Open in de app Alle boeken 1 Kronieken ← 26 28 → 1 Kronieken 27 De twaalf afdelingen, de leiders van de stammen en de beambten van David
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De twaalf maandelijkse afdelingen 1 Dit waren de Israëlieten, naar hun aantal: de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en hun opzichters. Zij dienden de koning in alles wat de afdelingen betrof. De afdelingen losten elkaar af, maand na maand, alle maanden van het jaar. Elke afdeling telde 24.000.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
לְֽמִסְפָּרָ֡ם
(lemisparam)
naar hun aantal
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֣וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en leiders van
הָֽאֲלָפִ֣ים
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֡וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וְשֹׁטְרֵיהֶם֩
(veshotereihem)
en hun opzichters
הַמְשָׁרְתִ֨ים
(hamsharetim)
die dienden
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַֽמַּחְלְק֗וֹת
(hamachleqot)
de afdelingen
וְהַיֹּצֵאת֙
(vehayotset)
en ging
בְּחֹ֔דֶשׁ
(bechodesh)
per maand
חָדְשֵׁ֣י
(chadeshei)
maanden van
הַשָּׁנָ֑ה
(hashana)
het jaar
הַֽמַּחֲלֹ֨קֶת֙
(hamachaloqet)
de afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Num. 11:16.
De twaalf afdelingen (vers 2–15) tellen elk 24.000 man. Samen zijn dat 288.000 man.
2 Over de eerste afdeling, voor de eerste maand, stond Jasjobam, de zoon van Zabdiël. Zijn afdeling telde 24.000.
הַמַּחֲלֹ֤קֶת
(hamachaloqet)
de afdeling
הָרִֽאשׁוֹנָה֙
(harishona)
de eerste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
יָֽשָׁבְעָ֖ם
(yashaveam)
Jasjobam
זַבְדִּיאֵ֑ל
(zavdiel)
Zabdiël
מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jasjobam (יָשָׁבְעָם ): vergelijk 2 Sam. 23:8, waar de eerste van de helden Josheb-Basjebet heet.
3 Hij was uit de zonen van Peres, het hoofd van alle legeroversten van de eerste maand.
הָרֹ֛אשׁ
(harosh)
het hoofd
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
הַצְּבָא֖וֹת
(hatsevaot)
de legers
לַחֹ֥דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Peres is een zoon van Juda (Num. 26:20).
4 Over de afdeling van de tweede maand stond Dodai, de Achochiet. In zijn afdeling was Miklot de leider. Zijn afdeling telde 24.000.
מַחֲלֹ֣קֶת
(machaloqet)
afdeling van
הַחֹ֣דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשֵּׁנִ֗י
(hasheni)
de tweede
הָאֲחוֹחִי֙
(haachochi)
de Achochiet
וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ
(umachaluqto)
en zijn afdeling
וּמִקְל֖וֹת
(umiqlot)
en Miklot
הַנָּגִ֑יד
(hanagid)
de leider
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dodai (דּוֹדַי ) is waarschijnlijk dezelfde naam als Dodo in 2 Sam. 23:9.
5 De derde legeroverste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van Jojada, de priester, het hoofd. Zijn afdeling telde 24.000.
הַצָּבָ֤א
(hatsava)
het leger
הַשְּׁלִישִׁי֙
(hashelishi)
de derde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
בְּנָיָ֧הוּ
(benayahu)
Benaja
יְהוֹיָדָ֛ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֹּהֵן רֹאשׁ (hakkohen rosh), ‘de priester, het hoofd’: dit kan ook betekenen ‘de hoofdpriester’, dan gaat het om Jojada.
Wij houden de volgorde van de tekst.
Jojada is de vader van Benaja (2 Sam. 8:18).
6 Dit is die Benaja: een held van de dertig en over de dertig. Over zijn afdeling stond zijn zoon Ammizabad.
בְנָיָ֛הוּ
(benayahu)
Benaja
הַשְּׁלֹשִׁ֖ים
(hasheloshim)
de dertig
הַשְּׁלֹשִׁ֑ים
(hasheloshim)
de dertig
וּמַ֣חֲלֻקְתּ֔וֹ
(umachaluqto)
en zijn afdeling
עַמִּיזָבָ֖ד
(amizavad)
Ammizabad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De dertig’ zijn de dertig helden van David (2 Sam. 23:24–39).
7 De vierde, voor de vierde maand, was Asaël, de broer van Joab, en na hem zijn zoon Zebadja. Zijn afdeling telde 24.000.
הָֽרְבִיעִ֞י
(harevii)
de vierde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָרְבִיעִ֗י
(harevii)
de vierde
וּזְבַדְיָ֥ה
(uzevadya)
en Zebadja
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Asaël, de broer van Joab, werd al vroeg door Abner gedood (2 Sam. 2:18–23).
Zijn zoon Zebadja komt ‘na hem’.
Hoe dat precies zit, zegt de tekst niet.
8 De vijfde, voor de vijfde maand, was de overste Sjamhut, de Jizrachiet. Zijn afdeling telde 24.000.
הַחַמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַחֲמִישִׁ֔י
(hachamishi)
de vijfde
הַשַּׂ֖ר
(hasar)
de overste
שַׁמְה֣וּת
(shamhut)
Sjamhut
הַיִּזְרָ֑ח
(hayizrach)
de Jizrachiet
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִזְרָח (jizrach), ‘Jizrachiet’: een familie- of plaatsnaam.
De betekenis is onzeker.
9 De zesde, voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשִּׁשִּׁי֙
(hashishi)
de zesde
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשִּׁשִּׁ֔י
(hashishi)
de zesde
הַתְּקוֹעִ֑י
(hateqoi)
uit Tekoa
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.
Uitleg
Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, staat ook in 2 Sam. 23:26.
10 De zevende, voor de zevende maand, was Chelets, de Peloniet, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁבִיעִי֙
(hashevii)
de zevende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
הַפְּלוֹנִ֖י
(hapeloni)
de Peloniet
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In 2 Sam. 23:26 heet hij Chelets de Paltiet.
Hier staat Chelets de Peloniet.
Wij volgen de Masoretische tekst.
11 De achtste, voor de achtste maand, was Sibbechai, de Chusatiet, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁמִינִי֙
(hashemini)
de achtste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַשְּׁמִינִ֔י
(hashemini)
de achtste
סִבְּכַ֥י
(sibekhay)
Sibbechai
הַחֻשָׁתִ֖י
(hachushati)
de Chusatiet
לַזַּרְחִ֑י
(lazarchi)
uit de Zerachiet
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Sibbechai de Chusatiet komt voor in 2 Sam. 21:18.
In 2 Sam. 23:27 staat op zijn plaats Mebunnai de Chusatiet.
De Zerachieten zijn nakomelingen van Serach, een zoon van Juda (Num. 26:20).
12 De negende, voor de negende maand, was Abiëzer, uit Anatot, een Benjaminiet. Zijn afdeling telde 24.000.
הַתְּשִׁיעִי֙
(hateshii)
de negende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הַתְּשִׁיעִ֔י
(hateshii)
de negende
אֲבִיעֶ֥זֶר
(aviezer)
Abiëzer
הָעַנְּתֹתִ֖י
(haanetoti)
uit Anatot
יְמִינִ֑י
(yemini)
een Benjaminiet
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.
Lezing
Geschreven staat לבנימיני (labinyamini), ‘voor de Benjaminiet’.
Gelezen worden twee woorden: לְבֵן יְמִינִי (leven yemini).
De betekenis is gelijk.
13 De tiende, voor de tiende maand, was Maharai, uit Netofa, uit de Zerachieten. Zijn afdeling telde 24.000.
הָעֲשִׂירִי֙
(haasiri)
de tiende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
voor de maand
הָעֲשִׂירִ֔י
(haasiri)
de tiende
הַנְּטֽוֹפָתִ֖י
(hanetofati)
uit Netofa
לַזַּרְחִ֑י
(lazarchi)
uit de Zerachiet
מַֽחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.
Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.
Dit is niet zeker.
14 De elfde, voor de elfde maand, was Benaja, uit Piraton, uit de zonen van Efraïm. Zijn afdeling telde 24.000.
עַשְׁתֵּֽי
(ashtei)
de elfde
לְעַשְׁתֵּ֣י
(leashtei)
voor de elfde
הַחֹ֔דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַפִּרְעָתוֹנִ֖י
(hapiratoni)
uit Piraton
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Piraton (פִּרְעָתוֹן ) lag in het land Efraïm, in het bergland (Richt. 12:15).
De precieze ligging is onzeker.
15 De twaalfde, voor de twaalfde maand, was Cheldai, uit Netofa, uit het geslacht van Otniël. Zijn afdeling telde 24.000.
הַשְּׁנֵ֤ים
(hasheneim)
de twaalfde
לִשְׁנֵ֣ים
(lishneim)
voor de twaalfde
הַחֹ֔דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
חֶלְדַּ֥י
(chelday)
Cheldai
הַנְּטוֹפָתִ֖י
(hanetofati)
uit Netofa
לְעָתְנִיאֵ֑ל
(leateniel)
van Otniël
מַחֲלֻקְתּ֔וֹ
(machaluqto)
zijn afdeling
וְאַרְבָּעָ֖ה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.
Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.
Dit is niet zeker.
Uitleg
Cheldai (חֶלְדַּי ): in 2 Sam. 23:29 heet de man uit Netofa Cheleb, de zoon van Baäna.
Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
לְעָתְנִיאֵל (le’otniel), ‘van Otniël’: Hebreeuws heeft hier alleen ‘van Otniël’. Wij nemen het als het geslacht van Otniël (Richt. 1:13).
De leiders van de stammen 16 Over de stammen van Israël: bij de Rubenieten was Eliëzer, de zoon van Zichri, de leider. Bij de Simeonieten was het Sefatja, de zoon van Maächa.
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לָרֽאוּבֵנִ֣י
(laruveni)
voor de Rubeniet
אֱלִיעֶ֖זֶר
(eliezer)
Eliëzer
לַשִּׁ֨מְעוֹנִ֔י
(lashimoni)
voor de Simeoniet
שְׁפַטְיָ֖הוּ
(shefatyahu)
Sefatja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָגִיד (nagid), ‘leider’: hier de leider van de stam.
In vers 22 staat het woord שָׂרִים (sarim), ‘leiders’.
17 Bij Levi was het Chasabja, de zoon van Kemuël. Bij Aäron was het Zadok.
לְלֵוִ֛י
(lelevi)
voor Levi
חֲשַׁבְיָ֥ה
(chashavya)
Chasabja
לְאַהֲרֹ֥ן
(leaharon)
voor Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Bij Aäron’: bij de priesters, de nakomelingen van Aäron.
18 Bij Juda was het Elihu, een van de broers van David. Bij Issachar was het Omri, de zoon van Michaël.
לִֽיהוּדָ֕ה
(lihuda)
voor Juda
מֵאֲחֵ֣י
(meachei)
uit de broers van
לְיִ֨שָׂשכָ֔ר
(leyisashkhar)
voor Issachar
מִיכָאֵֽל
(mikhael)
Michaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elihu (אֱלִיהוּ ), een broer van David, komt niet voor in 1 Sam. 16:6–9.
Daar heet de eerste zoon van Isaï die Samuël ziet Eliab.
Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
19 Bij Zebulon was het Jismaja, de zoon van Obadja. Bij Naftali was het Jerimot, de zoon van Azriël.
לִזְבוּלֻ֕ן
(lizvulun)
voor Zebulon
יִֽשְׁמַֽעְיָ֖הוּ
(yishmayahu)
Jismaja
עֹבַדְיָ֑הוּ
(ovadyahu)
Obadja
לְנַ֨פְתָּלִ֔י
(lenaftali)
voor Naftali
יְרִימ֖וֹת
(yerimot)
Jerimot
עַזְרִיאֵֽל
(azriel)
Azriël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Bij de zonen van Efraïm was het Hosea, de zoon van Azazia. Bij de halve stam van Manasse was het Joël, de zoon van Pedaja.
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
עֲזַזְיָ֑הוּ
(azazyahu)
Azazia
לַחֲצִי֙
(lachatsi)
voor de helft van
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
פְּדָיָֽהוּ
(pedayahu)
Pedaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Bij de andere helft van Manasse, in Gilead, was het Iddo, de zoon van Zacharia. Bij Benjamin was het Jaäsiël, de zoon van Abner.
לַחֲצִ֤י
(lachatsi)
voor de helft van
הַֽמְנַשֶּׁה֙
(hamnashe)
de Manasse
גִּלְעָ֔דָה
(gilada)
naar Gilead
זְכַרְיָ֑הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
לְבִנְיָמִ֔ן
(levinyamin)
voor Benjamin
יַעֲשִׂיאֵ֖ל
(yaasiel)
Jaäsiël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
22 Bij Dan was het Azarel, de zoon van Jerocham. Dit waren de leiders van de stammen van Israël.
יְרֹחָ֑ם
(yerocham)
Jerocham
שָׂרֵ֖י
(sarei)
leiders van
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In deze lijst ontbreken Gad en Aser.
De telling van Joab 23 David nam hun aantal niet op van twintig jaar en jonger. Want Yahweh had gezegd dat Hij Israël zou vermenigvuldigen als de sterren van de hemel.
מִסְפָּרָ֔ם
(misparam)
hun aantal
לְמִבֶּ֛ן
(lemiben)
van de zoon van
וּלְמָ֑טָּה
(ulemata)
en lager
לְהַרְבּ֥וֹת
(leharbot)
om te vermenigvuldigen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כְּכוֹכְבֵ֥י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de leeftijdsgrens van de telling in Num. 1:3.
נָשָׂא (nasa), ‘opnemen’: letterlijk ‘optillen’. Zoals in Num. 1:2 ‘de som opnemen’.
Yahweh had Abraham beloofd dat zijn nageslacht zo talrijk zou worden als de sterren (Gen. 15:5; Gen. 22:17).
24 Joab, de zoon van Zeruja, was begonnen te tellen, maar hij maakte het niet af. Daardoor kwam er toorn over Israël. Het getal kwam ook niet in de optelling van de kronieken van koning David.
לִמְנוֹת֙
(limnot)
te tellen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הַמִּסְפָּ֔ר
(hamispar)
het getal
בְּמִסְפַּ֥ר
(bemispar)
in het aantal van
דִּבְרֵֽי
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Over de telling zie 1 Kron. 21 en 2 Sam. 24.
דִּבְרֵי הַיָּמִים (divrei hayamim), ‘kronieken’: letterlijk ‘woorden van de dagen’. Dat is het koninklijke archief van David, niet een bijbelboek.
De beheerders van Davids bezit 25 Over de schatkamers van de koning stond Azmavet, de zoon van Adiël. Over de opslagplaatsen in het veld, in de steden, in de dorpen en in de torens stond Jonatan, de zoon van Uzzia.
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
schatkamers van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַזְמָ֖וֶת
(azmavet)
Azmavet
הָֽאֹצָר֡וֹת
(haotsarot)
de opslagplaatsen
בַּשָּׂדֶ֞ה
(basade)
in het veld
בֶּעָרִ֤ים
(bearim)
in de steden
וּבַכְּפָרִים֙
(uvakefarim)
en in de dorpen
וּבַמִּגְדָּל֔וֹת
(uvamigdalot)
en in de torens
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
עֻזִּיָּֽהוּ
(uziyahu)
Uzzia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹצָרוֹת (otsarot), ‘schatkamers’: de eerste keer (de koning) vertalen wij ‘schatkamers’.
In het veld, de steden, de dorpen en de torens zijn het opslagplaatsen.
Zo ook in vers 27 en 28.
Azmavet (עַזְמָוֶת ) staat ook in 2 Sam. 23:31.
26 Over hen die het werk op het veld deden, het bewerken van de grond, stond Ezri, de zoon van Kelub.
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
werk van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
לַעֲבֹדַ֖ת
(laavodat)
voor het bewerken van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Over de wijngaarden stond Simeï, uit Rama. Over wat in de wijngaarden groeide, voor de opslagplaatsen van de wijn, stond Zabdi, uit Sefam.
הַ֨כְּרָמִ֔ים
(hakeramim)
de wijngaarden
הָרָֽמָתִ֑י
(haramati)
uit Rama
שֶׁבַּכְּרָמִים֙
(shebakeramim)
wat in de wijngaarden
לְאֹצְר֣וֹת
(leotserot)
voor de opslagplaatsen van
הַיַּ֔יִן
(hayayin)
de wijn
הַשִּׁפְמִֽי
(hashifmi)
uit Sefam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Rama (הָרָמָה ): meerdere plaatsen heten zo.
Welke hier bedoeld is, is onzeker.
Sefam (שְׁפָם ): de ligging is onzeker (Num. 34:10–11).
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier ‘wat in de wijngaarden is’: de opbrengst.
28 Over de olijfbomen en de wilde vijgenbomen in de Sefela stond Baäl-Chanan, uit Geder. Over de opslagplaatsen van de olie stond Joas.
הַזֵּיתִ֤ים
(hazeitim)
de olijfbomen
וְהַשִּׁקְמִים֙
(vehashiqmim)
en de wilde vijgenbomen
בַּשְּׁפֵלָ֔ה
(bashefela)
in de Sefela
הַגְּדֵרִ֑י
(hagederi)
uit Geder
אֹצְר֥וֹת
(otserot)
opslagplaatsen van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Sefela is het heuvelland tussen het bergland van Juda en de kustvlakte, in het huidige Israël.
Geder (גֶּדֶר ) is een stad in Kanaän (Joz. 12:13). De ligging is onzeker.
Uitleg
שִׁקְמִים (shiqmim), ‘wilde vijgenbomen’: een boom met vijgachtige vruchten.
29 Over het rundvee dat in Saron graasde, stond Sjirtai, uit Saron. Over het rundvee in de dalen stond Sjafat, de zoon van Adlai.
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rundvee
הָרֹעִ֣ים
(haroim)
dat graasde
בַּשָּׁר֔וֹן
(basharon)
in Saron
שִׁרְטַ֖י
(shirtay)
Sjirtai
הַשָּׁרוֹנִ֑י
(hasharoni)
uit Saron
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rundvee
בָּֽעֲמָקִ֔ים
(baamaqim)
in de dalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Saron (שָׁרוֹן ) is de kustvlakte ten noorden van Jaffa, in het huidige Israël.
Lezing
Geschreven staat שטרי (Sjitrai).
Gelezen wordt שִׁרְטַי (Sjirtai).
Wij volgen de gelezen vorm.
30 Over de kamelen stond Obil, de Ismaëliet. Over de ezelinnen stond Jechdeja, uit Meronot.
הַ֨גְּמַלִּ֔ים
(hagemalim)
de kamelen
הַיִּשְׁמְעֵלִ֑י
(hayishmeeli)
de Ismaëliet
הָ֣אֲתֹנ֔וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
יֶחְדְּיָ֖הוּ
(yechdeyahu)
Jechdeja
הַמֵּרֹנֹתִֽי
(hameronoti)
uit Meronot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Meronot (מֵרֹנֹתִי ): de ligging is onzeker.
Uitleg
Obil (אוֹבִיל ) is een Ismaëliet, een nakomeling van Ismaël.
31 Over het kleinvee stond Jaziz, de Hagriet. Al deze mannen waren leiders van het bezit van koning David.
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
הַֽהַגְרִ֑י
(hahagri)
de Hagriet
שָׂרֵ֣י
(sarei)
leiders van
הָרְכ֔וּשׁ
(harekhush)
het bezit
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Hagriet (הַגְּרִי ): een volk of familie.
Wat voor groep dit is, is onzeker.
Wij vertalen de naam zoals hij staat.
De raadsmannen van David 32 Jonatan, de oom van David, was raadsman. Hij was een man met inzicht en een schrijver. Jechiël, de zoon van Chachmoni, was bij de zonen van de koning.
וִֽיהוֹנָתָ֤ן
(vihonatan)
en Jonatan
מֵבִ֥ין
(mevin)
met inzicht
וְסוֹפֵ֖ר
(vesofer)
en schrijver
וִֽיחִיאֵ֥ל
(vichiel)
en Jechiël
חַכְמוֹנִ֖י
(chakhmoni)
Chachmoni
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דּוֹד (dod), ‘oom’: een broer van de vader.
Het woord kan ook ‘familielid’ betekenen.
33 Ahitofel was raadsman van de koning. Husai, de Arkiet, was de vriend van de koning.
וַאֲחִיתֹ֖פֶל
(vaachitofel)
en Ahitofel
לַמֶּ֑לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
וְחוּשַׁ֥י
(vechushay)
en Husai
הָאַרְכִּ֖י
(haarki)
de Arkiet
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ahitofel en Husai de Arkiet staan in 2 Sam. 15:12 en 15:32.
Husai was ‘de vriend van David’ (2 Sam. 15:37).
34 Na Ahitofel kwamen Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar. De legeroverste van de koning was Joab.
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en na
אֲחִיתֹ֗פֶל
(achitofel)
Ahitofel
יְהוֹיָדָ֤ע
(yehoyada)
Jojada
בְּנָיָ֨הוּ֙
(benayahu)
Benaja
וְאֶבְיָתָ֔ר
(veevyatar)
en Abjatar
וְשַׂר
(vesar)
en overste van
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ahitofel verhing zich toen Absalom zijn raad niet opvolgde (2 Sam. 17:23).
De tekst zegt niet wanneer Jojada, de zoon van Benaja, en Abjatar raadsman werden.
Elders heet Benaja de zoon van Jojada (vers 5).