Elohim Bijbel

1 Kronieken 26

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De poortwachters, de schatkamers en de beambten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De afdelingen van de poortwachters

1Over de afdelingen van de poortwachters: van de Korachieten Mesjelemja, de zoon van Kore, uit de zonen van Asaf.
לְמַחְלְק֖וֹת
(lemachleqot)
voor de afdelingen
לְשֹׁעֲרִ֑ים
(leshoarim)
voor de poortwachters
לַקָּרְחִ֕ים
(laqarechim)
voor de Korachieten
מְשֶֽׁלֶמְיָ֥הוּ
(meshelemyahu)
Mesjelemja
בֶן
(ben)
zoon van
קֹרֵ֖א
(qore)
Kore
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אָסָֽף
(asaf)
Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kore (קֹרֵא) en Korach (קֹרַח) zijn verschillende namen.

De Korachieten zijn nakomelingen van Korach (Num. 26:58).

Lezing

Hier staat ‘uit de zonen van Asaf’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Deze Asaf is waarschijnlijk niet de zanger Asaf uit hoofdstuk 25: Mesjelemja is een Korachiet.

Vergelijk Abiasaf, een zoon van Korach, in Exod. 6:24.

2Mesjelemja had zonen: Zacharia, de eerstgeborene, Jediaël, de tweede, Zebadja, de derde, Jatniël, de vierde,
וְלִמְשֶֽׁלֶמְיָ֖הוּ
(velimshelemyahu)
en voor Mesjelemja
בָּנִ֑ים
(banim)
zonen
זְכַרְיָ֤הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
הַבְּכוֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
יְדִֽיעֲאֵ֣ל
(yediael)
Jediaël
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
זְבַדְיָ֨הוּ֙
(zevadyahu)
Zebadja
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
יַתְנִיאֵ֖ל
(yatniel)
Jatniël
הָרְבִיעִֽי
(harevii)
de vierde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Elam, de vijfde, Jochanan, de zesde, Eljoënai, de zevende.
עֵילָ֤ם
(eilam)
Elam
הַחֲמִישִׁי֙
(hachamishi)
de vijfde
יְהוֹחָנָ֣ן
(yehochanan)
Jochanan
הַשִּׁשִּׁ֔י
(hashishi)
de zesde
אֶלְיְהוֹעֵינַ֖י
(elyehoeinay)
Eljoënai
הַשְּׁבִיעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Obed-Edom had zonen: Sjemaja, de eerstgeborene, Jozabad, de tweede, Joach, de derde, Sachar, de vierde, Netanel, de vijfde,
וּלְעֹבֵ֥ד
(uleoved)
en voor Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
בָּנִ֑ים
(banim)
zonen
שְׁמַֽעְיָ֤ה
(shemaya)
Sjemaja
הַבְּכוֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
יְהוֹזָבָ֣ד
(yehozavad)
Jozabad
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
יוֹאָ֤ח
(yoach)
Joach
הַשְּׁלִשִׁי֙
(hashelishi)
de derde
וְשָׂכָ֣ר
(vesakhar)
en Sachar
הָרְבִיעִ֔י
(harevii)
de vierde
וּנְתַנְאֵ֖ל
(unetanel)
en Netanel
הַחֲמִישִֽׁי
(hachamishi)
de vijfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Of deze Obed-Edom dezelfde man is als Obed-Edom de Gattiet in 2 Sam. 6:10–12, zegt de tekst niet.

5Ammiël, de zesde, Issachar, de zevende, Peulletai, de achtste. Want Elohim had hem gezegend.
עַמִּיאֵ֤ל
(amiel)
Ammiël
הַשִּׁשִּׁי֙
(hashishi)
de zesde
יִשָׂשכָ֣ר
(yisashkhar)
Issachar
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
פְּעֻלְּתַ֖י
(peuletay)
Peulletai
הַשְּׁמִינִ֑י
(hashemini)
de achtste
כִּ֥י
(ki)
want
בֵרֲכ֖וֹ
(berakho)
had hem gezegend
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי בֵרְכוֹ אֱלֹהִים (ki verachow Elohim), ‘want Elohim had hem gezegend’: de tekst noemt de zegen direct na de acht zonen.

Obed-Edom heeft in totaal acht zonen.

Zie ookPs 128:1
6Aan Sjemaja, zijn zoon, werden zonen geboren. Zij waren heersers over het huis van hun vader, want zij waren dappere mannen.
וְלִֽשְׁמַֽעְיָ֤ה
(velishmaya)
en voor Sjemaja
בְנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
נוֹלַ֣ד
(nolad)
werden geboren
בָּנִ֔ים
(banim)
zonen
הַמִּמְשָׁלִ֖ים
(hamimshalim)
die heersten
לְבֵ֣ית
(leveit)
over het huis van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
כִּֽי
(ki)
want
גִבּ֥וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹרֵי חַיִל (gibborei chayil), ‘dappere mannen’: letterlijk ‘helden van kracht’.

Hetzelfde geldt voor בְּנֵי חַיִל (bnei chayil), ‘zonen van kracht’, in vers 7, 9, 30 en 32.

7De zonen van Sjemaja: Otni, Refaël, Obed en Elzabad. Zijn broers Elihu en Semachja waren dappere mannen.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
שְׁמַֽעְיָ֗ה
(shemaya)
Sjemaja
עָ֠תְנִי
(ateni)
Otni
וּרְפָאֵ֨ל
(urefael)
en Refaël
וְעוֹבֵ֧ד
(veoved)
en Obed
אֶלְזָבָ֛ד
(elzavad)
Elzabad
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חָ֑יִל
(chayil)
kracht
אֱלִיה֖וּ
(elihu)
Elihu
וּסְמַכְיָֽהוּ
(usemakhyahu)
en Semachja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie met ‘zijn broers’ bedoeld is, Elzabad of Sjemaja, zegt de tekst niet.

8Al deze mannen behoorden tot de zonen van Obed-Edom: zij, hun zonen en hun broers. Het waren dappere mannen met kracht voor de dienst. Samen waren zij 62 uit Obed-Edom.
כָּל
(kal)
heel
אֵ֜לֶּה
(ele)
deze
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
uit de zonen van
עֹבֵ֣ד
(oved)
Obed
אֱדֹ֗ם
(edom)
Edom
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
וּבְנֵיהֶם֙
(uveneihem)
en hun zonen
וַאֲחֵיהֶ֔ם
(vaacheihem)
en hun broers
אִֽישׁ
(ish)
man van
חַ֥יִל
(chayil)
kracht
בַּכֹּ֖חַ
(bakoach)
met sterkte
לַעֲבֹדָ֑ה
(laavoda)
voor de dienst
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וּשְׁנַ֖יִם
(ushenayim)
en twee
לְעֹבֵ֥ד
(leoved)
voor Obed
אֱדֹֽם
(edom)
Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Mesjelemja had zonen en broers, dappere mannen: 18.
וְלִמְשֶֽׁלֶמְיָ֗הוּ
(velimshelemyahu)
en voor Mesjelemja
בָּנִ֧ים
(banim)
zonen
וְאַחִ֛ים
(veachim)
en broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חָ֖יִל
(chayil)
kracht
שְׁמוֹנָ֥ה
(shemona)
acht
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Chosa, uit de zonen van Merari, had zonen. Sjimri was het hoofd. Want er was geen eerstgeborene, en zijn vader stelde hem aan als hoofd.
וּלְחֹסָ֥ה
(ulechosa)
en voor Chosa
מִן
(min)
uit
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
מְרָרִ֖י
(merari)
Merari
בָּנִ֑ים
(banim)
zonen
שִׁמְרִ֤י
(shimri)
Sjimri
הָרֹאשׁ֙
(harosh)
het hoofd
כִּ֣י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֣ה
(haya)
was
בְכ֔וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
וַיְשִׂימֵ֥הוּ
(vaysimehu)
en stelde hem aan
אָבִ֖יהוּ
(avihu)
zijn vader
לְרֹֽאשׁ
(lerosh)
als hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי לֹא הָיָה בְכוֹר (ki lo haya bechor), ‘want er was geen eerstgeborene’: dit kan ook betekenen ‘hoewel hij niet de eerstgeborene was’.

Wij houden de woorden van de tekst.

11Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zacharia de vierde. Alle zonen en broers van Chosa: 13.
חִלְקִיָּ֤הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
de tweede
טְבַלְיָ֣הוּ
(tevalyahu)
Tebalja
הַשְּׁלִשִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
זְכַרְיָ֖הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
הָרְבִעִ֑י
(harevii)
de vierde
כָּל
(kal)
alle
בָּנִ֧ים
(banim)
zonen
וְאַחִ֛ים
(veachim)
en broers
לְחֹסָ֖ה
(lechosa)
van Chosa
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het lot voor de poorten

12Dit zijn de afdelingen van de poortwachters, onder de hoofden van de mannen. Zij hadden dienstbeurten, evenals hun broers, om te dienen in het huis van Yahweh.
לְ֠אֵלֶּה
(leele)
voor deze
מַחְלְק֨וֹת
(machleqot)
afdelingen van
הַשֹּֽׁעֲרִ֜ים
(hashoarim)
de poortwachters
לְרָאשֵׁ֧י
(lerashei)
voor de hoofden van
הַגְּבָרִ֛ים
(hagevarim)
de mannen
מִשְׁמָר֖וֹת
(mishmarot)
dienstbeurten
לְעֻמַּ֣ת
(leumat)
evenals
אֲחֵיהֶ֑ם
(acheihem)
hun broers
לְשָׁרֵ֖ת
(lesharet)
om te dienen
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעֻמַּת (leummat), ‘evenals’: letterlijk ‘tegenover’.

Zie ook 1 Kron. 25:8.

13Zij wierpen loten, de kleine zowel als de grote, per vaderhuis, voor poort na poort.
וַיַּפִּ֨ילוּ
(vayapilu)
en wierpen
גוֹרָל֜וֹת
(goralot)
loten
כַּקָּטֹ֧ן
(kaqaton)
als de kleine
כַּגָּד֛וֹל
(kagadol)
als de grote
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֲבוֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
לְשַׁ֥עַר
(leshaar)
voor poort
וָשָֽׁעַר
(vashaar)
en poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Het lot voor het oosten viel op Sjelemja. Ook voor zijn zoon Zacharia, een raadsman met inzicht, wierpen zij loten. Zijn lot kwam uit voor het noorden.
וַיִּפֹּ֧ל
(vayipol)
en viel
הַגּוֹרָ֛ל
(hagoral)
het lot
מִזְרָ֖חָה
(mizracha)
naar het oosten
לְשֶֽׁלֶמְיָ֑הוּ
(leshelemyahu)
voor Sjelemja
וּזְכַרְיָ֨הוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
בְנ֜וֹ
(beno)
zijn zoon
יוֹעֵ֣ץ
(yoets)
raadsman
בְּשֶׂ֗כֶל
(besekhel)
met inzicht
הִפִּ֨ילוּ֙
(hipilu)
wierpen zij
גּֽוֹרָל֔וֹת
(goralot)
loten
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en kwam uit
גוֹרָל֖וֹ
(goralo)
zijn lot
צָפֽוֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjelemja (שֶׁלֶמְיָהוּ) is waarschijnlijk een kortere vorm van Mesjelemja (vers 1, 2 en 9).

Zacharia is zijn eerstgeborene (vers 2).

15Voor Obed-Edom viel het lot op het zuiden. Voor zijn zonen viel het op het huis van de voorraden.
לְעֹבֵ֥ד
(leoved)
voor Obed
אֱדֹ֖ם
(edom)
Edom
נֶ֑גְבָּה
(negba)
naar het zuiden
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הָאֲסֻפִּֽים
(haasupim)
de voorraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הָאֲסֻפִּים (bet haasuppim), ‘het huis van de voorraden’: letterlijk ‘het huis van de verzamelingen’.

Het was een opslagplaats.

Dezelfde plaats staat in vers 17.

16Voor Sjuppim en Chosa viel het lot op het westen, bij de poort Sjalleket, aan de weg die omhoog loopt. De ene wachtpost stond tegenover de andere.
לְשֻׁפִּ֤ים
(leshupim)
voor Sjuppim
וּלְחֹסָה֙
(ulechosa)
en voor Chosa
לַֽמַּעֲרָ֔ב
(lamaarav)
naar het westen
עִ֚ם
(im)
met
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
שַׁלֶּ֔כֶת
(shalekhet)
Sjalleket
בַּֽמְסִלָּ֖ה
(bamsila)
aan de weg
הָעוֹלָ֑ה
(haola)
de opgaande
מִשְׁמָ֖ר
(mishmar)
wachtpost
לְעֻמַּ֥ת
(leumat)
tegenover
מִשְׁמָֽר
(mishmar)
wachtpost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De poort Sjalleket (שַׁלֶּכֶת) lag aan de westkant van het huis van Yahweh in Jeruzalem.

De precieze ligging is onzeker.

Zie Poort Sjalleket (ligging onzeker): De poort Sjalleket lag aan de westkant van het heiligdom in Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

שֻׁפִּים (Sjuppim): een naam die hier voor het eerst voorkomt.

Wie hij is, zegt de tekst niet.

מְסִלָּה (mesillah), ‘weg’: een aangelegde, opgehoogde weg.

17Aan de oostkant stonden zes Levieten, aan de noordkant vier per dag, aan de zuidkant vier per dag. Bij de voorraden stonden er twee aan twee.
לַמִּזְרָח֮
(lamizrach)
naar het oosten
הַלְוִיִּ֣ם
(halviyim)
de Levieten
שִׁשָּׁה֒
(shisha)
zes
לַצָּפ֤וֹנָה
(latsafona)
naar het noorden
לַיּוֹם֙
(layom)
per dag
אַרְבָּעָ֔ה
(arbaa)
vier
לַנֶּ֥גְבָּה
(lanegba)
naar het zuiden
לַיּ֖וֹם
(layom)
per dag
אַרְבָּעָ֑ה
(arbaa)
vier
וְלָאֲסֻפִּ֖ים
(velaasupim)
en bij de voorraden
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
שְׁנָֽיִם
(shenayim)
twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Bij de Parbar aan de westkant: vier bij de weg en twee bij de Parbar.
לַפַּרְבָּ֖ר
(laparbar)
bij de Parbar
לַֽמַּעֲרָ֑ב
(lamaarav)
naar het westen
אַרְבָּעָה֙
(arbaa)
vier
לַֽמְסִלָּ֔ה
(lamsila)
bij de weg
שְׁנַ֖יִם
(shenayim)
twee
לַפַּרְבָּֽר
(laparbar)
bij de Parbar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּרְבָּר (parbar), ‘Parbar’: een bouwwerk of ruimte aan de westkant.

De betekenis van het woord is onzeker.

19Dit zijn de afdelingen van de poortwachters, voor de zonen van de Korachiet en voor de zonen van Merari.
אֵ֗לֶּה
(ele)
deze
מַחְלְקוֹת֙
(machleqot)
afdelingen van
הַשֹּׁ֣עֲרִ֔ים
(hashoarim)
de poortwachters
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
הַקָּרְחִ֖י
(haqarechi)
de Korachiet
וְלִבְנֵ֥י
(velivnei)
en voor de zonen van
מְרָרִֽי
(merari)
Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst heeft ‘de zonen van de Korachiet’.

De Korachieten zijn nakomelingen van Korach.

Zie ookNum 16:11

De schatkamers

20Van de Levieten was Achia over de schatkamers van het huis van Elohim en over de schatkamers van de gewijde gaven.
וְֽהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
אֲחִיָּ֗ה
(achiya)
Achia
עַל
(al)
over
אֽוֹצְרוֹת֙
(otserot)
schatkamers van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וּלְאֹֽצְר֖וֹת
(uleotserot)
en over de schatkamers van
הַקֳּדָשִֽׁים
(haqodashim)
de gewijde gaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקֳּדָשִׁים (haqodashim), ‘de gewijde gaven’: alles wat aan Yahweh is toegewijd.

Zie vers 26–28.

21De zonen van Ladan, de zonen van de Gersjoniet Ladan, de hoofden van de vaderhuizen van Ladan, de Gersjoniet: Jechieli.
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
לַ֠עְדָּן
(ladan)
Ladan
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
הַגֵּרְשֻׁנִּ֜י
(hagereshuni)
de Gersjoniet
לְלַעְדָּ֗ן
(leladan)
van Ladan
רָאשֵׁ֧י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לְלַעְדָּ֥ן
(leladan)
van Ladan
הַגֵּרְשֻׁנִּ֖י
(hagereshuni)
de Gersjoniet
יְחִיאֵלִֽי
(yechieli)
Jechieli
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ladan (לַעְדָּן) is een Gersjoniet.

Of יְחִיאֵלִי (Jechieli) een persoon is of een familie (‘de Jechielieten’), blijft onzeker.

Vers 22 spreekt van de ‘zonen van Jechieli’.

Daarom nemen wij het als naam.

Het is waarschijnlijk dezelfde man als Jechiël, het hoofd van de zonen van Ladan, met Zetam en Joël (1 Kron. 23:8; 29:8).

22De zonen van Jechieli: Zetam en zijn broer Joël. Zij waren over de schatkamers van het huis van Yahweh.
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יְחִֽיאֵלִ֑י
(yechieli)
Jechieli
זֵתָם֙
(zetam)
Zetam
וְיוֹאֵ֣ל
(veyoel)
en Joël
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
עַל
(al)
over
אֹצְר֖וֹת
(otserot)
schatkamers van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Van de Amramieten, de Jisharieten, de Hebronieten en de Uzziëlieten:
לַֽעַמְרָמִי֙
(laamrami)
voor de Amramiet
לַיִּצְהָרִ֔י
(layitshari)
voor de Jishariet
לַֽחֶבְרוֹנִ֖י
(lachevroni)
voor de Hebroniet
לָֽעָזִּיאֵלִֽי
(laazieli)
voor de Uzziëliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de vier families van Kehat: Num. 3:19.

24Sjebuël, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was leider over de schatkamers.
וּשְׁבֻאֵל֙
(ushevuel)
en Sjebuël
בֶּן
(ben)
zoon van
גֵּרְשׁ֣וֹם
(gereshom)
Gersom
בֶּן
(ben)
zoon van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
נָגִ֖יד
(nagid)
leider
עַל
(al)
over
הָאֹצָרֽוֹת
(haotsarot)
de schatkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjebuël (שְׁבוּאֵל) is een zoon van Gersom, de zoon van Mozes (Exod. 2:22).

25Zijn broers via Eliëzer waren: Rechabja, zijn zoon, Jesaja, zijn zoon, Joram, zijn zoon, Zichri, zijn zoon, en Sjelomit, zijn zoon.
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broers
לֶֽאֱלִיעֶ֑זֶר
(leeliezer)
via Eliëzer
רְחַבְיָ֨הוּ
(rechavyahu)
Rechabja
בְנ֜וֹ
(beno)
zijn zoon
וִֽישַׁעְיָ֤הוּ
(vishayahu)
en Jesaja
בְנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
וְיֹרָ֣ם
(veyoram)
en Joram
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
וְזִכְרִ֥י
(vezikhri)
en Zichri
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
וּשְׁלֹמִ֥ית
(ushelomit)
en Sjelomit
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eliëzer was de andere zoon van Mozes (Exod. 18:4).

Elke ‘zoon’ in de rij is een volgende generatie.

Lezing

Geschreven staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot).

Gelezen wordt שְׁלֹמִית (Sjelomit).

Wij volgen de gelezen vorm.

26Deze Sjelomit en zijn broers waren over alle schatkamers van de gewijde gaven. Koning David, de hoofden van de vaderhuizen, de leiders van de duizendtallen en honderdtallen en de legeroversten hadden die toegewijd.
ה֧וּא
(hu)
hij
שְׁלֹמ֣וֹת
(shelomot)
Sjelomit
וְאֶחָ֗יו
(veechav)
en zijn broers
עַ֣ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
אֹצְר֤וֹת
(otserot)
schatkamers van
הַקֳּדָשִׁים֙
(haqodashim)
de gewijde gaven
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִקְדִּ֜ישׁ
(hiqdish)
had toegewijd
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְרָאשֵׁ֧י
(verashei)
en de hoofden van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לְשָׂרֵֽי
(lesarei)
voor de leiders van
הָאֲלָפִ֥ים
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֖וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en de oversten van
הַצָּבָֽא
(hatsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staat שְׁלֹמוֹת (Sjelomot), een andere vorm van de naam Sjelomit.

Het is dezelfde man als in vers 25 en 28.

Wij schrijven overal Sjelomit.

27Uit de oorlogen en uit de buit hadden zij het toegewijd, om het huis van Yahweh te versterken.
מִן
(min)
uit
הַמִּלְחָמ֥וֹת
(hamilchamot)
de oorlogen
וּמִן
(umin)
en uit
הַשָּׁלָ֖ל
(hashalal)
de buit
הִקְדִּ֑ישׁוּ
(hiqdishu)
zij hadden toegewijd
לְחַזֵּ֖ק
(lechazeq)
om te versterken
לְבֵ֥ית
(leveit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘versterken’: het huis van Yahweh sterk houden, dus onderhouden en herstellen.

28Alles wat Samuël, de ziener, Saul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja, hadden toegewijd, alles wat iemand toewijdde, stond onder leiding van Sjelomit en zijn broers.
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en alles
הַֽהִקְדִּ֜ישׁ
(hahiqdish)
wat toewijdde
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
הָרֹאֶה֙
(haroe)
de ziener
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
בֶּן
(ben)
zoon van
קִ֔ישׁ
(qish)
Kis
וְאַבְנֵ֣ר
(veavner)
en Abner
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵ֔ר
(ner)
Ner
וְיוֹאָ֖ב
(veyoav)
en Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֑ה
(tseruya)
Zeruja
כֹּ֚ל
(kol)
alles
הַמַּקְדִּ֔ישׁ
(hamaqdish)
wat iemand toewijdde
עַ֥ל
(al)
onder
יַד
(yad)
hand van
שְׁלֹמִ֖ית
(shelomit)
Sjelomit
וְאֶחָֽיו
(veechav)
en zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Samuël wordt ook in 1 Sam. 9:9 de ‘ziener’ genoemd.

De beambten buiten het huis

29Van de Jisharieten waren Kenanja en zijn zonen over Israël aangesteld voor het werk buiten, als opzichters en rechters.
לַיִּצְהָרִ֞י
(layitshari)
voor de Jishariet
כְּנַנְיָ֣הוּ
(kenanyahu)
Kenanja
וּבָנָ֗יו
(uvanav)
en zijn zonen
לַמְּלָאכָ֤ה
(lamelakha)
voor het werk
הַחִֽיצוֹנָה֙
(hachitsona)
het buitenste
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְשֹׁטְרִ֖ים
(leshoterim)
als opzichters
וּלְשֹׁפְטִֽים
(uleshofetim)
en rechters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in Num. 11:16.

‘Het werk buiten’ is werk buiten de dienst in het huis van Elohim: bestuur en rechtspraak over Israël.

30Van de Hebronieten hadden Chasabja en zijn broers, 1.700 dappere mannen, het toezicht over Israël aan de westkant van de Jordaan. Dat was voor al het werk van Yahweh en voor de dienst van de koning.
לַֽחֶבְרוֹנִ֡י
(lachevroni)
voor de Hebroniet
חֲשַׁבְיָהוּ֩
(chashavyahu)
Chasabja
וְאֶחָ֨יו
(veechav)
en zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַ֜יִל
(chayil)
kracht
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֗וֹת
(meot)
honderd
עַ֚ל
(al)
over
פְּקֻדַּ֣ת
(pequdat)
het toezicht op
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
aan de overkant van
לַיַּרְדֵּ֖ן
(layarden)
de Jordaan
מַעְרָ֑בָה
(marava)
westwaarts
לְכֹל֙
(lekhol)
voor al
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
het werk van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלַעֲבֹדַ֖ת
(velaavodat)
en voor de dienst van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘Aan de westkant van de Jordaan’: het land van Israël tussen de Jordaan en de Middellandse Zee, in het huidige Israël en de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

מֵעֵבֶר לַיַּרְדֵּן מַעֲרָבָה (me’ever layyarden ma’aravah), ‘aan de overkant van de Jordaan, westwaarts’: het woord ‘overkant’ gaat hier om de westkant.

In vers 32 wordt de oostkant bedoeld.

31Voor de Hebronieten was Jeria het hoofd, naar hun geslachten, naar hun vaderhuizen. In het veertigste jaar van het koningschap van David werd naar hen gezocht. Men vond onder hen dappere mannen in Jaëzer in Gilead.
לַֽחֶבְרוֹנִי֙
(lachevroni)
voor de Hebroniet
יְרִיָּ֣ה
(yeriya)
Jeria
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
לַֽחֶבְרוֹנִ֥י
(lachevroni)
voor de Hebroniet
לְתֹלְדֹתָ֖יו
(letoledotav)
naar zijn geslachten
לְאָב֑וֹת
(leavot)
naar de vaderhuizen
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar
הָֽאַרְבָּעִ֜ים
(haarbaim)
het veertigste
לְמַלְכ֤וּת
(lemalkhut)
van het koningschap van
דָּוִיד֙
(david)
David
נִדְרָ֔שׁוּ
(nidrashu)
werd gezocht
וַיִּמָּצֵ֥א
(vayimatse)
en werd gevonden
בָהֶ֛ם
(bahem)
onder hen
גִּבּ֥וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
בְּיַעְזֵ֥יר
(beyazeir)
in Jaëzer
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jaëzer (יַעְזֵר) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

De precieze ligging is onzeker (Num. 21:32).

Uitleg

Het veertigste jaar van het koningschap van David is zijn laatste jaar (2 Sam. 5:4).

32Zijn broers, 2.700 dappere mannen, waren hoofden van vaderhuizen. Koning David stelde hen aan over de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse. Dat was voor alle zaken van Elohim en de zaken van de koning.
וְאֶחָ֣יו
(veechav)
en zijn broers
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַ֗יִל
(chayil)
kracht
אַלְפַּ֛יִם
(alpayim)
tweeduizend
וּשְׁבַ֥ע
(usheva)
en zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֑וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וַיַּפְקִידֵ֞ם
(vayafqidem)
en stelde hen aan
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
over
הָראוּבֵנִ֤י
(haruveni)
de Rubeniet
וְהַגָּדִי֙
(vehagadi)
en de Gadiet
וַחֲצִי֙
(vachatsi)
en de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam
הַֽמְנַשִּׁ֔י
(hamnashi)
de Manassiet
לְכָל
(lekhal)
voor al
דְּבַ֥ר
(devar)
zaak van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
וּדְבַ֥ר
(udevar)
en zaak van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilead, Gad en Ruben lagen ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

Uitleg

De tekst heeft hier ‘de Manassiet’.

De halve stam Manasse woonde ten oosten van de Jordaan.