Elohim Bijbel

1 Kronieken 4

1234567891011121314151617181920212223242526272829

Nakomelingen van Juda en Simeon, Jabets

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De nakomelingen van Juda

1De zonen van Juda: Peres, Chezron, Karmi, Chur en Sobal.
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
פֶּ֧רֶץ
(perets)
Peres
חֶצְר֛וֹן
(chetsron)
Chezron
וְכַרְמִ֖י
(vekharmi)
en Karmi
וְח֥וּר
(vechur)
en Chur
וְשׁוֹבָֽל
(veshoval)
en Sobal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze lijst noemt niet alleen zonen van Juda, maar ook latere nakomelingen.

Chezron was een zoon van Peres (1 Kron. 2:5).

Chur was een zoon van Kaleb (1 Kron. 2:19).

2Reaja, de zoon van Sobal, werd de vader van Jachat. Jachat werd de vader van Achumai en Lahad. Dit zijn de families van de Tsoratieten.
וּרְאָיָ֤ה
(ureaya)
en Reaja
בֶן
(ben)
zoon van
שׁוֹבָל֙
(shoval)
Sobal
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יַ֔חַת
(yachat)
Jachat
וְיַ֣חַת
(veyachat)
en Jachat
הֹלִ֔יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחוּמַ֖י
(achumay)
Achumai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לָ֑הַד
(lahad)
Lahad
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
מִשְׁפְּח֥וֹת
(mishpechot)
families van
הַצָּֽרְעָתִֽי
(hatsareati)
de Tsoratiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Tsoratieten (הַצָּרְעָתִי) zijn de mensen uit Tsora.

Tsora ligt in de Sefela van Juda (Joz. 15:33), bij het huidige Tel Tsora, in Israël.

Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.

3Dit zijn de zonen van de vader van Etam: Jizreël, Jisjma en Jidbasj. De naam van hun zus was Hatselelponi.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit zijn
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
עֵיטָ֔ם
(eitam)
Etam
יִזְרְעֶ֥אל
(yizreel)
Jizreël
וְיִשְׁמָ֖א
(veyishma)
en Jisjma
וְיִדְבָּ֑שׁ
(veyidbash)
en Jidbasj
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אֲחוֹתָ֖ם
(achotam)
hun zus
הַצְלֶלְפּֽוֹנִי
(hatslelponi)
Hatselelponi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Etam ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Betlehem.

De precieze ligging is onzeker.

Lezing

In het Hebreeuws staat alleen: ‘Dit: de vader van Etam’.

Het woord ‘zonen’ staat er niet.

Wij vullen het aan, net als in de verzen 4 en 6 (‘dit zijn de zonen van’).

Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk.

4Penuël was de vader van Gedor. Ezer was de vader van Chusa. Dit zijn de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrata, de vader van Betlehem.
וּפְנוּאֵל֙
(ufenuel)
en Penuël
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
גְדֹ֔ר
(gedor)
Gedor
וְעֵ֖זֶר
(veezer)
en Ezer
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
חוּשָׁ֑ה
(chusha)
Chusa
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
בְנֵי
(benei)
zonen van
חוּר֙
(chur)
Chur
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
אֶפְרָ֔תָה
(efrata)
Efrata
אֲבִ֖י
(avi)
vader van
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gedor: Gedor wordt gezocht bij Khirbet Jedur, in het bergland van Juda, ten noorden van Hebron.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

אֲבִי (avi), ‘vader van’: bij een plaatsnaam betekent dit de stichter of de leider van de plaats.

Zo ook in de verzen 5, 11, 12, 14, 17, 18, 19 en 21.

Efrata (אֶפְרָתָה) kan hier een vrouw zijn of een plaats. In 1 Kron. 2:19 neemt Kaleb Efrat tot vrouw, en zij baart Chur. In 1 Kron. 2:50 heet Chur ‘de eerstgeborene van Efrata’. Betlehem heette ook Efrata (Gen. 35:19).

5Asjchur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Chelea en Naära.
וּלְאַשְׁחוּר֙
(uleashchur)
en voor Asjchur
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
תְק֔וֹעַ
(teqoa)
Tekoa
הָי֖וּ
(hayu)
waren
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
נָשִׁ֑ים
(nashim)
vrouwen
חֶלְאָ֖ה
(chela)
Chelea
וְנַעֲרָֽה
(venaara)
en Naära
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

6Naära kreeg van hem Achuzzam, Chefer, Temni en Achasjtari. Dit zijn de zonen van Naära.
וַתֵּ֨לֶד
(vateled)
en baarde
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
נַעֲרָה֙
(naara)
Naära
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֻזָּ֣ם
(achuzam)
Achuzzam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֵ֔פֶר
(chefer)
Chefer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תֵּימְנִ֖י
(teimeni)
Temni
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲחַשְׁתָּרִ֑י
(haachashtari)
de Achasjtari
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
נַעֲרָֽה
(naara)
Naära
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier ‘de Achasjtari’ (הָאֲחַשְׁתָּרִי), met het lidwoord.

Wij nemen het als een naam.

7De zonen van Chelea: Tseret, Zohar en Etnan.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
חֶלְאָ֑ה
(chela)
Chelea
צֶ֥רֶת
(tseret)
Tseret
וְצֹ֖חַר
(vetsochar)
en Zohar
וְאֶתְנָֽן
(veetnan)
en Etnan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft hier Jitschar (יִצְחָר).

De gelezen tekst (qere) heeft ‘en Zohar’ (וְצֹחַר).

Wij volgen de gelezen tekst.

Zohar staat ook in Gen. 46:10.

Zie ookGen 46:10
8Kots werd de vader van Anub, van Hatsobeba en van de families van Acharchel, de zoon van Harum.
וְק֣וֹץ
(veqots)
en Kots
הוֹלִ֔יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עָנ֖וּב
(anuv)
Anub
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַצֹּבֵבָ֑ה
(hatsoveva)
Hatsobeba
וּמִשְׁפְּח֥וֹת
(umishpechot)
en families van
אֲחַרְחֵ֖ל
(acharchel)
Acharchel
בֶּן
(ben)
zoon van
הָרֽוּם
(harum)
Harum
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Jabets

9Jabets was meer geëerd dan zijn broers. Zijn moeder noemde hem Jabets en zei: „Want ik beviel met pijn.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
יַעְבֵּ֔ץ
(yabets)
Jabets
נִכְבָּ֖ד
(nikhbad)
geëerd
מֵאֶחָ֑יו
(meechav)
meer dan zijn broers
וְאִמּ֗וֹ
(veimo)
en zijn moeder
קָרְאָ֨ה
(qarea)
noemde
שְׁמ֤וֹ
(shemo)
zijn naam
יַעְבֵּץ֙
(yabets)
Jabets
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כִּ֥י
(ki)
want
יָלַ֖דְתִּי
(yaladti)
ik beviel
בְּעֹֽצֶב
(beotsev)
met pijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַעְבֵּץ (jabets) klinkt als עֹצֶב (otsev), ‘pijn’.

De moeder zegt dat zij hem met pijn baarde.

Daarom heet hij Jabets.

10Jabets riep tot de Elohim van Israël. Hij zei: „Als U mij werkelijk zegent, mijn gebied groter maakt, Uw hand met mij is en U mij beschermt tegen onheil, zodat ik geen pijn lijd…” Elohim liet komen wat hij had gevraagd.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
יַ֠עְבֵּץ
(yabets)
Jabets
לֵאלֹהֵ֨י
(lelohei)
tot de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
בָּרֵ֨ךְ
(barekh)
zegenend
תְּבָרֲכֵ֜נִי
(tevarakheni)
zul U mij zegenen
וְהִרְבִּ֤יתָ
(vehirbita)
en maak groot
אֶת
(et)
(obj.)
גְּבוּלִי֙
(gevuli)
mijn gebied
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
יָדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en U maakt
מֵּרָעָ֖ה
(meraa)
van onheil
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
opdat niet
עָצְבִּ֑י
(atsbi)
mijn pijn
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en liet komen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁאָֽל
(shaal)
hij vroeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם (im), ‘als’: de zin met ‘als’ heeft geen vervolg.

Zo drukt men een dringend verlangen uit: ‘ach, mocht U…’.

וְעָשִׂיתָ מֵרָעָה (veasita meraa), ‘en U maakt van onheil’: het Hebreeuws is kort. Wij vertalen de bedoeling: U beschermt mij tegen onheil. Het woord ‘pijn’ (עָצְבִּי) herhaalt het woord uit vers 9.

וַיָּבֵא (vayave), ‘en liet komen’: Elohim liet komen wat Jabets gevraagd had.

11Kelub, de broer van Sjucha, werd de vader van Mechir. Hij was de vader van Esjton.
וּכְל֥וּב
(ukheluv)
en Kelub
אֲחִֽי
(achi)
broer van
שׁוּחָ֖ה
(shucha)
Sjucha
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
מְחִ֑יר
(mechir)
Mechir
ה֖וּא
(hu)
hij
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
אֶשְׁתּֽוֹן
(eshton)
Esjton
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Esjton werd de vader van Bet-Rafa, Pasech en Techinna, de vader van Ir-Nachasj. Dit zijn de mannen van Recha.
וְאֶשְׁתּ֗וֹן
(veeshton)
en Esjton
הוֹלִ֞יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
Bet
רָפָא֙
(rafa)
Rafa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פָּסֵ֔חַ
(paseach)
Pasech
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנָּ֖ה
(techina)
Techinna
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
עִ֣יר
(ir)
Ir
נָחָ֑שׁ
(nachash)
Nachasj
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
רֵכָֽה
(rekha)
Recha
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De zonen van Kenaz: Otniël en Seraja. De zonen van Otniël: Chatat.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
קְנַ֔ז
(qenaz)
Kenaz
עָתְנִיאֵ֖ל
(ateniel)
Otniël
וּשְׂרָיָ֑ה
(useraya)
en Seraja
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
עָתְנִיאֵ֖ל
(ateniel)
Otniël
חֲתַֽת
(chatat)
Chatat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Meonotai werd de vader van Ofra. Seraja werd de vader van Joab, de vader van Ge-Charasjim. Want zij waren ambachtslieden.
וּמְעוֹנֹתַ֖י
(umeonotay)
en Meonotai
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עָפְרָ֑ה
(afera)
Ofra
וּשְׂרָיָ֗ה
(useraya)
en Seraja
הוֹלִ֤יד
(holid)
werd vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
אֲבִי֙
(avi)
vader van
גֵּ֣יא
(gei)
dal van
חֲרָשִׁ֔ים
(charashim)
ambachtslieden
כִּ֥י
(ki)
want
חֲרָשִׁ֖ים
(charashim)
ambachtslieden
הָיֽוּ
(hayu)
waren zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּיא חָרָשִׁים (gé charasjim), ‘dal van de ambachtslieden’.

Zie ook Neh. 11:35.

15De zonen van Kaleb, de zoon van Jefunne: Iru, Ela en Naäm. En de zonen van Ela, en Kenaz.
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en zonen van
כָּלֵ֣ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּ֔ה
(yefune)
Jefunne
עִ֥ירוּ
(iru)
Iru
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
וָנָ֑עַם
(vanaam)
en Naäm
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
אֵלָ֖ה
(ela)
Ela
וּקְנַֽז
(uqenaz)
en Kenaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft letterlijk: ‘en de zonen van Ela en Kenaz’.

Dat kan betekenen: ‘de zonen van Ela: Kenaz’, of ‘de zonen van Ela en van Kenaz’.

Wij vertalen letterlijk en laten dit open.

16De zonen van Jehallelel: Zif, Zifa, Tiria en Asarel.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
יְהַלֶּלְאֵ֑ל
(yehalelel)
Jehallelel
זִ֣יף
(zif)
Zif
וְזִיפָ֔ה
(vezifa)
en Zifa
תִּירְיָ֖א
(tireya)
Tiria
וַאֲשַׂרְאֵֽל
(vaasarel)
en Asarel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De zonen van Ezra: Jeter, Mered, Efer en Jalon. Zij werd zwanger van Mirjam, Sjammai en Jisjbach, de vader van Estemoa.
וּבֶן
(uven)
en zoon van
עֶזְרָ֔ה
(ezra)
Ezra
יֶ֥תֶר
(yeter)
Jeter
וּמֶ֖רֶד
(umered)
en Mered
וְעֵ֣פֶר
(veefer)
en Efer
וְיָל֑וֹן
(veyalon)
en Jalon
וַתַּ֨הַר֙
(vatahar)
en zij werd zwanger
אֶת
(et)
(obj.)
מִרְיָ֣ם
(miryam)
Mirjam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁמַּ֔י
(shamay)
Sjammai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יִשְׁבָּ֖ח
(yishbach)
Jisjbach
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
אֶשְׁתְּמֹֽעַ
(eshtemoa)
Estemoa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Estemoa: Estemoa wordt gezocht bij es-Samu, ten zuiden van Hebron.

Lezing

Wie ‘zij’ is, staat er niet.

Vers 18 noemt de vrouw van Mered en Bitja.

Het Hebreeuws zegt ‘zij werd zwanger’ met een voorwerp erbij.

Wij vertalen wat er staat.

18Zijn vrouw uit Juda beviel van Jered, de vader van Gedor, van Cheber, de vader van Soko, en van Jekutiël, de vader van Zanoach. Dit zijn de zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered tot vrouw nam.
וְאִשְׁתּ֣וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
הַיְהֻדִיָּ֗ה
(hayhudiya)
de Judese
יָלְדָ֞ה
(yaleda)
beviel van
אֶת
(et)
(obj.)
יֶ֨רֶד
(yered)
Jered
אֲבִ֤י
(avi)
vader van
גְדוֹר֙
(gedor)
Gedor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶ֨בֶר֙
(chever)
Cheber
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
שׂוֹכ֔וֹ
(sokho)
Soko
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְקֽוּתִיאֵ֖ל
(yequtiel)
Jekutiël
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
זָנ֑וֹחַ
(zanoach)
Zanoach
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit zijn
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
בִּתְיָ֣ה
(bitya)
Bitja
בַת
(bat)
dochter van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
Farao
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָקַ֖ח
(laqach)
nam
מָֽרֶד
(mared)
Mered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Soko (Joz. 15:35) en Zanoach (Joz. 15:34) liggen in de Sefela van Juda.

Gedor ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:58).

De precieze ligging is niet van alle plaatsen zeker.

Uitleg

לָקַח (laqach), ‘nemen’: hier ‘tot vrouw nemen’.

Vergelijk Gen. 4:19.

19De zonen van de vrouw van Hodia, de zus van Nacham: de vader van Keïla, de Garmiet, en Estemoa, de Maächatiet.
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en zonen van
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
הֽוֹדִיָּ֔ה
(hodiya)
Hodia
אֲח֣וֹת
(achot)
zus van
נַ֔חַם
(nacham)
Nacham
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
קְעִילָ֖ה
(qeila)
Keïla
הַגַּרְמִ֑י
(hagarmi)
de Garmiet
וְאֶשְׁתְּמֹ֖עַ
(veeshtemoa)
en Estemoa
הַמַּעֲכָתִֽי
(hamaakhati)
de Maächatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.

Dit is niet zeker.

Zie Estemoa: Estemoa wordt gezocht bij es-Samu, ten zuiden van Hebron.

20De zonen van Sjimon: Amnon, Rinna, de zoon van Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji: Zochet en de zoon van Zochet.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
שִׁימ֔וֹן
(shimon)
Sjimon
אַמְנ֣וֹן
(amnon)
Amnon
וְרִנָּ֔ה
(verina)
en Rinna
בֶּן
(ben)
zoon van
חָנָ֖ן
(chanan)
Chanan
וְתִיל֑וֹן
(vetilon)
en Tilon
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יִשְׁעִ֔י
(yishi)
Jisji
זוֹחֵ֖ת
(zochet)
Zochet
וּבֶן
(uven)
en zoon van
זוֹחֵֽת
(zochet)
Zochet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘Tolon’ (תוֹלוֹן).

De gelezen tekst (qere) heeft ‘Tilon’.

Wij volgen de gelezen tekst.

Het Hebreeuws kan ook twee namen bedoelen: ‘Rinna en Ben-Chanan’ en ‘Zochet en Ben-Zochet’. Wij vertalen letterlijk.

Nog meer families van Juda

21De zonen van Sela, de zoon van Juda: Er, de vader van Lecha, en Laäda, de vader van Maresa. En de families van het huis van het werk in fijn linnen, van het huis van Asjbea.
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
שֵׁלָ֣ה
(shela)
Sela
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עֵ֚ר
(er)
Er
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
לֵכָ֔ה
(lekha)
Lecha
וְלַעְדָּ֖ה
(velada)
en Laäda
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
מָרֵשָׁ֑ה
(maresha)
Maresa
וּמִשְׁפְּח֛וֹת
(umishpechot)
en families van
בֵּית
(beit)
huis van
עֲבֹדַ֥ת
(avodat)
werk van
הַבֻּ֖ץ
(habuts)
fijn linnen
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אַשְׁבֵּֽעַ
(ashbea)
Asjbea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.

Lezing

Het Hebreeuws is hier moeilijk.

Letterlijk staat er: ‘families van het huis van het werk van fijn linnen, van het huis van Asjbea’.

Wij vertalen letterlijk.

22Ook Jokim, de mannen van Kozeba, Joas en Saraf, die over Moab heersten, en Jasjubi-Lechem. Deze zaken zijn oud.
וְיוֹקִ֞ים
(veyoqim)
en Jokim
וְאַנְשֵׁ֣י
(veanshei)
en mannen van
כֹזֵבָ֗א
(kozeva)
Kozeba
וְיוֹאָ֧שׁ
(veyoash)
en Joas
וְשָׂרָ֛ף
(vesaraf)
en Saraf
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּעֲל֥וּ
(baalu)
heersten
לְמוֹאָ֖ב
(lemoav)
over Moab
וְיָשֻׁ֣בִי
(veyashuvi)
en Jasjubi
לָ֑חֶם
(lachem)
Lechem
וְהַדְּבָרִ֖ים
(vehadevarim)
en de zaken
עַתִּיקִֽים
(atiqim)
oud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

בָּעֲלוּ (baalu) kan ‘heersen over’ of ‘trouwen met’ betekenen.

De hele zin is kort en de namen zijn onzeker.

Wij vertalen ‘heersten’ en nemen ‘Jasjubi-Lechem’ als naam.

הַדְּבָרִים (hadevarim), ‘de zaken’: de gegevens in dit stuk zijn oud.

23Zij waren de pottenbakkers en de bewoners van Netaïm en Gedera. Zij woonden daar bij de koning, voor zijn werk.
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
הַיּ֣וֹצְרִ֔ים
(hayotserim)
de pottenbakkers
וְיֹשְׁבֵ֥י
(veyoshevei)
en bewoners van
נְטָעִ֖ים
(netaim)
Netaïm
וּגְדֵרָ֑ה
(ugedera)
en Gedera
עִם
(im)
bij
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בִּמְלַאכְתּ֖וֹ
(bimlakhto)
in zijn werk
יָ֥שְׁבוּ
(yashevu)
woonden zij
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gedera (ligging onzeker): Gedera was een stad in het laagland van Juda (Jozua 15:36).

De precieze plaats is niet zeker.

De zonen van Simeon

24De zonen van Simeon: Nemoeël, Jamin, Jarib, Zerach en Sjaül.
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
שִׁמְע֑וֹן
(shimon)
Simeon
נְמוּאֵ֣ל
(nemuel)
Nemoeël
וְיָמִ֔ין
(veyamin)
en Jamin
יָרִ֖יב
(yariv)
Jarib
זֶ֥רַח
(zerach)
Zerach
שָׁאֽוּל
(shaul)
Sjaül
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de zonen van Simeon verschillen in de lijsten.

Gen. 46:10 noemt Jemoeël, Jamin, Ohad, Jakin, Zohar en Sjaül.

Num. 26:12–13 noemt Nemoeël, Jamin, Jachin, Zerach en Sjaül.

25Sjallum was zijn zoon. Mibsam was zijn zoon. Misjma was zijn zoon.
שַׁלֻּ֥ם
(shalum)
Sjallum
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
מִבְשָׂ֥ם
(mivsam)
Mibsam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
מִשְׁמָ֥ע
(mishma)
Misjma
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De zonen van Misjma: Chammoeël was zijn zoon. Zakkur was zijn zoon. Simeï was zijn zoon.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
מִשְׁמָ֑ע
(mishma)
Misjma
חַמּוּאֵ֥ל
(chamuel)
Chammoeël
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
זַכּ֥וּר
(zakur)
Zakkur
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
שִׁמְעִ֥י
(shimi)
Simeï
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Simeï had 16 zonen en 6 dochters. Zijn broers hadden niet veel zonen. Hun hele familie werd niet zo talrijk als de zonen van Juda.
וּלְשִׁמְעִ֞י
(uleshimi)
en voor Simeï
בָּנִ֨ים
(banim)
zonen
שִׁשָּׁ֤ה
(shisha)
zes
עָשָׂר֙
(asar)
tien
וּבָנ֣וֹת
(uvanot)
en dochters
שֵׁ֔שׁ
(shesh)
zes
וּלְאֶחָ֕יו
(uleechav)
en voor zijn broers
אֵ֖ין
(ein)
niet
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
רַבִּ֑ים
(rabim)
veel
וְכֹל֙
(vekhol)
en heel
מִשְׁפַּחְתָּ֔ם
(mishpachtam)
hun familie
לֹ֥א
(lo)
niet
הִרְבּ֖וּ
(hirbu)
werd talrijk
עַד
(ad)
tot
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De steden van Simeon

28Zij woonden in Beër-Sjeba, Molada en Chasar-Sual,
וַיֵּֽשְׁב֛וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
בִּבְאֵֽר
(biver)
in Beër
שֶׁ֥בַע
(sheva)
Sjeba
וּמוֹלָדָ֖ה
(umolada)
en Molada
וַחֲצַ֥ר
(vachatsar)
en Chasar
שׁוּעָֽל
(shual)
Sual
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De steden van de verzen 28–32 liggen in het zuiden van Juda, in de Negev.

Een lijst van steden van Simeon staat ook in Joz. 19:2–8.

Beër-Sjeba is het huidige Tel Beer Sheva in Israël.

Molada en Chasar-Sual liggen in de buurt.

Hun ligging is onzeker.

29in Bilha, Esem en Tolad,
וּבְבִלְהָ֥ה
(uvevilha)
en in Bilha
וּבְעֶ֖צֶם
(uveetsem)
en in Esem
וּבְתוֹלָֽד
(uvetolad)
en in Tolad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bilha (בִּלְהָה) is waarschijnlijk dezelfde plaats als Bala in Joz. 19:3.

Esem is Esem in Joz. 19:3.

Tolad is Eltolad in Joz. 19:4.

De ligging van deze plaatsen in de Negev is onzeker.

30in Betuël, Chorma en Siklag,
וּבִבְתוּאֵ֥ל
(uvivtuel)
en in Betuël
וּבְחָרְמָ֖ה
(uvecharema)
en in Chorma
וּבְצִֽיקְלָֽג
(uvetsiqelag)
en in Siklag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betuël (בְּתוּאֵל) is waarschijnlijk dezelfde plaats als Betul in Joz. 19:4.

Chorma ligt in de Negev (Num. 14:45).

Siklag (צִקְלַג) ligt in het zuiden van Juda.

De precieze ligging van Siklag is onzeker.

31in Bet-Markabot, Chasar-Susim, Bet-Biri en Saaraim. Dit waren hun steden tot David koning werd.
וּבְבֵ֤ית
(uveveit)
en in Bet
מַרְכָּבוֹת֙
(markavot)
Markabot
וּבַחֲצַ֣ר
(uvachatsar)
en in Chasar
סוּסִ֔ים
(susim)
Susim
וּבְבֵ֥ית
(uveveit)
en in Bet
בִּרְאִ֖י
(biri)
Biri
וּֽבְשַׁעֲרָ֑יִם
(uveshaarayim)
en in Saaraim
אֵ֥לֶּה
(ele)
dit zijn
עָרֵיהֶ֖ם
(areihem)
hun steden
עַד
(ad)
tot
מְלֹ֥ךְ
(melokh)
het regeren van
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Markabot (‘huis van de wagens’) en Chasar-Susim (‘dorp van de paarden’) staan in Joz. 19:5 als Bet-Hammarkabot en Chasar-Susa.

Hun ligging in de Negev is onzeker.

Op de plaats van Bet-Biri en Saaraim staan in Joz. 19:6 de namen Bet-Lebaot en Sjaruchen.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘tot het regeren van David’.

Wij vertalen: tot David koning werd.

32Hun dorpen waren Etam, Ain, Rimmon, Token en Asan: 5 steden.
וְחַצְרֵיהֶם֙
(vechatsreihem)
en hun dorpen
עֵיטָ֣ם
(eitam)
Etam
וָעַ֔יִן
(vaayin)
en Ain
רִמּ֥וֹן
(rimon)
Rimmon
וְתֹ֖כֶן
(vetokhen)
en Token
וְעָשָׁ֑ן
(veashan)
en Asan
עָרִ֖ים
(arim)
steden
חָמֵֽשׁ
(chamesh)
vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Joz. 19:7 noemt Ain, Rimmon, Eter en Asan: 4 steden.

Hier staan 5 steden, met Etam en Token in plaats van Eter.

De ligging is onzeker.

Zie ookJoz 19:7
33En al hun dorpen rondom deze steden, tot aan Baäl: dit waren hun woonplaatsen. Zij hadden hun eigen geslachtsregister.
וְכָל
(vekhal)
en alle
חַצְרֵיהֶ֗ם
(chatsreihem)
hun dorpen
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
סְבִיב֛וֹת
(sevivot)
rondom
הֶעָרִ֥ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
עַד
(ad)
tot
בָּ֑עַל
(baal)
Baäl
זֹ֚את
(zot)
dit
מוֹשְׁבֹתָ֔ם
(moshevotam)
hun woonplaatsen
וְהִתְיַחְשָׂ֖ם
(vehityachsam)
en hun geslachtsregister
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäl is waarschijnlijk dezelfde plaats als Baälat-Beër in Joz. 19:8.

Dat is niet zeker.

Uitleg

הִתְיַחְשָׂם (hityachsam), ‘hun geslachtsregister’: de inschrijving van hun afkomst in lijsten.

Zie ookJoz 19:8

De leiders van Simeon

34Mesjobab, Jamlech en Josja, de zoon van Amazia,
וּמְשׁוֹבָ֣ב
(umeshovav)
en Mesjobab
וְיַמְלֵ֔ךְ
(veyamlekh)
en Jamlech
וְיוֹשָׁ֖ה
(veyosha)
en Josja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲמַצְיָֽה
(amatsya)
Amazia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Joël en Jehu, de zoon van Josjibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël,
וְיוֹאֵ֑ל
(veyoel)
en Joël
וְיֵהוּא֙
(veyehu)
en Jehu
בֶּן
(ben)
zoon van
י֣וֹשִׁבְיָ֔ה
(yoshivya)
Josjibja
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׂרָיָ֖ה
(seraya)
Seraja
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲשִׂיאֵֽל
(asiel)
Asiël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Eljoënai, Jaäkoba, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël en Benaja,
וְאֶלְיוֹעֵינַ֡י
(veelyoeinay)
en Eljoënai
וְֽיַעֲקֹ֡בָה
(veyaaqova)
en Jaäkoba
וִ֠ישׁוֹחָיָה
(vishochaya)
en Jesjochaja
וַעֲשָׂיָ֧ה
(vaasaya)
en Asaja
וַעֲדִיאֵ֛ל
(vaadiel)
en Adiël
וִישִׂימִאֵ֖ל
(visimiel)
en Jesimiël
וּבְנָיָֽה
(uvenaya)
en Benaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37en Ziza, de zoon van Sjifi, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Sjimri, de zoon van Sjemaja.
וְזִיזָ֨א
(veziza)
en Ziza
בֶן
(ben)
zoon van
שִׁפְעִ֧י
(shifi)
Sjifi
בֶן
(ben)
zoon van
אַלּ֛וֹן
(alon)
Allon
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדָיָ֥ה
(yedaya)
Jedaja
בֶן
(ben)
zoon van
שִׁמְרִ֖י
(shimri)
Sjimri
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמַֽעְיָֽה
(shemaya)
Sjemaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Zij die hier met hun naam zijn genoemd, waren leiders in hun families. Hun vaderhuizen groeiden sterk.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dezen
הַבָּאִ֣ים
(habaim)
die kwamen
בְּשֵׁמ֔וֹת
(beshemot)
met namen
נְשִׂיאִ֖ים
(nesiim)
leiders
בְּמִשְׁפְּחוֹתָ֑ם
(bemishpechotam)
in hun families
וּבֵית֙
(uveit)
en huis van
אֲב֣וֹתֵיהֶ֔ם
(avoteihem)
hun vaders
פָּרְצ֖וּ
(paretsu)
groeiden sterk
לָרֽוֹב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Weidegrond bij Gedor

39Zij gingen naar de ingang van Gedor, tot aan de oostkant van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun kleinvee.
וַיֵּלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
לִמְב֣וֹא
(limvo)
naar de ingang van
גְדֹ֔ר
(gedor)
Gedor
עַ֖ד
(ad)
tot
לְמִזְרַ֣ח
(lemizrach)
naar het oosten van
הַגָּ֑יְא
(hagaye)
het dal
לְבַקֵּ֥שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
מִרְעֶ֖ה
(mire)
weidegrond
לְצֹאנָֽם
(letsonam)
voor hun kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van dit Gedor is onzeker.

Er is ook een Gedor in het bergland van Juda (Joz. 15:58).

40Zij vonden vette, goede weidegrond. Het land was ruim, rustig en vredig. Want zij die daar eerder woonden, waren van Cham.
וַֽיִּמְצְא֤וּ
(vayimtseu)
en zij vonden
מִרְעֶה֙
(mire)
weidegrond
שָׁמֵ֣ן
(shamen)
vet
וָט֔וֹב
(vatov)
en goed
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
רַחֲבַ֣ת
(rachavat)
wijd van
יָדַ֔יִם
(yadayim)
handen
וְשֹׁקֶ֖טֶת
(veshoqetet)
en rustig
וּשְׁלֵוָ֑ה
(usheleva)
en vredig
כִּ֣י
(ki)
want
מִן
(min)
van
חָ֔ם
(cham)
Cham
הַיֹּשְׁבִ֥ים
(hayoshevim)
de bewoners
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לְפָנִֽים
(lefanim)
eerder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘wijd van handen’: een gezegde voor ‘ruim’, zodat er genoeg plaats is.

41Deze mannen, bij naam opgeschreven, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vielen hun tenten aan, en ook de Meunieten die daar waren gevonden. Zij wijdden hen aan de ban, tot op deze dag. Zij gingen in hun plaats wonen, want er was weidegrond voor hun kleinvee.
וַיָּבֹ֡אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵלֶּה֩
(ele)
dezen
הַכְּתוּבִ֨ים
(haketuvim)
de opgeschrevenen
בְּשֵׁמ֜וֹת
(beshemot)
met namen
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
יְחִזְקִיָּ֣הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיַּכּ֨וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
אָהֳלֵיהֶ֜ם
(aholeihem)
hun tenten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּעוּנִ֨ים
(hameunim)
de Meunieten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִמְצְאוּ
(nimtseu)
werden gevonden
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
וַיַּחֲרִימֻם֙
(vayacharimum)
en wijdden hen aan de ban
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij gingen wonen
תַּחְתֵּיהֶ֑ם
(tachteihem)
in hun plaats
כִּֽי
(ki)
want
מִרְעֶ֥ה
(mire)
weidegrond
לְצֹאנָ֖ם
(letsonam)
voor hun kleinvee
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִכָּה (hikkah), ‘slaan’: hier ‘aanvallen en verslaan’.

הַמְּעוּנִים (hamunim), ‘de Meunieten’: een volk. Zie ook 2 Kron. 26:7.

חָרַם (charam), ‘aan de ban wijden’: het volk en de stad worden aan Yahweh gewijd, en daarom vernietigd. Zie ook Joz. 6:17.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van de Meunieten.

Wij volgen de gelezen tekst (qere).

Naar het bergland Seïr

42Van hen, van de zonen van Simeon, gingen 500 man naar het bergland Seïr. Aan hun hoofd stonden Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jisji.
וּמֵהֶ֣ם
(umehem)
en van hen
מִן
(min)
van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
שִׁמְע֗וֹן
(shimon)
Simeon
הָלְכוּ֙
(halekhu)
gingen
לְהַ֣ר
(lehar)
naar het bergland van
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
חֲמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
וּפְלַטְיָ֡ה
(ufelatya)
en Pelatja
וּ֠נְעַרְיָה
(unearya)
en Nearja
וּרְפָיָ֧ה
(urefaya)
en Refaja
וְעֻזִּיאֵ֛ל
(veuziel)
en Uzziël
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׁעִ֖י
(yishi)
Jisji
בְּרֹאשָֽׁם
(berosham)
aan hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het bergland Seïr (הַר שֵׂעִיר) ligt in Edom, in het zuiden van het huidige Jordanië.

43Zij sloegen de rest van Amalek die was ontkomen. Zij woonden daar tot op deze dag.
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de rest van
הַפְּלֵטָ֖ה
(hapeleta)
de ontkomenen
לַעֲמָלֵ֑ק
(laamaleq)
van Amalek
וַיֵּ֣שְׁבוּ
(vayeshevu)
en zij woonden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Over Amalek: zie Exod. 17:8–16.

‘Tot op deze dag’ is de tijd van de schrijver.