Elohim Bijbel

1 Kronieken 10

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De dood van Saul

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De slag op de Gilboa

1De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor de Filistijnen. Zij vielen gesneuveld op de berg Gilboa.
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִלְחֲמ֣וּ
(nilchamu)
streden
בְיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיָּ֑נָס
(vayanas)
en vluchtten
אִֽישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuveld
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
גִּלְבֹּֽעַ
(gilboa)
Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Israël en Westelijke Jordaanoever).

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met 1 Sam. 31.

Het sluit het geslachtsregister van Saul uit hoofdstuk 9 af en leidt naar David in hoofdstuk 11.

Wij vertalen de tekst van Kronieken zoals hij staat.

2De Filistijnen zetten Saul en zijn zonen hard achterna. Zij sloegen Jonatan, Abinadab en Malkisua, de zonen van Saul.
וַיַּדְבְּק֣וּ
(vayadbequ)
en zij zetten achterna
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en achter
בָנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיַּכּ֣וּ
(vayaku)
en zij sloegen
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹנָתָ֧ן
(yonatan)
Jonatan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבִינָדָ֛ב
(avinadav)
Abinadab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכִּי
(malki)
Malki
שׁ֖וּעַ
(shua)
sua
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Jonatan heet hier יוֹנָתָן (Yonatan), in 1 Kron. 9:39 יְהוֹנָתָן (Yehonatan).

Wij schrijven beide ‘Jonatan’.

Isjwi wordt hier niet genoemd, net als in 1 Sam. 31:2.

3De strijd werd zwaar voor Saul. De schutters met de boog vonden hem. Hij werd gewond door de schutters.
וַתִּכְבַּ֤ד
(vatikhbad)
en werd zwaar
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de strijd
עַל
(al)
tegen
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיִּמְצָאֻ֖הוּ
(vayimtsauhu)
en vonden hem
הַמּוֹרִ֣ים
(hamorim)
de schutters
בַּקָּ֑שֶׁת
(baqashet)
met de boog
וַיָּ֖חֶל
(vayachel)
en hij werd gewond
מִן
(min)
door
הַיּוֹרִֽים
(hayorim)
de schutters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַיָּחֶל (vayyachel) kan van twee werkwoorden komen: ‘hij werd gewond’ of ‘hij beefde’.

Wij kiezen ‘hij werd gewond’, zoals bij 1 Sam. 31:3.

Hier ontbreekt ‘zeer’ (מְאֹד), dat 1 Sam. 31:3 wel heeft.

Hier staat ‘de schutters met de boog’; in 1 Sam. 31:3 staat ‘de schutters, mannen met de boog’.

4Saul zei tegen de drager van zijn wapens: „Trek je zwaard en steek mij ermee door. Anders komen deze onbesnedenen en mishandelen mij.” Maar de drager van zijn wapens wilde het niet. Want hij was zeer bang. Toen nam Saul het zwaard en viel erop.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֩
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
נֹשֵׂ֨א
(nose)
de drager van
כֵלָ֜יו
(kelav)
zijn wapens
שְׁלֹ֥ף
(shelof)
trek
חַרְבְּךָ֣
(charbekha)
je zwaard
וְדָקְרֵ֣נִי
(vedaqereni)
en steek mij door
בָ֗הּ
(bah)
ermee
פֶּן
(pen)
anders
יָבֹ֜אוּ
(yavou)
zullen komen
הָעֲרֵלִ֤ים
(haarelim)
de onbesnedenen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
וְהִתְעַלְּלוּ
(vehitalelu)
en mishandelen
בִ֔י
(bi)
mij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde
נֹשֵׂ֣א
(nose)
de drager van
כֵלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
כִּ֥י
(ki)
want
יָרֵ֖א
(yare)
hij was bang
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיִּפֹּ֖ל
(vayipol)
en hij viel
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Kronieken heeft ‘steek mij door’ één keer.

In 1 Sam. 31:4 staat het werkwoord twee keer.

5De drager van zijn wapens zag dat Saul dood was. Ook hij viel op het zwaard en stierf.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en hij zag
נֹשֵֽׂא
(nose)
de drager van
כֵלָ֖יו
(kelav)
zijn wapens
כִּ֣י
(ki)
dat
מֵ֣ת
(met)
dood was
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
גַּם
(gam)
ook
ה֛וּא
(hu)
hij
עַל
(al)
op
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en hij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zo stierf Saul, met zijn drie zonen. Heel zijn huis stierf samen.
וַיָּ֤מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וּשְׁלֹ֣שֶׁת
(usheloshet)
en drie
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
מֵֽתוּ
(metu)
stierven zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn huis’ kan zijn familie zijn, of heel zijn huishouden.

Vergelijk 1 Sam. 31:6.

Lezing

Hier staat ‘heel zijn huis’ (וְכָל בֵּיתוֹ).

In 1 Sam. 31:6 staan ‘de drager van zijn wapens en al zijn mannen’ en ‘op die dag’.

Wij vertalen zoals het staat.

7Alle mannen van Israël die in het dal waren, zagen dat zij gevlucht waren. Zij zagen ook dat Saul en zijn zonen dood waren. Zij verlieten hun steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daarin wonen.
וַ֠יִּרְאוּ
(vayiru)
en zagen
כָּל
(kal)
heel
אִ֨ישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּעֵ֨מֶק֙
(baemeq)
in het dal
כִּ֣י
(ki)
dat
נָ֔סוּ
(nasu)
zij gevlucht waren
וְכִי
(vekhi)
en dat
מֵ֖תוּ
(metu)
dood waren
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
וַיַּעַזְב֤וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
עָרֵיהֶם֙
(areihem)
hun steden
וַיָּנֻ֔סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en woonden
בָּהֶֽם
(bahem)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

In 1 Sam. 31:7 staan ook ‘de mannen van Israël aan de overkant van de Jordaan’.

Dat ontbreekt hier.

De Filistijnen ontkleden de gevallenen

8De volgende dag kwamen de Filistijnen om de gesneuvelden uit te kleden. Zij vonden Saul en zijn zonen, gevallen op de berg Gilboa.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
לְפַשֵּׁ֖ט
(lefashet)
om uit te kleden
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽחֲלָלִ֑ים
(hachalalim)
de gesneuvelden
וַֽיִּמְצְא֤וּ
(vayimtseu)
en zij vonden
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
נֹפְלִ֖ים
(nofelim)
gevallen
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
גִּלְבֹּֽעַ
(gilboa)
Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gilboa: De Gilboa is een bergrug aan de zuidoostkant van de vallei van Jizreël.

9Zij kleedden hem uit en namen zijn hoofd en zijn wapens mee. Zij stuurden boden rond in het land van de Filistijnen. Die moesten het goede nieuws brengen aan hun afgoden en aan het volk.
וַיַּ֨פְשִׁיטֻ֔הוּ
(vayafshituhu)
en zij kleedden hem uit
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֵּלָ֑יו
(kelav)
zijn wapens
וַיְשַׁלְּח֨וּ
(vayshalechu)
en zij stuurden
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
de Filistijnen
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
לְבַשֵּׂ֛ר
(levaser)
om goed nieuws te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַבֵּיהֶ֖ם
(atsabeihem)
hun afgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

לְבַשֵּׂר (levasser), ‘goed nieuws brengen’: het is goed nieuws voor de Filistijnen.

Het Hebreeuws noemt geen boden; wij vullen ‘boden’ aan, zoals bij 1 Sam. 31:9.

עֲצַבֵּיהֶם (atsabbehem), ‘hun afgoden’: de godenbeelden van de Filistijnen. In 1 Sam. 31:9 staat ‘het huis van hun afgoden’.

10Zij legden zijn wapens in het huis van hun god. Zijn schedel bevestigden zij in het huis van Dagon.
וַיָּשִׂ֨ימוּ֙
(vayasimu)
en zij legden
אֶת
(et)
(obj.)
כֵּלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun god
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גֻּלְגָּלְתּ֥וֹ
(gulgalto)
zijn schedel
תָקְע֖וּ
(taqeu)
bevestigden zij
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
דָּגֽוֹן
(dagon)
Dagon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהֵיהֶם (elohehem), ‘hun god’: de vorm is meervoud, maar het gaat hier om de god van de Filistijnen, Dagon.

Dagon is ook de god van Asdod (1 Sam. 5:2).

Lezing

In 1 Sam. 31:10 leggen zij zijn wapens in het huis van de Astarten en bevestigen zij zijn lichaam aan de muur van Bet-Sean.

Kronieken noemt zijn schedel (גֻּלְגָּלְתּוֹ) en het huis van Dagon.

Wij vertalen zoals het staat.

Jabes in Gilead haalt de lichamen weg

11Heel Jabes in Gilead hoorde alles wat de Filistijnen met Saul hadden gedaan.
וַֽיִּשְׁמְע֔וּ
(vayishmeu)
en hoorden
כֹּ֖ל
(kol)
heel
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשׂ֥וּ
(asu)
hadden gedaan
פְלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
לְשָׁאֽוּל
(leshaul)
aan Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Saul had Jabes in Gilead eens gered (1 Sam. 11:1–11).

‘Heel Jabes’ zijn de inwoners.

12Alle dappere mannen stonden op. Zij namen het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen mee en brachten ze naar Jabes. Zij begroeven hun beenderen onder de eik in Jabes. Zij vastten zeven dagen.
וַיָּקוּמוּ֮
(vayaqumu)
en zij stonden op
כָּל
(kal)
alle
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
חַיִל֒
(chayil)
kracht
וַיִּשְׂא֞וּ
(vayisu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
גּוּפַ֣ת
(gufat)
het lichaam van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
גּוּפֹ֣ת
(gufot)
de lichamen van
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וַיְבִיא֖וּם
(vayvium)
en zij brachten hen
יָבֵ֑ישָׁה
(yaveisha)
naar Jabes
וַיִּקְבְּר֨וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמוֹתֵיהֶ֜ם
(atsmoteihem)
hun beenderen
תַּ֤חַת
(tachat)
onder
הָאֵלָה֙
(haela)
de eik
בְּיָבֵ֔שׁ
(beyavesh)
in Jabes
וַיָּצ֖וּמוּ
(vayatsumu)
en zij vastten
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan; de ligging is niet zeker (Jordanië).

Lezing

Kronieken noemt het begraven van de beenderen onder ‘de eik’ (הָאֵלָה).

In 1 Sam. 31:12–13 verbranden zij de lichamen eerst en begraven zij de beenderen onder ‘de tamarisk’ (הָאֶשֶׁל).

Wij vertalen zoals het staat.

Waarom Saul stierf

13Zo stierf Saul door zijn ontrouw. Hij was ontrouw geweest aan Yahweh, want hij had het woord van Yahweh niet bewaard. Ook had hij een dodengeest om raad gevraagd, om die te raadplegen.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
בְּמַֽעֲלוֹ֙
(bemaalo)
om zijn ontrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
מָעַ֣ל
(maal)
hij ontrouw was
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
עַל
(al)
over
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
שָׁמָ֑ר
(shamar)
hij bewaarde
וְגַם
(vegam)
en ook
לִשְׁא֥וֹל
(lishol)
om te vragen
בָּא֖וֹב
(baov)
een dodengeest
לִדְרֽוֹשׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעַל (ma‘al), ‘ontrouw’: zie Lev. 5:15.

אוֹב (ov), ‘dodengeest’: een geest van doden die men raadpleegt (Lev. 19:31, Deut. 18:11). Zie ook 1 Sam. 28:7.

דָּרַשׁ (darash), ‘raadplegen’.

Lezing

Kronieken noemt Sauls ontrouw: hij bewaarde het woord van Yahweh niet (1 Sam. 13:13; 15:11) en hij vroeg een dodengeest om raad.

In 1 Sam. 28:6 vraagt Saul Yahweh eerst om raad, maar Yahweh antwoordt niet.

Kronieken zegt dat hij Yahweh niet raadpleegde.

Wij vertalen beide zoals het staat.

14Yahweh raadpleegde hij niet. Hij liet hem sterven en wendde Hij het koningschap naar David, de zoon van Isaï.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
דָרַ֥שׁ
(darash)
raadpleegde hij
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
Yahweh
וַיְמִיתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en Hij liet hem sterven
וַיַּסֵּב֙
(vayasev)
en Hij wendde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
לְדָוִ֖יד
(ledavid)
naar David
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשָֽׁי
(yishay)
Isaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְמִיתֵהוּ (vayyemitehu), ‘Hij liet hem sterven’: Yahweh is het onderwerp.

Kronieken ziet Sauls dood dus als daad van Yahweh.

In 1 Sam. 31 staat dat niet.

וַיַּסֵּב (vayyasev), ‘Hij wendde’: Yahweh draait het koningschap om naar David. Zie ook 1 Sam. 15:28 en 16:13.