Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De slag op de Gilboa
1De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor de Filistijnen. Zij vielen gesneuveld op de berg Gilboa.
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִלְחֲמ֣וּ
(nilchamu)
streden
בְיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיָּ֑נָס
(vayanas)
en vluchtten
אִֽישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuveld
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
גִּלְבֹּֽעַ
(gilboa)
Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Israël en Westelijke Jordaanoever).
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Dit hoofdstuk loopt grotendeels gelijk met 1 Sam. 31.
Het sluit het geslachtsregister van Saul uit hoofdstuk 9 af en leidt naar David in hoofdstuk 11.
Wij vertalen de tekst van Kronieken zoals hij staat.
4Saul zei tegen de drager van zijn wapens: „Trek je zwaard en steek mij ermee door. Anders komen deze onbesnedenen en mishandelen mij.” Maar de drager van zijn wapens wilde het niet. Want hij was zeer bang. Toen nam Saul het zwaard en viel erop.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֩
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
נֹשֵׂ֨א
(nose)
de drager van
כֵלָ֜יו
(kelav)
zijn wapens
שְׁלֹ֥ף
(shelof)
trek
חַרְבְּךָ֣
(charbekha)
je zwaard
וְדָקְרֵ֣נִי
(vedaqereni)
en steek mij door
בָ֗הּ
(bah)
ermee
פֶּן
(pen)
anders
יָבֹ֜אוּ
(yavou)
zullen komen
הָעֲרֵלִ֤ים
(haarelim)
de onbesnedenen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
וְהִתְעַלְּלוּ
(vehitalelu)
en mishandelen
בִ֔י
(bi)
mij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde
נֹשֵׂ֣א
(nose)
de drager van
כֵלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
כִּ֥י
(ki)
want
יָרֵ֖א
(yare)
hij was bang
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיִּפֹּ֖ל
(vayipol)
en hij viel
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Alle mannen van Israël die in het dal waren, zagen dat zij gevlucht waren. Zij zagen ook dat Saul en zijn zonen dood waren. Zij verlieten hun steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daarin wonen.
וַ֠יִּרְאוּ
(vayiru)
en zagen
כָּל
(kal)
heel
אִ֨ישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּעֵ֨מֶק֙
(baemeq)
in het dal
כִּ֣י
(ki)
dat
נָ֔סוּ
(nasu)
zij gevlucht waren
וְכִי
(vekhi)
en dat
מֵ֖תוּ
(metu)
dood waren
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
וַיַּעַזְב֤וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
עָרֵיהֶם֙
(areihem)
hun steden
וַיָּנֻ֔סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en woonden
בָּהֶֽם
(bahem)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Lezing
In 1 Sam. 31:7 staan ook ‘de mannen van Israël aan de overkant van de Jordaan’.
9Zij kleedden hem uit en namen zijn hoofd en zijn wapens mee. Zij stuurden boden rond in het land van de Filistijnen. Die moesten het goede nieuws brengen aan hun afgoden en aan het volk.
וַיַּ֨פְשִׁיטֻ֔הוּ
(vayafshituhu)
en zij kleedden hem uit
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֵּלָ֑יו
(kelav)
zijn wapens
וַיְשַׁלְּח֨וּ
(vayshalechu)
en zij stuurden
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
de Filistijnen
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
לְבַשֵּׂ֛ר
(levaser)
om goed nieuws te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַבֵּיהֶ֖ם
(atsabeihem)
hun afgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
לְבַשֵּׂר (levasser), ‘goed nieuws brengen’: het is goed nieuws voor de Filistijnen.
Het Hebreeuws noemt geen boden; wij vullen ‘boden’ aan, zoals bij 1 Sam. 31:9.
עֲצַבֵּיהֶם (atsabbehem), ‘hun afgoden’: de godenbeelden van de Filistijnen. In 1 Sam. 31:9 staat ‘het huis van hun afgoden’.
12Alle dappere mannen stonden op. Zij namen het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen mee en brachten ze naar Jabes. Zij begroeven hun beenderen onder de eik in Jabes. Zij vastten zeven dagen.
וַיָּקוּמוּ֮
(vayaqumu)
en zij stonden op
כָּל
(kal)
alle
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
חַיִל֒
(chayil)
kracht
וַיִּשְׂא֞וּ
(vayisu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
גּוּפַ֣ת
(gufat)
het lichaam van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
גּוּפֹ֣ת
(gufot)
de lichamen van
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
וַיְבִיא֖וּם
(vayvium)
en zij brachten hen
יָבֵ֑ישָׁה
(yaveisha)
naar Jabes
וַיִּקְבְּר֨וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמוֹתֵיהֶ֜ם
(atsmoteihem)
hun beenderen
תַּ֤חַת
(tachat)
onder
הָאֵלָה֙
(haela)
de eik
בְּיָבֵ֔שׁ
(beyavesh)
in Jabes
וַיָּצ֖וּמוּ
(vayatsumu)
en zij vastten
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan; de ligging is niet zeker (Jordanië).
Lezing
Kronieken noemt het begraven van de beenderen onder ‘de eik’ (הָאֵלָה).
In 1 Sam. 31:12–13 verbranden zij de lichamen eerst en begraven zij de beenderen onder ‘de tamarisk’ (הָאֶשֶׁל).
13Zo stierf Saul door zijn ontrouw. Hij was ontrouw geweest aan Yahweh, want hij had het woord van Yahweh niet bewaard. Ook had hij een dodengeest om raad gevraagd, om die te raadplegen.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
בְּמַֽעֲלוֹ֙
(bemaalo)
om zijn ontrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
מָעַ֣ל
(maal)
hij ontrouw was
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
עַל
(al)
over
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
שָׁמָ֑ר
(shamar)
hij bewaarde
וְגַם
(vegam)
en ook
לִשְׁא֥וֹל
(lishol)
om te vragen
בָּא֖וֹב
(baov)
een dodengeest
לִדְרֽוֹשׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעַל (ma‘al), ‘ontrouw’: zie Lev. 5:15.
אוֹב (ov), ‘dodengeest’: een geest van doden die men raadpleegt (Lev. 19:31, Deut. 18:11). Zie ook 1 Sam. 28:7.
דָּרַשׁ (darash), ‘raadplegen’.
Lezing
Kronieken noemt Sauls ontrouw: hij bewaarde het woord van Yahweh niet (1 Sam. 13:13; 15:11) en hij vroeg een dodengeest om raad.
In 1 Sam. 28:6 vraagt Saul Yahweh eerst om raad, maar Yahweh antwoordt niet.