Ruben, Gad en Manasse, en de lijn van de priesters
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Ruben verliest het eerstgeboorterecht
1De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël. Want hij was de eerstgeborene. Maar toen hij het bed van zijn vader ontheiligde, werd zijn eerstgeboorterecht gegeven aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël. Ruben mocht dus niet als eerstgeborene in het geslachtsregister worden ingeschreven.
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֥ן
(reuven)
Ruben
בְּכֽוֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
want
ה֣וּא
(hu)
hij
הַבְּכוֹר֒
(habekhor)
de eerstgeborene
וּֽבְחַלְּלוֹ֙
(uvechalelo)
en toen hij ontheiligde
יְצוּעֵ֣י
(yetsuei)
het bed van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
נִתְּנָה֙
(nitena)
werd gegeven
בְּכֹ֣רָת֔וֹ
(bekhorato)
zijn eerstgeboorterecht
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְהִתְיַחֵ֖שׂ
(lehityaches)
om ingeschreven te worden
לַבְּכֹרָֽה
(labekhora)
als eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּחַלְּלוֹ (bechallelo), ‘toen hij ontheiligde’: Ruben ontheiligde het bed van zijn vader.
Hij lag bij Bilha, de bijvrouw van Jakob (Gen. 35:22; 49:3–4).
בְּכֹרָה (bechorah), ‘eerstgeboorterecht’: het voorrecht van de eerstgeborene. Dat ging naar de zonen van Jozef.
Lezing
Het einde van het vers is kort: ‘en niet om ingeschreven te worden als eerstgeborene’.
Wij lezen: Ruben staat niet als eerstgeborene in het geslachtsregister.
10In de dagen van Saul voerden zij oorlog met de Hagrieten. Die vielen door hun hand. Daarna woonden zij in hun tenten, in heel het gebied ten oosten van Gilead.
וּבִימֵ֣י
(uvimei)
en in de dagen van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
עָשׂ֤וּ
(asu)
zij voerden
מִלְחָמָה֙
(milchama)
oorlog
עִם
(im)
met
הַֽהַגְרִאִ֔ים
(hahagriim)
de Hagrieten
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en zij vielen
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
door hun hand
וַיֵּשְׁבוּ֙
(vayeshevu)
en zij woonden
בְּאָ֣הֳלֵיהֶ֔ם
(beaholeihem)
in hun tenten
עַֽל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵ֖י
(penei)
het gebied van
מִזְרָ֥ח
(mizrach)
oost
לַגִּלְעָֽד
(lagilad)
van Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
12Joël was het hoofd en Sjafam de tweede, daarna Janai en Sjafat in Basan.
יוֹאֵ֣ל
(yoel)
Joël
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
וְשָׁפָ֖ם
(veshafam)
en Sjafam
הַמִּשְׁנֶ֑ה
(hamishne)
de tweede
וְיַעְנַ֥י
(veyanay)
en Janai
וְשָׁפָ֖ט
(veshafat)
en Sjafat
בַּבָּשָֽׁן
(babashan)
in Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
13Hun broers, naar het huis van hun vaders: Michaël, Mesjullam, Sjeba, Joraï, Jaäkan, Zia en Eber, samen zeven.
וַאֲחֵיהֶ֞ם
(vaacheihem)
en hun broers
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבוֹתֵיהֶ֗ם
(avoteihem)
hun vaders
מִֽיכָאֵ֡ל
(mikhael)
Michaël
וּמְשֻׁלָּ֡ם
(umeshulam)
en Mesjullam
וְ֠שֶׁבַע
(vesheva)
en Sjeba
וְיוֹרַ֧י
(veyoray)
en Joraï
וְיַעְכָּ֛ן
(veyakan)
en Jaäkan
וְזִ֥יעַ
(vezia)
en Zia
וָעֵ֖בֶר
(vaever)
en Eber
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Dit zijn de zonen van Abichaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesjisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Bus.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֲבִיחַ֗יִל
(avichayil)
Abichaïl
בֶּן
(ben)
de zoon van
חוּרִ֡י
(churi)
Huri
בֶּן
(ben)
de zoon van
יָ֠רוֹחַ
(yaroach)
Jaroach
בֶּן
(ben)
de zoon van
גִּלְעָ֧ד
(gilad)
Gilead
בֶּן
(ben)
de zoon van
מִיכָאֵ֛ל
(mikhael)
Michaël
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְשִׁישַׁ֥י
(yeshishay)
Jesjisai
בֶּן
(ben)
de zoon van
יַחְדּ֖וֹ
(yachdo)
Jachdo
בֶּן
(ben)
de zoon van
בּֽוּז
(buz)
Bus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was hoofd van het huis van hun vaders.
אֲחִי֙
(achi)
Achi
בֶּן
(ben)
de zoon van
עַבְדִּיאֵ֣ל
(avdiel)
Abdiël
בֶּן
(ben)
de zoon van
גּוּנִ֔י
(guni)
Guni
רֹ֖אשׁ
(rosh)
hoofd
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij woonden in Gilead, in Basan en in de dorpen die erbij horen, en in al het weideland van Saron, tot aan hun uitlopers.
וַיֵּֽשְׁב֛וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
בַּגִּלְעָ֥ד
(bagilad)
in Gilead
בַּבָּשָׁ֖ן
(babashan)
in Basan
וּבִבְנֹתֶ֑יהָ
(uvivnoteiha)
en in haar dorpen
וּבְכָֽל
(uvekhal)
en in alle
מִגְרְשֵׁ֥י
(migreshei)
weidegronden van
שָׁר֖וֹן
(sharon)
Saron
עַל
(al)
tot
תּוֹצְאוֹתָֽם
(totseotam)
hun uitlopers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Dit Saron (שָׁרוֹן, sharon) ligt in het oosten, bij Gilead en Basan.
Het is niet de kustvlakte.
De precieze ligging is onzeker.
Uitleg
בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen die bij een grotere stad horen.
17Zij allen werden ingeschreven in het geslachtsregister. Dat gebeurde in de dagen van Jotam, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël.
כֻּלָּם֙
(kulam)
allen van hen
הִתְיַחְשׂ֔וּ
(hityachsu)
werden ingeschreven
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
יוֹתָ֣ם
(yotam)
Jotam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּבִימֵ֖י
(uvimei)
en in de dagen van
יָרָבְעָ֥ם
(yaraveam)
Jerobeam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18De zonen van Ruben, de Gadieten en de halve stam Manasse hadden dappere mannen. Zij droegen schild en zwaard, spanden de boog en waren geoefend in de oorlog. Het waren 44.760 man, die ten strijde konden trekken.
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
רְאוּבֵ֨ן
(reuven)
Ruben
וְגָדִ֜י
(vegadi)
en de Gadiet
וַחֲצִ֥י
(vachatsi)
en de helft van
שֵֽׁבֶט
(shevet)
de stam
מְנַשֶּׁה֮
(menashe)
Manasse
מִן
(min)
uit
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַיִל֒
(chayil)
kracht
אֲ֠נָשִׁים
(anashim)
mannen
נֹשְׂאֵ֨י
(noseei)
dragers van
מָגֵ֤ן
(magen)
schild
וְחֶ֨רֶב֙
(vecherev)
en zwaard
וְדֹ֣רְכֵי
(vedorekhei)
en spanners van
קֶ֔שֶׁת
(qeshet)
boog
וּלְמוּדֵ֖י
(ulemudei)
en geoefend in
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
אַרְבָּעִ֨ים
(arbaim)
veertig
וְאַרְבָּעָ֥ה
(vearbaa)
en vier
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁשִּׁ֖ים
(veshishim)
en zestig
יֹצְאֵ֥י
(yotseei)
uitgaanden van
צָבָֽא
(tsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Zij kregen hulp tegen hen. De Hagrieten werden in hun hand gegeven, met allen die bij hen waren. Want zij riepen in de strijd om hulp tot Elohim. Hij liet Zich door hen bewegen, want zij vertrouwden op Hem.
וַיֵּעָזְר֣וּ
(vayeazeru)
en zij kregen hulp
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
וַיִּנָּתְנ֤וּ
(vayinatenu)
en werden gegeven
בְיָדָם֙
(beyadam)
in hun hand
הַֽהַגְרִיאִ֔ים
(hahagriim)
de Hagrieten
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alles
שֶׁ֣עִמָּהֶ֑ם
(sheimahem)
wat met hen was
כִּ֠י
(ki)
want
לֵאלֹהִ֤ים
(lElohim)
tot Elohim
זָעֲקוּ֙
(zaaqu)
zij riepen
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de oorlog
וְנַעְתּ֥וֹר
(venator)
en Hij liet Zich bewegen
לָהֶ֖ם
(lahem)
door hen
כִּי
(ki)
want
בָ֥טְחוּ
(batechu)
zij vertrouwden
בֽוֹ
(bo)
op Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְנַעְתּוֹר (veneʼtor), ‘en Hij liet Zich bewegen’: Elohim hoort de roep van Zijn volk en grijpt in.
24Dit zijn de hoofden van het huis van hun vaders: Efer, Jisji, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodavja en Jachdiël. Het waren dappere strijders, mannen met een naam, hoofden van het huis van hun vaders.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dezen
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
בֵית
(beit)
het huis van
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
וְעֵ֡פֶר
(veefer)
en Efer
וְיִשְׁעִ֡י
(veyishi)
en Jisji
וֶאֱלִיאֵ֡ל
(veeliel)
en Eliël
וְ֠עַזְרִיאֵל
(veazriel)
en Azriël
וְיִרְמְיָ֨ה
(veyirmeya)
en Jirmeja
וְהוֹדַוְיָ֜ה
(vehodavya)
en Hodavja
וְיַחְדִּיאֵ֗ל
(veyachdiel)
en Jachdiël
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
גִּבּ֣וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
שֵׁמ֔וֹת
(shemot)
namen
רָאשִׁ֖ים
(rashim)
hoofden
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Maar zij waren ontrouw aan de Elohim van hun vaders. Zij hoereerden achter de goden van de volken van het land aan, die Elohim voor hun ogen had uitgeroeid.
וַיִּֽמְעֲל֔וּ
(vayimalu)
en zij waren ontrouw
בֵּאלֹהֵ֖י
(belohei)
aan de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaders
וַיִּזְנ֗וּ
(vayiznu)
en zij hoereerden
אַחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
עַמֵּי
(amei)
de volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִשְׁמִ֥יד
(hishmid)
had uitgeroeid
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
מִפְּנֵיהֶֽם
(mipeneihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּמְעֲלוּ (vayyimʼalu), ‘zij waren ontrouw’: zij braken de trouw aan Elohim.
וַיִּזְנוּ (vayyiznu), ‘zij hoereerden’: afgoderij wordt hier als overspel beschreven (vergelijk Num. 25:1–3).
26Toen wekte de Elohim van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, op. Ook wekte Hij de geest van Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, op. Die voerde de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse weg. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan, tot op deze dag.
וַיָּעַר֩
(vayaar)
en wekte op
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
ר֣וּחַ
(ruach)
de geest van
פּ֣וּל
(pul)
Pul
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֗וּר
(ashur)
Assyrië
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
ר֨וּחַ֙
(ruach)
de geest van
תִּלְּגַ֤ת
(tilegat)
Tiglat
פִּלְנֶ֨סֶר֙
(pilneser)
Pilneser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיַּגְלֵם֙
(vayaglem)
en hij voerde hen weg
לָראוּבֵנִ֣י
(laruveni)
de Rubeniet
וְלַגָּדִ֔י
(velagadi)
en de Gadiet
וְלַחֲצִ֖י
(velachatsi)
en de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
וַ֠יְבִיאֵם
(vayviem)
en bracht hen
לַחְלַ֨ח
(lachlach)
naar Chalach
וְחָב֤וֹר
(vechavor)
en Chabor
וְהָרָא֙
(vehara)
en Hara
וּנְהַ֣ר
(unehar)
en de rivier
גּוֹזָ֔ן
(gozan)
Gozan
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chalach, Chabor, Hara en de rivier de Gozan liggen in het noorden van Mesopotamië, in het huidige noordoosten van Syrië en het noorden van Irak.
De precieze ligging van Chalach en Hara is onzeker.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
רוּחַ (ruach), ‘geest’: Elohim zet de koningen aan tot hun veldtocht.
Pul en Tiglat-Pilneser worden naast elkaar genoemd.
Of het twee namen voor dezelfde koning zijn, laat de tekst open (vergelijk 2 Kon. 15:19, 15:29 en 17:6).
Lezing
וַיַּגְלֵם (vayyagelem), ‘en hij voerde hen weg’, is enkelvoud.
Wij lezen Tiglat-Pilneser als onderwerp, omdat hij het laatst is genoemd.