Elohim Bijbel

Romeinen 13

12345678910111213141516

Het gezag, de schuld van de liefde en de dag die nabij is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het gezag

1Ieder mens onderwerpe zich aan de gezagsdragers die boven hem staan. Want er is geen gezag dan van Elohim, en de bestaande gezagsdragers zijn door Elohim ingesteld.
Πᾶσα
(Pasa)
elk
ψυχὴ
(psyche)
mens
ἐξουσίαις
(exousiais)
aan gezagsdragers
ὑπερεχούσαις
(hyperechousais)
bovenstaande
ὑποτασσέσθω
(hypotassestho)
onderwerpe zich
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἔστιν
(estin)
is
ἐξουσία
(exousia)
gezag
εἰ
(ei)
tenzij
μὴ
(me)
niet
ὑπὸ
(hypo)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
αἱ
(hai)
de
δὲ
(de)
maar
οὖσαι
(ousai)
bestaande
ὑπὸ
(hypo)
door
θεοῦ
(theou)
Elohim
τεταγμέναι
(tetagmenai)
ingestelde
εἰσίν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘ziel, mens’: ‘ieder mens’, letterlijk ‘elke ziel’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het Griekse woord kan ook ‘macht, bevoegdheid’ betekenen; hier staat het meervoud ἐξουσίαι, wij vertalen ‘gezagsdragers’, het enkelvoud ‘gezag’. ὑπερέχω (hyperecho), ‘boven staan’. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘zich onderwerpen’: letterlijk ‘zich onder iemand schikken’; het Griekse woord is verwant aan τάσσω (tasso), ‘ordenen, instellen’, dat in τεταγμέναι (tetagmenai), ‘ingesteld’, terugkomt.

De tekst zegt niet welke gezagsdragers in Rome bedoeld zijn.

Zie ook Tit. 3:1; 1 Petr. 2:13–14.

2Wie zich dus tegen het gezag verzet, weerstaat de ordening van Elohim. Zij die weerstaan, zullen een oordeel over zichzelf ontvangen.
ὥστε
(hoste)
zodat
ὁ
(ho)
wie
ἀντιτασσόμενος
(antitassomenos)
zich verzet
τῇ
(te)
tegen het
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
τῇ
(te)
aan de
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
διαταγῇ
(diatage)
ordening
ἀνθέστηκεν
(anthesteken)
weerstaat
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀνθεστηκότες
(anthestekotes)
weerstaanden
ἑαυτοῖς
(heautois)
aan zichzelf
κρίμα
(krima)
oordeel
λήμψονται
(lempsontai)
zullen ontvangen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀντιτάσσομαι (antitassomai), ‘zich verzetten’, en ἀνθίστημι (anthistemi), ‘weerstaan’. διαταγή (diatage), ‘ordening, verordening’: wat Elohim vaststelt. κρίμα (krima), ‘oordeel’: het kan het oordeel van de gezagsdragers of van Elohim zijn; de tekst zegt het niet.

3Want de bestuurders zijn geen schrik voor het goede werk, maar voor het kwade. Wil je het gezag niet vrezen? Doe het goede, en je zult er lof van krijgen.
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
ἄρχοντες
(archontes)
bestuurders
οὐκ
(ouk)
niet
εἰσὶν
(eisin)
zijn
φόβος
(phobos)
schrik
τῷ
(to)
aan het
ἀγαθῷ
(agatho)
goede
ἔργῳ
(ergo)
werk
ἀλλὰ
(alla)
maar
τῷ
(to)
aan het
κακῷ
(kako)
kwade
θέλεις
(theleis)
wil je
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
φοβεῖσθαι
(phobeisthai)
vrezen
τὴν
(ten)
het
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
τὸ
(to)
het
ἀγαθὸν
(agathon)
goede
ποίει
(poiei)
doe
καὶ
(kai)
en
ἕξεις
(hexeis)
zul je hebben
ἔπαινον
(epainon)
lof
ἐξ
(ex)
van
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχοντες (archontes), ‘bestuurders’: wie bestuurt. φόβος (fobos), ‘schrik, ontzag’. ἔπαινος (epainos), ‘lof’.

Het Grieks heeft ‘van haar’ (ἐξ αὐτῆς, ex autes): het gezag.

4Want het is een dienaar van Elohim voor jou, tot het goede. Maar als je het kwade doet, vrees dan, want het draagt het zwaard niet zomaar. Het is immers een dienaar van Elohim, een wreker om toorn te brengen over wie het kwade doet.
θεοῦ
(theou)
van Elohim
γὰρ
(gar)
want
διάκονός
(diakonos)
dienaar
ἐστιν
(estin)
is
σοὶ
(soi)
voor jou
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
ἀγαθόν
(agathon)
goede
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
τὸ
(to)
het
κακὸν
(kakon)
kwade
ποιῇς
(poies)
doet
φοβοῦ
(phobou)
vrees
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
εἰκῇ
(eike)
zomaar
τὴν
(ten)
het
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
φορεῖ
(phorei)
draagt
θεοῦ
(theou)
van Elohim
γὰρ
(gar)
want
διάκονός
(diakonos)
dienaar
ἐστιν
(estin)
is
ἔκδικος
(ekdikos)
wreker
εἰς
(eis)
tot
ὀργὴν
(orgen)
toorn
τῷ
(to)
aan wie
τὸ
(to)
het
κακὸν
(kakon)
kwade
πράσσοντι
(prassonti)
doet
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάκονος (diakonos), ‘dienaar’; hier zonder onderwerp: het Grieks laat open of het de bestuurder of het gezag is; wij vertalen ‘het’. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: het teken van macht over leven en dood. ἔκδικος (ekdikos), ‘wreker’: wie recht doet door te straffen. ὀργή (orge), ‘toorn’: hier de straf; zie ook 12:19. εἰς ὀργήν (eis orgen), ‘tot toorn’: wij vertalen ‘om toorn te brengen’.

5Daarom is onderwerping nodig, niet alleen vanwege de toorn, maar ook vanwege het geweten.
διὸ
(dio)
daarom
ἀνάγκη
(ananke)
noodzaak
ὑποτάσσεσθαι
(hypotassesthai)
zich te onderwerpen
οὐ
(ou)
niet
μόνον
(monon)
alleen
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
de
ὀργὴν
(orgen)
toorn
ἀλλὰ
(alla)
maar
καὶ
(kai)
ook
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
het
συνείδησιν
(syneidesin)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνάγκη (anagke), ‘noodzaak’. συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’: het bewustzijn van goed en kwaad.

‘Vanwege de toorn’ is vanwege de straf; ‘vanwege het geweten’ is vanwege wat men zelf als juist erkent.

6Daarom betalen jullie ook belasting, want zij zijn dienaren van Elohim, die zich juist hiervoor blijven inzetten.
διὰ
(dia)
door
τοῦτο
(touto)
dit
γὰρ
(gar)
want
καὶ
(kai)
ook
φόρους
(phorous)
belastingen
τελεῖτε
(teleite)
betalen jullie
λειτουργοὶ
(leitourgoi)
dienaren
γὰρ
(gar)
want
θεοῦ
(theou)
van Elohim
εἰσιν
(eisin)
zijn
εἰς
(eis)
tot
αὐτὸ
(auto)
juist
τοῦτο
(touto)
dit
προσκαρτεροῦντες
(proskarterountes)
volhardend
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελεῖτε (teleite), ‘jullie betalen’: de Griekse vorm kan een mededeling (‘jullie betalen’) of een opdracht (‘betaal’) zijn. φόρος (foros), ‘belasting’. λειτουργός (leitourgos), ‘dienaar’: iemand in een openbare dienst; het woord wordt ook gebruikt voor de dienst in de tempel (zie ook 15:16). προσκαρτερέω (proskartereo), ‘volharden, blijven’.

7Geef aan allen wat jullie hun schuldig zijn. Belasting aan wie belasting toekomt, tol aan wie tol toekomt, ontzag aan wie ontzag toekomt, eer aan wie eer toekomt.
ἀπόδοτε
(apodote)
geef
πᾶσι
(pasi)
aan allen
τὰς
(tas)
de
ὀφειλάς
(opheilas)
schulden
τῷ
(to)
aan wie
τὸν
(ton)
de
φόρον
(phoron)
belasting
τὸν
(ton)
de
φόρον
(phoron)
belasting
τῷ
(to)
aan wie
τὸ
(to)
de
τέλος
(telos)
tol
τὸ
(to)
de
τέλος
(telos)
tol
τῷ
(to)
aan wie
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
ontzag
τὸν
(ton)
het
φόβον
(phobon)
ontzag
τῷ
(to)
aan wie
τὴν
(ten)
de
τιμὴν
(timen)
eer
τὴν
(ten)
de
τιμήν
(timen)
eer
Bron: SBLGNT
Uitleg

φόρος (foros), ‘belasting’: de belasting die een volk betaalt; τέλος (telos), ‘tol’: de heffing op goederen.

De Griekse zin herhaalt het zelfstandig naamwoord: ‘aan wie de belasting, de belasting’.

Wij schrijven ‘belasting aan wie belasting toekomt’. φόβος (fobos), ‘ontzag’: hetzelfde woord als ‘schrik’ in vers 3. τιμή (time), ‘eer’.

Zie ook Matt. 22:21; Mark. 12:17; Luc. 20:25.

De liefde vervult de wet

8Wees niemand iets schuldig, behalve dat jullie elkaar liefhebben. Want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.
Μηδενὶ
(Medeni)
aan niemand
μηδὲν
(meden)
niets
ὀφείλετε
(opheilete)
wees schuldig
εἰ
(ei)
tenzij
μὴ
(me)
niet
τὸ
(to)
het
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
ἀγαπᾶν
(agapan)
lief te hebben
ὁ
(ho)
die
γὰρ
(gar)
want
ἀγαπῶν
(agapon)
liefheeft
τὸν
(ton)
de
ἕτερον
(heteron)
ander
νόμον
(nomon)
wet
πεπλήρωκεν
(pepleroken)
heeft vervuld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀφείλω (ofeilo), ‘schuldig zijn’. ἕτερος (heteros), ‘de ander’: de ander mens. πληρόω (pleroo), ‘vervullen’. ἀγάπη (agape), ‘liefde’.

Zie ook Gal. 5:14; Matt. 22:39–40.

9Want: „Je zult geen overspel plegen, je zult niet moorden, je zult niet stelen, je zult niet begeren.” En als er een ander gebod is, wordt het samengevat in dit woord: „Heb je naaste lief als jezelf.”
τὸ
(to)
het
γάρ
(gar)
want
Οὐ
(Ou)
niet
μοιχεύσεις
(moicheuseis)
je zult overspel plegen
Οὐ
(Ou)
niet
φονεύσεις
(phoneuseis)
je zult moorden
Οὐ
(Ou)
niet
κλέψεις
(klepseis)
je zult stelen
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἐπιθυμήσεις
(epithymeseis)
je zult begeren
καὶ
(kai)
en
εἴ
(ei)
als
τις
(tis)
enig
ἑτέρα
(hetera)
ander
ἐντολή
(entole)
gebod
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
dit
λόγῳ
(logo)
woord
τούτῳ
(touto)
dit
ἀνακεφαλαιοῦται
(anakephalaioutai)
wordt samengevat
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
Ἀγαπήσεις
(Agapeseis)
je zult liefhebben
τὸν
(ton)
de
πλησίον
(plesion)
naaste
σου
(sou)
je
ὡς
(hos)
als
σεαυτόν
(seauton)
jezelf
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Exod. 20:13–17 (Deut. 5:17–21) en Lev. 19:18.

Het Grieks noemt de geboden in een andere volgorde dan ons Hebreeuws: ‘overspel, moorden, stelen, begeren’; in Exod. 20 staat ‘moorden’ voor ‘overspel’.

Het laatste gebod is Lev. 19:18: ‘Heb je naaste lief als jezelf’. ἀνακεφαλαιόω (anakefalaioo), ‘samenvatten’: onder één kop brengen, van κεφαλή (kefale), ‘hoofd’. ἐπιθυμέω (epithymeo), ‘begeren’.

In de wet spreekt Yahweh deze woorden; hier haalt Paulus ze aan, daarom zwart.

Zie ook Exod. 20:13–17; Deut. 5:17–21; Lev. 19:18; Gal. 5:14; Matt. 19:18–19.

10De liefde doet de naaste geen kwaad. De liefde is dus de vervulling van de wet.
ἡ
(he)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
τῷ
(to)
aan de
πλησίον
(plesion)
naaste
κακὸν
(kakon)
kwaad
οὐκ
(ouk)
niet
ἐργάζεται
(ergazetai)
doet
πλήρωμα
(pleroma)
vervulling
οὖν
(oun)
dus
νόμου
(nomou)
van de wet
ἡ
(he)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλήρωμα (pleroma), ‘vervulling, volheid’: wat de wet vol maakt.

De Griekse zin zegt: ‘vervulling van de wet is de liefde’.

De dag is nabij

11En dat, omdat jullie de tijd kennen: het is al het uur om uit de slaap te ontwaken. Want nu is de redding dichterbij dan toen wij gingen geloven.
Καὶ
(Kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
εἰδότες
(eidotes)
wetend
τὸν
(ton)
de
καιρόν
(kairon)
tijd
ὅτι
(hoti)
dat
ὥρα
(hora)
uur
ἤδη
(ede)
al
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐξ
(ex)
uit
ὕπνου
(hypnou)
slaap
ἐγερθῆναι
(egerthenai)
te ontwaken
νῦν
(nyn)
nu
γὰρ
(gar)
want
ἐγγύτερον
(engyteron)
dichterbij
ἡμῶν
(hemon)
ons
ἡ
(he)
de
σωτηρία
(soteria)
redding
ἢ
(e)
dan
ὅτε
(hote)
toen
ἐπιστεύσαμεν
(episteusamen)
wij gingen geloven
Bron: SBLGNT
Uitleg

De zin begint zonder werkwoord: ‘En dit, de tijd kennend’.

Wij vullen niets aan dan een voegwoord: ‘omdat’; het Griekse deelwoord kan ook ‘terwijl’ betekenen. καιρός (kairos), ‘tijd’: het bepaalde, beslissende moment. ὥρα (hora), ‘uur’. σωτηρία (soteria), ‘redding’: de voltooiing van de redding bij de komst van de Heer.

‘Toen wij gingen geloven’: de vorm ἐπιστεύσαμεν (episteusamen) is een eenmalig verleden; het gaat om het begin van het geloof.

12De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aantrekken.
ἡ
(he)
de
νὺξ
(nyx)
nacht
προέκοψεν
(proekopsen)
is voortgeschreden
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
ἡμέρα
(hemera)
dag
ἤγγικεν
(engiken)
is nabij gekomen
ἀποβαλώμεθα
(apobalometha)
laten wij afleggen
οὖν
(oun)
dus
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
τοῦ
(tou)
van de
σκότους
(skotous)
duisternis
ἐνδυσώμεθα
(endysometha)
laten wij aantrekken
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
ὅπλα
(hopla)
wapens
τοῦ
(tou)
van het
φωτός
(photos)
licht
Bron: SBLGNT
Uitleg

προκόπτω (prokopto), ‘vorderen’: de nacht is al ver gevorderd. ἐγγίζω (engizo), ‘naderen’, de voltooide vorm: de dag is dichtbij gekomen. ἀποτίθεμαι (apotithemai), ‘afleggen’ (zoals kleren); ἐνδύομαι (endyomai), ‘aantrekken’; zo ook in vers 14. ὅπλα (hopla), ‘wapens’: ook ‘wapenrusting’.

Vergelijk Ef. 6:11–17 en 1 Tess. 5:8.

13Laten wij fatsoenlijk wandelen, zoals overdag: niet in feestgelagen en dronkenschap, niet in bedden en losbandigheid, niet in twist en afgunst.
ὡς
(hos)
als
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
εὐσχημόνως
(euschemonos)
fatsoenlijk
περιπατήσωμεν
(peripatesomen)
laten wij wandelen
μὴ
(me)
niet
κώμοις
(komois)
in feestgelagen
καὶ
(kai)
en
μέθαις
(methais)
in dronkenschap
μὴ
(me)
niet
κοίταις
(koitais)
in bedden
καὶ
(kai)
en
ἀσελγείαις
(aselgeiais)
in losbandigheid
μὴ
(me)
niet
ἔριδι
(eridi)
in twist
καὶ
(kai)
en
ζήλῳ
(zelo)
in afgunst
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐσχημόνως (euschemonos), ‘fatsoenlijk’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: ook de levenswandel. κῶμος (komos), ‘feestgelag’: een luidruchtig drinkfeest; μέθη (methe), ‘dronkenschap’. κοίτη (koite), ‘bed’: ook ‘gemeenschap’; hier seksuele uitspattingen. ἀσέλγεια (aselgeia), ‘losbandigheid’. ἔρις (eris), ‘twist’; ζῆλος (zelos), ‘afgunst’: het woord kan ook ‘ijver’ betekenen.

14Maar trek de Heer Yeshua de Messias aan, en draag geen zorg voor het vlees met het oog op begeerten.
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἐνδύσασθε
(endysasthe)
trek aan
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Χριστόν
(Christon)
de Messias
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van het
σαρκὸς
(sarkos)
vlees
πρόνοιαν
(pronoian)
zorg
μὴ
(me)
niet
ποιεῖσθε
(poieisthe)
maak
εἰς
(eis)
tot
ἐπιθυμίας
(epithymias)
begeerten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐνδύσασθε (endysasthe), ‘trek aan’: de Heer Yeshua de Messias aantrekken is zich met Hem bekleden; vergelijk Gal. 3:27. σάρξ (sarx), ‘vlees’: de aardse menselijke natuur; zie Gal. 3:3. πρόνοια (pronoia), ‘zorg, voorzorg’; ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’.

Zie ook Gal. 3:27.