De slapeloze nacht van de koning en de eer voor Mordechai
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De slapeloze nacht
1Die nacht kon de koning niet slapen. Hij zei dat men het gedenkboek, de dagboeken, moest brengen. Het werd de koning voorgelezen.
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֔וּא
(hahu)
die
נָדְדָ֖ה
(nadeda)
week
שְׁנַ֣ת
(shenat)
slaap van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְהָבִ֞יא
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֤פֶר
(sefer)
boek van
הַזִּכְרֹנוֹת֙
(hazikhronot)
de gedenkwaardigheden
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en zij waren
נִקְרָאִ֖ים
(niqraim)
voorgelezen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָדְדָה שְׁנַת הַמֶּלֶךְ (naddah shenat hammelekh), ‘de slaap van de koning week’: letterlijk ‘vluchtte’.
De tekst zegt niet waarom hij niet kon slapen.
סֵפֶר הַזִּכְרֹנוֹת דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer hazzikhronot divrei hayyamim), ‘het boek van de gedenkwaardigheden, de woorden van de dagen’: het koninklijk dagboek. Zo noemen wij ook ‘het dagboek van de koningen’ in Koningen en Kronieken.
2Daarin vond men opgeschreven wat Mordechai had aangegeven over Bigtan en Teresj, twee hovelingen van de koning, bewakers van de drempel. Zij hadden gezocht de hand aan koning Ahasveros te slaan.
וַיִּמָּצֵ֣א
(vayimatse)
en men vond
כָת֗וּב
(katuv)
geschreven
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
הִגִּ֨יד
(higid)
had aangegeven
מָרְדֳּכַ֜י
(mardokhay)
Mordechai
עַל
(al)
over
בִּגְתָ֣נָא
(bigtana)
Bigtan
וָתֶ֗רֶשׁ
(vateresh)
en Teresj
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee van
סָרִיסֵ֣י
(sarisei)
hovelingen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִשֹּׁמְרֵ֖י
(mishomerei)
bewakers van
הַסַּ֑ף
(hasaf)
de drempel
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בִּקְשׁוּ֙
(biqshu)
zochten
לִשְׁלֹ֣חַ
(lishloach)
om uit te steken
יָ֔ד
(yad)
hand
בַּמֶּ֖לֶךְ
(bamelekh)
tegen de koning
אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achashverosh), ‘Ahasveros’: de Perzische koning Xerxes I, die vaak met deze naam wordt verbonden.
Het Hebreeuws schrijft de naam hier als בִּגְתָנָא (Bigtana) en in 2:21 als בִּגְתָן (Bigtan). Het is dezelfde man; wij schrijven overal Bigtan.
סָרִיסֵי (sarisei), ‘hovelingen’: zie de voetnoot bij 1:10.
3De koning zei: „Welke eer en welke grootheid is Mordechai hiervoor bewezen?” De jongens van de koning, zijn dienaren, zeiden: „Er is niets voor hem gedaan.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשָׂ֞ה
(naasa)
is gedaan
יְקָ֧ר
(yeqar)
eer
וּגְדוּלָּ֛ה
(ugedula)
en grootheid
לְמָרְדֳּכַ֖י
(lemardokhay)
aan Mordechai
עַל
(al)
voor
זֶ֑ה
(ze)
dit
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
נַעֲרֵ֤י
(naarei)
jongens van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
מְשָׁ֣רְתָ֔יו
(mesharetav)
zijn dienaren
לֹא
(lo)
niet
נַעֲשָׂ֥ה
(naasa)
is gedaan
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De koning stelt vast dat niets van Mordechai’s daad is beloond.
4De koning zei: „Wie is er in de voorhof?” Haman was juist gekomen in de buitenste voorhof van het huis van de koning. Hij wilde de koning vragen Mordechai op te hangen aan de paal die hij voor hem had klaargemaakt.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִ֣י
(mi)
wie
בֶחָצֵ֑ר
(bechatser)
in de voorhof
וְהָמָ֣ן
(vehaman)
en Haman
בָּ֗א
(ba)
was gekomen
לַחֲצַ֤ר
(lachatsar)
naar de voorhof van
בֵּית
(beit)
huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַחִ֣יצוֹנָ֔ה
(hachitsona)
de buitenste
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
om te zeggen
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
tegen de koning
לִתְלוֹת֙
(litlot)
om op te hangen
אֶֽת
(et)
(obj.)
מָרְדֳּכַ֔י
(mardokhay)
Mordechai
עַל
(al)
aan
הָעֵ֖ץ
(haets)
de paal
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵכִ֥ין
(hekhin)
had klaargemaakt
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De jongens van de koning zeiden tegen hem: „Zie, Haman staat in de voorhof.” De koning zei: „Laat hem binnenkomen.”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
נַעֲרֵ֤י
(naarei)
jongens van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הָמָ֖ן
(haman)
Haman
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
בֶּחָצֵ֑ר
(bechatser)
in de voorhof
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יָבֽוֹא
(yavo)
laat hem komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Haman kwam binnen. De koning zei tegen hem: „Wat moet men doen met de man in wiens eer de koning behagen heeft?” Haman zei in zijn hart: „Aan wie anders zou de koning eer willen bewijzen dan aan mij?”
וַיָּבוֹא֮
(vayavo)
en kwam
הָמָן֒
(haman)
Haman
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַה
(ma)
wat
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
te doen
בָּאִ֕ישׁ
(baish)
met de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָפֵ֣ץ
(chafets)
behagen heeft
בִּיקָר֑וֹ
(biqaro)
in zijn eer
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הָמָן֙
(haman)
Haman
בְּלִבּ֔וֹ
(belibo)
in zijn hart
לְמִ֞י
(lemi)
aan wie
יַחְפֹּ֥ץ
(yachpots)
zal behagen hebben
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te doen
יְקָ֖ר
(yeqar)
eer
יוֹתֵ֥ר
(yoter)
meer
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
dan ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַה לַעֲשׂוֹת בָּאִישׁ אֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ חָפֵץ בִּיקָרוֹ (mah la'asot ba'ish asher hammelekh chafets bikaro), ‘wat te doen met de man in wiens eer de koning behagen heeft’: letterlijk ‘wiens eer de koning wenst’.
8laat men een koninklijk gewaad brengen dat de koning droeg. Laat men ook een paard brengen waarop de koning reed. Op zijn hoofd is een koninklijke kroon gezet.
יָבִ֨יאוּ֙
(yaviu)
laat hen brengen
לְב֣וּשׁ
(levush)
gewaad van
מַלְכ֔וּת
(malkhut)
koningschap
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לָֽבַשׁ
(lavash)
droeg
בּ֖וֹ
(bo)
daarin
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְס֗וּס
(vesus)
en paard
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
רָכַ֤ב
(rakhav)
reed
עָלָיו֙
(alav)
daarop
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en dat
נִתַּ֛ן
(nitan)
is gezet
כֶּ֥תֶר
(keter)
kroon van
מַלְכ֖וּת
(malkhut)
koningschap
בְּרֹאשֽׁוֹ
(berosho)
op zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt dat een koninklijke kroon ‘op zijn hoofd’ is gezet.
Het is niet duidelijk of ‘zijn hoofd’ het hoofd van het paard of dat van de man is.
Wij laten de onduidelijkheid van het Hebreeuws staan.
9Laat men het gewaad en het paard geven in de hand van een man uit de vorsten van de koning, de edelen. Laat men de man in wiens eer de koning behagen heeft, daarmee kleden. Laat men hem op het paard over het plein van de stad laten rijden. Laat men voor hem uitroepen: ‘Zo wordt gedaan met de man in wiens eer de koning behagen heeft.’”
וְנָת֨וֹן
(venaton)
en laat gegeven worden
הַלְּב֜וּשׁ
(halevush)
het gewaad
וְהַסּ֗וּס
(vehasus)
en het paard
עַל
(al)
in
יַד
(yad)
de hand van
אִ֞ישׁ
(ish)
een man
מִשָּׂרֵ֤י
(misarei)
uit de vorsten van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַֽפַּרְתְּמִ֔ים
(hapartemim)
de edelen
וְהִלְבִּ֨ישׁוּ֙
(vehilbishu)
en laat hen kleden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָפֵ֣ץ
(chafets)
behagen heeft
בִּֽיקָר֑וֹ
(biqaro)
in zijn eer
וְהִרְכִּיבֻ֤הוּ
(vehirkivuhu)
en laat hen rijden hem
עַל
(al)
op
הַסּוּס֙
(hasus)
het paard
בִּרְח֣וֹב
(birchov)
op het plein van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְקָרְא֣וּ
(veqareu)
en laat hen roepen
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
כָּ֚כָה
(kakha)
zo
יֵעָשֶׂ֣ה
(yease)
wordt gedaan
לָאִ֔ישׁ
(laish)
aan de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָפֵ֥ץ
(chafets)
behagen heeft
בִּיקָרֽוֹ
(biqaro)
in zijn eer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַפַּרְתְּמִים (happartemim), ‘de edelen’: een Perzisch leenwoord voor de hoogste edelen van het rijk.
Het komt ook voor in 1:3 en in Dan. 1:3.
בִּרְחוֹב (rechov), ‘plein’: de open plaats in de stad, meestal bij de poort.
10De koning zei tegen Haman: „Haast je, neem het gewaad en het paard, zoals je hebt gesproken. Doe zo met Mordechai, de Jood, die in de poort van de koning zit. Laat niets vallen van alles wat je hebt gesproken.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהָמָ֗ן
(lehaman)
aan Haman
מַ֠הֵר
(maher)
haast je
קַ֣ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְּב֤וּשׁ
(halevush)
het gewaad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסּוּס֙
(hasus)
het paard
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּ֔רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
וַֽעֲשֵׂה
(vaase)
en doe
כֵן֙
(ken)
zo
לְמָרְדֳּכַ֣י
(lemardokhay)
aan Mordechai
הַיְּהוּדִ֔י
(hayehudi)
de Jood
הַיּוֹשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die zit
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
in de poort van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַל
(al)
niet
תַּפֵּ֣ל
(tapel)
laat vallen
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַיְּהוּדִי (hayehudi), ‘de Jood’: De koning noemt Mordechai ‘de Jood’.
Haman had juist dit volk willen vernietigen (3:6).
11Haman nam het gewaad en het paard en kleedde Mordechai. Hij liet hem over het plein van de stad rijden. Hij riep voor hem uit: „Zo wordt gedaan met de man in wiens eer de koning behagen heeft.”
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
הָמָן֙
(haman)
Haman
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְּב֣וּשׁ
(halevush)
het gewaad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסּ֔וּס
(hasus)
het paard
וַיַּלְבֵּ֖שׁ
(vayalbesh)
en kleedde
אֶֽת
(et)
(obj.)
מָרְדֳּכָ֑י
(mardokhay)
Mordechai
וַיַּרְכִּיבֵ֨הוּ֙
(vayarkivehu)
en liet hem rijden
בִּרְח֣וֹב
(birchov)
op het plein van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
כָּ֚כָה
(kakha)
zo
יֵעָשֶׂ֣ה
(yease)
wordt gedaan
לָאִ֔ישׁ
(laish)
aan de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָפֵ֥ץ
(chafets)
behagen heeft
בִּיקָרֽוֹ
(biqaro)
in zijn eer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Haman vertelde zijn vrouw Zeresj en al zijn vrienden alles wat hem was overkomen. Zijn wijzen en zijn vrouw Zeresj zeiden tegen hem: „Als Mordechai, voor wie je begonnen bent te vallen, van het zaad van de Joden is, dan zul je hem niet aankunnen. Je zult zeker voor hem vallen.”
וַיְסַפֵּ֨ר
(vaysaper)
en vertelde
הָמָ֜ן
(haman)
Haman
לְזֶ֤רֶשׁ
(lezeresh)
aan Zeresj
אִשְׁתּוֹ֙
(ishto)
zijn vrouw
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan al
אֹ֣הֲבָ֔יו
(ohavav)
zijn vrienden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
קָרָ֑הוּ
(qarahu)
hem overkwam
וַיֹּ֩אמְרוּ֩
(vayomru)
en zeiden
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
חֲכָמָ֜יו
(chakhamav)
zijn wijzen
וְזֶ֣רֶשׁ
(vezeresh)
en Zeresj
אִשְׁתּ֗וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אִ֣ם
(im)
als
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
van het zaad van
הַיְּהוּדִ֡ים
(hayehudim)
de Joden
מָרְדֳּכַ֞י
(mardokhay)
Mordechai
אֲשֶׁר֩
(asher)
voor wie
הַחִלּ֨וֹתָ
(hachilota)
je bent begonnen
לִנְפֹּ֤ל
(linpol)
te vallen
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
לֹא
(lo)
niet
תוּכַ֣ל
(tukhal)
zul je kunnen
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
כִּֽי
(ki)
maar
נָפ֥וֹל
(nafol)
vallend
תִּפּ֖וֹל
(tipol)
zul je vallen
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִזֶּרַע הַיְּהוּדִים (mizera hayehudim), ‘van het zaad van de Joden’: van de nakomelingen van het Joodse volk.
Zijn wijzen en zijn vrouw zien dat de tegenspoed niet meer te keren is.