Open in de app Alle boeken 1 Kronieken ← 2 4 → 1 Kronieken 3 De zonen van David en de koningen van Juda
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De zonen van David in Hebron 1 Dit waren de zonen van David die in Hebron aan hem werden geboren. De eerstgeborene was Amnon, van Achinoam uit Jizreël. De tweede was Daniël, van Abigaïl uit Karmel.
נֽוֹלַד
(nolad)
werd geboren
בְּחֶבְר֑וֹן
(bechevron)
in Hebron
הַבְּכ֣וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
לַאֲחִינֹ֨עַם֙
(laachinoam)
van Achinoam
הַיִּזְרְעֵאלִ֔ית
(hayizreelit)
de Jizreëlitische
דָּנִיֵּ֔אל
(daniyel)
Daniël
לַאֲבִיגַ֖יִל
(laavigayil)
van Abigaïl
הַֽכַּרְמְלִֽית
(hakarmelit)
de Karmelitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron (חֶבְרוֹן ) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Hebron (Al-Chalil) op de Westelijke Jordaanoever.
Zie Jizreël (in Juda, ligging onzeker): Dit Jizreël was een stad in het bergland van Juda, bij Zif en Juta; Khirbet Terrama is voorgesteld.
Het is niet de vallei van Jizreël in het noorden.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Karmel (in Juda): Dit Karmel wordt gezocht bij Khirbet el-Kirmil, ten zuiden van Hebron.
Dit Jizreël ligt in het bergland van Juda (Joz. 15:56), niet in het noorden. Karmel (Joz. 15:55) ligt ten zuiden van Hebron, bij Khirbet el-Kirmil, op de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
De lijst van Davids zonen in Hebron staat ook in 2 Sam. 3:2–5.
Lezing
Hier heet de tweede zoon Daniël.
In 2 Sam. 3:3 heet hij Kileab.
Wij vertalen wat er staat.
2 De derde was Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Talmai, de koning van Gesur. De vierde was Adonia, de zoon van Chagit.
הַשְּׁלִשִׁי֙
(hashelishi)
de derde
לְאַבְשָׁל֣וֹם
(leavshalom)
Absalom
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָרְבִיעִ֖י
(harevii)
de vierde
אֲדֹנִיָּ֥ה
(adoniya)
Adonia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gesur was een klein koninkrijk ten oosten van de Jordaan, bij de Golan.
Het ligt in het huidige Syrië of Israël.
De grenzen zijn niet precies bekend.
3 De vijfde was Sefatja, van Abital. De zesde was Jitream, van Egla, zijn vrouw.
הַחֲמִישִׁ֥י
(hachamishi)
de vijfde
שְׁפַטְיָ֖ה
(shefatya)
Sefatja
לַאֲבִיטָ֑ל
(laavital)
van Abital
הַשִּׁשִּׁ֥י
(hashishi)
de zesde
יִתְרְעָ֖ם
(yitream)
Jitream
לְעֶגְלָ֥ה
(leegla)
van Egla
אִשְׁתּֽוֹ
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jitream wordt hier ‘de zesde’ genoemd, van Egla.
Vergelijk 2 Sam. 3:5.
4 6 zonen werden aan hem geboren in Hebron. Daar regeerde hij 7 jaar en 6 maanden. In Jeruzalem regeerde hij 33 jaar.
נֽוֹלַד
(nolad)
werd geboren
בְחֶבְר֔וֹן
(bechevron)
in Hebron
וַיִּ֨מְלָךְ
(vayimlakh)
en hij regeerde
וְשִׁשָּׁ֣ה
(veshisha)
en zes
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
וּשְׁלֹשִׁ֤ים
(usheloshim)
en dertig
וְשָׁלוֹשׁ֙
(veshalosh)
en drie
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De getallen zijn die van de Masoretische tekst.
Zie ook 2 Sam. 5:5 en 1 Kon. 2:11.
De zonen van David in Jeruzalem 5 Dit zijn de zonen die in Jeruzalem aan hem werden geboren: Simea, Sjobab, Natan en Salomo. Die 4 waren van Bat-Sua, de dochter van Ammiël.
נוּלְּדוּ
(nuledu)
werden geboren
בִּירוּשָׁלָ֑יִם
(birushalayim)
in Jeruzalem
וְשׁוֹבָ֞ב
(veshovav)
en Sjobab
וְנָתָ֤ן
(venatan)
en Natan
וּשְׁלֹמֹה֙
(ushelomo)
en Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jeruzalem (יְרוּשָׁלִַם ) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Jeruzalem.
Uitleg
Bat-Sua (בַּת־שׁוּעַ , bat-sjua) is hier de moeder van de eerste 4 zonen.
In 2 Sam. 11:3 en 12:24 heet de moeder van Salomo Bat-Sjeba, de dochter van Eliam.
Eliam (אֱלִיעָם ) en Ammiël (עַמִּיאֵל ) bestaan uit dezelfde woorddelen in andere volgorde.
Wij vertalen wat er staat.
De lijst staat ook in 2 Sam. 5:14–16 en 1 Kron. 14:4–7.
Simea (שִׁמְעָא ) heet in 2 Sam. 5:14 en 1 Kron. 14:4 Sjammua (שַׁמּוּעַ ).
6 Verder Jibchar, Elisjama en Elifelet,
וְיִבְחָ֥ר
(veyivchar)
en Jibchar
וֶאֱלִישָׁמָ֖ע
(veelishama)
en Elisjama
וֶאֱלִיפָֽלֶט
(veelifalet)
en Elifelet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De namen in de verzen 6–8 komen ook voor in 2 Sam. 5:15–16 en 1 Kron. 14:5–7.
Elisjama en Elifelet staan hier twee keer (vers 6 en vers 8).
In 1 Kron. 14:5 staan op de plaats van de eerste twee namen van vers 6 de namen Elisjua en Elpelet.
In 1 Kron. 14:7 heet Eljada Beëljada.
Wij vertalen wat er staat.
7 Nogah, Nefeg en Jafia,
וְנֹ֥גַהּ
(venogah)
en Nogah
וְנֶ֖פֶג
(venefeg)
en Nefeg
וְיָפִֽיעַ
(veyafia)
en Jafia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Elisjama, Eljada en Elifelet. Dat waren er 9.
וֶאֱלִישָׁמָ֧ע
(veelishama)
en Elisjama
וְאֶלְיָדָ֛ע
(veelyada)
en Eljada
וֶאֱלִיפֶ֖לֶט
(veelifelet)
en Elifelet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Dat waren alle zonen van David, afgezien van de zonen van de bijvrouwen. Tamar was hun zus.
מִלְּבַ֥ד
(milevad)
afgezien van
פִֽילַגְשִׁ֖ים
(pilagshim)
bijvrouwen
וְתָמָ֥ר
(vetamar)
en Tamar
אֲחוֹתָֽם
(achotam)
hun zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּילַגְשִׁים (pilagshim), ‘bijvrouwen’: vrouwen van lagere rang die wel bij het huisgezin hoorden.
Zie 2 Sam. 5:13.
Over Tamar: zie 2 Sam. 13:1.
De koningen van Juda tot Josia 10 De zoon van Salomo was Rechabeam. Abia was zijn zoon. Asa was zijn zoon. Josafat was zijn zoon.
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְחַבְעָ֑ם
(rechavam)
Rechabeam
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier volgen de koningen van Juda, van vader op zoon.
Het Hebreeuws zegt steeds ‘zijn zoon’ (בְּנוֹ , beno).
Wij vertalen dat steeds als ‘was zijn zoon’.
11 Joram was zijn zoon. Achazia was zijn zoon. Joas was zijn zoon.
אֲחַזְיָ֥הוּ
(achazyahu)
Achazia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Tussen Achazia en Joas regeerde Atalja (2 Kon. 11:1–3).
Zij komt in deze lijst niet voor.
12 Amazia was zijn zoon. Azaria was zijn zoon. Jotam was zijn zoon.
אֲמַצְיָ֧הוּ
(amatsyahu)
Amazia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Azaria (עֲזַרְיָה ) heet in 2 Kon. 15:13 ook Uzzia.
13 Achaz was zijn zoon. Hizkia was zijn zoon. Manasse was zijn zoon.
חִזְקִיָּ֥הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Amon was zijn zoon. Josia was zijn zoon.
יֹאשִׁיָּ֥הוּ
(yoshiyahu)
Josia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De zonen van Josia en van Jojakim 15 De zonen van Josia: de eerstgeborene was Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia en de vierde Sjallum.
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en zonen van
יֹאשִׁיָּ֔הוּ
(yoshiyahu)
Josia
הַבְּכוֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
יוֹחָנָ֔ן
(yochanan)
Johanan
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
יְהוֹיָקִ֑ים
(yehoyaqim)
Jojakim
הַשְּׁלִשִׁי֙
(hashelishi)
de derde
צִדְקִיָּ֔הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
הָרְבִיעִ֖י
(harevii)
de vierde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Sjallum (שַׁלּוּם ) is de koning die in 2 Kon. 23:30 Joachaz heet.
Jer. 22:11 noemt hem Sjallum.
16 De zonen van Jojakim: Jechonia was zijn zoon. Zedekia was zijn zoon.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
יְהוֹיָקִ֑ים
(yehoyaqim)
Jojakim
יְכָנְיָ֥ה
(yekhaneya)
Jechonia
צִדְקִיָּ֥ה
(tsidqiya)
Zedekia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘zijn zoon’.
Dat kan op Jojakim slaan of op Jechonia.
In 2 Kon. 24:17 is Zedekia een oom van Jechonia, een broer van Jojakim.
Wij vertalen wat er staat.
De nakomelingen van Jechonia 17 De zonen van Jechonia: Assir. Sjealtiël was zijn zoon.
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en zonen van
יְכָנְיָ֣ה
(yekhaneya)
Jechonia
שְׁאַלְתִּיאֵ֖ל
(shealtiel)
Sjealtiël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַסִּר (assir) betekent ook ‘gevangene’.
Wij nemen het hier als een eigennaam.
18 Ook Malkiram, Pedaja, Sjenazzar, Jekamja, Hosjama en Nedabja.
וּמַלְכִּירָ֥ם
(umalkiram)
en Malkiram
וּפְדָיָ֖ה
(ufedaya)
en Pedaja
וְשֶׁנְאַצַּ֑ר
(veshenatsar)
en Sjenazzar
יְקַמְיָ֥ה
(yeqamya)
Jekamja
הוֹשָׁמָ֖ע
(hoshama)
Hosjama
וּנְדַבְיָֽה
(unedavya)
en Nedabja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 De zonen van Pedaja: Zerubbabel en Simeï. De zonen van Zerubbabel waren Mesjullam en Chananja. Sjelomit was hun zus.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
זְרֻבָּבֶ֖ל
(zerubavel)
Zerubbabel
וְשִׁמְעִ֑י
(veshimi)
en Simeï
זְרֻבָּבֶל֙
(zerubavel)
Zerubbabel
מְשֻׁלָּ֣ם
(meshulam)
Mesjullam
וַחֲנַנְיָ֔ה
(vachananya)
en Chananja
וּשְׁלֹמִ֖ית
(ushelomit)
en Sjelomit
אֲחוֹתָֽם
(achotam)
hun zus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zerubbabel is hier een zoon van Pedaja.
In Ezra 3:2 en Hag. 1:1 heet hij een zoon van Sjealtiël.
Zie ook Matt. 1:12.
Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Zerubbabel’ in het enkelvoud, met drie namen erna. Wij vertalen ‘zonen’.
20 Ook Chasuba, Ohel, Berechja, Chasadja en Jusab-Chesed. Dat waren er 5.
וַחֲשֻׁבָ֡ה
(vachashuva)
en Chasuba
וּבֶרֶכְיָ֧ה
(uverekhya)
en Berechja
וַֽחֲסַדְיָ֛ה
(vachasadya)
en Chasadja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 De zonen van Chananja waren Pelatja en Jesaja. Verder: de zonen van Refaja, de zonen van Arnan, de zonen van Obadja, de zonen van Sjekanja.
חֲנַנְיָ֖ה
(chananya)
Chananja
פְּלַטְיָ֣ה
(pelatya)
Pelatja
וִישַֽׁעְיָ֑ה
(vishaya)
en Jesaja
שְׁכַנְיָֽה
(shekhanya)
Sjekanja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Chananja’ in het enkelvoud, met twee namen erna.
Wij vertalen ‘zonen’.
Lezing
De opbouw van dit vers is onduidelijk.
Er staan vier groepen ‘zonen van’ zonder namen erbij.
Het kan een rij van generaties zijn, maar de tekst zegt dat niet.
Wij vertalen letterlijk.
22 De zonen van Sjekanja: Sjemaja. De zonen van Sjemaja: Chattusj, Jigal, Bariach, Nearja en Sjafat. Dat waren er 6.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en zonen van
שְׁכַנְיָ֖ה
(shekhanya)
Sjekanja
שְׁמַעְיָ֑ה
(shemaya)
Sjemaja
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
שְׁמַעְיָ֗ה
(shemaya)
Sjemaja
חַטּ֡וּשׁ
(chatush)
Chattusj
וְ֠יִגְאָל
(veyigal)
en Jigal
וּבָרִ֧יחַ
(uvariach)
en Bariach
וּנְעַרְיָ֛ה
(unearya)
en Nearja
וְשָׁפָ֖ט
(veshafat)
en Sjafat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het getal 6 past niet bij de 5 namen die na Sjemaja staan.
Het past wel als Sjemaja zelf wordt meegeteld, maar de tekst zegt dat niet.
Wij vertalen wat er staat.
23 De zonen van Nearja: Eljoënai, Hizkia en Azrikam. Dat waren er 3.
אֶלְיוֹעֵינַ֧י
(elyoeinay)
Eljoënai
וְחִזְקִיָּ֛ה
(vechizqiya)
en Hizkia
וְעַזְרִיקָ֖ם
(veazriqam)
en Azrikam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier ‘de zoon van Nearja’ in het enkelvoud, met drie namen erna.
Wij vertalen ‘zonen’.
24 De zonen van Eljoënai: Hodavja, Eljasib, Pelaja, Akkub, Johanan, Delaja en Anani. Dat waren er 7.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
אֶלְיוֹעֵינַ֗י
(elyoeinay)
Eljoënai
הוֹדַוְיָ֡הוּ
(hodavyahu)
Hodavja
וְאֶלְיָשִׁ֡יב
(veelyashiv)
en Eljasib
וּפְלָיָ֡ה
(ufelaya)
en Pelaja
וְ֠עַקּוּב
(veaquv)
en Akkub
וְיוֹחָנָ֧ן
(veyochanan)
en Johanan
וּדְלָיָ֛ה
(udelaya)
en Delaja
וַעֲנָ֖נִי
(vaanani)
en Anani
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van de naam Hodavja.
Wij volgen de gelezen tekst (qere).