Romeinen 13
Het gezag, de schuld van de liefde en de dag die nabij is
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het gezag
ψυχή (psyche), ‘ziel, mens’: ‘ieder mens’, letterlijk ‘elke ziel’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het Griekse woord kan ook ‘macht, bevoegdheid’ betekenen; hier staat het meervoud ἐξουσίαι, wij vertalen ‘gezagsdragers’, het enkelvoud ‘gezag’. ὑπερέχω (hyperecho), ‘boven staan’. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘zich onderwerpen’: letterlijk ‘zich onder iemand schikken’; het Griekse woord is verwant aan τάσσω (tasso), ‘ordenen, instellen’, dat in τεταγμέναι (tetagmenai), ‘ingesteld’, terugkomt.
De tekst zegt niet welke gezagsdragers in Rome bedoeld zijn.
Zie ook Tit. 3:1; 1 Petr. 2:13–14.
ἀντιτάσσομαι (antitassomai), ‘zich verzetten’, en ἀνθίστημι (anthistemi), ‘weerstaan’. διαταγή (diatage), ‘ordening, verordening’: wat Elohim vaststelt. κρίμα (krima), ‘oordeel’: het kan het oordeel van de gezagsdragers of van Elohim zijn; de tekst zegt het niet.
ἄρχοντες (archontes), ‘bestuurders’: wie bestuurt. φόβος (fobos), ‘schrik, ontzag’. ἔπαινος (epainos), ‘lof’.
Het Grieks heeft ‘van haar’ (ἐξ αὐτῆς, ex autes): het gezag.
διάκονος (diakonos), ‘dienaar’; hier zonder onderwerp: het Grieks laat open of het de bestuurder of het gezag is; wij vertalen ‘het’. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: het teken van macht over leven en dood. ἔκδικος (ekdikos), ‘wreker’: wie recht doet door te straffen. ὀργή (orge), ‘toorn’: hier de straf; zie ook 12:19. εἰς ὀργήν (eis orgen), ‘tot toorn’: wij vertalen ‘om toorn te brengen’.
ἀνάγκη (anagke), ‘noodzaak’. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’: het bewustzijn van goed en kwaad.
‘Vanwege de toorn’ is vanwege de straf; ‘vanwege het geweten’ is vanwege wat men zelf als juist erkent.
τελεῖτε (teleite), ‘jullie betalen’: de Griekse vorm kan een mededeling (‘jullie betalen’) of een opdracht (‘betaal’) zijn. φόρος (foros), ‘belasting’. λειτουργός (leitourgos), ‘dienaar’: iemand in een openbare dienst; het woord wordt ook gebruikt voor de dienst in de tempel (zie ook 15:16). προσκαρτερέω (proskartereo), ‘volharden, blijven’.
φόρος (foros), ‘belasting’: de belasting die een volk betaalt; τέλος (telos), ‘tol’: de heffing op goederen.
De Griekse zin herhaalt het zelfstandig naamwoord: ‘aan wie de belasting, de belasting’.
Wij schrijven ‘belasting aan wie belasting toekomt’. φόβος (fobos), ‘ontzag’: hetzelfde woord als ‘schrik’ in vers 3. τιμή (time), ‘eer’.
Zie ook Matt. 22:21; Mark. 12:17; Luc. 20:25.
De liefde vervult de wet
ὀφείλω (ofeilo), ‘schuldig zijn’. ἕτερος (heteros), ‘de ander’: de ander mens. πληρόω (pleroo), ‘vervullen’. ἀγάπη (agape), ‘liefde’.
Zie ook Gal. 5:14; Matt. 22:39–40.
Aanhaling van Exod. 20:13–17 (Deut. 5:17–21) en Lev. 19:18.
Het Grieks noemt de geboden in een andere volgorde dan ons Hebreeuws: ‘overspel, moorden, stelen, begeren’; in Exod. 20 staat ‘moorden’ voor ‘overspel’.
Het laatste gebod is Lev. 19:18: ‘Heb je naaste lief als jezelf’. ἀνακεφαλαιόω (anakefalaioo), ‘samenvatten’: onder één kop brengen, van κεφαλή (kefale), ‘hoofd’. ἐπιθυμέω (epithymeo), ‘begeren’.
In de wet spreekt Yahweh deze woorden; hier haalt Paulus ze aan, daarom zwart.
Zie ook Exod. 20:13–17; Deut. 5:17–21; Lev. 19:18; Gal. 5:14; Matt. 19:18–19.
πλήρωμα (pleroma), ‘vervulling, volheid’: wat de wet vol maakt.
De Griekse zin zegt: ‘vervulling van de wet is de liefde’.
De dag is nabij
De zin begint zonder werkwoord: ‘En dit, de tijd kennend’.
Wij vullen niets aan dan een voegwoord: ‘omdat’; het Griekse deelwoord kan ook ‘terwijl’ betekenen. καιρός (kairos), ‘tijd’: het bepaalde, beslissende moment. ὥρα (hora), ‘uur’. σωτηρία (soteria), ‘redding’: de voltooiing van de redding bij de komst van de Heer.
‘Toen wij gingen geloven’: de vorm ἐπιστεύσαμεν (episteusamen) is een eenmalig verleden; het gaat om het begin van het geloof.
προκόπτω (prokopto), ‘vorderen’: de nacht is al ver gevorderd. ἐγγίζω (engizo), ‘naderen’, de voltooide vorm: de dag is dichtbij gekomen. ἀποτίθεμαι (apotithemai), ‘afleggen’ (zoals kleren); ἐνδύομαι (endyomai), ‘aantrekken’; zo ook in vers 14. ὅπλα (hopla), ‘wapens’: ook ‘wapenrusting’.
Vergelijk Ef. 6:11–17 en 1 Tess. 5:8.
εὐσχημόνως (euschemonos), ‘fatsoenlijk’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: ook de levenswandel. κῶμος (komos), ‘feestgelag’: een luidruchtig drinkfeest; μέθη (methe), ‘dronkenschap’. κοίτη (koite), ‘bed’: ook ‘gemeenschap’; hier seksuele uitspattingen. ἀσέλγεια (aselgeia), ‘losbandigheid’. ἔρις (eris), ‘twist’; ζῆλος (zelos), ‘afgunst’: het woord kan ook ‘ijver’ betekenen.
ἐνδύσασθε (endysasthe), ‘trek aan’: de Heer Yeshua de Messias aantrekken is zich met Hem bekleden; vergelijk Gal. 3:27. σάρξ (sarx), ‘vlees’: de aardse menselijke natuur; zie Gal. 3:3. πρόνοια (pronoia), ‘zorg, voorzorg’; ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’.
Zie ook Gal. 3:27.