Elohim Bijbel

1 Kronieken 9

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De bewoners van Jeruzalem en het geslacht van Saul

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Israël in de geslachtsregisters

1Heel Israël werd opgenomen in geslachtsregisters. Zie, zij staan geschreven in het boek van de koningen van Israël. Juda werd naar Babel weggevoerd vanwege hun ontrouw.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הִתְיַחְשׂ֔וּ
(hityachsu)
werd opgenomen in geslachtsregisters
וְהִנָּ֣ם
(vehinam)
en zie zij
כְּתוּבִ֔ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֖פֶר
(sefer)
het boek van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָ֛ה
(vihuda)
en Juda
הָגְל֥וּ
(hagelu)
werd weggevoerd
לְבָבֶ֖ל
(levavel)
naar Babel
בְּמַעֲלָֽם
(bemaalam)
vanwege hun ontrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

הִתְיַחְשׂוּ (hityachsu), ‘in geslachtsregisters opgenomen worden’: het woord komt van יַחַשׂ (yachas), ‘afstamming’.

מַעַל (ma‘al), ‘ontrouw’: ontrouw aan Yahweh, zoals in Lev. 5:15.

De lijsten die nu volgen gaan over de eerste bewoners na de ballingschap. Neh. 11:3–19 heeft een verwante lijst, met andere getallen en enkele andere namen.

De eerste bewoners van Jeruzalem

2De eerste bewoners, die in hun eigen bezit in hun steden woonden, waren: Israël, de priesters, de Levieten en de Netinim.
וְהַיּוֹשְׁבִים֙
(vehayoshevim)
en de bewoners
הָרִ֣אשֹׁנִ֔ים
(harishonim)
eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּאֲחֻזָּתָ֖ם
(baachuzatam)
in hun bezit
בְּעָרֵיהֶ֑ם
(beareihem)
in hun steden
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַנְּתִינִֽים
(vehanetinim)
en de Netinim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתִינִים (netinim), ‘gegevenen’: mensen die aan het heiligdom waren gegeven voor de dienst.

Wij laten de naam staan.

יִשְׂרָאֵל (Yisra’el): hier de gewone Israëlieten, naast de priesters en de Levieten.

3In Jeruzalem woonden: van de zonen van Juda, van de zonen van Benjamin, van de zonen van Efraïm en van Manasse.
וּבִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
יָשְׁב֔וּ
(yashevu)
woonden
מִן
(min)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וּמְנַשֶּֽׁה
(umenashe)
en Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

4Utai, zoon van Ammihud, zoon van Omri, zoon van Imri, zoon van Bani, van de zonen van Peres, de zoon van Juda.
עוּתַ֨י
(utay)
Utai
בֶּן
(ben)
zoon van
עַמִּיה֤וּד
(amihud)
Ammihud
בֶּן
(ben)
zoon van
עָמְרִי֙
(ameri)
Omri
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמְרִ֣י
(imri)
Imri
בֶן
(ben)
zoon van
בָּנִ֔י
(bani)
Bani
מִן
(min)
van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
פֶ֖רֶץ
(perets)
Peres
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘Bani, van de zonen van Peres’.

Peres is de zoon van Juda (Gen. 38:29).

5Van de Selaniet: Asaja, de eerstgeborene, en zijn zonen.
וּמִן
(umin)
en van
הַשִּׁ֣ילוֹנִ֔י
(hashiloni)
de Selaniet
עֲשָׂיָ֥ה
(asaya)
Asaja
הַבְּכ֖וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
וּבָנָֽיו
(uvanav)
en zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

הַשִּׁילוֹנִי (hashiloni) kan ‘de Siloniet’ zijn, uit Silo, of een nakomeling van Sela, de zoon van Juda (Gen. 38:5).

Wij kiezen ‘de Selaniet’, omdat de lijst bij Juda staat en de Selanieten in Num. 26:20 een familie van Juda zijn.

6Van de zonen van Zerach: Jeüël. Hun broeders: 690.
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
זֶ֖רַח
(zerach)
Zerach
יְעוּאֵ֑ל
(yeuel)
Jeüël
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
וְתִשְׁעִֽים
(vetishim)
en negentig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zerach is een zoon van Juda (Gen. 38:30).

Jeüël (Hebr.

Ye‘u’el) is een andere man dan Jeïël in vers 35.

7Van de zonen van Benjamin: Sallu, zoon van Mesjullam, zoon van Hodavja, zoon van Hassenua,
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
בִּנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
סַלּוּא֙
(salu)
Sallu
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֔ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
הוֹדַוְיָ֖ה
(hodavya)
Hodavja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַסְּנֻאָֽה
(hasenua)
Hassenua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Jibneja, zoon van Jerocham, en Ela, zoon van Uzzi, zoon van Michri, en Mesjullam, zoon van Sefatja, zoon van Reüël, zoon van Jibnija.
וְיִבְנְיָה֙
(veyivneya)
en Jibneja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֔ם
(yerocham)
Jerocham
וְאֵלָ֥ה
(veela)
en Ela
בֶן
(ben)
zoon van
עֻזִּ֖י
(uzi)
Uzzi
בֶּן
(ben)
zoon van
מִכְרִ֑י
(mikhri)
Michri
וּמְשֻׁלָּם֙
(umeshulam)
en Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁפַטְיָ֔ה
(shefatya)
Sefatja
בֶּן
(ben)
zoon van
רְעוּאֵ֖ל
(reuel)
Reüël
בֶּן
(ben)
zoon van
יִבְנִיָּֽה
(yivniya)
Jibnija
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hun broeders, naar hun afstamming: 956. Al deze mannen waren hoofden van vaderhuizen, naar hun vaderhuizen.
וַאֲחֵיהֶם֙
(vaacheihem)
en hun broeders
לְתֹ֣לְדוֹתָ֔ם
(letoledotam)
naar hun afstamming
תְּשַׁ֥ע
(tesha)
negen
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
וַחֲמִשִּׁ֣ים
(vachamishim)
en vijftig
וְשִׁשָּׁ֑ה
(veshisha)
en zes
כָּל
(kal)
al
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
אָב֖וֹת
(avot)
vaderhuizen
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookNeh 11:8

De priesters

10Van de priesters: Jedaja, Jojarib en Jachin,
וּמִן
(umin)
en van
הַֽכֹּהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
יְדַֽעְיָ֥ה
(yedaya)
Jedaja
וִיהוֹיָרִ֖יב
(vihoyariv)
en Jojarib
וְיָכִֽין
(veyakhin)
en Jachin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11en Azaria, zoon van Hilkia, zoon van Mesjullam, zoon van Zadok, zoon van Merajot, zoon van Achitub, leider van het huis van Elohim,
וַעֲזַרְיָ֨ה
(vaazarya)
en Azaria
בֶן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֜ה
(chilqiya)
Hilkia
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֣ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
צָד֗וֹק
(tsadoq)
Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
מְרָיוֹת֙
(merayot)
Merajot
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיט֔וּב
(achituv)
Achitub
נְגִ֖יד
(negid)
leider van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: zo ook in 2 Sam. 5:2.

Azaria heeft hier een leidende taak in het huis van Elohim.

Lezing

Deze lijn verschilt van 1 Kron. 5:33–34 en 5:38–40.

Daar is Merajot de vader van Amarja, Amarja de vader van Achitub, en Achitub de vader van Zadok.

Zadok is de vader van Sjallum, Sjallum van Hilkia en Hilkia van Azaria.

Hier staat Zadok als zoon van Merajot en Merajot als zoon van Achitub.

Mesjullam is waarschijnlijk dezelfde man als Sjallum in 1 Kron. 5:38.

Wij vertalen zoals het staat.

12en Adaja, zoon van Jerocham, zoon van Pasjchur, zoon van Malkia. En Maäsai, zoon van Adiël, zoon van Jachzera, zoon van Mesjullam, zoon van Mesjillemit, zoon van Immer.
וַעֲדָיָה֙
(vaadaya)
en Adaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֔ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
zoon van
פַּשְׁח֖וּר
(pashchur)
Pasjchur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַלְכִּיָּ֑ה
(malkiya)
Malkia
וּמַעְשַׂ֨י
(umasay)
en Maäsai
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲדִיאֵ֧ל
(adiel)
Adiël
בֶּן
(ben)
zoon van
יַחְזֵ֛רָה
(yachzera)
Jachzera
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֥ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשִׁלֵּמִ֖ית
(meshilemit)
Mesjillemit
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמֵּֽר
(imer)
Immer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hun broeders, hoofden van hun vaderhuizen: 1.760 dappere krijgers, voor het werk van de dienst in het huis van Elohim.
וַאֲחֵיהֶ֗ם
(vaacheihem)
en hun broeders
רָאשִׁים֙
(rashim)
hoofden
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבוֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaderen
אֶ֕לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַ֥ע
(usheva)
en zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁשִּׁ֑ים
(veshishim)
en zestig
גִּבּ֣וֹרֵי
(giborei)
dappere krijgers van
חֵ֔יל
(cheil)
kracht
מְלֶ֖אכֶת
(melekhet)
het werk van
עֲבוֹדַ֥ת
(avodat)
de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibbore chayil), ‘dappere krijgers’: mannen met kracht en moed.

De Levieten

14Van de Levieten: Sjemaja, zoon van Chasjub, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, van de zonen van Merari,
וּמִֽן
(umin)
en van
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
שְׁמַֽעְיָ֧ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶן
(ben)
zoon van
חַשּׁ֛וּב
(chashuv)
Chasjub
בֶּן
(ben)
zoon van
עַזְרִיקָ֥ם
(azriqam)
Azrikam
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲשַׁבְיָ֖ה
(chashavya)
Chasjabja
מִן
(min)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
מְרָרִֽי
(merari)
Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15en Bakbakkar, Cheresj en Galal, en Mattanja, zoon van Micha, zoon van Zichri, zoon van Asaf,
וּבַקְבַּקַּ֥ר
(uvaqbaqar)
en Bakbakkar
חֶ֖רֶשׁ
(cheresh)
Cheresj
וְגָלָ֑ל
(vegalal)
en Galal
וּמַתַּנְיָה֙
(umatanya)
en Mattanja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָ֔א
(mikha)
Micha
בֶּן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֖י
(zikhri)
Zichri
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָֽף
(asaf)
Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16en Obadja, zoon van Sjemaja, zoon van Galal, zoon van Jedutun, en Berechja, zoon van Asa, zoon van Elkana. Hij woonde in de dorpen van de Netofatieten.
וְעֹבַדְיָה֙
(veovadya)
en Obadja
בֶּֽן
(ben)
zoon van
שְׁמַֽעְיָ֔ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּלָ֖ל
(galal)
Galal
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדוּת֑וּן
(yedutun)
Jedutun
וּבֶרֶכְיָ֤ה
(uverekhya)
en Berechja
בֶן
(ben)
zoon van
אָסָא֙
(asa)
Asa
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְקָנָ֔ה
(elqana)
Elkana
הַיּוֹשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die woonde
בְּחַצְרֵ֥י
(bechatsrei)
in de dorpen van
נְטוֹפָתִֽי
(netofati)
de Netofatieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Netofa lag in het bergland bij Betlehem; de ligging is niet zeker (Juda, Westelijke Jordaanoever).

De poortwachters

17De poortwachters waren Sjallum, Akkub, Talmon, Achiman en hun broeders. Sjallum was het hoofd.
וְהַשֹּׁעֲרִים֙
(vehashoarim)
en de poortwachters
שַׁלּ֣וּם
(shalum)
Sjallum
וְעַקּ֔וּב
(veaquv)
en Akkub
וְטַלְמֹ֖ן
(vetalmon)
en Talmon
וַאֲחִימָ֑ן
(vaachiman)
en Achiman
וַאֲחִיהֶ֥ם
(vaachihem)
en hun broeders
שַׁלּ֖וּם
(shalum)
Sjallum
הָרֹֽאשׁ
(harosh)
het hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Tot nu toe zijn zij bij de poort van de koning, aan de oostkant. Dit zijn de poortwachters van de kampen van de zonen van Levi.
וְֽעַד
(vead)
en tot
הֵ֔נָּה
(hena)
nu toe
בְּשַׁ֥עַר
(beshaar)
bij de poort van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִזְרָ֑חָה
(mizracha)
oostwaarts
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים
(hashoarim)
de poortwachters
לְמַחֲנ֖וֹת
(lemachanot)
voor de kampen van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Tot nu toe’ is de tijd van de schrijver.

Wij weten niet precies waar ‘de poort van de koning’ lag.

19Sjallum was de zoon van Kore, de zoon van Abiasaf, de zoon van Korach. Hij en zijn broeders uit het huis van zijn vader, de Korachieten, hadden het werk van de dienst. Zij waren bewakers van de drempels van de tent. Hun vaders waren over het kamp van Yahweh gesteld. Zij waren bewakers van de ingang.
וְשַׁלּ֣וּם
(veshalum)
en Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
ק֠וֹרֵא
(qore)
Kore
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָסָ֨ף
(evyasaf)
Abiasaf
בֶּן
(ben)
zoon van
קֹ֜רַח
(qorach)
Korach
וְֽאֶחָ֧יו
(veechav)
en zijn broeders
לְבֵית
(leveit)
van het huis van
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
הַקָּרְחִ֗ים
(haqarechim)
de Korachieten
עַ֚ל
(al)
over
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
het werk van
הָעֲבוֹדָ֔ה
(haavoda)
de dienst
שֹׁמְרֵ֥י
(shomerei)
bewakers van
הַסִּפִּ֖ים
(hasipim)
de drempels
לָאֹ֑הֶל
(laohel)
van de tent
וַאֲבֹֽתֵיהֶם֙
(vaavoteihem)
en hun vaderen
עַל
(al)
over
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שֹׁמְרֵ֖י
(shomerei)
bewakers van
הַמָּבֽוֹא
(hamavo)
de ingang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סִפִּים (sippim), ‘drempels’: de drempels van de ingang van de tent.

Zij bewaakten de toegang.

מַחֲנֵה יְהוָה (machaneh Yahweh), ‘het kamp van Yahweh’: ‘hun vaders’ zijn de voorouders uit de tijd van de tabernakel. Zie ook Num. 3:38.

20Pinechas, zoon van Eleazar, was vroeger leider over hen. Yahweh was met hem.
וּפִֽינְחָ֣ס
(ufinechas)
en Pinechas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְעָזָ֗ר
(elazar)
Eleazar
נָגִ֨יד
(nagid)
leider
הָיָ֧ה
(haya)
was
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Pinechas kreeg een verbond van een eeuwig priesterschap (Num. 25:11–13).

21Zecharja, zoon van Mesjelemja, was poortwachter bij de ingang van de tent van samenkomst.
זְכַרְיָה֙
(zekharya)
Zecharja
בֶּ֣ן
(ben)
zoon van
מְשֶֽׁלֶמְיָ֔ה
(meshelemya)
Mesjelemja
שֹׁעֵ֥ר
(shoer)
poortwachter van
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
לְאֹ֥הֶל
(leohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de tent van samenkomst uit de tijd van de tabernakel.

Het huis van Yahweh heet in vers 23 ‘het huis van de tent’.

22Allen die uitgekozen waren tot poortwachters bij de drempels: 212. Zij werden in hun dorpen opgenomen in de geslachtsregisters. David en Samuël, de ziener, stelden hen aan vanwege hun betrouwbaarheid.
כֻּלָּ֤ם
(kulam)
zij allen
הַבְּרוּרִים֙
(haberurim)
de uitgekozenen
לְשֹׁעֲרִ֣ים
(leshoarim)
tot poortwachters
בַּסִּפִּ֔ים
(basipim)
bij de drempels
מָאתַ֖יִם
(matayim)
tweehonderd
וּשְׁנֵ֣ים
(usheneim)
en twee
עָשָׂ֑ר
(asar)
tien
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
בְחַצְרֵיהֶם֙
(bechatsreihem)
in hun dorpen
הִתְיַחְשָׂ֔ם
(hityachsam)
hun opname in de geslachtsregisters
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
יִסַּ֥ד
(yisad)
stelde aan
דָּוִ֛יד
(david)
David
וּשְׁמוּאֵ֥ל
(ushemuel)
en Samuël
הָרֹאֶ֖ה
(haroe)
de ziener
בֶּאֱמוּנָתָֽם
(beemunatam)
om hun betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִסַּד (yissad), ‘vaststellen, aanstellen’: David en Samuël legden de indeling van de poortwachters vast.

Samuël heet hier ‘de ziener’ (zie 1 Sam. 9:9).

23Zij en hun zonen waren gesteld over de poorten van het huis van Yahweh, het huis van de tent, voor de wachtdiensten.
וְהֵ֨ם
(vehem)
en zij
וּבְנֵיהֶ֜ם
(uveneihem)
en hun zonen
עַל
(al)
over
הַשְּׁעָרִ֧ים
(hashearim)
de poorten van
לְבֵית
(leveit)
het huis van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבֵ֥ית
(leveit)
het huis van
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
לְמִשְׁמָרֽוֹת
(lemishmarot)
voor de wachtdiensten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De poortwachters waren aan de vier windstreken: oost, west, noord en zuid.
לְאַרְבַּ֣ע
(learba)
aan vier
רוּח֔וֹת
(ruchot)
windstreken
יִהְי֖וּ
(yihyu)
waren
הַשֹּׁעֲרִ֑ים
(hashoarim)
de poortwachters
מִזְרָ֥ח
(mizrach)
oost
יָ֖מָּה
(yama)
westwaarts
צָפ֥וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וָנֶֽגְבָּה
(vanegba)
en zuidwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָמָּה (yammah), ‘westwaarts’: letterlijk ‘naar de zee’, de Middellandse Zee in het westen.

25Hun broeders in hun dorpen moesten van tijd tot tijd komen, voor zeven dagen, om bij hen te zijn.
וַאֲחֵיהֶ֨ם
(vaacheihem)
en hun broeders
בְּחַצְרֵיהֶ֜ם
(bechatsreihem)
in hun dorpen
לָב֨וֹא
(lavo)
om te komen
לְשִׁבְעַ֧ת
(leshivat)
voor zeven
הַיָּמִ֛ים
(hayamim)
dagen
מֵעֵ֥ת
(meet)
van tijd
אֶל
(el)
tot
עֵ֖ת
(et)
tijd
עִם
(im)
bij
אֵֽלֶּה
(ele)
dezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Want de vier sterke mannen van de poortwachters, de Levieten, hadden een vertrouwenspositie. Zij waren gesteld over de kamers en over de schatkamers van het huis van Elohim.
כִּ֣י
(ki)
want
בֶאֱמוּנָ֞ה
(beemuna)
in betrouwbaarheid
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
אַרְבַּ֨עַת֙
(arbaat)
vier
גִּבֹּרֵ֣י
(giborei)
sterke mannen van
הַשֹּׁעֲרִ֔ים
(hashoarim)
de poortwachters
הֵ֖ם
(hem)
zij
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij waren
עַל
(al)
over
הַלְּשָׁכ֔וֹת
(haleshakhot)
de kamers
וְעַ֥ל
(veal)
en over
הָאֹצְר֖וֹת
(haotserot)
de schatkamers van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבֹּרֵי (gibbore), ‘sterke mannen’: de vier hoofdwachters onder de poortwachters.

Wij vertalen letterlijk.

27Rondom het huis van Elohim brachten zij de nacht door, want op hen rustte de wacht. Zij hadden de sleutel in handen, elke morgen opnieuw.
וּסְבִיב֥וֹת
(usevivot)
en rondom
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
יָלִ֑ינוּ
(yalinu)
brachten zij de nacht door
כִּֽי
(ki)
want
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
op hen
מִשְׁמֶ֔רֶת
(mishmeret)
rustte de wacht
וְהֵ֥ם
(vehem)
en zij
עַל
(al)
over
הַמַּפְתֵּ֖חַ
(hamafteach)
de sleutel
וְלַבֹּ֥קֶר
(velaboqer)
en voor de morgen
לַבֹּֽקֶר
(laboqer)
elke morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘de sleutel, elke morgen’.

Waarschijnlijk gaat het om het openen van het huis van Elohim.

Wij voegen dat niet toe.

Andere taken in het huis van Elohim

28Sommigen van hen waren gesteld over de voorwerpen van de dienst. Want op getal brachten zij die binnen en op getal brachten zij die naar buiten.
וּמֵהֶ֖ם
(umehem)
en sommigen van hen
עַל
(al)
over
כְּלֵ֣י
(kelei)
de voorwerpen van
הָעֲבוֹדָ֑ה
(haavoda)
de dienst
כִּֽי
(ki)
want
בְמִסְפָּ֣ר
(bemispar)
op getal
יְבִיא֔וּם
(yevium)
brengen zij die binnen
וּבְמִסְפָּ֖ר
(uvemispar)
en op getal
יוֹצִיאֽוּם
(yotsium)
brengen zij die naar buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Sommigen van hen waren aangesteld over de voorwerpen, over alle voorwerpen van het heiligdom. Verder waren zij aangesteld over het fijne meel, de wijn, de olie, de wierook en de specerijen.
וּמֵהֶ֗ם
(umehem)
en sommigen van hen
מְמֻנִּים֙
(memunim)
aangesteld
עַל
(al)
over
הַכֵּלִ֔ים
(hakelim)
de voorwerpen
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֣י
(kelei)
voorwerpen van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְעַל
(veal)
en over
הַסֹּ֨לֶת֙
(hasolet)
het fijne meel
וְהַיַּ֣יִן
(vehayayin)
en de wijn
וְהַשֶּׁ֔מֶן
(vehashemen)
en de olie
וְהַלְּבוֹנָ֖ה
(vehalevona)
en de wierook
וְהַבְּשָׂמִֽים
(vehabesamim)
en de specerijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹלֶת (solet), ‘fijn meel’: het beste meel.

30Sommigen van de zonen van de priesters bereidden het mengsel voor de specerijen.
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
רֹקְחֵ֥י
(roqechei)
bereiders van
הַמִּרְקַ֖חַת
(hamirqachat)
het mengsel
לַבְּשָׂמִֽים
(labesamim)
voor de specerijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹקְחֵי (roqeche), ‘bereiders’: dat zijn zalfbereiders, die mengsels maken.

Zie ook Exod. 30:25 en 30:35.

31Mattitja, een van de Levieten, was de eerstgeborene van Sjallum, de Korachiet. Hij had een vertrouwenspositie over het werk van de bakplaatkoeken.
וּמַתִּתְיָה֙
(umatitya)
en Mattitja
מִן
(min)
van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
ה֥וּא
(hu)
hij
הַבְּכ֖וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
לְשַׁלֻּ֣ם
(leshalum)
van Sjallum
הַקָּרְחִ֑י
(haqarechi)
de Korachiet
בֶּאֱמוּנָ֕ה
(beemuna)
in betrouwbaarheid
עַ֖ל
(al)
over
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
het werk van
הַחֲבִתִּֽים
(hachavitim)
de bakplaatkoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲבִתִּים (chavittim), ‘bakplaatkoeken’: een zeldzame vorm die bij de bakplaat hoort (Lev. 6:14).

Het gaat om koeken die op de bakplaat voor het graanoffer worden gebakken.

32Ook sommigen van de zonen van de Kehatieten, van hun broeders, waren gesteld over het brood van de rijen. Zij maakten het elke sabbat klaar.
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֧י
(benei)
de zonen van
הַקְּהָתִ֛י
(haqehati)
de Kehatieten
מִן
(min)
van
אֲחֵיהֶ֖ם
(acheihem)
hun broeders
עַל
(al)
over
לֶ֣חֶם
(lechem)
het brood van
הַֽמַּעֲרָ֑כֶת
(hamaarakhet)
de rijen
לְהָכִ֖ין
(lehakhin)
om klaar te maken
שַׁבַּ֥ת
(shabat)
sabbat
שַׁבָּֽת
(shabat)
sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamaarechet), ‘het brood van de rijen’: dit is het toonbrood, dat in rijen op de tafel ligt (Lev. 24:5–9).

De zangers

33Dit zijn de zangers, hoofden van de vaderhuizen van de Levieten. Zij verbleven in de kamers en waren vrijgesteld. Want dag en nacht waren zij met het werk belast.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit zijn
הַ֠מְשֹׁרְרִים
(hamshorerim)
de zangers
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
hoofden van
אָב֧וֹת
(avot)
vaderhuizen
לַלְוִיִּ֛ם
(lalviyim)
van de Levieten
בַּלְּשָׁכֹ֖ת
(baleshakhot)
in de kamers
פְּטוּרִ֑ים
(peturim)
vrijgesteld
כִּֽי
(ki)
want
יוֹמָ֥ם
(yomam)
bij dag
וָלַ֛יְלָה
(valayla)
en bij nacht
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
op hen
בַּמְּלָאכָֽה
(bamelakha)
in het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het ketiv heeft פטירים, de qere פְּטוּרִים (peturim), ‘vrijgesteld’.

Het Hebreeuws zegt niet waarvan: wij nemen aan van ander werk, omdat hun taak dag en nacht doorging.

34Dit zijn de hoofden van de vaderhuizen van de Levieten, naar hun afstamming, als hoofden. Dezen woonden in Jeruzalem.
אֵלֶּה֩
(ele)
dit zijn
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֧וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לַלְוִיִּ֛ם
(lalviyim)
van de Levieten
לְתֹלְדוֹתָ֖ם
(letoledotam)
naar hun afstamming
רָאשִׁ֑ים
(rashim)
als hoofden
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
יָשְׁב֥וּ
(yashevu)
woonden
בִירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Het geslacht van Saul in Gibeon

35In Gibeon woonde Jeïël, de vader van Gibeon. De naam van zijn vrouw was Maächa.
וּבְגִבְע֛וֹן
(uvegivon)
en in Gibeon
יָשְׁב֥וּ
(yashevu)
woonden
אֲבִֽי
(avi)
de vader van
גִבְע֖וֹן
(givon)
Gibeon
יְעִיאֵ֑ל
(yeiel)
Jeïël
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מַעֲכָֽה
(maakha)
Maächa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon is el-Jib, ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

‘De vader van Gibeon’ is waarschijnlijk de stichter of heer van de stad, zoals ‘Salma, vader van Betlehem’ in 1 Kron. 2:51.

Lezing

Het ketiv is יעואל (Ye‘u’el), de qere יְעִיאֵל (Ye‘i’el), Jeïël.

Wij volgen de qere.

De verzen 35–44 komen ook voor in 1 Kron. 8:29–38.

36Zijn eerstgeboren zoon was Abdon. Verder waren er Tsur, Kis, Baäl, Ner en Nadab,
וּבְנ֥וֹ
(uveno)
en zijn zoon
הַבְּכ֖וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
עַבְדּ֑וֹן
(avdon)
Abdon
וְצ֣וּר
(vetsur)
en Tsur
וְקִ֔ישׁ
(veqish)
en Kis
וּבַ֥עַל
(uvaal)
en Baäl
וְנֵ֖ר
(vener)
en Ner
וְנָדָֽב
(venadav)
en Nadab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In 1 Kron. 8:30 staat Ner niet in deze rij.

Hier staat hij wel.

In vers 39 is Ner de vader van Kis.

Wij vertalen beide zoals het staat.

Zie ook 1 Sam. 9:1 en 14:51.

37Gedor, Achjo, Zecharja en Miklot.
וּגְד֣וֹר
(ugedor)
en Gedor
וְאַחְי֔וֹ
(veachyo)
en Achjo
וּזְכַרְיָ֖ה
(uzekharya)
en Zecharja
וּמִקְלֽוֹת
(umiqlot)
en Miklot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאַחְיוֹ (ve’achyo) kan ‘en Achjo’ zijn of ‘en zijn broer’.

Wij nemen het als naam, zoals bij Achjo in 2 Sam. 6:3.

38Miklot werd de vader van Sjimam. Ook zij woonden in Jeruzalem, tegenover hun broeders, samen met hun broeders.
וּמִקְל֖וֹת
(umiqlot)
en Miklot
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְאָ֑ם
(shimam)
Sjimam
וְאַף
(veaf)
en ook
הֵ֗ם
(hem)
zij
נֶ֧גֶד
(neged)
tegenover
אֲחֵיהֶ֛ם
(acheihem)
hun broeders
יָשְׁב֥וּ
(yashevu)
woonden
בִירֽוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עִם
(im)
samen met
אֲחֵיהֶֽם
(acheihem)
hun broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

39Ner werd de vader van Kis. Kis werd de vader van Saul. Saul werd de vader van Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl.
וְנֵר֙
(vener)
en Ner
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
קִ֔ישׁ
(qish)
Kis
וְקִ֖ישׁ
(veqish)
en Kis
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וְשָׁא֗וּל
(veshaul)
en Saul
הוֹלִ֤יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יְהֽוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכִּי
(malki)
Malki
שׁ֔וּעַ
(shua)
sua
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִינָדָ֖ב
(avinadav)
Abinadab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶשְׁבָּֽעַל
(eshbaal)
Esbaäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Esbaäl (Hebr.

Eshba‘al, ‘man van Baäl’) is dezelfde man als Is-Bosjet in 2 Sam. 2:8.

Isjwi uit 1 Sam. 14:49 wordt hier niet genoemd.

In Samuël is ‘bosjet’ (‘schande’) in de plaats gekomen van ‘baäl’.

40De zoon van Jonatan was Merib-Baäl. Meri-Baäl werd de vader van Micha.
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
מְרִ֣יב
(meriv)
Merib
בָּ֑עַל
(baal)
Baäl
וּמְרִי
(umeri)
en Meri
בַ֖עַל
(baal)
Baäl
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
מִיכָֽה
(mikha)
Micha
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Merib-Baäl is dezelfde man als Mefiboset in 2 Sam. 4:4 en 9:6.

De tweede keer staat de naam als מְרִי בַעַל (Meri-Baäl).

Wij houden beide vormen aan.

41De zonen van Micha: Piton, Melech en Tachrea.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
מִיכָ֑ה
(mikha)
Micha
פִּית֥וֹן
(piton)
Piton
וָמֶ֖לֶךְ
(vamelekh)
en Melech
וְתַחְרֵֽעַ
(vetachrea)
en Tachrea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In 1 Kron. 8:35 heeft Micha vier zonen: Piton, Melech, Tarea en Achaz.

Hier staat Achaz niet in vers 41, maar hij begint vers 42.

42Achaz werd de vader van Jaera. Jaera werd de vader van Alemet, Azmavet en Zimri. Zimri werd de vader van Moza.
וְאָחָז֙
(veachaz)
en Achaz
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יַעְרָ֔ה
(yara)
Jaera
וְיַעְרָ֗ה
(veyara)
en Jaera
הוֹלִ֛יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עָלֶ֥מֶת
(alemet)
Alemet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַזְמָ֖וֶת
(azmavet)
Azmavet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זִמְרִ֑י
(zimri)
Zimri
וְזִמְרִ֖י
(vezimri)
en Zimri
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹצָֽא
(motsa)
Moza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Jaera heet in 1 Kron. 8:36 Jehoadda.

Wij vertalen zoals het staat.

43Moza werd de vader van Binea. Diens zoon was Refaja, diens zoon was Elasa, en diens zoon was Asel.
וּמוֹצָ֖א
(umotsa)
en Moza
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בִּנְעָ֑א
(bina)
Binea
וּרְפָיָ֥ה
(urefaya)
en Refaja
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶלְעָשָׂ֥ה
(elasa)
Elasa
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אָצֵ֥ל
(atsel)
Asel
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Refaja heet in 1 Kron. 8:37 Rafa.

Wij vertalen zoals het staat.

44Asel had zes zonen. Dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, Ismaël, Sjearja, Obadja en Chanan. Dit zijn de zonen van Asel.
וּלְאָצֵל֮
(uleatsel)
en voor Asel
שִׁשָּׁ֣ה
(shisha)
zes
בָנִים֒
(banim)
zonen
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹתָ֗ם
(shemotam)
hun namen
עַזְרִיקָ֥ם
(azriqam)
Azrikam
בֹּ֨כְרוּ֙
(bokheru)
Bochru
וְיִשְׁמָעֵ֣אל
(veyishmael)
en Ismaël
וּשְׁעַרְיָ֔ה
(ushearya)
en Sjearja
וְעֹבַדְיָ֖ה
(veovadya)
en Obadja
וְחָנָ֑ן
(vechanan)
en Chanan
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אָצַֽל
(atsal)
Asel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De lijst van de zes zonen van Asel is gelijk aan 1 Kron. 8:38.

Alleen de afsluiting verschilt.