Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het gezicht bij de Ulai
1In het derde jaar van het koningschap van koning Belsazar verscheen aan mij, Daniël, een gezicht, na het gezicht dat mij eerst was verschenen.
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar van
שָׁל֔וֹשׁ
(shalosh)
drie
לְמַלְכ֖וּת
(lemalkhut)
van het koningschap van
בֵּלְאשַׁצַּ֣ר
(beleshatsar)
Belsazar
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָז֞וֹן
(chazon)
een gezicht
נִרְאָ֤ה
(nira)
verscheen
אֵלַי֙
(elay)
aan mij
אֲנִ֣י
(ani)
ik
דָנִיֵּ֔אל
(daniyel)
Daniël
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
na
הַנִּרְאָ֥ה
(hanira)
wat verscheen
אֵלַ֖י
(elay)
aan mij
בַּתְּחִלָּֽה
(batechila)
in het begin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers is de brontekst weer Hebreeuws.
Het Aramese deel (Dan. 2:4–7:28) is afgelopen.
בלאשׁצר (Bel'shatstsar), ‘Belsazar’: dezelfde koning als in Dan. 7:1. Het eerste jaar van zijn koningschap staat daar; dit is het derde jaar.
2Ik zag in het gezicht, en toen ik het zag, was ik in Sjoesjan, de burcht, in de provincie Elam. Ik zag in het gezicht dat ik aan het Ulai-kanaal was.
וָֽאֶרְאֶה֮
(vaere)
en ik zag
בֶּחָזוֹן֒
(bechazon)
in het gezicht
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בִּרְאֹתִ֔י
(biroti)
toen ik zag
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
בְּשׁוּשַׁ֣ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָ֔ה
(habira)
de burcht
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּעֵילָ֣ם
(beeilam)
in Elam
הַמְּדִינָ֑ה
(hamedina)
de provincie
וָאֶרְאֶה֙
(vaere)
en ik zag
בֶּֽחָז֔וֹן
(bechazon)
in het gezicht
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
was
עַל
(al)
aan
אוּבַ֥ל
(uval)
het kanaal
אוּלָֽי
(ulay)
de Ulai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Zie Ulai-kanaal (bij Susa; ligging onzeker): Het Ulai-kanaal lag bij Susa, in Elam.
Waarschijnlijk is het de rivier de Karkheh (Eulaeus) of een kanaal daarvan.
Dit is niet helemaal zeker.
Uitleg
בשׁושׁן הבירה (Shushan habirah), ‘Sjoesjan, de burcht’: de stad die wij als Susa kennen, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Het woord ‘burcht’ (birah) betekent een versterkte stad of paleis.
Zie ook Neh. 1:1 en Est. 1:2.
אובל אולי (ubal Ulai), ‘het Ulai-kanaal’: ubal is een waterloop of kanaal, Ulai de naam ervan. Het gaat niet om een zee of rivier waarvan wij de ligging precies kennen.
3Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie: een ram stond voor het kanaal. Hij had twee horens. De horens waren hoog, maar de ene was hoger dan de andere, en de hoogste kwam het laatst op.
וָאֶשָּׂ֤א
(vaesa)
en ik sloeg op
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
וָאֶרְאֶ֔ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אַ֣יִל
(ayil)
een ram
אֶחָ֗ד
(echad)
één
עֹמֵ֛ד
(omed)
stond
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָאֻבָ֖ל
(hauval)
het kanaal
וְל֣וֹ
(velo)
en hij had
קְרָנָ֑יִם
(qeranayim)
horens
וְהַקְּרָנַ֣יִם
(vehaqeranayim)
en de horens
גְּבֹה֗וֹת
(gevohot)
hoog
וְהָאַחַת֙
(vehaachat)
en de ene
גְּבֹהָ֣ה
(gevoha)
hoog
מִן
(min)
dan
הַשֵּׁנִ֔ית
(hashenit)
de tweede
וְהַ֨גְּבֹהָ֔ה
(vehagevoha)
en de hoogste
עֹלָ֖ה
(ola)
kwam op
בָּאַחֲרֹנָֽה
(baacharona)
het laatst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
איל אחד (ayil echad), ‘een ram’: het Hebreeuws zegt ‘één ram’.
4Ik zag de ram stoten naar het westen, het noorden en het zuiden. Geen enkel dier kon voor hem standhouden, en er was niemand die uit zijn hand kon bevrijden. Hij deed wat hem behaagde en maakte zich groot.
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
הָאַ֡יִל
(haayil)
de ram
מְנַגֵּחַ֩
(menageach)
stotend
יָ֨מָּה
(yama)
naar het westen
וְצָפ֜וֹנָה
(vetsafona)
en naar het noorden
וָנֶ֗גְבָּה
(vanegba)
en naar het zuiden
וְכָל
(vekhal)
en alle
חַיּוֹת֙
(chayot)
dieren
לֹֽא
(lo)
niet
יַֽעַמְד֣וּ
(yaamdu)
konden standhouden
לְפָנָ֔יו
(lefanav)
voor hem
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַצִּ֖יל
(matsil)
die bevrijdt
מִיָּד֑וֹ
(miyado)
uit zijn hand
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en hij deed
כִרְצֹנ֖וֹ
(kirtsono)
zoals hem behaagde
וְהִגְדִּֽיל
(vehigdil)
en maakte zich groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מציל (matsil), ‘die bevrijdt’: van het werkwoord hitsil, ‘bevrijden’.
5Terwijl ik erop lette, zie, een geitenbok kwam van het westen over heel de aarde, zonder de grond aan te raken. De bok had een opvallende hoorn tussen zijn ogen.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
הָיִ֣יתִי
(hayiti)
was
מֵבִ֗ין
(mevin)
lettend op
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
צְפִיר
(tsefir)
een bok van
הָֽעִזִּים֙
(haizim)
de geiten
בָּ֤א
(ba)
kwam
מִן
(min)
van
הַֽמַּעֲרָב֙
(hamaarav)
het westen
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
נוֹגֵ֖עַ
(nogea)
rakend
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
de aarde
וְהַ֨צָּפִ֔יר
(vehatsafir)
en de bok
קֶ֥רֶן
(qeren)
een hoorn
חָז֖וּת
(chazut)
opvallende
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קרן חזות (qeren chazut), ‘een opvallende hoorn’: letterlijk ‘een hoorn van aanschouwen’, dus een hoorn die opvalt.
צפיר העזים (tsefir ha'izzim), ‘een geitenbok’: letterlijk ‘een bok van de geiten’.
6Hij kwam bij de ram met de twee horens, die ik voor het kanaal had zien staan. Hij rende op hem af in de woede van zijn kracht.
וַיָּבֹ֗א
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
הָאַ֨יִל֙
(haayil)
de ram
בַּ֣עַל
(baal)
bezitter van
הַקְּרָנַ֔יִם
(haqeranayim)
de horens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
רָאִ֔יתִי
(raiti)
ik zag
עֹמֵ֖ד
(omed)
staand
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָאֻבָ֑ל
(hauval)
het kanaal
וַיָּ֥רָץ
(vayarats)
en rende
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem toe
בַּחֲמַ֥ת
(bachamat)
in de woede van
כֹּחֽוֹ
(kocho)
zijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ik zag hem bij de ram komen. Hij werd verbitterd tegen hem, sloeg de ram en brak zijn twee horens. De ram had geen kracht om voor hem te blijven staan. Hij wierp hem neer op de grond en vertrapte hem. Er was niemand die de ram uit zijn hand bevrijdde.
וּרְאִיתִ֞יו
(ureitiv)
en ik zag hem
מַגִּ֣יעַ
(magia)
komend
אֵ֣צֶל
(etsel)
bij
הָאַ֗יִל
(haayil)
de ram
וַיִּתְמַרְמַ֤ר
(vayitmarmar)
en hij werd verbitterd
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en hij sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הָאַ֔יִל
(haayil)
de ram
וַיְשַׁבֵּר֙
(vayshaber)
en brak
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
קְרָנָ֔יו
(qeranav)
zijn horens
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
was
כֹ֛חַ
(koach)
kracht
בָּאַ֖יִל
(baayil)
in de ram
לַעֲמֹ֣ד
(laamod)
om te staan
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וַיַּשְׁלִיכֵ֤הוּ
(vayashlikhehu)
en hij wierp hem neer
אַ֨רְצָה֙
(artsa)
op de grond
וַֽיִּרְמְסֵ֔הוּ
(vayirmesehu)
en vertrapte hem
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֥ה
(haya)
was
מַצִּ֛יל
(matsil)
er een die bevrijdde
לָאַ֖יִל
(laayil)
de ram
מִיָּדֽוֹ
(miyado)
uit zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De geitenbok werd buitengewoon groot. Maar toen hij sterk was, brak de grote hoorn af. In zijn plaats kwamen vier opvallende horens op, naar de vier winden van de hemel.
וּצְפִ֥יר
(utsefir)
en de bok van
הָעִזִּ֖ים
(haizim)
de geiten
הִגְדִּ֣יל
(higdil)
werd groot
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וּכְעָצְמ֗וֹ
(ukheatsemo)
en toen hij sterk was
נִשְׁבְּרָה֙
(nishbera)
brak
הַקֶּ֣רֶן
(haqeren)
de hoorn
הַגְּדוֹלָ֔ה
(hagedola)
de grote
וַֽתַּעֲלֶ֜נָה
(vataalena)
en kwamen op
חָז֤וּת
(chazut)
opvallende
אַרְבַּע֙
(arba)
vier
תַּחְתֶּ֔יהָ
(tachteiha)
in zijn plaats
לְאַרְבַּ֖ע
(learba)
naar vier
רוּח֥וֹת
(ruchot)
winden van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וכעצמו (uke'atsmo), ‘toen hij sterk was’: letterlijk ‘en toen hij sterk werd’.
11Ja, tot aan de overste van het leger maakte hij zich groot. Van hem werd het voortdurende offer weggenomen, en de vaste plaats van zijn heiligdom werd neergeworpen.
וְעַ֥ד
(vead)
en tot
שַֽׂר
(sar)
de overste van
הַצָּבָ֖א
(hatsava)
het leger
הִגְדִּ֑יל
(higdil)
maakte hij zich groot
וּמִמֶּ֨נּוּ֙
(umimenu)
en van hem
הוּרַ֣ם
(huram)
werd weggenomen
הַתָּמִ֔יד
(hatamid)
het voortdurende offer
וְהֻשְׁלַ֖ךְ
(vehushlakh)
en werd neergeworpen
מְכ֥וֹן
(mekhon)
de vaste plaats van
מִקְדָּשֽׁוֹ
(miqdasho)
zijn heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׂר הצבא (sar hatseva), ‘de overste van het leger’: dezelfde titel staat in Joz. 5:14 voor de overste van het leger van Yahweh.
Hier blijft open wie bedoeld wordt.
Wij schrijven ‘zijn’ met een kleine letter.
התמיד (hatamid), ‘het voortdurende offer’: het voortdurende offer van elke morgen en avond (Exod. 29:38–42; Num. 28:3–8).
מכון (mekhon), ‘de vaste plaats’: letterlijk ‘vaste grond’ of ‘onderstel’.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הוּרַם (hurram), ‘werd weggenomen’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft הרים (herim), ‘hij nam weg’ of ‘hij verhief’: dan is het de hoorn die het offer wegneemt.
13Ik hoorde een heilige spreken. Een andere heilige zei tegen Palmoni, die sprak: „Hoe lang duurt het gezicht van het voortdurende offer en van de verwoestende overtreding? Hoe lang worden zowel het heiligdom als het leger overgegeven om vertrapt te worden?”
וָאֶשְׁמְעָ֥ה
(vaeshmea)
en ik hoorde
אֶֽחָד
(echad)
een
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilige
מְדַבֵּ֑ר
(medaber)
sprekend
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֶחָ֨ד
(echad)
een
קָד֜וֹשׁ
(qadosh)
heilige
לַפַּֽלְמוֹנִ֣י
(lapalmoni)
tegen Palmoni
הַֽמְדַבֵּ֗ר
(hamdaber)
die sprak
עַד
(ad)
tot
מָתַ֞י
(matay)
wanneer
הֶחָז֤וֹן
(hechazon)
het gezicht van
הַתָּמִיד֙
(hatamid)
het voortdurende offer
וְהַפֶּ֣שַׁע
(vehapesha)
en de overtreding van
שֹׁמֵ֔ם
(shomem)
verwoesting
תֵּ֛ת
(tet)
om te geven
וְקֹ֥דֶשׁ
(veqodesh)
en het heiligdom
וְצָבָ֖א
(vetsava)
en het leger
מִרְמָֽס
(mirmas)
tot vertrapping
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לפלמוני (lefalmoni), ‘tegen Palmoni’: het woord komt maar één keer voor.
Het kan een naam zijn, of ‘een zekere’ betekenen.
Wij laten het staan als naam.
De vraag van de heilige is in het Nederlands in twee zinnen gesplitst; ‘hoe lang’ staat daarom twee keer.
והפשׁע שׁמם (happesha shomem), ‘de verwoestende overtreding’: letterlijk ‘de overtreding van verwoesting’. Vergelijk 9:27, 11:31 en 12:11.
14Hij zei tegen mij: „Tot 2300 avonden en ochtenden. Dan zal het heiligdom in het recht worden gesteld.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
עַ֚ד
(ad)
tot
עֶ֣רֶב
(erev)
avond
בֹּ֔קֶר
(boqer)
ochtend
אַלְפַּ֖יִם
(alpayim)
tweeduizend
וּשְׁלֹ֣שׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
וְנִצְדַּ֖ק
(venitsdaq)
zal gerechtvaardigd worden
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ערב בקר אלפים ושׁלשׁ מאות (erev boqer alpayim ushelosh me'ot), ‘2300 avonden en ochtenden’: het kan 2300 dagen betekenen, of 2300 offers (1150 dagen met elk een avond- en een morgenoffer).
De tekst zegt het niet; wij laten het open.
ונצדק (venitsdaq), ‘zal in het recht worden gesteld’: het werkwoord hoort bij tsedaqah, ‘gerechtigheid’. Het betekent ook ‘rechtgezet’ of ‘hersteld’ worden.
17Hij kwam naar de plek waar ik stond. Toen hij kwam, werd ik bang en viel op mijn gezicht. Hij zei tegen mij: „Begrijp, mensenkind, dat het gezicht voor de tijd van het einde is.”
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
עָמְדִ֔י
(amedi)
mijn standplaats
וּבְבֹא֣וֹ
(uvevoo)
en toen hij kwam
נִבְעַ֔תִּי
(nivati)
werd ik bang
וָאֶפְּלָ֖ה
(vaepela)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנָ֑י
(panay)
mijn gezicht
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
הָבֵ֣ן
(haven)
begrijp
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
כִּ֖י
(ki)
dat
לְעֶת
(leet)
voor de tijd van
קֵ֥ץ
(qets)
het einde
הֶחָזֽוֹן
(hechazon)
het gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בן אדם (ven adam), ‘mensenkind’: zo wordt ook Ezechiël aangesproken (Ezech. 2:1).
Het is niet dezelfde uitdrukking als ‘mensenzoon’ in Dan. 7:13, die in het Aramees staat.
לעת קץ (le'et qets), ‘voor de tijd van het einde’: letterlijk ‘voor de tijd van het einde’. Zie ook 8:19, 11:35 en 12:4.
24Zijn kracht zal groot zijn, maar niet door zijn eigen kracht. Hij zal op ontzagwekkende wijze verderf zaaien, slagen en handelen. Hij zal machtigen verderven, ook het volk van de heiligen.
וְעָצַ֤ם
(veatsam)
en machtig zal zijn
כֹּחוֹ֙
(kocho)
zijn kracht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
בְכֹח֔וֹ
(bekhocho)
door zijn kracht
וְנִפְלָא֥וֹת
(veniflaot)
en ontzagwekkende dingen
יַשְׁחִ֖ית
(yashchit)
zal hij verderven
וְהִצְלִ֣יחַ
(vehitsliach)
en zal slagen
וְעָשָׂ֑ה
(veasa)
en handelen
וְהִשְׁחִ֥ית
(vehishchit)
en verderven
עֲצוּמִ֖ים
(atsumim)
machtigen
וְעַם
(veam)
en het volk van
קְדֹשִֽׁים
(qedoshim)
heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונפלאות (nifla'ot), ‘ontzagwekkende dingen’: het woord betekent letterlijk ‘wonderlijke dingen’, hier in een slechte betekenis: op ongekende wijze.
25Door zijn doorzicht zal hij bedrog laten slagen in zijn hand. In zijn hart zal hij zich groot maken. In zorgeloosheid zal hij velen verderven. Hij zal opstaan tegen de overste van de oversten, maar zonder hand zal hij gebroken worden.
וְעַל
(veal)
en door
שִׂכְל֗וֹ
(sikhlo)
zijn doorzicht
וְהִצְלִ֤יחַ
(vehitsliach)
zal hij laten slagen
מִרְמָה֙
(mirma)
bedrog
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וּבִלְבָב֣וֹ
(uvilvavo)
en in zijn hart
יַגְדִּ֔יל
(yagdil)
zal hij zich groot maken
וּבְשַׁלְוָ֖ה
(uveshalva)
en in zorgeloosheid
יַשְׁחִ֣ית
(yashchit)
zal hij verderven
רַבִּ֑ים
(rabim)
velen
וְעַ֤ל
(veal)
en tegen
שַׂר
(sar)
de overste van
שָׂרִים֙
(sarim)
oversten
יַעֲמֹ֔ד
(yaamod)
zal hij opstaan
וּבְאֶ֥פֶס
(uveefes)
en zonder
יָ֖ד
(yad)
hand
יִשָּׁבֵֽר
(yishaver)
zal hij gebroken worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ובשׁלוה (uveshalvah), ‘in zorgeloosheid’: letterlijk ‘in rust’, het moment waarop mensen zich veilig voelen.
שׂר שׂרים (sar sarim), ‘de overste van de oversten’: een titel die boven ‘de overste van het leger’ in vers 11 uitgaat. Wie bedoeld wordt, zegt de tekst niet.
ובאפס יד (uve'efes yad), ‘zonder hand’: letterlijk ‘in het ontbreken van een hand’, dus zonder dat een mens het doet. Vergelijk Dan. 2:34 (Aramees).
27Ik, Daniël, was uitgeput en ziek, dagenlang. Daarna stond ik op en deed het werk van de koning. Ik was verbijsterd over het beeld, en er was niemand die het begreep.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
דָנִיֵּ֗אל
(daniyel)
Daniël
נִהְיֵ֤יתִי
(nihyeiti)
was uitgeput
וְנֶֽחֱלֵ֨יתִי֙
(venecheleiti)
en was ziek
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וָאָק֕וּם
(vaaqum)
en ik stond op
וָאֶֽעֱשֶׂ֖ה
(vaeese)
en deed
אֶת
(et)
(obj.)
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
het werk van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וָאֶשְׁתּוֹמֵ֥ם
(vaeshtomem)
en ik was verbijsterd
עַל
(al)
over
הַמַּרְאֶ֖ה
(hamare)
het beeld
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מֵבִֽין
(mevin)
begrijpend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נהייתי (nihyeti), ‘ik was uitgeput’: het werkwoord betekent ‘kracht verliezen’ of ‘wegvallen’ en komt weinig voor.
Het kan ook ‘ik viel flauw’ betekenen.
ואשׁתומם (va'eshtomem), ‘ik was verbijsterd’: ook ‘ik stond versteld’.