν
(eleesen)
ontfermde Zich
σε
(se)
over je
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριος (kyrios) kan hier ‘Yahweh’ of ‘de Heer’ bedoelen.
In 5:20 verkondigt de man wat Yeshua voor hem gedaan heeft.
Wij schrijven ‘de Heer’ en laten de keuze open.
τοὺς σούς (tous sous), ‘de jouwen’, zijn de mensen die bij hem horen.
20Hij ging weg en begon in de Decapolis te verkondigen hoeveel Yeshua voor hem had gedaan. En allen verbaasden zich.
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
καὶ
(kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
κηρύσσειν
(keryssein)
te verkondigen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Δεκαπόλει
(Dekapolei)
Decapolis
ὅσα
(hosa)
hoeveel
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
ἐθαύμαζον
(ethaumazon)
verbaasden zich
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël.
De omvang is niet exact vast te stellen.
Uitleg
Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Decapolis’, betekent ‘tien steden’: een streek met Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan.
Jaïrus vraagt om hulp
21Toen Yeshua in de boot weer naar de overkant was overgestoken, verzamelde zich een grote menigte bij Hem. Hij was bij de zee.
Καὶ
(Kai)
en
διαπεράσαντος
(diaperasantos)
overgestoken
τοῦ
(tou)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πλοίῳ
(ploio)
boot
πάλιν
(palin)
opnieuw
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
συνήχθη
(synechthe)
werd verzameld
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολὺς
(polys)
grote
ἐπ’
(ep’)
bij
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.
Uitleg
Zie ook Matt. 9:18–26; Luc. 8:40–56.
Markus voegt de twee verhalen in elkaar: het verhaal van de vrouw (5:25–34) staat tussen de vraag van Jaïrus en de komst bij zijn huis.
35Terwijl Hij nog sprak, kwamen er mensen van de synagogeleider. Zij zeiden: „Uw dochter is gestorven. Waarom valt u de leraar nog lastig?”
Ἔτι
(Eti)
nog
αὐτοῦ
(autou)
Hij
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
ἔρχονται
(erchontai)
komen
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
ἀρχισυναγώγου
(archisynagogou)
synagogeleider
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἡ
(He)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
σου
(sou)
uw
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
τί
(ti)
waarom
ἔτι
(eti)
nog
σκύλλεις
(skylleis)
u valt lastig
τὸν
(ton)
de
διδάσκαλον
(didaskalon)
leraar
Bron: SBLGNT
36Yeshua hoorde wat er gezegd werd en zei tegen de synagogeleider: „Wees niet bang, geloof alleen.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
παρακούσας
(parakousas)
hoorde
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
λαλούμενον
(laloumenon)
gesproken wordend
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
ἀρχισυναγώγῳ
(archisynagogo)
synagogeleider
Μὴ
(Me)
niet
φοβοῦ
(phobou)
wees bang
μόνον
(monon)
alleen
πίστευε
(pisteue)
geloof
Bron: SBLGNT
Uitleg
παρακούσας (parakousas) kan ‘opvangen, horen’ betekenen, maar ook ‘niet luisteren naar, negeren’.
Wij kiezen ‘hoorde’.
37Hij liet niemand met Zich meegaan, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφῆκεν
(apheken)
liet toe
οὐδένα
(oudena)
niemand
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
συνακολουθῆσαι
(synakolouthesai)
mee te volgen
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τὸν
(ton)
(de)
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
τὸν
(ton)
de
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
Ἰακώβου
(Iakobou)
van Jakobus
Bron: SBLGNT
38Zij kwamen bij het huis van de synagogeleider. Hij zag een tumult: mensen die huilden en luid jammerden.
καὶ
(kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχισυναγώγου
(archisynagogou)
synagogeleider
καὶ
(kai)
en
θεωρεῖ
(theorei)
ziet
θόρυβον
(thorybon)
tumult
καὶ
(kai)
en
κλαίοντας
(klaiontas)
huilenden
καὶ
(kai)
en
ἀλαλάζοντας
(alalazontas)
luid jammerenden
πολλά
(polla)
veel
Bron: SBLGNT
39Hij ging naar binnen en zei tegen hen: „Waarom maken jullie tumult en huilen jullie? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.”
καὶ
(kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Τί
(Ti)
waarom
θορυβεῖσθε
(thorybeisthe)
maken tumult
καὶ
(kai)
en
κλαίετε
(klaiete)
huilen
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
οὐκ
(ouk)
niet
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθεύδει
(katheudei)
slaapt
Bron: SBLGNT
40Zij lachten Hem uit. Maar Hij zette hen allen buiten. Hij nam de vader en de moeder van het kind en degenen die bij Hem waren mee. Hij ging naar binnen, naar waar het kind was.
καὶ
(kai)
en
κατεγέλων
(kategelon)
lachten uit
αὐτοῦ
(autou)
Hem
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
δὲ
(de)
maar
ἐκβαλὼν
(ekbalon)
uitgezet hebbend
πάντας
(pantas)
allen
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
τοῦ
(tou)
van het
παιδίου
(paidiou)
kind
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
καὶ
(kai)
en
εἰσπορεύεται
(eisporeuetai)
gaat binnen
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
Bron: SBLGNT
41Hij pakte de hand van het kind en zei tegen haar: „Talitha koem”, wat vertaald betekent: „Meisje, Ik zeg je: sta op!”
καὶ
(kai)
en
κρατήσας
(kratesas)
vastgepakt hebbend
τῆς
(tes)
de
χειρὸς
(cheiros)
hand
τοῦ
(tou)
van het
παιδίου
(paidiou)
kind
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
haar
Ταλιθα
(Talitha)
Talitha
κουμ
(koum)
koem
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
μεθερμηνευόμενον
(methermeneuomenon)
vertaald wordend
Τὸ
(To)
het
κοράσιον
(korasion)
meisje
σοὶ
(soi)
tot jou
λέγω
(lego)
Ik zeg
ἔγειρε
(egeire)
sta op
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ταλιθα κουμ (talitha koum) is Aramees (niet Hebreeuws): talitha, ‘meisje’, en qum, ‘sta op’.
Markus vertaalt het zelf.
Wij laten de Aramese woorden staan.
42Meteen stond het meisje op en liep rond, want zij was twaalf jaar oud. Meteen waren zij buiten zichzelf van grote verbazing.
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἀνέστη
(aneste)
stond op
τὸ
(to)
het
κοράσιον
(korasion)
meisje
καὶ
(kai)
en
περιεπάτει
(periepatei)
liep rond
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
ἐτῶν
(eton)
van jaren
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
καὶ
(kai)
en
ἐξέστησαν
(exestesan)
waren buiten zichzelf
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἐκστάσει
(ekstasei)
van verbazing
μεγάλῃ
(megale)
grote
Bron: SBLGNT
43Hij gaf hun de strenge opdracht dat niemand dit te weten mocht komen. En Hij zei dat men haar te eten moest geven.