Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De afdelingen van de poortwachters
1Over de afdelingen van de poortwachters: van de Korachieten Mesjelemja, de zoon van Kore, uit de zonen van Asaf.
לְמַחְלְק֖וֹת
(lemachleqot)
voor de afdelingen
לְשֹׁעֲרִ֑ים
(leshoarim)
voor de poortwachters
לַקָּרְחִ֕ים
(laqarechim)
voor de Korachieten
מְשֶֽׁלֶמְיָ֥הוּ
(meshelemyahu)
Mesjelemja
בֶן
(ben)
zoon van
קֹרֵ֖א
(qore)
Kore
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אָסָֽף
(asaf)
Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Kore (קֹרֵא) en Korach (קֹרַח) zijn verschillende namen.
De Korachieten zijn nakomelingen van Korach (Num. 26:58).
Lezing
Hier staat ‘uit de zonen van Asaf’.
Wij volgen de Masoretische tekst.
Deze Asaf is waarschijnlijk niet de zanger Asaf uit hoofdstuk 25: Mesjelemja is een Korachiet.
Vergelijk Abiasaf, een zoon van Korach, in Exod. 6:24.
7De zonen van Sjemaja: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Zijn broers Elihu en Semachja waren dappere mannen.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
שְׁמַֽעְיָ֗ה
(shemaya)
Sjemaja
עָ֠תְנִי
(ateni)
Otni
וּרְפָאֵ֨ל
(urefael)
en Refaël
וְעוֹבֵ֧ד
(veoved)
en Obed
אֶלְזָבָ֛ד
(elzavad)
Elzabad
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חָ֑יִל
(chayil)
kracht
אֱלִיה֖וּ
(elihu)
Elihu
וּסְמַכְיָֽהוּ
(usemakhyahu)
en Semachja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie met ‘zijn broers’ bedoeld is, Elzabad of Sjemaja, zegt de tekst niet.
8Al deze mannen behoorden tot de zonen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broers. Het waren dappere mannen met kracht voor de dienst. Samen waren zij 62 uit Obed-Edom.
כָּל
(kal)
heel
אֵ֜לֶּה
(ele)
deze
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
uit de zonen van
עֹבֵ֣ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֗ם
(edom)
Edom
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
וּבְנֵיהֶם֙
(uveneihem)
en hun zonen
וַאֲחֵיהֶ֔ם
(vaacheihem)
en hun broers
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֥יִל
(chayil)
kracht
בַּכֹּ֖חַ
(bakoach)
met sterkte
לַעֲבֹדָ֑ה
(laavoda)
voor de dienst
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וּשְׁנַ֖יִם
(ushenayim)
en twee
לְעֹבֵ֥ד
(leoved)
voor Obed
אֱדֹֽם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zacharia de vierde. Alle zonen en broers van Chosa: 13.
חִלְקִיָּ֤הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
de tweede
טְבַלְיָ֣הוּ
(tevalyahu)
Tebalja
הַשְּׁלִשִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
זְכַרְיָ֖הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
הָרְבִעִ֑י
(harevii)
de vierde
כָּל
(kal)
alle
בָּנִ֧ים
(banim)
zonen
וְאַחִ֛ים
(veachim)
en broers
לְחֹסָ֖ה
(lechosa)
van Chosa
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het lot voor de poorten
12Dit zijn de afdelingen van de poortwachters, onder de hoofden van de mannen. Zij hadden dienstbeurten, evenals hun broers, om te dienen in het huis van Yahweh.
לְ֠אֵלֶּה
(leele)
voor deze
מַחְלְק֨וֹת
(machleqot)
afdelingen van
הַשֹּֽׁעֲרִ֜ים
(hashoarim)
de poortwachters
לְרָאשֵׁ֧י
(lerashei)
voor de hoofden van
הַגְּבָרִ֛ים
(hagevarim)
de mannen
מִשְׁמָר֖וֹת
(mishmarot)
dienstbeurten
לְעֻמַּ֣ת
(leumat)
evenals
אֲחֵיהֶ֑ם
(acheihem)
hun broers
לְשָׁרֵ֖ת
(lesharet)
om te dienen
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Het lot voor het oosten viel op Sjelemja. Ook voor zijn zoon Zacharia, een raadsman met inzicht, wierpen zij loten. Zijn lot kwam uit voor het noorden.
וַיִּפֹּ֧ל
(vayipol)
en viel
הַגּוֹרָ֛ל
(hagoral)
het lot
מִזְרָ֖חָה
(mizracha)
naar het oosten
לְשֶֽׁלֶמְיָ֑הוּ
(leshelemyahu)
voor Sjelemja
וּזְכַרְיָ֨הוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
בְנ֜וֹ
(beno)
zijn zoon
יוֹעֵ֣ץ
(yoets)
raadsman
בְּשֶׂ֗כֶל
(besekhel)
met inzicht
הִפִּ֨ילוּ֙
(hipilu)
wierpen zij
גּֽוֹרָל֔וֹת
(goralot)
loten
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en kwam uit
גוֹרָל֖וֹ
(goralo)
zijn lot
צָפֽוֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Sjelemja (שֶׁלֶמְיָהוּ) is waarschijnlijk een kortere vorm van Mesjelemja (vers 1, 2 en 9).
26Deze Sjelomit en zijn broers waren over alle schatkamers van de gewijde gaven. Koning David, de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en de legeroversten hadden die toegewijd.
ה֧וּא
(hu)
hij
שְׁלֹמ֣וֹת
(shelomot)
Sjelomit
וְאֶחָ֗יו
(veechav)
en zijn broers
עַ֣ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
אֹצְר֤וֹת
(otserot)
schatkamers van
הַקֳּדָשִׁים֙
(haqodashim)
de gewijde gaven
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִקְדִּ֜ישׁ
(hiqdish)
had toegewijd
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְרָאשֵׁ֧י
(verashei)
en de hoofden van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לְשָׂרֵֽי
(lesarei)
voor de leiders van
הָאֲלָפִ֥ים
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֖וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en de oversten van
הַצָּבָֽא
(hatsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot), een andere vorm van de naam Sjelomit.
28Alles wat Samuël, de ziener, Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja, hadden toegewijd, alles wat iemand toewijdde, stond onder leiding van Sjelomit en zijn broers.
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en alles
הַֽהִקְדִּ֜ישׁ
(hahiqdish)
wat toewijdde
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
הָרֹאֶה֙
(haroe)
de ziener
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
בֶּן
(ben)
zoon van
קִ֔ישׁ
(qish)
Kis
וְאַבְנֵ֣ר
(veavner)
en Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
וְיוֹאָ֖ב
(veyoav)
en Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֑ה
(tseruya)
Zeruja
כֹּ֚ל
(kol)
alles
הַמַּקְדִּ֔ישׁ
(hamaqdish)
wat iemand toewijdde
עַ֥ל
(al)
onder
יַד
(yad)
hand van
שְׁלֹמִ֖ית
(shelomit)
Sjelomit
וְאֶחָֽיו
(veechav)
en zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Samuël wordt ook in 1 Sam. 9:9 de ‘ziener’ genoemd.
30Van de Hebronieten hadden Chasabja en zijn broers, 1.700 dappere mannen, het toezicht over Israël aan de westkant van de Jordaan. Dat was voor al het werk van Yahweh en voor de dienst van de koning.
לַֽחֶבְרוֹנִ֡י
(lachevroni)
voor de Hebroniet
חֲשַׁבְיָהוּ֩
(chashavyahu)
Chasabja
וְאֶחָ֨יו
(veechav)
en zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַ֜יִל
(chayil)
kracht
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֗וֹת
(meot)
honderd
עַ֚ל
(al)
over
פְּקֻדַּ֣ת
(pequdat)
het toezicht op
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
aan de overkant van
לַיַּרְדֵּ֖ן
(layarden)
de Jordaan
מַעְרָ֑בָה
(marava)
westwaarts
לְכֹל֙
(lekhol)
voor al
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
het werk van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלַעֲבֹדַ֖ת
(velaavodat)
en voor de dienst van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
‘Aan de westkant van de Jordaan’: het land van Israël tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
מֵעֵבֶר לַיַּרְדֵּן מַעֲרָבָה (me’ever layyarden ma’aravah), ‘aan de overkant van de Jordaan, westwaarts’: het woord ‘overkant’ gaat hier om de westkant.
31Voor de Hebronieten was Jeria het hoofd, naar hun geslachten, naar hun vaderhuizen. In het veertigste jaar van het koningschap van David werd naar hen gezocht. Men vond onder hen dappere mannen in Jaëzer in Gilead.
לַֽחֶבְרוֹנִי֙
(lachevroni)
voor de Hebroniet
יְרִיָּ֣ה
(yeriya)
Jeria
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
לַֽחֶבְרוֹנִ֥י
(lachevroni)
voor de Hebroniet
לְתֹלְדֹתָ֖יו
(letoledotav)
naar zijn geslachten
לְאָב֑וֹת
(leavot)
naar de vaderhuizen
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar
הָֽאַרְבָּעִ֜ים
(haarbaim)
het veertigste
לְמַלְכ֤וּת
(lemalkhut)
van het koningschap van
דָּוִיד֙
(david)
David
נִדְרָ֔שׁוּ
(nidrashu)
werd gezocht
וַיִּמָּצֵ֥א
(vayimatse)
en werd gevonden
בָהֶ֛ם
(bahem)
onder hen
גִּבּ֥וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
בְּיַעְזֵ֥יר
(beyazeir)
in Jaëzer
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jaëzer (יַעְזֵר) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.
De precieze ligging is onzeker (Num. 21:32).
Uitleg
Het veertigste jaar van het koningschap van David is zijn laatste jaar (2 Sam. 5:4).
32Zijn broers, 2.700 dappere mannen, waren hoofden van vaderhuizen. Koning David stelde hen aan over de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse. Dat was voor alle zaken van Elohim en de zaken van de koning.
וְאֶחָ֣יו
(veechav)
en zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַ֗יִל
(chayil)
kracht
אַלְפַּ֛יִם
(alpayim)
tweeduizend
וּשְׁבַ֥ע
(usheva)
en zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֑וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וַיַּפְקִידֵ֞ם
(vayafqidem)
en stelde hen aan
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
over
הָראוּבֵנִ֤י
(haruveni)
de Rubeniet
וְהַגָּדִי֙
(vehagadi)
en de Gadiet
וַחֲצִי֙
(vachatsi)
en de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
הַֽמְנַשִּׁ֔י
(hamnashi)
de Manassiet
לְכָל
(lekhal)
voor al
דְּבַ֥ר
(devar)
zaak van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
וּדְבַ֥ר
(udevar)
en zaak van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilead, Gad en Ruben lagen ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.
Uitleg
De tekst heeft hier ‘de Manassiet’.
De halve stam Manasse woonde ten oosten van de Jordaan.