Elohim Bijbel

1 Kronieken 27

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De twaalf afdelingen, de leiders van de stammen en de beambten van David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De twaalf maandelijkse afdelingen

1Dit waren de Israëlieten, naar hun aantal: de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en hun opzichters. Zij dienden de koning in alles wat de afdelingen betrof. De afdelingen losten elkaar af, maand na maand, alle maanden van het jaar. Elke afdeling telde 24.000.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
לְֽמִסְפָּרָ֡ם
(lemisparam)
naar hun aantal
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֣וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en leiders van
הָֽאֲלָפִ֣ים
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֡וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וְשֹׁטְרֵיהֶם֩
(veshotereihem)
en hun opzichters
הַמְשָׁרְתִ֨ים
(hamsharetim)
die dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְכֹ֣ל
(lekhol)
voor al
דְּבַ֣ר
(devar)
zaak van
הַֽמַּחְלְק֗וֹת
(hamachleqot)
de afdelingen
הַבָּאָ֤ה
(habaa)
die kwam
וְהַיֹּצֵאת֙
(vehayotset)
en ging
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּחֹ֔דֶשׁ
(bechodesh)
per maand
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
חָדְשֵׁ֣י
(chadeshei)
maanden van
הַשָּׁנָ֑ה
(hashana)
het jaar
הַֽמַּחֲלֹ֨קֶת֙
(hamachaloqet)
de afdeling
הָֽאַחַ֔ת
(haachat)
de ene
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Num. 11:16.

De twaalf afdelingen (vers 2–15) tellen elk 24.000 man. Samen zijn dat 288.000 man.

2Over de eerste afdeling, voor de eerste maand, stond Jasjobam, de zoon van Zabdiël. Zijn afdeling telde 24.000.
עַ֞ל
(al)
over
הַמַּחֲלֹ֤קֶת
(hamachaloqet)
de afdeling
הָרִֽאשׁוֹנָה֙
(harishona)
de eerste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
יָֽשָׁבְעָ֖ם
(yashaveam)
Jasjobam
בֶּן
(ben)
zoon van
זַבְדִּיאֵ֑ל
(zavdiel)
Zabdiël
וְעַל֙
(veal)
en over
מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jasjobam (יָשָׁבְעָם): vergelijk 2 Sam. 23:8, waar de eerste van de helden Josheb-Basjebet heet.

3Hij was uit de zonen van Peres, het hoofd van alle legeroversten van de eerste maand.
מִן
(min)
uit
בְּנֵי
(benei)
zonen van
פֶ֗רֶץ
(perets)
Peres
הָרֹ֛אשׁ
(harosh)
het hoofd
לְכָל
(lekhal)
van alle
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
הַצְּבָא֖וֹת
(hatsevaot)
de legers
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Peres is een zoon van Juda (Num. 26:20).

4Over de afdeling van de tweede maand stond Dodai, de Achochiet. In zijn afdeling was Miklot de leider. Zijn afdeling telde 24.000.
וְעַ֞ל
(veal)
en over
מַחֲלֹ֣קֶת
(machaloqet)
afdeling van
הַחֹ֣דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשֵּׁנִ֗י
(hasheni)
de tweede
דּוֹדַ֤י
(doday)
Dodai
הָאֲחוֹחִי֙
(haachochi)
de Achochiet
וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ
(umachaluqto)
en zijn afdeling
וּמִקְל֖וֹת
(umiqlot)
en Miklot
הַנָּגִ֑יד
(hanagid)
de leider
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dodai (דּוֹדַי) is waarschijnlijk dezelfde naam als Dodo in 2 Sam. 23:9.

5De derde legeroverste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van Jojada, de priester, het hoofd. Zijn afdeling telde 24.000.
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
הַצָּבָ֤א
(hatsava)
het leger
הַשְּׁלִישִׁי֙
(hashelishi)
de derde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
בְּנָיָ֧הוּ
(benayahu)
Benaja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
רֹ֑אשׁ
(rosh)
hoofd
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֵן רֹאשׁ (hakkohen rosh), ‘de priester, het hoofd’: dit kan ook betekenen ‘de hoofdpriester’, dan gaat het om Jojada.

Wij houden de volgorde van de tekst.

Jojada is de vader van Benaja (2 Sam. 8:18).

6Dit is die Benaja: een held van de dertig en over de dertig. Over zijn afdeling stond zijn zoon Ammizabad.
ה֧וּא
(hu)
hij
בְנָיָ֛הוּ
(benayahu)
Benaja
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
held van
הַשְּׁלֹשִׁ֖ים
(hasheloshim)
de dertig
וְעַל
(veal)
en over
הַשְּׁלֹשִׁ֑ים
(hasheloshim)
de dertig
וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ
(umachaluqto)
en zijn afdeling
עַמִּיזָבָ֖ד
(amizavad)
Ammizabad
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De dertig’ zijn de dertig helden van David (2 Sam. 23:24–39).

7De vierde, voor de vierde maand, was Asaël, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde 24.000.
הָֽרְבִיעִ֞י
(harevii)
de vierde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרְבִיעִ֗י
(harevii)
de vierde
עֲשָׂה
(asa)
Asa
אֵל֙
(el)
ël
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וּזְבַדְיָ֥ה
(uzevadya)
en Zebadja
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
na hem
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Asaël, de broer van Joab, werd al vroeg door Abner gedood (2 Sam. 2:18–23).

Zijn zoon Zebadja komt ‘na hem’.

Hoe dat precies zit, zegt de tekst niet.

8De vijfde, voor de vijfde maand, was de overste Sjamhut, de Jizrachiet. Zijn afdeling telde 24.000.
הַחַמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַחֲמִישִׁ֔י
(hachamishi)
de vijfde
הַשַּׂ֖ר
(hasar)
de overste
שַׁמְה֣וּת
(shamhut)
Sjamhut
הַיִּזְרָ֑ח
(hayizrach)
de Jizrachiet
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִזְרָח (jizrach), ‘Jizrachiet’: een familie- of plaatsnaam.

De betekenis is onzeker.

9De zesde, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשִּׁשִּׁי֙
(hashishi)
de zesde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשִּׁשִּׁ֔י
(hashishi)
de zesde
עִירָ֥א
(ira)
Ira
בֶן
(ben)
zoon van
עִקֵּ֖שׁ
(iqesh)
Ikkes
הַתְּקוֹעִ֑י
(hateqoi)
uit Tekoa
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.

Uitleg

Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, staat ook in 2 Sam. 23:26.

10De zevende, voor de zevende maand, was Chelets, de Peloniet, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁבִיעִי֙
(hashevii)
de zevende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
חֶ֥לֶץ
(chelets)
Chelets
הַפְּלוֹנִ֖י
(hapeloni)
de Peloniet
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In 2 Sam. 23:26 heet hij Chelets de Paltiet.

Hier staat Chelets de Peloniet.

Wij volgen de Masoretische tekst.

11De achtste, voor de achtste maand, was Sibbechai, de Chusatiet, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁמִינִי֙
(hashemini)
de achtste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁמִינִ֔י
(hashemini)
de achtste
סִבְּכַ֥י
(sibekhay)
Sibbechai
הַחֻשָׁתִ֖י
(hachushati)
de Chusatiet
לַזַּרְחִ֑י
(lazarchi)
uit de Zerachiet
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sibbechai de Chusatiet komt voor in 2 Sam. 21:18.

In 2 Sam. 23:27 staat op zijn plaats Mebunnai de Chusatiet.

De Zerachieten zijn nakomelingen van Serach, een zoon van Juda (Num. 26:20).

12De negende, voor de negende maand, was Abiëzer, uit Anatot, een Benjaminiet. Zijn afdeling telde 24.000.
הַתְּשִׁיעִי֙
(hateshii)
de negende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַתְּשִׁיעִ֔י
(hateshii)
de negende
אֲבִיעֶ֥זֶר
(aviezer)
Abiëzer
הָעַנְּתֹתִ֖י
(haanetoti)
uit Anatot
לַבֵּ֣ן
(laben)
voor
יְמִינִ֑י
(yemini)
een Benjaminiet
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Lezing

Geschreven staat לבנימיני (labinyamini), ‘voor de Benjaminiet’.

Gelezen worden twee woorden: לְבֵן יְמִינִי (leven yemini).

De betekenis is gelijk.

13De tiende, voor de tiende maand, was Maharai, uit Netofa, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000.
הָעֲשִׂירִי֙
(haasiri)
de tiende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָעֲשִׂירִ֔י
(haasiri)
de tiende
מַהְרַ֥י
(mahray)
Maharai
הַנְּטֽוֹפָתִ֖י
(hanetofati)
uit Netofa
לַזַּרְחִ֑י
(lazarchi)
uit de Zerachiet
וְעַל֙
(veal)
en over
מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

14De elfde, voor de elfde maand, was Benaja, uit Piraton, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000.
עַשְׁתֵּֽי
(ashtei)
de elfde
עָשָׂר֙
(asar)
(tien)
לְעַשְׁתֵּ֣י
(leashtei)
voor de elfde
עָשָׂ֣ר
(asar)
(tien)
הַחֹ֔דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
בְּנָיָ֥ה
(benaya)
Benaja
הַפִּרְעָתוֹנִ֖י
(hapiratoni)
uit Piraton
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Piraton (פִּרְעָתוֹן) lag in het land Efraïm, in het bergland (Richt. 12:15).

De precieze ligging is onzeker.

15De twaalfde, voor de twaalfde maand, was Cheldai, uit Netofa, uit het geslacht van Otniël. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁנֵ֤ים
(hasheneim)
de twaalfde
עָשָׂר֙
(asar)
(tien)
לִשְׁנֵ֣ים
(lishneim)
voor de twaalfde
עָשָׂ֣ר
(asar)
(tien)
הַחֹ֔דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
חֶלְדַּ֥י
(chelday)
Cheldai
הַנְּטוֹפָתִ֖י
(hanetofati)
uit Netofa
לְעָתְנִיאֵ֑ל
(leateniel)
van Otniël
וְעַל֙
(veal)
en over
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Cheldai (חֶלְדַּי): in 2 Sam. 23:29 heet de man uit Netofa Cheleb, de zoon van Baäna.

Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.

לְעָתְנִיאֵל (le’otniel), ‘van Otniël’: Hebreeuws heeft hier alleen ‘van Otniël’. Wij nemen het als het geslacht van Otniël (Richt. 1:13).

De leiders van de stammen

16Over de stammen van Israël: bij de Rubenieten was Eliëzer, de zoon van Zichri, de leider. Bij de Simeonieten was het Sefatja, de zoon van Maächa.
וְעַל֙
(veal)
en over
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לָרֽאוּבֵנִ֣י
(laruveni)
voor de Rubeniet
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
אֱלִיעֶ֖זֶר
(eliezer)
Eliëzer
בֶּן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֑י
(zikhri)
Zichri
לַשִּׁ֨מְעוֹנִ֔י
(lashimoni)
voor de Simeoniet
שְׁפַטְיָ֖הוּ
(shefatyahu)
Sefatja
בֶּֽן
(ben)
zoon van
מַעֲכָֽה
(maakha)
Maächa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: hier de leider van de stam.

In vers 22 staat het woord שָׂרִים (sarim), ‘leiders’.

17Bij Levi was het Chasabja, de zoon van Kemuël. Bij Aäron was het Zadok.
לְלֵוִ֛י
(lelevi)
voor Levi
חֲשַׁבְיָ֥ה
(chashavya)
Chasabja
בֶן
(ben)
zoon van
קְמוּאֵ֖ל
(qemuel)
Kemuël
לְאַהֲרֹ֥ן
(leaharon)
voor Aäron
צָדֽוֹק
(tsadoq)
Zadok
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Bij Aäron’: bij de priesters, de nakomelingen van Aäron.

18Bij Juda was het Elihu, een van de broers van David. Bij Issachar was het Omri, de zoon van Michaël.
לִֽיהוּדָ֕ה
(lihuda)
voor Juda
אֱלִיה֖וּ
(elihu)
Elihu
מֵאֲחֵ֣י
(meachei)
uit de broers van
דָוִ֑יד
(david)
David
לְיִ֨שָׂשכָ֔ר
(leyisashkhar)
voor Issachar
עָמְרִ֖י
(ameri)
Omri
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָאֵֽל
(mikhael)
Michaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elihu (אֱלִיהוּ), een broer van David, komt niet voor in 1 Sam. 16:6–9.

Daar heet de eerste zoon van Isaï die Samuël ziet Eliab.

Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.

19Bij Zebulon was het Jismaja, de zoon van Obadja. Bij Naftali was het Jerimot, de zoon van Azriël.
לִזְבוּלֻ֕ן
(lizvulun)
voor Zebulon
יִֽשְׁמַֽעְיָ֖הוּ
(yishmayahu)
Jismaja
בֶּן
(ben)
zoon van
עֹבַדְיָ֑הוּ
(ovadyahu)
Obadja
לְנַ֨פְתָּלִ֔י
(lenaftali)
voor Naftali
יְרִימ֖וֹת
(yerimot)
Jerimot
בֶּן
(ben)
zoon van
עַזְרִיאֵֽל
(azriel)
Azriël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Bij de zonen van Efraïm was het Hosea, de zoon van Azazia. Bij de halve stam van Manasse was het Joël, de zoon van Pedaja.
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
הוֹשֵׁ֖עַ
(hoshea)
Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲזַזְיָ֑הוּ
(azazyahu)
Azazia
לַחֲצִי֙
(lachatsi)
voor de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
יוֹאֵ֖ל
(yoel)
Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּדָיָֽהוּ
(pedayahu)
Pedaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Bij de andere helft van Manasse, in Gilead, was het Iddo, de zoon van Zacharia. Bij Benjamin was het Jaäsiël, de zoon van Abner.
לַחֲצִ֤י
(lachatsi)
voor de helft van
הַֽמְנַשֶּׁה֙
(hamnashe)
de Manasse
גִּלְעָ֔דָה
(gilada)
naar Gilead
יִדּ֖וֹ
(yido)
Iddo
בֶּן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֑הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
לְבִנְיָמִ֔ן
(levinyamin)
voor Benjamin
יַעֲשִׂיאֵ֖ל
(yaasiel)
Jaäsiël
בֶּן
(ben)
zoon van
אַבְנֵֽר
(avner)
Abner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

22Bij Dan was het Azarel, de zoon van Jerocham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël.
לְדָ֕ן
(ledan)
voor Dan
עֲזַרְאֵ֖ל
(azarel)
Azarel
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֑ם
(yerocham)
Jerocham
אֵ֕לֶּה
(ele)
deze
שָׂרֵ֖י
(sarei)
leiders van
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In deze lijst ontbreken Gad en Aser.

De telling van Joab

23David nam hun aantal niet op van twintig jaar en jonger. Want Yahweh had gezegd dat Hij Israël zou vermenigvuldigen als de sterren van de hemel.
וְלֹא
(velo)
en niet
נָשָׂ֤א
(nasa)
nam op
דָוִיד֙
(david)
David
מִסְפָּרָ֔ם
(misparam)
hun aantal
לְמִבֶּ֛ן
(lemiben)
van de zoon van
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וּלְמָ֑טָּה
(ulemata)
en lager
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַרְבּ֥וֹת
(leharbot)
om te vermenigvuldigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כְּכוֹכְבֵ֥י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de leeftijdsgrens van de telling in Num. 1:3.

נָשָׂא (nasa), ‘opnemen’: letterlijk ‘optillen’. Zoals in Num. 1:2 ‘de som opnemen’.

Yahweh had Abraham beloofd dat zijn nageslacht zo talrijk zou worden als de sterren (Gen. 15:5; Gen. 22:17).

24Joab, de zoon van Zeruja, was begonnen te tellen, maar hij maakte het niet af. Daardoor kwam er toorn over Israël. Het getal kwam ook niet in de optelling van de kronieken van koning David.
יוֹאָ֨ב
(yoav)
Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֜ה
(tseruya)
Zeruja
הֵחֵ֤ל
(hechel)
begon
לִמְנוֹת֙
(limnot)
te tellen
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
כִלָּ֔ה
(kila)
maakte af
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
בָזֹ֛את
(bazot)
hierdoor
קֶ֖צֶף
(qetsef)
toorn
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
עָלָה֙
(ala)
kwam op
הַמִּסְפָּ֔ר
(hamispar)
het getal
בְּמִסְפַּ֥ר
(bemispar)
in het aantal van
דִּבְרֵֽי
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Over de telling zie 1 Kron. 21 en 2 Sam. 24.

דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘kronieken’: letterlijk ‘woorden van de dagen’. Dat is het koninklijke archief van David, niet een bijbelboek.

De beheerders van Davids bezit

25Over de schatkamers van de koning stond Azmavet, de zoon van Adiël. Over de opslagplaatsen in het veld, in de steden, in de dorpen en in de torens stond Jonatan, de zoon van Uzzia.
וְעַל֙
(veal)
en over
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
schatkamers van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַזְמָ֖וֶת
(azmavet)
Azmavet
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲדִיאֵ֑ל
(adiel)
Adiël
וְעַ֣ל
(veal)
en over
הָֽאֹצָר֡וֹת
(haotsarot)
de opslagplaatsen
בַּשָּׂדֶ֞ה
(basade)
in het veld
בֶּעָרִ֤ים
(bearim)
in de steden
וּבַכְּפָרִים֙
(uvakefarim)
en in de dorpen
וּבַמִּגְדָּל֔וֹת
(uvamigdalot)
en in de torens
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִּיָּֽהוּ
(uziyahu)
Uzzia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: de eerste keer (de koning) vertalen wij ‘schatkamers’.

In het veld, de steden, de dorpen en de torens zijn het opslagplaatsen.

Zo ook in vers 27 en 28.

Azmavet (עַזְמָוֶת) staat ook in 2 Sam. 23:31.

26Over hen die het werk op het veld deden, het bewerken van de grond, stond Ezri, de zoon van Kelub.
וְעַ֗ל
(veal)
en over
עֹשֵׂי֙
(osei)
doeners van
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
werk van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
לַעֲבֹדַ֖ת
(laavodat)
voor het bewerken van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
עֶזְרִ֖י
(ezri)
Ezri
בֶּן
(ben)
zoon van
כְּלֽוּב
(keluv)
Kelub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Over de wijngaarden stond Simeï, uit Rama. Over wat in de wijngaarden groeide, voor de opslagplaatsen van de wijn, stond Zabdi, uit Sefam.
וְעַל
(veal)
en over
הַ֨כְּרָמִ֔ים
(hakeramim)
de wijngaarden
שִׁמְעִ֖י
(shimi)
Simeï
הָרָֽמָתִ֑י
(haramati)
uit Rama
וְעַ֤ל
(veal)
en over
שֶׁבַּכְּרָמִים֙
(shebakeramim)
wat in de wijngaarden
לְאֹצְר֣וֹת
(leotserot)
voor de opslagplaatsen van
הַיַּ֔יִן
(hayayin)
de wijn
זַבְדִּ֖י
(zavdi)
Zabdi
הַשִּׁפְמִֽי
(hashifmi)
uit Sefam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama (הָרָמָה): meerdere plaatsen heten zo.

Welke hier bedoeld is, is onzeker.

Sefam (שְׁפָם): de ligging is onzeker (Num. 34:10–11).

Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier ‘wat in de wijngaarden is’: de opbrengst.

28Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen in de Sefela stond Baäl-Chanan, uit Geder. Over de opslagplaatsen van de olie stond Joas.
וְעַל
(veal)
en over
הַזֵּיתִ֤ים
(hazeitim)
de olijfbomen
וְהַשִּׁקְמִים֙
(vehashiqmim)
en de wilde vijgenbomen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשְּׁפֵלָ֔ה
(bashefela)
in de Sefela
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
חָנָ֖ן
(chanan)
Chanan
הַגְּדֵרִ֑י
(hagederi)
uit Geder
וְעַל
(veal)
en over
אֹצְר֥וֹת
(otserot)
opslagplaatsen van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
יוֹעָֽשׁ
(yoash)
Joas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Sefela is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte, in het huidige Israël.

Geder (גֶּדֶר) is een stad in Kanaän (Joz. 12:13). De ligging is onzeker.

Uitleg

שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met vijgachtige vruchten.

29Over het rundvee dat in Saron graasde, stond Sjirtai, uit Saron. Over het rundvee in de dalen stond Sjafat, de zoon van Adlai.
וְעַל
(veal)
en over
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rundvee
הָרֹעִ֣ים
(haroim)
dat graasde
בַּשָּׁר֔וֹן
(basharon)
in Saron
שִׁרְטַ֖י
(shirtay)
Sjirtai
הַשָּׁרוֹנִ֑י
(hasharoni)
uit Saron
וְעַל
(veal)
en over
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rundvee
בָּֽעֲמָקִ֔ים
(baamaqim)
in de dalen
שָׁפָ֖ט
(shafat)
Sjafat
בֶּן
(ben)
zoon van
עַדְלָֽי
(adlay)
Adlai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Saron (שָׁרוֹן) is de kustvlakte ten noorden van Jaffa, in het huidige Israël.

Lezing

Geschreven staat שטרי (Sjitrai).

Gelezen wordt שִׁרְטַי (Sjirtai).

Wij volgen de gelezen vorm.

30Over de kamelen stond Obil, de Ismaëliet. Over de ezelinnen stond Jechdeja, uit Meronot.
וְעַל
(veal)
en over
הַ֨גְּמַלִּ֔ים
(hagemalim)
de kamelen
אוֹבִ֖יל
(ovil)
Obil
הַיִּשְׁמְעֵלִ֑י
(hayishmeeli)
de Ismaëliet
וְעַל
(veal)
en over
הָ֣אֲתֹנ֔וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
יֶחְדְּיָ֖הוּ
(yechdeyahu)
Jechdeja
הַמֵּרֹנֹתִֽי
(hameronoti)
uit Meronot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Meronot (מֵרֹנֹתִי): de ligging is onzeker.

Uitleg

Obil (אוֹבִיל) is een Ismaëliet, een nakomeling van Ismaël.

31Over het kleinvee stond Jaziz, de Hagriet. Al deze mannen waren leiders van het bezit van koning David.
וְעַל
(veal)
en over
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
יָזִ֣יז
(yaziz)
Jaziz
הַֽהַגְרִ֑י
(hahagri)
de Hagriet
כָּל
(kal)
alle
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze
שָׂרֵ֣י
(sarei)
leiders van
הָרְכ֔וּשׁ
(harekhush)
het bezit
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hagriet (הַגְּרִי): een volk of familie.

Wat voor groep dit is, is onzeker.

Wij vertalen de naam zoals hij staat.

De raadsmannen van David

32Jonatan, de oom van David, was raadsman. Hij was een man met inzicht en een schrijver. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was bij de zonen van de koning.
וִֽיהוֹנָתָ֤ן
(vihonatan)
en Jonatan
דּוֹד
(dod)
oom van
דָּוִיד֙
(david)
David
יוֹעֵ֔ץ
(yoets)
raadsman
אִישׁ
(ish)
man
מֵבִ֥ין
(mevin)
met inzicht
וְסוֹפֵ֖ר
(vesofer)
en schrijver
ה֑וּא
(hu)
hij
וִֽיחִיאֵ֥ל
(vichiel)
en Jechiël
בֶּן
(ben)
zoon van
חַכְמוֹנִ֖י
(chakhmoni)
Chachmoni
עִם
(im)
bij
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van de vader.

Het woord kan ook ‘familielid’ betekenen.

33Ahitofel was raadsman van de koning. Husai, de Arkiet, was de vriend van de koning.
וַאֲחִיתֹ֖פֶל
(vaachitofel)
en Ahitofel
יוֹעֵ֣ץ
(yoets)
raadsman
לַמֶּ֑לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
וְחוּשַׁ֥י
(vechushay)
en Husai
הָאַרְכִּ֖י
(haarki)
de Arkiet
רֵ֥עַ
(rea)
vriend van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ahitofel en Husai de Arkiet staan in 2 Sam. 15:12 en 15:32.

Husai was ‘de vriend van David’ (2 Sam. 15:37).

34Na Ahitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar. De legeroverste van de koning was Joab.
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en na
אֲחִיתֹ֗פֶל
(achitofel)
Ahitofel
יְהוֹיָדָ֤ע
(yehoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּנָיָ֨הוּ֙
(benayahu)
Benaja
וְאֶבְיָתָ֔ר
(veevyatar)
en Abjatar
וְשַׂר
(vesar)
en overste van
צָבָ֥א
(tsava)
leger
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
יוֹאָֽב
(yoav)
Joab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ahitofel verhing zich toen Absalom zijn raad niet opvolgde (2 Sam. 17:23).

De tekst zegt niet wanneer Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar raadsman werden.

Elders heet Benaja de zoon van Jojada (vers 5).