Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De nakomelingen van Juda
1De zonen van Juda: Peres, Chezron, Karmi, Chur en Sobal.
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
פֶּ֧רֶץ
(perets)
Peres
חֶצְר֛וֹן
(chetsron)
Chezron
וְכַרְמִ֖י
(vekharmi)
en Karmi
וְח֥וּר
(vechur)
en Chur
וְשׁוֹבָֽל
(veshoval)
en Sobal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Deze lijst noemt niet alleen zonen van Juda, maar ook latere nakomelingen.
4Penuël was de vader van Gedor. Ezer was de vader van Chusa. Dit zijn de zonen van Chur, de eerstgeborene van Efrata, de vader van Betlehem.
וּפְנוּאֵל֙
(ufenuel)
en Penuël
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
גְדֹ֔ר
(gedor)
Gedor
וְעֵ֖זֶר
(veezer)
en Ezer
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
חוּשָׁ֑ה
(chusha)
Chusa
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit zijn
בְנֵי
(benei)
zonen van
חוּר֙
(chur)
Chur
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
אֶפְרָ֔תָה
(efrata)
Efrata
אֲבִ֖י
(avi)
vader van
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gedor: Gedor wordt gezocht bij Khirbet Jedur, in het bergland van Juda, ten noorden van Hebron.
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
אֲבִי (avi), ‘vader van’: bij een plaatsnaam betekent dit de stichter of de leider van de plaats.
Zo ook in de verzen 5, 11, 12, 14, 17, 18, 19 en 21.
Efrata (אֶפְרָתָה) kan hier een vrouw zijn of een plaats. In 1 Kron. 2:19 neemt Kaleb Efrat tot vrouw, en zij baart Chur. In 1 Kron. 2:50 heet Chur ‘de eerstgeborene van Efrata’. Betlehem heette ook Efrata (Gen. 35:19).
10Jabets riep tot de Elohim van Israël. Hij zei: „Als U mij werkelijk zegent, mijn gebied groter maakt, Uw hand met mij is en U mij beschermt tegen onheil, zodat ik geen pijn lijd…” Elohim liet komen wat hij had gevraagd.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
יַ֠עְבֵּץ
(yabets)
Jabets
לֵאלֹהֵ֨י
(lelohei)
tot de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
בָּרֵ֨ךְ
(barekh)
zegenend
תְּבָרֲכֵ֜נִי
(tevarakheni)
zul U mij zegenen
וְהִרְבִּ֤יתָ
(vehirbita)
en maak groot
אֶת
(et)
(obj.)
גְּבוּלִי֙
(gevuli)
mijn gebied
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
יָדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en U maakt
מֵּרָעָ֖ה
(meraa)
van onheil
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
opdat niet
עָצְבִּ֑י
(atsbi)
mijn pijn
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en liet komen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁאָֽל
(shaal)
hij vroeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִם (im), ‘als’: de zin met ‘als’ heeft geen vervolg.
Zo drukt men een dringend verlangen uit: ‘ach, mocht U…’.
וְעָשִׂיתָ מֵרָעָה (veasita meraa), ‘en U maakt van onheil’: het Hebreeuws is kort. Wij vertalen de bedoeling: U beschermt mij tegen onheil. Het woord ‘pijn’ (עָצְבִּי) herhaalt het woord uit vers 9.
וַיָּבֵא (vayave), ‘en liet komen’: Elohim liet komen wat Jabets gevraagd had.
18Zijn vrouw uit Juda beviel van Jered, de vader van Gedor, van Cheber, de vader van Soko, en van Jekutiël, de vader van Zanoach. Dit zijn de zonen van Bitja, de dochter van de farao, die Mered tot vrouw nam.
וְאִשְׁתּ֣וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
הַיְהֻדִיָּ֗ה
(hayhudiya)
de Judese
יָלְדָ֞ה
(yaleda)
beviel van
אֶת
(et)
(obj.)
יֶ֨רֶד
(yered)
Jered
אֲבִ֤י
(avi)
vader van
גְדוֹר֙
(gedor)
Gedor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶ֨בֶר֙
(chever)
Cheber
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
שׂוֹכ֔וֹ
(sokho)
Soko
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְקֽוּתִיאֵ֖ל
(yequtiel)
Jekutiël
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
זָנ֑וֹחַ
(zanoach)
Zanoach
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit zijn
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
בִּתְיָ֣ה
(bitya)
Bitja
בַת
(bat)
dochter van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
Farao
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָקַ֖ח
(laqach)
nam
מָֽרֶד
(mared)
Mered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Soko (Joz. 15:35) en Zanoach (Joz. 15:34) liggen in de Sefela van Juda.
Gedor ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:58).
De precieze ligging is niet van alle plaatsen zeker.
20De zonen van Sjimon: Amnon, Rinna, de zoon van Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji: Zochet en de zoon van Zochet.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
שִׁימ֔וֹן
(shimon)
Sjimon
אַמְנ֣וֹן
(amnon)
Amnon
וְרִנָּ֔ה
(verina)
en Rinna
בֶּן
(ben)
zoon van
חָנָ֖ן
(chanan)
Chanan
וְתִיל֑וֹן
(vetilon)
en Tilon
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יִשְׁעִ֔י
(yishi)
Jisji
זוֹחֵ֖ת
(zochet)
Zochet
וּבֶן
(uven)
en zoon van
זוֹחֵֽת
(zochet)
Zochet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘Tolon’ (תוֹלוֹן).
De gelezen tekst (qere) heeft ‘Tilon’.
Wij volgen de gelezen tekst.
Het Hebreeuws kan ook twee namen bedoelen: ‘Rinna en Ben-Chanan’ en ‘Zochet en Ben-Zochet’. Wij vertalen letterlijk.
Nog meer families van Juda
21De zonen van Sela, de zoon van Juda: Er, de vader van Lecha, en Laäda, de vader van Maresa. En de families van het huis van het werk in fijn linnen, van het huis van Asjbea.
בְּנֵי֙
(benei)
zonen van
שֵׁלָ֣ה
(shela)
Sela
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עֵ֚ר
(er)
Er
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
לֵכָ֔ה
(lekha)
Lecha
וְלַעְדָּ֖ה
(velada)
en Laäda
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
מָרֵשָׁ֑ה
(maresha)
Maresa
וּמִשְׁפְּח֛וֹת
(umishpechot)
en families van
בֵּית
(beit)
huis van
עֲבֹדַ֥ת
(avodat)
werk van
הַבֻּ֖ץ
(habuts)
fijn linnen
לְבֵ֥ית
(leveit)
van het huis van
אַשְׁבֵּֽעַ
(ashbea)
Asjbea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.
Lezing
Het Hebreeuws is hier moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘families van het huis van het werk van fijn linnen, van het huis van Asjbea’.
41Deze mannen, bij naam opgeschreven, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Zij vielen hun tenten aan, en ook de Meunieten die daar waren gevonden. Zij wijdden hen aan de ban, tot op deze dag. Zij gingen in hun plaats wonen, want er was weidegrond voor hun kleinvee.
וַיָּבֹ֡אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֵלֶּה֩
(ele)
dezen
הַכְּתוּבִ֨ים
(haketuvim)
de opgeschrevenen
בְּשֵׁמ֜וֹת
(beshemot)
met namen
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
יְחִזְקִיָּ֣הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיַּכּ֨וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
אָהֳלֵיהֶ֜ם
(aholeihem)
hun tenten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמְּעוּנִ֨ים
(hameunim)
de Meunieten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִמְצְאוּ
(nimtseu)
werden gevonden
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
וַיַּחֲרִימֻם֙
(vayacharimum)
en wijdden hen aan de ban
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij gingen wonen
תַּחְתֵּיהֶ֑ם
(tachteihem)
in hun plaats
כִּֽי
(ki)
want
מִרְעֶ֥ה
(mire)
weidegrond
לְצֹאנָ֖ם
(letsonam)
voor hun kleinvee
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִכָּה (hikkah), ‘slaan’: hier ‘aanvallen en verslaan’.
הַמְּעוּנִים (hamunim), ‘de Meunieten’: een volk. Zie ook 2 Kron. 26:7.
חָרַם (charam), ‘aan de ban wijden’: het volk en de stad worden aan Yahweh gewijd, en daarom vernietigd. Zie ook Joz. 6:17.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van de Meunieten.
42Van hen, van de zonen van Simeon, gingen 500 man naar het bergland Seïr. Aan hun hoofd stonden Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, de zonen van Jisji.
וּמֵהֶ֣ם
(umehem)
en van hen
מִן
(min)
van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
שִׁמְע֗וֹן
(shimon)
Simeon
הָלְכוּ֙
(halekhu)
gingen
לְהַ֣ר
(lehar)
naar het bergland van
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
חֲמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
וּפְלַטְיָ֡ה
(ufelatya)
en Pelatja
וּ֠נְעַרְיָה
(unearya)
en Nearja
וּרְפָיָ֧ה
(urefaya)
en Refaja
וְעֻזִּיאֵ֛ל
(veuziel)
en Uzziël
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׁעִ֖י
(yishi)
Jisji
בְּרֹאשָֽׁם
(berosham)
aan hun hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het bergland Seïr (הַר שֵׂעִיר) ligt in Edom, in het zuiden van het huidige Jordanië.