Elohim Bijbel

1 Kronieken 5

1234567891011121314151617181920212223242526272829

Ruben, Gad en Manasse, en de lijn van de priesters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ruben verliest het eerstgeboorterecht

1De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël. Want hij was de eerstgeborene. Maar toen hij het bed van zijn vader ontheiligde, werd zijn eerstgeboorterecht gegeven aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël. Ruben mocht dus niet als eerstgeborene in het geslachtsregister worden ingeschreven.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֥ן
(reuven)
Ruben
בְּכֽוֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
want
ה֣וּא
(hu)
hij
הַבְּכוֹר֒
(habekhor)
de eerstgeborene
וּֽבְחַלְּלוֹ֙
(uvechalelo)
en toen hij ontheiligde
יְצוּעֵ֣י
(yetsuei)
het bed van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
נִתְּנָה֙
(nitena)
werd gegeven
בְּכֹ֣רָת֔וֹ
(bekhorato)
zijn eerstgeboorterecht
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְהִתְיַחֵ֖שׂ
(lehityaches)
om ingeschreven te worden
לַבְּכֹרָֽה
(labekhora)
als eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּחַלְּלוֹ (bechallelo), ‘toen hij ontheiligde’: Ruben ontheiligde het bed van zijn vader.

Hij lag bij Bilha, de bijvrouw van Jakob (Gen. 35:22; 49:3–4).

בְּכֹרָה (bechorah), ‘eerstgeboorterecht’: het voorrecht van de eerstgeborene. Dat ging naar de zonen van Jozef.

Lezing

Het einde van het vers is kort: ‘en niet om ingeschreven te worden als eerstgeborene’.

Wij lezen: Ruben staat niet als eerstgeborene in het geslachtsregister.

Aanvullend

Jubileeën 33:2–9 bevestigt dit.

2Want Juda werd sterk onder zijn broers. Uit hem komt de leider. Maar het eerstgeboorterecht is van Jozef.
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
גָּבַ֣ר
(gavar)
werd sterk
בְּאֶחָ֔יו
(beechav)
onder zijn broers
וּלְנָגִ֖יד
(ulenagid)
en de leider
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
uit hem
וְהַבְּכֹרָ֖ה
(vehabekhora)
maar het eerstgeboorterecht
לְיוֹסֵֽף
(leyosef)
is van Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: iemand die vooraan staat.

Uit Juda komt de leider (1 Kron. 28:4; vergelijk Gen. 49:8–10).

Het eerstgeboorterecht gaat naar Jozef, zoals vers 1 zegt.

De afstammelingen van Ruben

3De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: Chanoch, Pallu, Chezron en Karmi.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
רְאוּבֵ֖ן
(reuven)
Ruben
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
חֲנ֥וֹךְ
(chanokh)
Chanoch
וּפַלּ֖וּא
(ufalu)
en Pallu
חֶצְר֥וֹן
(chetsron)
Chezron
וְכַרְמִֽי
(vekharmi)
en Karmi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde vier zonen staan in Gen. 46:9, Exod. 6:14 en Num. 26:5–6.

4De zonen van Joël: Sjemaja was zijn zoon, Gog was diens zoon, Simeï was diens zoon.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
יוֹאֵ֑ל
(yoel)
Joël
שְׁמַֽעְיָ֥ה
(shemaya)
Sjemaja
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
גּ֥וֹג
(gog)
Gog
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
שִׁמְעִ֥י
(shimi)
Simeï
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In deze lijsten staat steeds ‘zijn zoon’ (בְנוֹ, beno) achter de naam.

Dat betekent: deze man is een zoon van de vorige.

Zo is Sjemaja een zoon van Joël, Gog een zoon van Sjemaja en Simeï een zoon van Gog.

De tekst zegt niet hoe Joël aan Ruben verwant is.

5Micha was diens zoon, Reaja was diens zoon, Baäl was diens zoon.
מִיכָ֥ה
(mikha)
Micha
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
רְאָיָ֥ה
(reaya)
Reaja
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Beera was diens zoon. Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, voerde hem weg in ballingschap. Hij was leider van de Rubenieten.
בְּאֵרָ֣ה
(beera)
Beera
בְנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶגְלָ֔ה
(hegla)
voerde weg
תִּלְּגַ֥ת
(tilegat)
Tiglat
פִּלְנְאֶ֖סֶר
(pilneeser)
Pilneser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשֻּׁ֑ר
(ashur)
Assyrië
ה֥וּא
(hu)
hij
נָשִׂ֖יא
(nasi)
leider
לָרֽאוּבֵנִֽי
(laruveni)
van de Rubeniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

תִּלְּגַת פִּלְנְאֶסֶר (tillegat pilneʼeser), Tiglat-Pilneser, was koning van Assyrië.

Hij voerde ook de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse weg (vers 26).

7Zijn broers, naar hun families, zoals zij naar hun geslachten in het geslachtsregister staan: Jeïël, het hoofd, en Zacharia.
וְאֶחָיו֙
(veechav)
en zijn broers
לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו
(lemishpechotav)
naar zijn families
בְּהִתְיַחֵ֖שׂ
(behityaches)
bij het ingeschreven worden
לְתֹלְדוֹתָ֑ם
(letoledotam)
naar hun geslachten
הָרֹ֥אשׁ
(harosh)
het hoofd
יְעִיאֵ֖ל
(yeiel)
Jeïël
וּזְכַרְיָֽהוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Bela was de zoon van Azaz, de zoon van Sjema, de zoon van Joël. Hij woonde in Aroër, tot aan Nebo en Baäl-Meon.
וּבֶ֨לַע֙
(uvela)
en Bela
בֶּן
(ben)
de zoon van
עָזָ֔ז
(azaz)
Azaz
בֶּן
(ben)
de zoon van
שֶׁ֖מַע
(shema)
Sjema
בֶּן
(ben)
de zoon van
יוֹאֵ֑ל
(yoel)
Joël
ה֚וּא
(hu)
hij
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
wonend
בַּעֲרֹעֵ֔ר
(baaroer)
in Aroër
וְעַד
(vead)
en tot
נְב֖וֹ
(nevo)
Nebo
וּבַ֥עַל
(uvaal)
en Baäl
מְעֽוֹן
(meon)
Meon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Aroër ligt aan de beek Arnon (Joz. 13:16).

Nebo en Baäl-Meon liggen op het plateau ten oosten van de Zoutzee, in het gebied van Ruben (Num. 32:38), in het huidige Jordanië.

De ligging van Nebo en Baäl-Meon is waarschijnlijk, niet zeker.

9Naar het oosten woonde hij tot waar de woestijn begint, vanaf de rivier de Eufraat. Want hun vee was talrijk geworden in het land Gilead.
וְלַמִּזְרָ֗ח
(velamizrach)
en naar het oosten
יָשַׁב֙
(yashav)
woonde hij
עַד
(ad)
tot
לְב֣וֹא
(levo)
de ingang van
מִדְבָּ֔רָה
(midbara)
de woestijn
לְמִן
(lemin)
vanaf
הַנָּהָ֖ר
(hanahar)
de rivier
פְּרָ֑ת
(perat)
Eufraat
כִּ֧י
(ki)
want
מִקְנֵיהֶ֛ם
(miqneihem)
hun vee
רָב֖וּ
(ravu)
was talrijk
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De tekst noemt de woestijn en de Eufraat als oostgrens van hun weidegebied.

Hoe ver dat gebied precies reikte, is onzeker.

Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

10In de dagen van Saul voerden zij oorlog met de Hagrieten. Die vielen door hun hand. Daarna woonden zij in hun tenten, in heel het gebied ten oosten van Gilead.
וּבִימֵ֣י
(uvimei)
en in de dagen van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
עָשׂ֤וּ
(asu)
zij voerden
מִלְחָמָה֙
(milchama)
oorlog
עִם
(im)
met
הַֽהַגְרִאִ֔ים
(hahagriim)
de Hagrieten
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en zij vielen
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
door hun hand
וַיֵּשְׁבוּ֙
(vayeshevu)
en zij woonden
בְּאָ֣הֳלֵיהֶ֔ם
(beaholeihem)
in hun tenten
עַֽל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵ֖י
(penei)
het gebied van
מִזְרָ֥ח
(mizrach)
oost
לַגִּלְעָֽד
(lagilad)
van Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Gad in Basan

11De zonen van Gad woonden tegenover hen, in het land Basan tot Salka.
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
גָ֣ד
(gad)
Gad
לְנֶגְדָּ֗ם
(lenegdam)
tegenover hen
יָֽשְׁב֛וּ
(yashevu)
woonden
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
הַבָּשָׁ֖ן
(habashan)
Basan
עַד
(ad)
tot
סַלְכָֽה
(salkha)
Salka
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Salka ligt in het uiterste oosten van Basan, waarschijnlijk bij het huidige Salkhad in het zuiden van Syrië (Joz. 12:5; Deut. 3:10).

12Joël was het hoofd en Sjafam de tweede, daarna Janai en Sjafat in Basan.
יוֹאֵ֣ל
(yoel)
Joël
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְשָׁפָ֖ם
(veshafam)
en Sjafam
הַמִּשְׁנֶ֑ה
(hamishne)
de tweede
וְיַעְנַ֥י
(veyanay)
en Janai
וְשָׁפָ֖ט
(veshafat)
en Sjafat
בַּבָּשָֽׁן
(babashan)
in Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

13Hun broers, naar het huis van hun vaders: Michaël, Mesjullam, Sjeba, Joraï, Jaäkan, Zia en Eber, samen zeven.
וַאֲחֵיהֶ֞ם
(vaacheihem)
en hun broers
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבוֹתֵיהֶ֗ם
(avoteihem)
hun vaders
מִֽיכָאֵ֡ל
(mikhael)
Michaël
וּמְשֻׁלָּ֡ם
(umeshulam)
en Mesjullam
וְ֠שֶׁבַע
(vesheva)
en Sjeba
וְיוֹרַ֧י
(veyoray)
en Joraï
וְיַעְכָּ֛ן
(veyakan)
en Jaäkan
וְזִ֥יעַ
(vezia)
en Zia
וָעֵ֖בֶר
(vaever)
en Eber
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Dit zijn de zonen van Abichaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesjisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Bus.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֲבִיחַ֗יִל
(avichayil)
Abichaïl
בֶּן
(ben)
de zoon van
חוּרִ֡י
(churi)
Huri
בֶּן
(ben)
de zoon van
יָ֠רוֹחַ
(yaroach)
Jaroach
בֶּן
(ben)
de zoon van
גִּלְעָ֧ד
(gilad)
Gilead
בֶּן
(ben)
de zoon van
מִיכָאֵ֛ל
(mikhael)
Michaël
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְשִׁישַׁ֥י
(yeshishay)
Jesjisai
בֶּן
(ben)
de zoon van
יַחְדּ֖וֹ
(yachdo)
Jachdo
בֶּן
(ben)
de zoon van
בּֽוּז
(buz)
Bus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was hoofd van het huis van hun vaders.
אֲחִי֙
(achi)
Achi
בֶּן
(ben)
de zoon van
עַבְדִּיאֵ֣ל
(avdiel)
Abdiël
בֶּן
(ben)
de zoon van
גּוּנִ֔י
(guni)
Guni
רֹ֖אשׁ
(rosh)
hoofd
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij woonden in Gilead, in Basan en in de dorpen die erbij horen, en in al het weideland van Saron, tot aan hun uitlopers.
וַיֵּֽשְׁב֛וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
בַּגִּלְעָ֥ד
(bagilad)
in Gilead
בַּבָּשָׁ֖ן
(babashan)
in Basan
וּבִבְנֹתֶ֑יהָ
(uvivnoteiha)
en in haar dorpen
וּבְכָֽל
(uvekhal)
en in alle
מִגְרְשֵׁ֥י
(migreshei)
weidegronden van
שָׁר֖וֹן
(sharon)
Saron
עַל
(al)
tot
תּוֹצְאוֹתָֽם
(totseotam)
hun uitlopers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit Saron (שָׁרוֹן, sharon) ligt in het oosten, bij Gilead en Basan.

Het is niet de kustvlakte.

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen die bij een grotere stad horen.

17Zij allen werden ingeschreven in het geslachtsregister. Dat gebeurde in de dagen van Jotam, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël.
כֻּלָּם֙
(kulam)
allen van hen
הִתְיַחְשׂ֔וּ
(hityachsu)
werden ingeschreven
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
יוֹתָ֣ם
(yotam)
Jotam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּבִימֵ֖י
(uvimei)
en in de dagen van
יָרָבְעָ֥ם
(yaraveam)
Jerobeam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De oorlog tegen de Hagrieten

18De zonen van Ruben, de Gadieten en de halve stam Manasse hadden dappere mannen. Zij droegen schild en zwaard, spanden de boog en waren geoefend in de oorlog. Het waren 44.760 man, die ten strijde konden trekken.
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
רְאוּבֵ֨ן
(reuven)
Ruben
וְגָדִ֜י
(vegadi)
en de Gadiet
וַחֲצִ֥י
(vachatsi)
en de helft van
שֵֽׁבֶט
(shevet)
de stam
מְנַשֶּׁה֮
(menashe)
Manasse
מִן
(min)
uit
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַיִל֒
(chayil)
kracht
אֲ֠נָשִׁים
(anashim)
mannen
נֹשְׂאֵ֨י
(noseei)
dragers van
מָגֵ֤ן
(magen)
schild
וְחֶ֨רֶב֙
(vecherev)
en zwaard
וְדֹ֣רְכֵי
(vedorekhei)
en spanners van
קֶ֔שֶׁת
(qeshet)
boog
וּלְמוּדֵ֖י
(ulemudei)
en geoefend in
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
אַרְבָּעִ֨ים
(arbaim)
veertig
וְאַרְבָּעָ֥ה
(vearbaa)
en vier
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁשִּׁ֖ים
(veshishim)
en zestig
יֹצְאֵ֥י
(yotseei)
uitgaanden van
צָבָֽא
(tsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zij voerden oorlog met de Hagrieten, met Jetur, Nafisj en Nodab.
וַיַּעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en zij voerden
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
עִם
(im)
met
הַֽהַגְרִיאִ֑ים
(hahagriim)
de Hagrieten
וִיט֥וּר
(vitur)
en Jetur
וְנָפִ֖ישׁ
(venafish)
en Nafisj
וְנוֹדָֽב
(venodav)
en Nodab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zij kregen hulp tegen hen. De Hagrieten werden in hun hand gegeven, met allen die bij hen waren. Want zij riepen in de strijd om hulp tot Elohim. Hij liet Zich door hen bewegen, want zij vertrouwden op Hem.
וַיֵּעָזְר֣וּ
(vayeazeru)
en zij kregen hulp
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
וַיִּנָּתְנ֤וּ
(vayinatenu)
en werden gegeven
בְיָדָם֙
(beyadam)
in hun hand
הַֽהַגְרִיאִ֔ים
(hahagriim)
de Hagrieten
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alles
שֶׁ֣עִמָּהֶ֑ם
(sheimahem)
wat met hen was
כִּ֠י
(ki)
want
לֵאלֹהִ֤ים
(lElohim)
tot Elohim
זָעֲקוּ֙
(zaaqu)
zij riepen
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de oorlog
וְנַעְתּ֥וֹר
(venator)
en Hij liet Zich bewegen
לָהֶ֖ם
(lahem)
door hen
כִּי
(ki)
want
בָ֥טְחוּ
(batechu)
zij vertrouwden
בֽוֹ
(bo)
op Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנַעְתּוֹר (veneʼtor), ‘en Hij liet Zich bewegen’: Elohim hoort de roep van Zijn volk en grijpt in.

21Zij voerden hun vee weg: 50.000 kamelen, 250.000 stuks kleinvee, 2.000 ezels en 100.000 mensen.
וַיִּשְׁבּ֣וּ
(vayishbu)
en zij voerden weg
מִקְנֵיהֶ֗ם
(miqneihem)
hun vee
גְּֽמַלֵּיהֶ֞ם
(gemaleihem)
hun kamelen
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
וְצֹ֗אן
(vetson)
en kleinvee
מָאתַ֤יִם
(matayim)
tweehonderd
וַחֲמִשִּׁים֙
(vachamishim)
en vijftig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וַחֲמוֹרִ֖ים
(vachamorim)
en ezels
אַלְפָּ֑יִם
(alpayim)
tweeduizend
וְנֶ֥פֶשׁ
(venefesh)
en personen van
אָדָ֖ם
(adam)
mensen
מֵ֥אָה
(mea)
honderd
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Want er vielen veel verslagenen, omdat de strijd van Elohim kwam. Zij woonden in hun plaats tot de ballingschap.
כִּֽי
(ki)
want
חֲלָלִ֤ים
(chalalim)
verslagenen
רַבִּים֙
(rabim)
vele
נָפָ֔לוּ
(nafalu)
waren gevallen
כִּ֥י
(ki)
want
מֵהָאֱלֹהִ֖ים
(mehaelohim)
van Elohim
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de oorlog
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
תַחְתֵּיהֶ֖ם
(tachteihem)
in hun plaats
עַד
(ad)
tot
הַגֹּלָֽה
(hagola)
de ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַגֹּלָה (haggolah), ‘de ballingschap’: de wegvoering door Assyrië, zie vers 26.

De halve stam Manasse

23De zonen van de halve stam Manasse woonden in het land, van Basan tot Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon. Zij werden talrijk.
וּבְנֵ֗י
(uvenei)
en de zonen van
חֲצִי֙
(chatsi)
de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
יָשְׁב֖וּ
(yashevu)
woonden
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
מִבָּשָׁ֞ן
(mibashan)
van Basan
עַד
(ad)
tot
בַּ֧עַל
(baal)
Baäl
חֶרְמ֛וֹן
(chermon)
Hermon
וּשְׂנִ֥יר
(usenir)
en Senir
וְהַר
(vehar)
en de berg
חֶרְמ֖וֹן
(chermon)
Hermon
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
רָבֽוּ
(ravu)
werden talrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäl-Hermon, Senir en de berg Hermon liggen in het uiterste noorden, bij de grens van het huidige Libanon en Syrië.

Senir is een andere naam voor de Hermon (Deut. 3:9; vergelijk Richt. 3:3).

24Dit zijn de hoofden van het huis van hun vaders: Efer, Jisji, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodavja en Jachdiël. Het waren dappere strijders, mannen met een naam, hoofden van het huis van hun vaders.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dezen
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
בֵית
(beit)
het huis van
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
וְעֵ֡פֶר
(veefer)
en Efer
וְיִשְׁעִ֡י
(veyishi)
en Jisji
וֶאֱלִיאֵ֡ל
(veeliel)
en Eliël
וְ֠עַזְרִיאֵל
(veazriel)
en Azriël
וְיִרְמְיָ֨ה
(veyirmeya)
en Jirmeja
וְהוֹדַוְיָ֜ה
(vehodavya)
en Hodavja
וְיַחְדִּיאֵ֗ל
(veyachdiel)
en Jachdiël
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
גִּבּ֣וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
שֵׁמ֔וֹת
(shemot)
namen
רָאשִׁ֖ים
(rashim)
hoofden
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ontrouw en ballingschap

25Maar zij waren ontrouw aan de Elohim van hun vaders. Zij hoereerden achter de goden van de volken van het land aan, die Elohim voor hun ogen had uitgeroeid.
וַיִּֽמְעֲל֔וּ
(vayimalu)
en zij waren ontrouw
בֵּאלֹהֵ֖י
(belohei)
aan de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaders
וַיִּזְנ֗וּ
(vayiznu)
en zij hoereerden
אַחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
עַמֵּי
(amei)
de volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִשְׁמִ֥יד
(hishmid)
had uitgeroeid
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
מִפְּנֵיהֶֽם
(mipeneihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּמְעֲלוּ (vayyimʼalu), ‘zij waren ontrouw’: zij braken de trouw aan Elohim.

וַיִּזְנוּ (vayyiznu), ‘zij hoereerden’: afgoderij wordt hier als overspel beschreven (vergelijk Num. 25:1–3).

26Toen wekte de Elohim van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, op. Ook wekte Hij de geest van Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, op. Die voerde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse weg. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan, tot op deze dag.
וַיָּעַר֩
(vayaar)
en wekte op
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
ר֣וּחַ
(ruach)
de geest van
פּ֣וּל
(pul)
Pul
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֗וּר
(ashur)
Assyrië
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
ר֨וּחַ֙
(ruach)
de geest van
תִּלְּגַ֤ת
(tilegat)
Tiglat
פִּלְנֶ֨סֶר֙
(pilneser)
Pilneser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיַּגְלֵם֙
(vayaglem)
en hij voerde hen weg
לָראוּבֵנִ֣י
(laruveni)
de Rubeniet
וְלַגָּדִ֔י
(velagadi)
en de Gadiet
וְלַחֲצִ֖י
(velachatsi)
en de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
וַ֠יְבִיאֵם
(vayviem)
en bracht hen
לַחְלַ֨ח
(lachlach)
naar Chalach
וְחָב֤וֹר
(vechavor)
en Chabor
וְהָרָא֙
(vehara)
en Hara
וּנְהַ֣ר
(unehar)
en de rivier
גּוֹזָ֔ן
(gozan)
Gozan
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan liggen in het noorden van Mesopotamië, in het huidige noordoosten van Syrië en het noorden van Irak.

De precieze ligging van Chalach en Hara is onzeker.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: Elohim zet de koningen aan tot hun veldtocht.

Pul en Tiglat-Pilneser worden naast elkaar genoemd.

Of het twee namen voor dezelfde koning zijn, laat de tekst open (vergelijk 2 Kon. 15:19, 15:29 en 17:6).

Lezing

וַיַּגְלֵם (vayyagelem), ‘en hij voerde hen weg’, is enkelvoud.

Wij lezen Tiglat-Pilneser als onderwerp, omdat hij het laatst is genoemd.

De zonen van Levi

27De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
גֵּרְשׁ֕וֹן
(gereshon)
Gersjon
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
וּמְרָרִֽי
(umerari)
en Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint de afstamming van Levi.

In de Nederlandse telling is Hebr. 5:27–41 het begin van hoofdstuk 6 (NL 6:1–15).

Hebr. 6:1–66 is NL 6:16–81.

Wij volgen de Masoretische telling.

גֵּרְשׁוֹן (gershon): Gersjon, zoals in Exod. 6:16. In het volgende hoofdstuk staat de naam ook als גֵּרְשֹׁם (gershom) en גֵּרְשׁוֹם (gershom).

28De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
קְהָ֑ת
(qehat)
Kehat
עַמְרָ֣ם
(amram)
Amram
יִצְהָ֔ר
(yitshar)
Jishar
וְחֶבְר֖וֹן
(vechevron)
en Hebron
וְעֻזִּיאֵֽל
(veuziel)
en Uzziël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De zonen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aäron: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
עַמְרָ֔ם
(amram)
Amram
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
וּמֹשֶׁ֖ה
(umoshe)
en Mozes
וּמִרְיָ֑ם
(umiryam)
en Mirjam
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
נָדָב֙
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֔וּא
(vaavihu)
en Abihu
אֶלְעָזָ֖ר
(elazar)
Eleazar
וְאִיתָמָֽר
(veitamar)
en Itamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 6:20 en Num. 3:2; 26:59–60.

De lijn van Eleazar tot de ballingschap

30Eleazar werd de vader van Pinechas. Pinechas werd de vader van Abisjoea.
אֶלְעָזָר֙
(elazar)
Eleazar
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
פִּֽינְחָ֔ס
(pinechas)
Pinechas
פִּֽינְחָ֖ס
(pinechas)
Pinechas
הֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבִישֽׁוּעַ
(avishua)
Abisjoea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹלִיד (holid), ‘werd de vader van’: vanaf hier volgt de lijn van de priesters in een vaste vorm.

Zij loopt van Eleazar tot Jehozadak, die in ballingschap ging (vers 41).

31Abisjoea werd de vader van Bukki. Bukki werd de vader van Uzzi.
וַאֲבִישׁ֨וּעַ֙
(vaavishua)
en Abisjoea
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בֻּקִּ֔י
(buqi)
Bukki
וּבֻקִּ֖י
(uvuqi)
en Bukki
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֻזִּֽי
(uzi)
Uzzi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Uzzi werd de vader van Zerachja. Zerachja werd de vader van Merajot.
וְעֻזִּי֙
(veuzi)
en Uzzi
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
זְרַֽחְיָ֔ה
(zerachya)
Zerachja
וּֽזְרַֽחְיָ֖ה
(uzerachya)
en Zerachja
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
מְרָיֽוֹת
(merayot)
Merajot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Merajot werd de vader van Amarja. Amarja werd de vader van Achitub.
מְרָיוֹת֙
(merayot)
Merajot
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמַרְיָ֔ה
(amarya)
Amarja
וַאֲמַרְיָ֖ה
(vaamarya)
en Amarja
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִיטֽוּב
(achituv)
Achitub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Achitub werd de vader van Zadok. Zadok werd de vader van Achimaäs.
וַאֲחִיטוּב֙
(vaachituv)
en Achitub
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
צָד֔וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְצָד֖וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִימָֽעַץ
(achimaats)
Achimaäs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Achimaäs werd de vader van Azarja. Azarja werd de vader van Johanan.
וַאֲחִימַ֨עַץ֙
(vaachimaats)
en Achimaäs
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֲזַרְיָ֔ה
(azarya)
Azarja
וַעֲזַרְיָ֖ה
(vaazarya)
en Azarja
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹחָנָֽן
(yochanan)
Johanan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Johanan werd de vader van Azarja. Hij was de priester in het huis dat Salomo in Jeruzalem bouwde.
וְיוֹחָנָ֖ן
(veyochanan)
en Johanan
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֲזַרְיָ֑ה
(azarya)
Azarja
ה֚וּא
(hu)
hij
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כִּהֵ֔ן
(kihen)
was priester
בַּבַּ֕יִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּנָ֥ה
(bana)
bouwde
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

הוּא (hu), ‘hij’, kan terugwijzen op Johanan of op Azarja.

Wij laten dat zoals de tekst het geeft.

De naam Azarja komt in deze lijst vaker voor (verzen 35, 36, 39 en 40).

37Azarja werd de vader van Amarja. Amarja werd de vader van Achitub.
וַיּ֥וֹלֶד
(vayoled)
en werd de vader van
עֲזַרְיָ֖ה
(azarya)
Azarja
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמַרְיָ֑ה
(amarya)
Amarja
וַאֲמַרְיָ֖ה
(vaamarya)
en Amarja
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִיטֽוּב
(achituv)
Achitub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEzra 7:3
38Achitub werd de vader van Zadok. Zadok werd de vader van Sjallum.
וַאֲחִיטוּב֙
(vaachituv)
en Achitub
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
צָד֔וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְצָד֖וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁלּֽוּם
(shalum)
Sjallum
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Sjallum werd de vader van Chilkia. Chilkia werd de vader van Azarja.
וְשַׁלּוּם֙
(veshalum)
en Sjallum
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
חִלְקִיָּ֔ה
(chilqiya)
Chilkia
וְחִלְקִיָּ֖ה
(vechilqiya)
en Chilkia
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֲזַרְיָֽה
(azarya)
Azarja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Azarja werd de vader van Seraja. Seraja werd de vader van Jehozadak.
וַעֲזַרְיָה֙
(vaazarya)
en Azarja
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂרָיָ֔ה
(seraya)
Seraja
וּשְׂרָיָ֖ה
(useraya)
en Seraja
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹצָדָֽק
(yehotsadaq)
Jehozadak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Jehozadak ging weg, toen Yahweh Juda en Jeruzalem in ballingschap liet voeren door de hand van Nebukadnezar.
וִיהוֹצָדָ֣ק
(vihotsadaq)
en Jehozadak
הָלַ֔ךְ
(halakh)
ging
בְּהַגְל֣וֹת
(behaglot)
bij het wegvoeren van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָ֑ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
נְבֻכַדְנֶאצַּֽר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בְּהַגְלוֹת יְהוָה (behaglot Yahweh), ‘toen Yahweh wegvoerde’: de ballingschap wordt hier genoemd als daad van Yahweh, door de hand van Nebukadnezar.