Elohim Bijbel

1 Kronieken 18

1234567891011121314151617181920212223242526272829

Davids overwinningen en zijn bestuur

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David verslaat de Filistijnen en Moab

1Daarna versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. Hij nam Gat en de dorpen eromheen uit de hand van de Filistijnen.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּכְנִיעֵ֑ם
(vayakhniem)
en onderwierp hen
וַיִּקַּ֛ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
גַּ֥ת
(gat)
Gat
וּבְנֹתֶ֖יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat (גַּת) was een stad van de Filistijnen, waarschijnlijk bij Tell es-Safi in Israël.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Sam. 8.

In 2 Sam. 8:1 staat op deze plaats ‘Metheg-Amma’.

Hier staat ‘Gat en haar dochters’.

בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dochters’: de dorpen rondom een stad, die van haar afhangen. Vergelijk Num. 21:25.

2Hij versloeg Moab. Moab werd voor David tot dienaren die schatting brachten.
וַיַּ֖ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
וַיִּהְי֤וּ
(vayihyu)
en werden
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
voor David
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
מִנְחָֽה
(mincha)
schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Moab (מוֹאָב) ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘schatting’: een gave die een onderworpen volk brengt.

Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’.

Het meten met het snoer uit 2 Sam. 8:2 staat hier niet.

Hadadezer en de Arameeërs

3David versloeg Hadadezer, de koning van Tsoba, tot bij Chamat, toen hij ging om zijn macht te vestigen aan de rivier de Eufraat.
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הֲדַדְעֶ֥זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָ֖ה
(tsova)
Tsoba
חֲמָ֑תָה
(chamata)
richting Chamat
בְּלֶכְתּ֕וֹ
(belekhto)
bij zijn gaan
לְהַצִּ֥יב
(lehatsiv)
om te plaatsen
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בִּֽנְהַר
(binhar)
bij de rivier
פְּרָֽת
(perat)
Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsoba (צוֹבָה) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus; de ligging is niet precies bekend.

Chamat (חֲמָת) lag bij het huidige Hama aan de rivier de Orontes, in Syrië.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

חֲמָתָה (chamatah), ‘tot bij Chamat’: de uitgang -ah geeft de richting aan.

Dit woord staat niet in 2 Sam. 8:3.

לְהַצִּיב יָדוֹ (lehatsiv yado), ‘om zijn hand te plaatsen’: een uitdrukking voor het vestigen van macht. Wie met ‘hij’ bedoeld is, David of Hadadezer, zegt de tekst niet. In 2 Sam. 8:3 staat ‘om zijn hand terug te brengen’.

פְּרָת (Perat), ‘de Eufraat’: zoals in Gen. 15:18. Hier staat ‘de rivier Perat’; wij schrijven ‘de rivier de Eufraat’.

Lezing

In 2 Sam. 8:3 heet Hadadezer ‘de zoon van Rechob’.

Hier staat dat niet.

4David nam van hem 1.000 strijdwagens gevangen, 7.000 ruiters en 20.000 man voetvolk. David verlamde de paarden van alle strijdwagens. Hij hield er 100 strijdwagens van over.
וַיִּלְכֹּד֩
(vayilkod)
en nam gevangen
דָּוִ֨יד
(david)
David
מִמֶּ֜נּוּ
(mimenu)
van hem
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
רֶ֗כֶב
(rekhev)
strijdwagens
וְשִׁבְעַ֤ת
(veshivat)
en zeven
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
פָּֽרָשִׁ֔ים
(parashim)
ruiters
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
רַגְלִ֑י
(ragli)
voetvolk
וַיְעַקֵּ֤ר
(vayaqer)
en verlamde
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de strijdwagens
וַיּוֹתֵ֥ר
(vayoter)
en liet over
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hen
מֵ֥אָה
(mea)
honderd
רָֽכֶב
(rakhev)
strijdwagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְעַקֵּר (vayakker), ‘verlamde’: het werkwoord betekent ‘de hielpezen doorsnijden’.

Dat kan alleen bij paarden.

Wij vullen ‘de paarden van’ aan.

Vergelijk Joz. 11:6 en 11:9.

רֶכֶב (rechev), ‘strijdwagens’: het woord is een verzamelwoord voor wagens met hun paarden. Wij vertalen ‘strijdwagens’.

Lezing

De getallen verschillen van 2 Sam. 8:4.

Daar staan 1.700 ruiters en 20.000 man voetvolk; de strijdwagens worden daar niet geteld.

Hier staan 1.000 strijdwagens, 7.000 ruiters en 20.000 man voetvolk.

Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst.

5De Arameeërs van Damascus kwamen Hadadezer, de koning van Tsoba, te hulp. David versloeg 22.000 man van de Arameeërs.
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֲרַ֣ם
(aram)
Aram
דַּרְמֶ֔שֶׂק
(darmeseq)
Damascus
לַעְז֕וֹר
(lazor)
om te helpen
לַהֲדַדְעֶ֖זֶר
(lahadadezer)
Hadadezer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָ֑ה
(tsova)
Tsoba
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en sloeg
דָּוִיד֙
(david)
David
בַּאֲרָ֔ם
(baaram)
onder Aram
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
וּשְׁנַ֥יִם
(ushenayim)
en twee
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus (דַּרְמֶשֶׂק) is de hoofdstad van het huidige Syrië.

Aram is het land van de Arameeërs.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Uitleg

In Kronieken wordt de naam met een extra letter ר (resh) geschreven: דַּרְמֶשֶׂק.

In 2 Sam. 8:5 staat דַּמֶּשֶׂק.

6David stelde bezettingen in Aram van Damascus. Aram werd voor David tot dienaren die schatting brachten. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging.
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en stelde
דָּוִיד֙
(david)
David
בַּאֲרַ֣ם
(baaram)
in Aram
דַּרְמֶ֔שֶׂק
(darmeseq)
Damascus
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en werd
אֲרָם֙
(aram)
Aram
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
voor David
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
dienaren
נֹשְׂאֵ֣י
(noseei)
dragers van
מִנְחָ֑ה
(mincha)
schatting
וַיּ֤וֹשַׁע
(vayosha)
en gaf overwinning
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֔יד
(ledavid)
aan David
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
הָלָֽךְ
(halakh)
hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

Het voorwerp van ‘stelde’ ontbreekt in het Hebreeuws.

In 2 Sam. 8:6 staat נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’.

Wij vullen dat aan, zoals vers 13 hier ook heeft.

וַיּוֹשַׁע (vayosha), ‘gaf de overwinning’: het werkwoord betekent ‘redden’ of ‘helpen’. Het is hetzelfde grondwoord als in de naam Yeshua.

7David nam de gouden schilden die de dienaren van Hadadezer droegen en bracht ze naar Jeruzalem.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֗יד
(david)
David
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
שִׁלְטֵ֣י
(shiltei)
de schilden van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָי֔וּ
(hayu)
waren
עַ֖ל
(al)
op
עַבְדֵ֣י
(avdei)
de dienaren van
הֲדַדְעָ֑זֶר
(hadadazer)
Hadadezer
וַיְבִיאֵ֖ם
(vayviem)
en bracht ze
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁלְטֵי (shiltei), ‘schilden’: de betekenis van dit woord is niet helemaal zeker.

Het staat ook in 2 Sam. 8:7.

8Uit Tibchat en uit Kun, steden van Hadadezer, nam David zeer veel koper. Daarmee maakte Salomo de koperen zee, de zuilen en de koperen voorwerpen.
וּמִטִּבְחַ֤ת
(umitivchat)
en uit Tibchat
וּמִכּוּן֙
(umikun)
en uit Kun
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הֲדַדְעֶ֔זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
לָקַ֥ח
(laqach)
nam
דָּוִ֛יד
(david)
David
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
koper
רַבָּ֣ה
(raba)
veel
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
בָּ֣הּ
(bah)
daarmee
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
יָ֤ם
(yam)
de zee van
הַנְּחֹ֨שֶׁת֙
(hanechoshet)
het koper
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽעַמּוּדִ֔ים
(haamudim)
de zuilen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
הַנְּחֹֽשֶׁת
(hanechoshet)
het koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tibchat (טִבְחַת) en Kun (כּוּן) zijn steden van Hadadezer.

Hun ligging is onzeker; zij lagen waarschijnlijk in het gebied tussen Damascus en Chamat.

Uitleg

Het laatste deel van het vers staat niet in 2 Sam. 8:8.

Het vertelt dat Salomo het koper gebruikte voor de koperen zee, de zuilen en de koperen voorwerpen.

Lezing

In 2 Sam. 8:8 heten de steden Betach en Berotai.

Wij volgen in beide boeken de Masoretische tekst.

Tou van Chamat

9Tou, de koning van Chamat, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer, de koning van Tsoba, had verslagen.
וַיִּשְׁמַ֕ע
(vayishma)
en hoorde
תֹּ֖עוּ
(tou)
Tou
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
כִּ֚י
(ki)
dat
הִכָּ֣ה
(hika)
had verslagen
דָוִ֔יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
חֵ֖יל
(cheil)
het leger van
הֲדַדְעֶ֥זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָֽה
(tsova)
Tsoba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Uitleg

תֹּעוּ (Tou): in 2 Sam. 8:9 heet hij תֹּעִי (Toi).

Het is dezelfde man; wij houden de vorm van elk boek aan.

Zie ook2 Sam 8:9
10Hij stuurde zijn zoon Hadoram naar koning David. Hadoram moest naar zijn welzijn vragen en hem zegenen, omdat David tegen Hadadezer had gestreden en hem had verslagen. Want Hadadezer was een man van oorlogen met Tou. Hij had allerlei voorwerpen van goud, zilver en koper bij zich.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
הֲדֽוֹרָם
(hadoram)
Hadoram
בְּנ֣וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶל
(el)
naar
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּ֠וִיד
(david)
David
לִשְׁאָל
(lishal)
om te vragen
ל֨וֹ
(lo)
naar hem
לְשָׁל֜וֹם
(leshalom)
naar welzijn
וּֽלְבָרֲכ֗וֹ
(ulevarakho)
en om hem te zegenen
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִלְחַ֤ם
(nilcham)
hij had gestreden
בַּהֲדַדְעֶ֨זֶר֙
(bahadadezer)
tegen Hadadezer
וַיַּכֵּ֔הוּ
(vayakehu)
en had hem verslagen
כִּי
(ki)
want
אִ֛ישׁ
(ish)
een man van
מִלְחֲמ֥וֹת
(milchamot)
oorlogen met
תֹּ֖עוּ
(tou)
Tou
הָיָ֣ה
(haya)
was
הֲדַדְעָ֑זֶר
(hadadazer)
Hadadezer
וְכֹ֗ל
(vekhol)
en alle
כְּלֵ֛י
(kelei)
voorwerpen van
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
וָכֶ֖סֶף
(vakhesef)
en zilver
וּנְחֹֽשֶׁת
(unechoshet)
en koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲדוֹרָם (Hadoram): in 2 Sam. 8:10 heet de zoon van Tou Joram (יוֹרָם).

Wij houden de vorm van elk boek aan.

Het werkwoord in de laatste zin ontbreekt in het Hebreeuws: ‘en alle voorwerpen van goud en zilver en koper’. In 2 Sam. 8:10 staat ‘in zijn hand waren voorwerpen van zilver, goud en koper’. Wij vullen ‘had bij zich’ aan; ‘hij’ is Hadoram.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘om naar zijn welzijn te vragen en hem te zegenen’ en ‘omdat hij had gestreden’. Wij maken er een eigen zin van, met ‘Hadoram moest’, en noemen David bij naam, zoals ook 2 Sam. 8:10 doet.

11Ook deze voorwerpen wijdde koning David toe aan Yahweh, samen met het zilver en het goud. Dat had hij meegenomen van alle volken: van Edom, Moab, de zonen van Ammon, de Filistijnen en Amalek.
גַּם
(gam)
ook
אֹתָ֗ם
(otam)
hen
הִקְדִּ֞ישׁ
(hiqdish)
wijdde toe
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִיד֙
(david)
David
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
עִם
(im)
met
הַכֶּ֨סֶף֙
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָ֔ב
(vehazahav)
en het goud
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָשָׂ֖א
(nasa)
hij nam
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
מֵֽאֱד֤וֹם
(meedom)
van Edom
וּמִמּוֹאָב֙
(umimoav)
en van Moab
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וּמִפְּלִשְׁתִּ֖ים
(umipelishtim)
en van de Filistijnen
וּמֵֽעֲמָלֵֽק
(umeamaleq)
en van Amalek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

הִקְדִּישׁ (hiqdish), ‘wijdde toe’: iets heilig maken voor Yahweh.

Vergelijk Joz. 6:19.

Amalek: zie Exod. 17:8–16 en Deut. 25:17–19.

Lezing

In 2 Sam. 8:12 staat in dezelfde lijst ‘Aram’ waar hier ‘Edom’ staat.

Edom

12Abisai, de zoon van Zeruja, versloeg Edom in het Zoutdal: 18.000 man.
וְאַבְשַׁ֣י
(veavshay)
en Abisai
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֗ה
(tseruya)
Zeruja
הִכָּ֤ה
(hika)
versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
בְּגֵ֣יא
(begei)
in het dal van
הַמֶּ֔לַח
(hamelach)
het zout
שְׁמוֹנָ֥ה
(shemona)
acht
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het Zoutdal (גֵּיא הַמֶּלַח) lag ten zuiden van de Zoutzee, in het gebied van het huidige Jordanië en Israël.

De precieze plek is onzeker.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Het woord ‘man’ staat er niet; het Hebreeuws zegt alleen ‘18.000’.

Wij vullen ‘man’ aan.

Lezing

Hier verslaat Abisai Edom.

In 2 Sam. 8:13 staat dat David zich een naam maakte, toen hij terugkeerde van het verslaan van ‘Aram’ in het Zoutdal.

Het opschrift van Psalm 60 noemt Joab en Edom.

Wij volgen in elk boek de Masoretische tekst.

13Hij stelde bezettingen in Edom. Heel Edom werd voor David tot dienaren. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging.
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en stelde
בֶּֽאֱדוֹם֙
(beedom)
in Edom
נְצִיבִ֔ים
(netsivim)
bezettingen
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en werden
כָל
(kal)
heel
אֱד֖וֹם
(edom)
Edom
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
voor David
וַיּ֤וֹשַׁע
(vayosha)
en gaf overwinning
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔יד
(david)
David
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
הָלָֽךְ
(halakh)
hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuiden van de Zoutzee, in het huidige zuiden van Jordanië.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’: troepen of bestuurders die David daar neerzet.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Het vers staat ook in 2 Sam. 8:14.

Davids bestuur

14David regeerde over heel Israël. Hij deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk.
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
דָּוִ֖יד
(david)
David
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en was
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
doend
מִשְׁפָּ֥ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֖ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
לְכָל
(lekhal)
aan heel
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט וּצְדָקָה (mishpat utsedaqah), ‘recht en gerechtigheid’: de twee woorden horen bij elkaar.

Vergelijk Gen. 18:19.

15Joab, de zoon van Zeruja, was over het leger. Josafat, de zoon van Achilud, was archivaris.
וְיוֹאָ֥ב
(veyoav)
en Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֖ה
(tseruya)
Zeruja
עַל
(al)
over
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וִיהוֹשָׁפָ֥ט
(vihoshafat)
en Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֖וּד
(achilud)
Achilud
מַזְכִּֽיר
(mazkir)
archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: letterlijk ‘hij die in herinnering brengt’.

Een ambtenaar die gebeurtenissen vastlegde en de koning adviseerde.

Zeruja was de moeder van Joab en Abisai (1 Kron. 2:16).

16Zadok, de zoon van Achitub, en Abimelech, de zoon van Abjatar, waren priesters. Sjavsa was schrijver.
וְצָד֧וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיט֛וּב
(achituv)
Achitub
וַאֲבִימֶ֥לֶךְ
(vaavimelekh)
en Abimelech
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָתָ֖ר
(evyatar)
Abjatar
כֹּהֲנִ֑ים
(kohanim)
priesters
וְשַׁוְשָׁ֖א
(veshavsha)
en Sjavsa
סוֹפֵֽר
(sofer)
schrijver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de Masoretische tekst van Kronieken is Abimelech de zoon van Abjatar.

In 2 Sam. 8:17 heet hij Achimelech, de zoon van Abjatar.

In 1 Sam. 22:20 is Abjatar de zoon van Achimelech.

Wij volgen in elk boek de Masoretische tekst.

De schrijver heet hier שַׁוְשָׁא (Sjavsa). In 2 Sam. 8:17 heet hij Seraja; 2 Sam. 20:25 en 1 Kon. 4:3 hebben weer andere vormen.

17Benaja, de zoon van Jojada, was over de Kerethieten en de Pelethieten. De zonen van David waren de eersten aan de zijde van de koning.
וּבְנָיָ֨הוּ֙
(uvenayahu)
en Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
עַל
(al)
over
הַכְּרֵתִ֖י
(hakereti)
de Kerethieten
וְהַפְּלֵתִ֑י
(vehapeleti)
en de Pelethieten
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
דָוִ֥יד
(david)
David
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eersten
לְיַ֥ד
(leyad)
aan de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּרֵתִי וּפְלֵתִי (kereti ufeleti), ‘Kerethieten en Pelethieten’: de lijfwacht van de koning.

Hun naam wijst misschien op Kreta en de Filistijnen, maar dat is onzeker.

Zie ook 1 Sam. 30:14.

Lezing

Hier staat dat de zonen van David ‘de eersten aan de zijde van de koning’ waren.

In 2 Sam. 8:18 staat: ‘waren priesters’.

Wij volgen de Masoretische tekst van elk boek.