Elohim Bijbel

1 Kronieken 2

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De zonen van Israël en de afstammelingen van Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De twaalf zonen van Israël

1Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, Zebulon,
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
רְאוּבֵ֤ן
(reuven)
Ruben
שִׁמְעוֹן֙
(shimon)
Simeon
לֵוִ֣י
(levi)
Levi
וִיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
יִשָׂשכָ֖ר
(yisashkhar)
Issachar
וּזְבֻלֽוּן
(uzevulun)
en Zebulon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Israël is hier Jakob.

Zijn twaalf zonen staan ook in Gen. 35:23–26 en Exod. 1:2–4, daar in een andere volgorde.

Kronieken werkt de stammen daarna uit, te beginnen met Juda (vers 3).

2Dan, Jozef, Benjamin, Naftali, Gad en Aser.
דָּ֚ן
(dan)
Dan
יוֹסֵ֣ף
(yosef)
Jozef
וּבִנְיָמִ֔ן
(uvinyamin)
en Benjamin
נַפְתָּלִ֖י
(naftali)
Naftali
גָּ֥ד
(gad)
Gad
וְאָשֵֽׁר
(veasher)
en Aser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Juda

3De zonen van Juda waren Er, Onan en Sela. Die drie werden hem geboren uit de dochter van Sua, de Kanaänitische. Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van Yahweh. En Hij liet hem sterven.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עֵ֤ר
(er)
Er
וְאוֹנָן֙
(veonan)
en Onan
וְשֵׁלָ֔ה
(veshela)
en Sela
שְׁלוֹשָׁה֙
(shelosha)
drie
נ֣וֹלַד
(nolad)
werden geboren
ל֔וֹ
(lo)
hem
מִבַּת
(mibat)
uit de dochter van
שׁ֖וּעַ
(shua)
Sua
הַֽכְּנַעֲנִ֑ית
(hakenaanit)
de Kanaänitische
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en was
עֵ֣ר
(er)
Er
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
רַ֛ע
(ra)
kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְמִיתֵֽהוּ
(vaymitehu)
en Hij liet hem sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּעַ (Sua) is de Kanaänitische vader van Juda’s vrouw.

Zie Gen. 38:2–5.

De dood van Er staat in Gen. 38:7.

Zie ook Gen. 46:12 en Num. 26:19.

4Tamar, zijn schoondochter, baarde hem Peres en Zerach. Alle zonen van Juda waren er 5.
וְתָמָר֙
(vetamar)
en Tamar
כַּלָּת֔וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
יָ֥לְדָה
(yaleda)
zij baarde
לּ֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
פֶּ֣רֶץ
(perets)
Peres
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זָ֑רַח
(zarach)
Zerach
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
חֲמִשָּֽׁה
(chamisha)
vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Tamar baarde Peres en Zerach als tweeling (Gen. 38:27–30).

Met Er, Onan en Sela zijn het 5 zonen van Juda.

Er en Onan stierven kinderloos (Gen. 38:7–10).

5De zonen van Peres waren Chezron en Chamoel.
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
פֶ֖רֶץ
(perets)
Peres
חֶצְר֥וֹן
(chetsron)
Chezron
וְחָמֽוּל
(vechamul)
en Chamoel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Chezron en Chamoel als zonen van Peres: zie ook Gen. 46:12 en Num. 26:21.

6De zonen van Zerach waren Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Dara. In totaal waren het er 5.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
זֶ֗רַח
(zerach)
Zerach
זִ֠מְרִי
(zimri)
Zimri
וְאֵיתָ֧ן
(veeitan)
en Etan
וְהֵימָ֛ן
(veheiman)
en Heman
וְכַלְכֹּ֥ל
(vekhalkol)
en Kalkol
וָדָ֖רַע
(vadara)
en Dara
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
allen
חֲמִשָּֽׁה
(chamisha)
vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 1 Kon. 5:11 staan Etan, Heman, Kalkol en Darda (דַּרְדַּע).

Hier staat voor de laatste naam דָּרַע (Dara).

Wij houden de vorm van Kronieken.

7De zonen van Karmi: Achar, de brenger van ongeluk voor Israël. Hij pleegde trouwbreuk met de ban.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
כַּרְמִ֑י
(karmi)
Karmi
עָכָר֙
(akhar)
Achar
עוֹכֵ֣ר
(okher)
brenger van ongeluk van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מָעַ֖ל
(maal)
pleegde trouwbreuk
בַּחֵֽרֶם
(bacherem)
met de ban
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָכָר (Achar), ‘brenger van ongeluk’: dit is de man die in Joz. 7:1 en 7:18 עָכָן (Achan) heet.

De naam hoort bij het werkwoord עָכַר (achar), ‘in ongeluk brengen’ (Joz. 7:25).

Kronieken gebruikt de vorm die het woordspel laat horen.

מָעַל בַּחֵרֶם (maal bacherem), ‘trouwbreuk plegen met de ban’: zie Joz. 7:1 en 6:18.

8De zonen van Etan: Azaria.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
אֵיתָ֖ן
(eitan)
Etan
עֲזַרְיָֽה
(azarya)
Azaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In deze lijsten staat vaak ‘de zonen van’, terwijl er maar één naam volgt (ook in vers 31 en in 1 Kron. 1:41).

Wij vertalen letterlijk en laten het meervoud staan.

Van Chezron tot David

9De zonen van Chezron, die hem werden geboren, waren Jerachmeël, Ram en Kelubai.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
חֶצְר֖וֹן
(chetsron)
Chezron
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נוֹלַד
(nolad)
werd geboren
ל֑וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
יְרַחְמְאֵ֥ל
(yerachmeel)
Jerachmeël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָ֖ם
(ram)
Ram
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כְּלוּבָֽי
(keluvay)
Kelubai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלוּבָי (Kelubai) is een andere naam dan Kaleb (כָּלֵב) in de verzen 18 en 42.

Of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.

10Ram werd de vader van Amminadab, en Amminadab werd de vader van Nachsjon, de leider van de zonen van Juda.
וְרָ֖ם
(veram)
en Ram
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּינָדָ֑ב
(aminadav)
Amminadab
וְעַמִּינָדָב֙
(veaminadav)
en Amminadab
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
נַחְשׁ֔וֹן
(nachshon)
Nachsjon
נְשִׂ֖יא
(nesi)
leider van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: Nachsjon was de leider van de stam Juda in de woestijn (Num. 1:7; 2:3).

Zijn zuster Elisjeba was de vrouw van Aäron (Exod. 6:23).

Zie ook Matt. 1:4.

11Nachsjon werd de vader van Salmon, en Salmon werd de vader van Boaz.
וְנַחְשׁוֹן֙
(venachshon)
en Nachsjon
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שַׂלְמָ֔א
(salma)
Salmon
וְשַׂלְמָ֖א
(vesalma)
en Salmon
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בֹּֽעַז
(boaz)
Boaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In Hebreeuwse letters staat hier שַׂלְמָא (Salma).

Deze lijn van Nachsjon tot Boaz loopt gelijk met Ruth 4:20–21, waar wij Salmon schrijven.

Daarom schrijven wij ook hier in vers 11 Salmon.

In vers 51 en 54 staat dezelfde Hebreeuwse vorm.

Daar houden wij Salma, omdat de tekst niet zegt of het dezelfde man is.

12Boaz werd de vader van Obed, en Obed werd de vader van Isaï.
וּבֹ֨עַז֙
(uvoaz)
en Boaz
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עוֹבֵ֔ד
(oved)
Obed
וְעוֹבֵ֖ד
(veoved)
en Obed
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יִשָֽׁי
(yishay)
Isaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze lijn van Peres tot Isaï staat ook in Ruth 4:18–22 en in Matt. 1:3–6.

13Isaï werd de vader van Eliab, zijn eerstgeborene, Abinadab, de tweede, Simea, de derde,
וְאִישַׁ֛י
(veishay)
en Isaï
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בְּכֹר֖וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלִיאָ֑ב
(eliav)
Eliab
וַאֲבִינָדָב֙
(vaavinadav)
en Abinadab
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
וְשִׁמְעָ֖א
(veshima)
en Simea
הַשְּׁלִישִֽׁי
(hashelishi)
de derde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְעָא (Simea) is de derde zoon van Isaï.

In 1 Sam. 16:9 en 17:13 heet de derde zoon שַׁמָּה (Samma).

In 2 Sam. 13:3 staat שִׁמְעָה (Simea), de broer van David.

Wij schrijven de naam zoals hij in de Hebreeuwse tekst staat.

14Netanel, de vierde, Raddai, de vijfde,
נְתַנְאֵל֙
(netanel)
Netanel
הָֽרְבִיעִ֔י
(harevii)
de vierde
רַדַּ֖י
(raday)
Raddai
הַחֲמִישִֽׁי
(hachamishi)
de vijfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ozem, de zesde, David, de zevende.
אֹ֚צֶם
(otsem)
Ozem
הַשִּׁשִּׁ֔י
(hashishi)
de zesde
דָּוִ֖יד
(david)
David
הַשְּׁבִעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier zijn zeven zonen van Isaï genoemd, met David als zevende.

In 1 Sam. 17:12 heeft Isaï acht zonen.

De tekst zegt niet welke zoon in Kronieken ontbreekt.

16Hun zusters waren Zeruja en Abigaïl. De zonen van Zeruja waren Abisai, Joab en Asaël: in totaal 3.
וְאַחְיוֹתֵיהֶ֖ם
(veachyoteihem)
en hun zusters
צְרוּיָ֣ה
(tseruya)
Zeruja
וַאֲבִיגָ֑יִל
(vaavigayil)
en Abigaïl
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
צְרוּיָ֗ה
(tseruya)
Zeruja
אַבְשַׁ֛י
(avshay)
Abisai
וְיוֹאָ֥ב
(veyoav)
en Joab
וַעֲשָׂה
(vaasa)
en Asa
אֵ֖ל
(el)
El
שְׁלֹשָֽׁה
(shelosha)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 2 Sam. 17:25 is Abigaïl de dochter van Nachasj en de zuster van Zeruja.

Hier zijn Zeruja en Abigaïl de zusters van de zonen van Isaï.

Hoe beide teksten zich tot elkaar verhouden, zeggen ze niet.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft een afwijkende spelling van ‘hun zusters’ (אחיתיהם).

De gelezen tekst (qere) is וְאַחְיוֹתֵיהֶם.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

17Abigaïl baarde Amasa. De vader van Amasa was Jeter, de Ismaëliet.
וַאֲבִיגַ֕יִל
(vaavigayil)
en Abigaïl
יָלְדָ֖ה
(yaleda)
zij baarde
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָשָׂ֑א
(amasa)
Amasa
וַאֲבִ֣י
(vaavi)
en de vader van
עֲמָשָׂ֔א
(amasa)
Amasa
יֶ֖תֶר
(yeter)
Jeter
הַיִּשְׁמְעֵאלִֽי
(hayishmeeli)
de Ismaëliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Hier staat Jeter, de Ismaëliet (הַיִּשְׁמְעֵאלִי).

In 2 Sam. 17:25 staat Jitra, de Israëliet (הַיִּשְׂרְאֵלִי).

Wij volgen op beide plaatsen de Masoretische tekst.

De afstammelingen van Kaleb, de zoon van Chezron

18Kaleb, de zoon van Chezron, kreeg kinderen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jeriot. Dit zijn haar zonen: Jesjer, Sjobab en Ardon.
וְכָלֵ֣ב
(vekhalev)
en Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
חֶצְר֗וֹן
(chetsron)
Chezron
הוֹלִ֛יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֲזוּבָ֥ה
(azuva)
Azuba
אִשָּׁ֖ה
(isha)
vrouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְרִיע֑וֹת
(yeriot)
Jeriot
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit
בָנֶ֔יהָ
(baneiha)
haar zonen
יֵ֥שֶׁר
(yesher)
Jesjer
וְשׁוֹבָ֖ב
(veshovav)
en Sjobab
וְאַרְדּֽוֹן
(veardon)
en Ardon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze Kaleb is een zoon van Chezron.

Kaleb, de zoon van Jefunne, heeft een andere vader (Num. 13:6; Joz. 15:13).

Lezing

Letterlijk staat er: ‘Kaleb, de zoon van Chezron, werd de vader van Azuba, een vrouw, en van Jeriot’.

Het woord אֶת (et) kan ook ‘met’ of ‘bij’ betekenen.

Omdat de tekst daarna spreekt over ‘haar zonen’ en in vers 19 Azuba stierf, vertalen wij ‘kreeg kinderen bij Azuba, zijn vrouw, en bij Jeriot’.

Het woord ‘zijn’ staat er niet; de tekst heeft alleen ‘een vrouw’.

De tekst is hier moeilijk.

19Azuba stierf, en Kaleb nam Efrat voor zich. Zij baarde hem Chur.
וַתָּ֖מָת
(vatamat)
en stierf
עֲזוּבָ֑ה
(azuva)
Azuba
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en nam
ל֤וֹ
(lo)
voor zich
כָלֵב֙
(kalev)
Kaleb
אֶת
(et)
(obj.)
אֶפְרָ֔ת
(efrat)
Efrat
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
חֽוּר
(chur)
Chur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפְרָת (Efrat) is hier een vrouwennaam.

In vers 24 en 50 staat de vorm אֶפְרָתָה (Efrata), die ook een plaats kan zijn (Gen. 35:19).

20Chur werd de vader van Uri, en Uri werd de vader van Bezaleël.
וְחוּר֙
(vechur)
en Chur
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אוּרִ֔י
(uri)
Uri
וְאוּרִ֖י
(veuri)
en Uri
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
בְּצַלְאֵֽל
(betsalel)
Bezaleël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bezaleël is de bouwer van de tabernakel: zie Exod. 31:2 en 35:30.

Daar is hij ‘de zoon van Uri, de zoon van Chur’, net als hier.

21Daarna ging Chezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead. Hij nam haar tot vrouw toen hij 60 jaar oud was. Zij baarde hem Segub.
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
בָּ֤א
(ba)
ging in
חֶצְרוֹן֙
(chetsron)
Chezron
אֶל
(el)
tot
בַּת
(bat)
de dochter van
מָכִיר֙
(makhir)
Machir
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
גִלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
לְקָחָ֔הּ
(leqachah)
nam haar
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂגֽוּב
(seguv)
Segub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּא אֶל (ba el), ‘ingaan tot’: gemeenschap hebben met.

Zo ook in Gen. 38:2.

Machir was een zoon van Manasse en de vader van Gilead (Num. 26:29).

22Segub werd de vader van Jaïr. Jaïr had 23 steden in het land Gilead.
וּשְׂג֖וּב
(useguv)
en Segub
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יָאִ֑יר
(yair)
Jaïr
וַֽיְהִי
(vayhi)
en waren
ל֗וֹ
(lo)
hem
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וְשָׁלוֹשׁ֙
(veshalosh)
en drie
עָרִ֔ים
(arim)
steden
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
het Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilead (גִּלְעָד) is het bergland ten oosten van de Jordaan, in het noordwesten van het huidige Jordanië.

Uitleg

Jaïr wordt ook genoemd in Num. 32:41 en Richt. 10:3–4.

23Gesur en Aram namen Chavvot-Jaïr van hen af, en ook Kenat en de dorpen eromheen: 60 steden. Al deze waren zonen van Machir, de vader van Gilead.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
גְּשֽׁוּר
(geshur)
Gesur
וַ֠אֲרָם
(vaaram)
en Aram
אֶת
(et)
(obj.)
חַוֺּ֨ת
(chavot)
Chavvot
יָאִ֧יר
(yair)
Jaïr
מֵאִתָּ֛ם
(meitam)
van hen
אֶת
(et)
(obj.)
קְנָ֥ת
(qenat)
Kenat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶ֖יהָ
(benoteiha)
haar dorpen
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
עִ֑יר
(ir)
stad
כָּל
(kal)
alle
אֵ֕לֶּה
(ele)
deze
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
מָכִ֥יר
(makhir)
Machir
אֲבִי
(avi)
vader van
גִלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gesur (גְּשׁוּר) was een Aramees koninkrijk ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, bij de Golan.

De precieze plaats is onbekend.

Zie Kenat: Kenat wordt gezocht bij het huidige Qanawat, in het zuiden van Syrië.

Dit is niet zeker.

Kenat (קְנָת) ligt waarschijnlijk bij het huidige Qanawat in het zuiden van Syrië. De ligging is onzeker.

Uitleg

חַוֺּת יָאִיר (Chavvot-Jaïr), ‘de dorpen van Jaïr’: zie Num. 32:41 en Joz. 13:30.

Of de 60 steden de 23 steden van vers 22 bevatten, zegt de tekst niet.

24Na de dood van Chezron in Kaleb-Efrata baarde Abia, de vrouw van Chezron, hem Asjchur, de vader van Tekoa.
וְאַחַ֥ר
(veachar)
en na
מוֹת
(mot)
de dood van
חֶצְר֖וֹן
(chetsron)
Chezron
בְּכָלֵ֣ב
(bekhalev)
in Kaleb
אֶפְרָ֑תָה
(efrata)
Efrata
וְאֵ֤שֶׁת
(veeshet)
en de vrouw van
חֶצְרוֹן֙
(chetsron)
Chezron
אֲבִיָּ֔ה
(aviya)
Abia
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
אַשְׁח֖וּר
(ashchur)
Asjchur
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
תְקֽוֹעַ
(teqoa)
Tekoa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tekoa (תְּקוֹעַ) ligt in het bergland van Juda, ongeveer 10 km ten zuiden van Betlehem, bij het huidige Tequ’a op de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

אֲבִי (avi), ‘vader van’: bij plaatsnamen kan dit de stamvader of grondlegger van de plaats of van haar bewoners zijn.

De tekst zegt niet meer.

Lezing

בְּכָלֵב אֶפְרָתָה (bekhaleb Efratah) is moeilijk.

Wij lezen het als plaatsnaam: ‘in Kaleb-Efrata’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De afstammelingen van Jerachmeël

25De zonen van Jerachmeël, de eerstgeborene van Chezron, waren Ram, de eerstgeborene, en Buna, Oren, Ozem en Achia.
וַיִּהְי֧וּ
(vayihyu)
en waren
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יְרַחְמְאֵ֛ל
(yerachmeel)
Jerachmeël
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
חֶצְר֖וֹן
(chetsron)
Chezron
הַבְּכ֣וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
רָ֑ם
(ram)
Ram
וּבוּנָ֥ה
(uvuna)
en Buna
וָאֹ֛רֶן
(vaoren)
en Oren
וָאֹ֖צֶם
(vaotsem)
en Ozem
אֲחִיָּֽה
(achiya)
Achia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het laatste woord, אֲחִיָּה (Achia), lezen wij als een naam.

De tekst kan ook anders worden verstaan; wij volgen de Masoretische tekst.

26Jerachmeël had nog een andere vrouw. Haar naam was Atara. Zij was de moeder van Onam.
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en was
אִשָּׁ֥ה
(isha)
vrouw
אַחֶ֛רֶת
(acheret)
een andere
לִֽירַחְמְאֵ֖ל
(lirachmeel)
voor Jerachmeël
וּשְׁמָ֣הּ
(ushemah)
en haar naam
עֲטָרָ֑ה
(atara)
Atara
הִ֖יא
(hi)
zij
אֵ֥ם
(em)
moeder van
אוֹנָֽם
(onam)
Onam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerachmeël, waren Maäts, Jamin en Eker.
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en waren
בְנֵי
(benei)
de zonen van
רָ֖ם
(ram)
Ram
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יְרַחְמְאֵ֑ל
(yerachmeel)
Jerachmeël
מַ֥עַץ
(maats)
Maäts
וְיָמִ֖ין
(veyamin)
en Jamin
וָעֵֽקֶר
(vaeqer)
en Eker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjur.
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en waren
בְנֵי
(benei)
de zonen van
אוֹנָ֖ם
(onam)
Onam
שַׁמַּ֣י
(shamay)
Sjammai
וְיָדָ֑ע
(veyada)
en Jada
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
שַׁמַּ֔י
(shamay)
Sjammai
נָדָ֖ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִישֽׁוּר
(vaavishur)
en Abisjur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De naam van de vrouw van Abisjur was Abihaïl. Zij baarde hem Achban en Molid.
וְשֵׁ֛ם
(veshem)
en de naam van
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
אֲבִישׁ֖וּר
(avishur)
Abisjur
אֲבִיהָ֑יִל
(avihayil)
Abihaïl
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
אַחְבָּ֖ן
(achban)
Achban
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מוֹלִֽיד
(molid)
Molid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De zonen van Nadab waren Seled en Appajim. Seled stierf zonder zonen.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
נָדָ֖ב
(nadav)
Nadab
סֶ֣לֶד
(seled)
Seled
וְאַפָּ֑יִם
(veapayim)
en Appajim
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
סֶ֖לֶד
(seled)
Seled
לֹ֥א
(lo)
niet
בָנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De zonen van Appajim: Jisji. De zonen van Jisji: Sjesjan. De zonen van Sjesjan: Achlai.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
אַפַּ֖יִם
(apayim)
Appajim
יִשְׁעִ֑י
(yishi)
Jisji
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׁעִי֙
(yishi)
Jisji
שֵׁשָׁ֔ן
(sheshan)
Sjesjan
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
שֵׁשָׁ֖ן
(sheshan)
Sjesjan
אַחְלָֽי
(achlay)
Achlai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32De zonen van Jada, de broer van Sjammai: Jeter en Jonatan. Jeter stierf zonder zonen.
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
יָדָע֙
(yada)
Jada
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
שַׁמַּ֔י
(shamay)
Sjammai
יֶ֖תֶר
(yeter)
Jeter
וְיוֹנָתָ֑ן
(veyonatan)
en Jonatan
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
יֶ֖תֶר
(yeter)
Jeter
לֹ֥א
(lo)
niet
בָנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33De zonen van Jonatan: Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerachmeël.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יוֹנָתָ֖ן
(yonatan)
Jonatan
פֶּ֣לֶת
(pelet)
Peleth
וְזָזָ֑א
(vezaza)
en Zaza
אֵ֥לֶּה
(ele)
dit
הָי֖וּ
(hayu)
waren
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יְרַחְמְאֵֽל
(yerachmeel)
Jerachmeël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Sjesjan had geen zonen, maar alleen dochters. Sjesjan had een Egyptische dienaar. Zijn naam was Jarcha.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הָיָ֧ה
(haya)
was
לְשֵׁשָׁ֛ן
(lesheshan)
voor Sjesjan
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בָּנ֑וֹת
(banot)
dochters
וּלְשֵׁשָׁ֛ן
(ulesheshan)
en voor Sjesjan
עֶ֥בֶד
(eved)
dienaar
מִצְרִ֖י
(mitsri)
Egyptisch
וּשְׁמ֥וֹ
(ushemo)
en zijn naam
יַרְחָֽע
(yarcha)
Jarcha
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶבֶד (eved), ‘dienaar’: Sjesjan geeft zijn dochter aan zijn Egyptische dienaar.

Zo loopt de lijn van Sjesjan door zijn dochter verder (verzen 35–41).

35Sjesjan gaf zijn dochter aan zijn dienaar Jarcha tot vrouw. Zij baarde hem Attai.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
שֵׁשָׁ֧ן
(sheshan)
Sjesjan
אֶת
(et)
(obj.)
בִּתּ֛וֹ
(bito)
zijn dochter
לְיַרְחָ֥ע
(leyarcha)
aan Jarcha
עַבְדּ֖וֹ
(avdo)
zijn dienaar
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en zij baarde
ל֖וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
עַתָּֽי
(atay)
Attai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Attai werd de vader van Natan, en Natan werd de vader van Zabad.
וְעַתַּי֙
(veatay)
en Attai
הֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
נָתָ֔ן
(natan)
Natan
וְנָתָ֖ן
(venatan)
en Natan
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
זָבָֽד
(zavad)
Zabad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Zabad werd de vader van Eflal, en Eflal werd de vader van Obed.
וְזָבָד֙
(vezavad)
en Zabad
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֶפְלָ֔ל
(eflal)
Eflal
וְאֶפְלָ֖ל
(veeflal)
en Eflal
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עוֹבֵֽד
(oved)
Obed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Obed werd de vader van Jehu, en Jehu werd de vader van Azaria.
וְעוֹבֵד֙
(veoved)
en Obed
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יֵה֔וּא
(yehu)
Jehu
וְיֵה֖וּא
(veyehu)
en Jehu
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
עֲזַרְיָֽה
(azarya)
Azaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Azaria werd de vader van Chelets, en Chelets werd de vader van Elasa.
וַעֲזַרְיָה֙
(vaazarya)
en Azaria
הֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
חָ֔לֶץ
(chalets)
Chelets
וְחֶ֖לֶץ
(vechelets)
en Chelets
הֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְעָשָֽׂה
(elasa)
Elasa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Elasa werd de vader van Sismai, en Sismai werd de vader van Sjallum.
וְאֶלְעָשָׂה֙
(veelasa)
en Elasa
הֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽסְמָ֔י
(sismay)
Sismai
וְסִסְמַ֖י
(vesismay)
en Sismai
הֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁלּֽוּם
(shalum)
Sjallum
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Sjallum werd de vader van Jekamja, en Jekamja werd de vader van Elisjama.
וְשַׁלּוּם֙
(veshalum)
en Sjallum
הוֹלִ֣יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
יְקַמְיָ֔ה
(yeqamya)
Jekamja
וִֽיקַמְיָ֖ה
(viqamya)
en Jekamja
הֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלִישָׁמָֽע
(elishama)
Elisjama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De andere zonen van Kaleb

42De zonen van Kaleb, de broer van Jerachmeël: Mesa, zijn eerstgeborene, de vader van Zif, en de zonen van Maresa, de vader van Hebron.
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
כָלֵב֙
(kalev)
Kaleb
אֲחִ֣י
(achi)
broer van
יְרַחְמְאֵ֔ל
(yerachmeel)
Jerachmeël
מֵישָׁ֥ע
(meisha)
Mesa
בְּכֹר֖וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
ה֣וּא
(hu)
hij
אֲבִי
(avi)
vader van
זִ֑יף
(zif)
Zif
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
מָרֵשָׁ֖ה
(maresha)
Maresa
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
חֶבְרֽוֹן
(chevron)
Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zif (זִיף) ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55).

Maresa (מָרֵשָׁה) ligt in de Sefela, bij het huidige Tel Maresa (Joz. 15:44).

Hebron (חֶבְרוֹן) ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

Hebron is in vers 42 en 43 een plaats of een persoon.

De tekst zegt niet welke van de twee bedoeld is.

43De zonen van Hebron waren Korach, Tappuach, Rekem en Sjema.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
חֶבְר֑וֹן
(chevron)
Hebron
קֹ֥רַח
(qorach)
Korach
וְתַפֻּ֖חַ
(vetapuach)
en Tappuach
וְרֶ֥קֶם
(vereqem)
en Rekem
וָשָֽׁמַע
(vashama)
en Sjema
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Sjema werd de vader van Racham, de vader van Jorkeam. Rekem werd de vader van Sjammai.
וְשֶׁ֣מַע
(veshema)
en Sjema
הוֹלִ֔יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
רַ֖חַם
(racham)
Racham
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
יָרְקֳעָ֑ם
(yareqoam)
Jorkeam
וְרֶ֖קֶם
(vereqem)
en Rekem
הוֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁמָּֽי
(shamay)
Sjammai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45De zoon van Sjammai was Maon. Maon was de vader van Bet-Tsur.
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
שַׁמַּ֖י
(shamay)
Sjammai
מָע֑וֹן
(maon)
Maon
וּמָע֖וֹן
(umaon)
en Maon
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
בֵֽית
(beit)
Bet
צֽוּר
(tsur)
Tsur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Maon (מָעוֹן) ligt in het bergland van Juda, ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55).

Zie Bet-Tsur: Bet-Tsur (Khirbet et-Tubeiqa) lag in het bergland van Juda, ongeveer 6 km ten noorden van Hebron.

Bet-Tsur (בֵּית צוּר) ligt ten noorden van Hebron, bij het huidige Khirbet et-Tubeiqa (Joz. 15:58).

46Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, Moza en Gazez. Haran werd de vader van Gazez.
וְעֵיפָה֙
(veeifa)
en Efa
פִּילֶ֣גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
כָּלֵ֔ב
(kalev)
Kaleb
יָֽלְדָ֛ה
(yaleda)
zij baarde
אֶת
(et)
(obj.)
חָרָ֥ן
(charan)
Haran
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מוֹצָ֖א
(motsa)
Moza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גָּזֵ֑ז
(gazez)
Gazez
וְחָרָ֖ן
(vecharan)
en Haran
הֹלִ֥יד
(holid)
werd de vader van
אֶת
(et)
(obj.)
גָּזֵֽז
(gazez)
Gazez
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gazez staat twee keer in dit vers: als zoon van Efa en als zoon van Haran.

De tekst zegt niet hoe dat samengaat.

47De zonen van Jahdai waren Regem, Jotam, Gesjan, Pelet, Efa en Sjaäf.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
יָהְדָּ֑י
(yahday)
Jahdai
רֶ֧גֶם
(regem)
Regem
וְיוֹתָ֛ם
(veyotam)
en Jotam
וְגֵישָׁ֥ן
(vegeishan)
en Gesjan
וָפֶ֖לֶט
(vafelet)
en Pelet
וְעֵיפָ֥ה
(veeifa)
en Efa
וָשָֽׁעַף
(vashaaf)
en Sjaäf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Maächa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Sjeber en Tirchana.
פִּלֶ֤גֶשׁ
(pilegesh)
bijvrouw van
כָּלֵב֙
(kalev)
Kaleb
מַעֲכָ֔ה
(maakha)
Maächa
יָ֥לַד
(yalad)
zij baarde
שֶׁ֖בֶר
(shever)
Sjeber
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
תִּרְחֲנָֽה
(tirchana)
Tirchana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Zij baarde ook Sjaäf, de vader van Madmanna, en Sjewa, de vader van Machbena en de vader van Gibea. De dochter van Kaleb was Aksa.
וַתֵּ֗לֶד
(vateled)
en zij baarde
שַׁ֚עַף
(shaaf)
Sjaäf
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
מַדְמַנָּ֔ה
(madmana)
Madmanna
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁוָ֛א
(sheva)
Sjewa
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
מַכְבֵּנָ֖ה
(makhbena)
Machbena
וַאֲבִ֣י
(vaavi)
en vader van
גִבְעָ֑א
(giva)
Gibea
וּבַת
(uvat)
en de dochter van
כָּלֵ֖ב
(kalev)
Kaleb
עַכְסָֽה
(akhsa)
Aksa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Madmanna (מַדְמַנָּה) lag in het zuiden van Juda (Joz. 15:31).

De precieze ligging is onzeker.

Zie Gibea (in Juda, ligging onzeker): Dit Gibea lag in het bergland van Juda (Jozua 15:57).

Het is niet het Gibea van Benjamin bij Tell el-Ful.

De precieze plaats is niet zeker.

Gibea (גִּבְעָא) lag in het bergland van Juda (Joz. 15:57). Het is niet het Gibea van Benjamin.

Uitleg

Aksa is de dochter van Kaleb die aan Otniël werd gegeven.

Zie Joz. 15:16–19 en Richt. 1:12–15.

Of dit dezelfde Kaleb is als in vers 18, zegt de tekst niet.

De zonen van Chur

50Dit waren de zonen van Kaleb, de zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata: Sobal, de vader van Kirjat-Jearim,
אֵ֤לֶּה
(ele)
dit
הָיוּ֙
(hayu)
waren
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
כָלֵ֔ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
ח֖וּר
(chur)
Chur
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
אֶפְרָ֑תָה
(efrata)
Efrata
שׁוֹבָ֕ל
(shoval)
Sobal
אֲבִ֖י
(avi)
vader van
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִֽים
(yearim)
Jearim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kirjat-Jearim (קִרְיַת יְעָרִים) ligt waarschijnlijk bij het huidige Abu Gosh, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

Lezing

Wij volgen de Masoretische woordvolgorde: ‘de zonen van Kaleb, de zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata’.

De zin kan ook gelezen worden als ‘Dit waren de zonen van Kaleb.

De zoon van Chur, de eerstgeborene van Efrata: Sobal …’.

Vergelijk 1 Kron. 4:1–4.

51Salma, de vader van Betlehem, Chareph, de vader van Bet-Gader.
שַׂלְמָא֙
(salma)
Salma
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
בֵֽית
(beit)
Bet
לָ֔חֶם
(lachem)
Lechem
חָרֵ֖ף
(charef)
Chareph
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
בֵית
(beit)
Bet
גָּדֵֽר
(gader)
Gader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem (בֵּית לֶחֶם) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Bet-Gader (בֵּית גָּדֵר): de ligging is onzeker.

52Sobal, de vader van Kirjat-Jearim, had zonen: Haroë, de helft van de Menuchot.
וַיִּהְי֤וּ
(vayihyu)
en waren
בָנִים֙
(banim)
zonen
לְשׁוֹבָ֔ל
(leshoval)
voor Sobal
אֲבִ֖י
(avi)
vader van
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֑ים
(yearim)
Jearim
הָרֹאֶ֖ה
(haroe)
Haroë
חֲצִ֥י
(chatsi)
helft van
הַמְּנֻחֽוֹת
(hamenuchot)
de Menuchot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

Uitleg

הַמְּנֻחוֹת (hamenuchot), ‘de Menuchot’: een volk of streek.

Vergelijk ‘de Manachtieten’ in vers 54.

Wat het precies is, is onzeker.

Lezing

הָרֹאֶה (haroeh) betekent letterlijk ‘de ziener’.

Wij lezen het als naam: Haroë.

In 1 Kron. 4:2 staat Reaja (רָאָיָה) als zoon van Sobal.

53De families van Kirjat-Jearim waren de Jitrieten, de Putieten, de Sjumatieten en de Misjraïeten. Uit hen kwamen de Tsorathieten en de Estaolieten voort.
וּמִשְׁפְּחוֹת֙
(umishpechot)
en de families van
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֔ים
(yearim)
Jearim
הַיִּתְרִי֙
(hayitri)
de Jitriet
וְהַפּוּתִ֔י
(vehaputi)
en de Putiet
וְהַשֻּׁמָתִ֖י
(vehashumati)
en de Sjumatiet
וְהַמִּשְׁרָעִ֑י
(vehamishrai)
en de Misjraïet
מֵאֵ֗לֶּה
(meele)
van deze
יָצְאוּ֙
(yatseu)
kwamen voort
הַצָּ֣רְעָתִ֔י
(hatsareati)
de Tsorathiet
וְהָאֶשְׁתָּ֖אֻֽלִֽי
(vehaeshtauli)
en de Estaoliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsora (צָרְעָה) en Estaol (אֶשְׁתָּאוֹל) liggen in de Sefela, ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:33).

Tsora ligt bij het huidige Tel Tsora (Sar’a).

Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.

54De zonen van Salma waren Betlehem, de Netofatieten, Atrot-Bet-Joab, de helft van de Manachtieten en de Tsoriëten.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שַׂלְמָ֗א
(salma)
Salma
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
וּנְט֣וֹפָתִ֔י
(unetofati)
en de Netofatiet
עַטְר֖וֹת
(atrot)
Atrot
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
יוֹאָ֑ב
(yoav)
Joab
וַחֲצִ֥י
(vachatsi)
en de helft van
הַמָּנַחְתִּ֖י
(hamanachti)
de Manachtiet
הַצָּרְעִֽי
(hatsarei)
de Tsoriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Atrot-Bet-Joab (עַטְרוֹת בֵּית יוֹאָב): de ligging is onzeker.

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Uitleg

נְטוֹפָתִי (Netofatieten): de bewoners van Netofa, in de buurt van Betlehem.

55De families van de schrijvers die in Jabets woonden, waren de Tiratieten, de Sjimeatieten en de Sukkatieten. Dit zijn de Kenieten die van Chamat komen, de vader van Bet-Rechab.
וּמִשְׁפְּח֤וֹת
(umishpechot)
en de families van
סֹפְרִים֙
(soferim)
schrijvers
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
יַעְבֵּ֔ץ
(yabets)
Jabets
תִּרְעָתִ֥ים
(tiratim)
Tiratieten
שִׁמְעָתִ֖ים
(shimatim)
Sjimeatieten
שׂוּכָתִ֑ים
(sukhatim)
Sukkatieten
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
הַקִּינִ֣ים
(haqinim)
de Kenieten
הַבָּאִ֔ים
(habaim)
die komen
מֵחַמַּ֖ת
(mechamat)
van Chamat
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
בֵית
(beit)
Bet
רֵכָֽב
(rekhav)
Rechab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jabets (יַעְבֵּץ): de ligging is onzeker.

Het is niet Jabes in Gilead.

Uitleg

סֹפְרִים (soferim), ‘schrijvers’: mensen die schriften opstellen en afschrijven.

הַקִּינִים (hakkenim), ‘de Kenieten’: vergelijk Richt. 1:16. Chamat (חַמַּת) kan een plaats of een persoon zijn. Bet-Rechab (בֵּית רֵכָב) betekent ‘huis van Rechab’. De tekst zegt niet meer.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ישבו (zij woonden), de gelezen tekst (qere) יֹשְׁבֵי (bewoners van).

Wij volgen de qere.