Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David maakt Salomo koning en telt de Levieten
1David was oud en verzadigd van dagen. Hij maakte zijn zoon Salomo koning over Israël.
וְדָוִ֥יד
(vedavid)
en David
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oud
וְשָׂבַ֣ע
(vesava)
en verzadigd
יָמִ֑ים
(yamim)
van dagen
וַיַּמְלֵ֛ךְ
(vayamlekh)
en maakte koning
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְשָׂבַע יָמִים (vesavah yamim), ‘verzadigd van dagen’: een lang en vol leven.
Vergelijk Gen. 35:29.
הַמְלִיךְ (himlich), ‘koning maken’: David maakt Salomo nog tijdens zijn leven koning.
3De Levieten werden geteld, van 30 jaar en ouder. Hun aantal, per hoofd van de mannen, was 38.000.
וַיִּסָּֽפְרוּ֙
(vayisaferu)
en werden geteld
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
מִבֶּ֛ן
(miben)
van een zoon van
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
30
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en daarboven
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
מִסְפָּרָ֤ם
(misparam)
hun aantal
לְגֻלְגְּלֹתָם֙
(legulgelotam)
per hoofd
לִגְבָרִ֔ים
(ligvarim)
van de mannen
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
30
וּשְׁמוֹנָ֖ה
(ushemona)
en 8
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְגֻלְגְּלֹתָם (legulgelotam), ‘per hoofd’: het woord betekent letterlijk ‘naar hun schedels’.
Zo staat het ook in Num. 1:2.
In Num. 4:3 worden de Levieten geteld van 30 tot 50 jaar. In vers 24 en 27 staat een telling vanaf 20 jaar, en Num. 8:24 noemt 25 jaar. Wij vertalen wat er staat.
De getallen in vers 3–5 tellen op: 24.000 + 6.000 + 4.000 + 4.000 = 38.000.
13De zonen van Amram: Aäron en Mozes. Aäron werd afgezonderd om geheiligd te worden als hoogheilig, hij en zijn zonen, voor altijd. Zij moesten voor het aangezicht van Yahweh offerrook laten opgaan, Hem dienen en in Zijn naam zegenen, voor altijd.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמְרָ֖ם
(amram)
Amram
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
וּמֹשֶׁ֑ה
(umoshe)
en Mozes
וַיִּבָּדֵ֣ל
(vayibadel)
en werd afgezonderd
אַהֲרֹ֡ן
(aharon)
Aäron
לְֽהַקְדִּישׁוֹ֩
(lehaqdisho)
om hem te heiligen
קֹ֨דֶשׁ
(qodesh)
als heilig van
קָֽדָשִׁ֤ים
(qadashim)
hoogheilig
הֽוּא
(hu)
hij
וּבָנָיו֙
(uvanav)
en zijn zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
altijd
לְהַקְטִיר֩
(lehaqtir)
om offerrook te laten opgaan
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשָׁרְת֛וֹ
(leshareto)
om Hem te dienen
וּלְבָרֵ֥ךְ
(ulevarekh)
en om te zegenen
בִּשְׁמ֖וֹ
(bishmo)
in Zijn naam
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Dit zijn de zonen van Levi, naar hun vaderhuizen, de familiehoofden. Zij werden geteld naar het aantal van de namen, per hoofd. Dat waren ieder die het werk deed voor de dienst van het huis van Yahweh, van 20 jaar en ouder.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
לֵוִי֩
(levi)
Levi
לְבֵ֨ית
(leveit)
naar het huis van
אֲבֹתֵיהֶ֜ם
(avoteihem)
hun vaders
רָאשֵׁ֧י
(rashei)
de hoofden van
הָאָב֣וֹת
(haavot)
de vaders
לִפְקוּדֵיהֶ֗ם
(lifqudeihem)
naar hun getelden
בְּמִסְפַּ֤ר
(bemispar)
naar het aantal van
שֵׁמוֹת֙
(shemot)
namen
לְגֻלְגְּלֹתָ֔ם
(legulgelotam)
per hoofd
עֹשֵׂה֙
(ose)
doener van
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
לַעֲבֹדַ֖ת
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִבֶּ֛ן
(miben)
van een zoon van
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
20
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
וָמָֽעְלָה
(vamaela)
en daarboven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּמִסְפַּר שֵׁמוֹת (bemispar shemot), ‘naar het aantal van de namen’: zoals in Num. 1:2.
עֹשֵׂה הַמְּלָאכָה (oseh hamelakhah), ‘ieder die het werk deed’: het woord staat in het enkelvoud.
28Want hun plaats is aan de zijde van de zonen van Aäron, voor de dienst van het huis van Yahweh. Zij zijn over de voorhoven, over de kamers en over de reiniging van alles wat heilig is. Ook doen zij het werk van de dienst van het huis van Elohim.
כִּ֣י
(ki)
want
מַעֲמָדָ֞ם
(maamadam)
hun plaats
לְיַד
(leyad)
aan de zijde van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
לַעֲבֹדַת֙
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
הַחֲצֵרוֹת֙
(hachatserot)
de voorhoven
וְעַל
(veal)
en over
הַלְּשָׁכ֔וֹת
(haleshakhot)
de kamers
וְעַֽל
(veal)
en over
טָהֳרַ֖ת
(tahorat)
de reiniging van
לְכָל
(lekhal)
alles wat
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heilig is
וּמַֽעֲשֵׂ֔ה
(umaase)
en het werk van
עֲבֹדַ֖ת
(avodat)
de dienst van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְיַד (leyad), ‘aan de zijde van’: letterlijk ‘aan de hand van’.
Het kan betekenen ‘naast’ of ‘onder leiding van’.
לְשָׁכוֹת (leshakhot), ‘kamers’: de vertrekken rond het huis.
טָהֳרָה (tohorah), ‘reiniging’: het schoon en rein maken van het heilige.
29Zij zijn ook over het toonbrood, over het fijne meel voor het graanoffer, over de ongezuurde wafels, over de bakplaat en over het gemengde deeg. Zij zijn ook over elke inhoudsmaat en elke maat.
וּלְלֶ֨חֶם
(ulelechem)
en over het brood van
הַֽמַּעֲרֶ֜כֶת
(hamaarekhet)
de schikking
וּלְסֹ֤לֶת
(ulesolet)
en over het fijne meel
לְמִנְחָה֙
(lemincha)
voor het graanoffer
וְלִרְקִיקֵ֣י
(velirqiqei)
en over de wafels van
הַמַּצּ֔וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
וְלַֽמַּחֲבַ֖ת
(velamachavat)
en over de bakplaat
וְלַמֻּרְבָּ֑כֶת
(velamurbakhet)
en over het gemengde deeg
וּלְכָל
(ulekhal)
en over elke
מְשׂוּרָ֖ה
(mesura)
inhoudsmaat
וּמִדָּֽה
(umida)
en maat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamaarekhet), ‘brood van de rijen’: dit is het toonbrood, dat in rijen op de tafel ligt.
Zie Lev. 24:5–8.
מַחֲבַת (machavat), ‘bakplaat’, en מֻרְבֶּכֶת (murbekhet), ‘gemengd’: zoals in Lev. 6:14 en Lev. 2:5. רְקִיקֵי (reqiqe), ‘wafels’: zoals in Lev. 2:4.
מְשׂוּרָה (mesurah), ‘inhoudsmaat’, en מִדָּה (middah), ‘maat’: zoals in Lev. 19:35.
31Ook bij alle brandoffers voor Yahweh staan zij klaar: op de sabbatten, bij de nieuwe manen en op de vastgestelde tijden. Zij doen dat in het aantal dat voor hen het recht is, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh.
וּלְכֹ֨ל
(ulekhol)
en bij alle
הַעֲל֤וֹת
(haalot)
het laten opgaan van
עֹלוֹת֙
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לַשַּׁבָּת֔וֹת
(lashabatot)
op de sabbatten
לֶחֳדָשִׁ֖ים
(lechodashim)
op de nieuwe manen
וְלַמֹּעֲדִ֑ים
(velamoadim)
en op de vastgestelde tijden
בְּמִסְפָּ֨ר
(bemispar)
in aantal
כְּמִשְׁפָּ֧ט
(kemishpat)
volgens het recht
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
dat voor hen geldt
תָּמִ֖יד
(tamid)
voortdurend
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֳדָשִׁים (chodashim), ‘maanden’: de eerste dag van de maand, de nieuwe maan.
Zie Num. 28:11.
מוֹעֲדִים (moadim), ‘vastgestelde tijden’: de feesten. Zie Num. 28:2.
32Zij houden de wacht van de tent van samenkomst en de wacht van het heilige. Ook houden zij de wacht van de zonen van Aäron, hun broers, voor de dienst van het huis van Yahweh.
וְשָׁמְר֞וּ
(veshameru)
en zij houden
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de wacht van
אֹֽהֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֗ד
(moed)
samenkomst
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
וּמִשְׁמֶ֕רֶת
(umishmeret)
en de wacht van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
אֲחֵיהֶ֑ם
(acheihem)
hun broers
לַעֲבֹדַ֖ת
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: het houden van de wacht en het zorgen voor wat aan je is toevertrouwd.