De telling van Israël, de pest en het altaar op de dorsvloer van Ornan
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een satan zet David aan tot de telling
1Een satan stond op tegen Israël. Hij zette David aan om Israël te tellen.
וַיַּֽעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stond op
שָׂטָ֖ן
(satan)
een satan
עַל
(al)
tegen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיָּ֨סֶת֙
(vayaset)
en zette aan
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔יד
(david)
David
לִמְנ֖וֹת
(limnot)
om te tellen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: het woord staat hier zonder lidwoord en zonder naam.
Wij vertalen ‘een satan’.
Zo wordt het ook gebruikt in Num. 22:22, waar de engel van Yahweh ‘tegenstander’ is voor Bileam.
In 2 Sam. 24:1 staat iets anders: de toorn van Yahweh ontbrandde opnieuw tegen Israël en David werd aangezet, zonder dat het onderwerp wordt genoemd. Het werkwoord ‘aanzetten’ (וַיָּסֶת, wayyaset) is hetzelfde. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan.
3Joab zei: „Moge Yahweh aan Zijn volk honderdmaal zoveel toevoegen als het nu is. Mijn heer de koning, zijn zij niet allen dienaren van mijn heer? Waarom zoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
יוֹסֵף֩
(yosef)
moge toevoegen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
aan
עַמּ֤וֹ
(amo)
Zijn volk
כָּהֵם֙
(kahem)
zoals zij
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
פְעָמִ֔ים
(peamim)
keer
הֲלֹא֙
(halo)
niet
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
allen
לַאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot dienaren
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יְבַקֵּ֥שׁ
(yevaqesh)
zoekt
זֹאת֙
(zot)
dit
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
wordt het
לְאַשְׁמָ֖ה
(leashma)
tot schuld
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
aan Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Mijn heer’ (אֲדֹנִי, adoni) is een titel voor de koning.
Het is een ander woord dan Adonai, ‘mijn Heer’, voor Yahweh.
Wij spreken de koning aan met ‘u’.
אַשְׁמָה (ashmah), ‘schuld’: schuld die verzoening nodig heeft. Joab vreest dat het volk hierdoor schuldig wordt.
Joabs antwoord is korter dan in 2 Sam. 24:3. Hier noemt hij Yahweh niet ‘uw Elohim’.
5Joab gaf David het aantal van de telling van het volk. Heel Israël telde 1.100.000 man die het zwaard trokken. Juda telde 470.000 man die het zwaard trokken.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
getal van
מִפְקַד
(mifqad)
telling van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
aan
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
אֲלָפִים֩
(alafim)
duizenden
וּמֵאָ֨ה
(umea)
en honderd
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
אִישׁ֙
(ish)
man
שֹׁ֣לֵֽף
(sholef)
trekkend
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וִֽיהוּדָ֕ה
(vihuda)
en Juda
אַרְבַּע֩
(arba)
vier
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁבְעִ֥ים
(veshivim)
en zeventig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֥לֵֽף
(sholef)
trekkend
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶלֶף אֲלָפִים (elef alafim), ‘duizend duizenden’: dat is 1.000.000.
Daarbij komen 100.000.
Lezing
Hier staan 1.100.000 man in Israël en 470.000 in Juda.
In 2 Sam. 24:9 staan 800.000 in Israël en 500.000 in Juda.
8David zei tegen Elohim: „Ik heb zeer gezondigd, doordat ik deze zaak heb gedaan. En nu, neem toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
חָטָ֣אתִֽי
(chatati)
ik heb gezondigd
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
omdat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הַֽעֲבֶר
(haaver)
neem weg
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
עֲו֣וֹן
(avon)
de schuld van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֥י
(ki)
want
נִסְכַּ֖לְתִּי
(niskalti)
ik heb dwaas gehandeld
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10„Ga en spreek tot David: ‘Zo zegt Yahweh: Drie dingen leg Ik jou voor. Kies er één van, dan zal Ik die voor jou doen.’”
לֵךְ֩
(lekh)
ga
וְדִבַּרְתָּ֨
(vedibarta)
en je zult spreken
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֜יד
(david)
David
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁל֕וֹשׁ
(shalosh)
drie
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נֹטֶ֣ה
(note)
leg voor
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
aan jou
בְּחַר
(bechar)
kies
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
אַחַ֥ת
(achat)
één
מֵהֵ֖נָּה
(mehena)
ervan
וְאֶֽעֱשֶׂה
(veeese)
en Ik zal doen
לָּֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh spreekt hier tot Gad en geeft hem de boodschap voor David.
Daarom staat het hele vers rood.
De woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan tussen enkele aanhalingstekens, omdat Gad ze aan David moet doorgeven.
Vergelijk 2 Sam. 24:12.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘drie’. Wij vullen ‘dingen’ aan.
נוֹטֶה (noteh), ‘uitstrekken’: letterlijk ‘Ik strek drie over je uit’. Wij vertalen ‘leg Ik jou voor’. In 2 Sam. 24:12 staat נוֹטֵל (notel), met dezelfde betekenis in dit verband.
12Ofwel drie jaar hongersnood. Ofwel drie maanden weggevaagd worden voor je tegenstanders, terwijl het zwaard van je vijanden je inhaalt. Ofwel drie dagen het zwaard van Yahweh en pest in het land, terwijl de engel van Yahweh verderf brengt in heel het gebied van Israël.’ Bedenk nu welk antwoord ik moet geven aan Hem die mij gezonden heeft.”
אִם
(im)
of
שָׁל֨וֹשׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֜ים
(shanim)
jaren
רָעָ֗ב
(raav)
hongersnood
וְאִם
(veim)
of
שְׁלֹשָׁ֨ה
(shelosha)
drie
חֳדָשִׁ֜ים
(chodashim)
maanden
נִסְפֶּ֥ה
(nispe)
weggevaagd worden
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor het aangezicht van
צָרֶיךָ֮
(tsareikha)
je tegenstanders
וְחֶ֣רֶב
(vecherev)
en het zwaard van
אוֹיְבֶ֣ךָ
(oyevekha)
je vijanden
לְמַשֶּׂגֶת֒
(lemaseget)
om je in te halen
וְאִם
(veim)
of
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָ֠מִים
(yamim)
dagen
חֶ֣רֶב
(cherev)
het zwaard van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וְדֶ֨בֶר֙
(vedever)
en pest
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּמַלְאַ֣ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מַשְׁחִ֖ית
(mashchit)
verderf brengend
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
רְאֵ֔ה
(ree)
zie
מָֽה
(ma)
wat
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
ik zal antwoorden
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁלְחִ֖י
(sholechi)
Hem die mij zond
דָּבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִסְפֶּה (nisppeh), ‘weggevaagd worden’: ook in Gen. 19:15.
לְמַשֶּׂגֶת (lemassegat), ‘om je in te halen’: het zwaard van je vijanden haalt je in.
Hier staat dat het zwaard van Yahweh en de pest in het land zijn, en dat de engel van Yahweh verderf brengt. In 2 Sam. 24:13 staat alleen ‘drie dagen pest’.
13David zei tegen Gad: „Ik ben zeer in nood. Laat mij toch in de hand van Yahweh vallen, want Zijn ontfermingen zijn zeer talrijk. In de hand van een mens wil ik niet vallen.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
גָּ֖ד
(gad)
Gad
צַר
(tsar)
nood
לִ֣י
(li)
voor mij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
אֶפְּלָה
(epela)
laat mij vallen
נָּ֣א
(na)
toch
בְיַד
(beyad)
in de hand van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
רַבִּ֤ים
(rabim)
talrijk zijn
רַחֲמָיו֙
(rachamav)
Zijn ontfermingen
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
אַל
(al)
niet
אֶפֹּֽל
(epol)
laat mij vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶפְּלָה (eppelah), ‘laat mij vallen’: enkelvoud.
In 2 Sam. 24:14 staat het meervoud, ‘laten wij vallen’.
רַחֲמָיו (rachamav), ‘Zijn ontfermingen’: zoals in 2 Sam. 24:14.
15Elohim zond een engel naar Jeruzalem om haar te verwoesten. Terwijl hij verwoestte, zag Yahweh het. Hij liet Zich het kwaad rouwen. Hij zei tegen de engel die verwoestte: „Genoeg! Laat nu je hand zakken.” De engel van Yahweh stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
הָאֱלֹהִ֨ים
(haElohim)
Elohim
מַלְאָ֥ךְ
(malakh)
een engel
לִֽירוּשָׁלִַם֮
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
לְהַשְׁחִיתָהּ֒
(lehashchitah)
om haar te verwoesten
וּכְהַשְׁחִ֗ית
(ukhehashchit)
en toen hij verwoestte
רָאָ֤ה
(raa)
zag
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en liet Zich rouwen
עַל
(al)
over
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לַמַּלְאָ֤ךְ
(lamalakh)
tot de engel
הַמַּשְׁחִית֙
(hamashchit)
die verwoestte
רַ֔ב
(rav)
genoeg
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
הֶ֣רֶף
(heref)
laat zakken
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
je hand
וּמַלְאַ֤ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵ֔ד
(omed)
stond
עִם
(im)
bij
גֹּ֖רֶן
(goren)
de dorsvloer van
אָרְנָ֥ן
(arenan)
Ornan
הַיְבוּסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De dorsvloer van Ornan lag op de berg Moria, de latere tempelberg in Jeruzalem (2 Kron. 3:1).
Dat is waarschijnlijk.
Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.
Uitleg
וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem), ‘liet Zich rouwen’: zoals in Exod. 32:14.
De woorden van Yahweh tot de engel staan rood, zoals in 2 Sam. 24:16.
מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘de engel van Yahweh’: wij vertalen hier neutraal en zetten zijn woorden niet rood.
Lezing
Hier staat ‘Ornan’ (אָרְנָן).
In 2 Sam. 24:16 staat ‘Araunna’.
Het is dezelfde man.
Wij houden in elk boek de eigen spelling aan.
Hier zendt Elohim de engel. In 2 Sam. 24:15–16 zendt Yahweh de pest en strekt de engel zijn hand uit.
16David sloeg zijn ogen op en zag de engel van Yahweh. Hij stond tussen de aarde en de hemel. Zijn getrokken zwaard was in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten, bedekt met een rouwkleed, op hun gezicht.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hief op
דָוִ֜יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵ֗ד
(omed)
stond
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְחַרְבּ֤וֹ
(vecharbo)
en zijn zwaard
שְׁלוּפָה֙
(shelufa)
getrokken
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
נְטוּיָ֖ה
(netuya)
uitgestrekt
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּפֹּ֨ל
(vayipol)
en viel neer
דָּוִ֧יד
(david)
David
וְהַזְּקֵנִ֛ים
(vehazeqenim)
en de oudsten
מְכֻסִּ֥ים
(mekhusim)
bedekt
בַּשַּׂקִּ֖ים
(basaqim)
met rouwkleed
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit vers staat alleen in Kronieken.
David ziet de engel ‘tussen de aarde en de hemel’, met een getrokken zwaard dat over Jeruzalem is uitgestrekt.
שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grove stof die men bij rouw droeg, zoals in 2 Sam. 3:31.
17David zei tegen Elohim: „Heb ik niet gezegd dat het volk geteld moest worden? Ik ben het die gezondigd heeft. Ik heb zeker verkeerd gehandeld. Maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Yahweh, mijn Elohim, laat Uw hand toch tegen mij zijn en tegen het huis van mijn vader, maar niet tegen Uw volk, tot een plaag.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֣יד
(david)
David
אֶֽל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֡ים
(haElohim)
Elohim
הֲלֹא֩
(halo)
niet
אֲנִ֨י
(ani)
ik
אָמַ֜רְתִּי
(amarti)
zei ik
לִמְנ֣וֹת
(limnot)
om te tellen
בָּעָ֗ם
(baam)
onder het volk
וַאֲנִי
(vaani)
en ik
ה֤וּא
(hu)
ben het
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָטָ֨אתִי֙
(chatati)
heb gezondigd
וְהָרֵ֣עַ
(veharea)
en kwaad
הֲרֵע֔וֹתִי
(hareoti)
heb ik kwaad gedaan
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
maar dezen
הַצֹּ֖אן
(hatson)
de schapen
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשׂ֑וּ
(asu)
deden zij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
תְּהִ֨י
(tehi)
laat zijn
נָ֤א
(na)
toch
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
בִּ֚י
(bi)
tegen mij
וּבְבֵ֣ית
(uveveit)
en tegen het huis van
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וּֽבְעַמְּךָ֖
(uveamekha)
en tegen Uw volk
לֹ֥א
(lo)
niet
לְמַגֵּפָֽה
(lemagefa)
tot een plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲלֹא אֲנִי אָמַרְתִּי (halo ani amarti), ‘Heb ik niet gezegd?’: David neemt de verantwoordelijkheid.
Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘Ik was het die zei’.
De uitkomst is dezelfde.
הָרֵעַ הֲרֵעוֹתִי (hare’a hare’oti), ‘ik heb zeker verkeerd gehandeld’: het werkwoord wordt versterkt door herhaling.
מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: hier staat ‘tot een plaag’ (laat de plaag niet Uw volk treffen). Dat staat niet in 2 Sam. 24:17.
18De engel van Yahweh zei tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David omhoog moest gaan. David moest een altaar oprichten voor Yahweh op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
וּמַלְאַ֧ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֥ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tot
גָּ֖ד
(gad)
Gad
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
zeggende
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
aan David
כִּ֣י
(ki)
dat
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
moet opgaan
דָוִ֗יד
(david)
David
לְהָקִ֤ים
(lehaqim)
om op te richten
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּגֹ֖רֶן
(begoren)
op de dorsvloer van
אָרְנָ֥ן
(arenan)
Ornan
הַיְבֻסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.
Uitleg
Hier spreekt de engel van Yahweh tot Gad.
Het is een onrechtstreekse rede: Gad moet tegen David zeggen dat David omhoog moet gaan.
In 2 Sam. 24:18 komt Gad zelf bij David met dit bevel.
Wij zetten de woorden van de engel niet rood, omdat hij over Yahweh in de derde persoon spreekt.
Het Hebreeuws schrijft ‘de Jebusiet’ hier anders (הַיְבֻסִי) dan in vers 15 (הַיְבוּסִי). Wij schrijven beide keren ‘Jebusiet’.
22David zei tegen Ornan: „Geef mij de plaats van de dorsvloer. Dan bouw ik daarop een altaar voor Yahweh. Geef die plaats aan mij voor de volle prijs in zilver, zodat de plaag van het volk wordt tegengehouden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אָרְנָ֗ן
(arenan)
Ornan
תְּנָה
(tena)
geef
לִּי֙
(li)
aan mij
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
הַגֹּ֔רֶן
(hagoren)
de dorsvloer
וְאֶבְנֶה
(veevne)
zodat ik zal bouwen
בּ֥וֹ
(bo)
daarop
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּכֶ֤סֶף
(bekhesef)
voor zilver
מָלֵא֙
(male)
vol
תְּנֵ֣הוּ
(tenehu)
geef haar
לִ֔י
(li)
aan mij
וְתֵעָצַ֥ר
(veteatsar)
zodat wordt tegengehouden
הַמַּגֵּפָ֖ה
(hamagefa)
de plaag
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּכֶסֶף מָלֵא (bechesef male), ‘voor de volle prijs in zilver’: letterlijk ‘voor vol zilver’.
Wij spreken Ornan hier aan met ‘u’, zoals Araunna in 2 Sam. 24:21–24.
מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: zoals in Exod. 9:14.
23Ornan zei tegen David: „Neem het voor u. Mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen. Zie, ik geef de runderen voor de brandoffers, de dorsplanken voor het hout en de tarwe voor het graanoffer. Alles geef ik.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אָרְנָ֤ן
(arenan)
Ornan
אֶל
(el)
tot
דָּוִיד֙
(david)
David
קַֽח
(qach)
neem
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
וְיַ֛עַשׂ
(veyaas)
en moge doen
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַטּ֣וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
רְאֵה֩
(ree)
zie
נָתַ֨תִּי
(natati)
ik geef
הַבָּקָ֜ר
(habaqar)
de runderen
לָֽעֹל֗וֹת
(laolot)
voor brandoffers
וְהַמּוֹרִגִּ֧ים
(vehamorigim)
en de dorsplanken
לָעֵצִ֛ים
(laetsim)
voor hout
וְהַחִטִּ֥ים
(vehachitim)
en de tarwe
לַמִּנְחָ֖ה
(lamincha)
voor graanoffer
הַכֹּ֥ל
(hakol)
alles
נָתָֽתִּי
(natati)
ik geef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹרַג (morag), ‘dorsplank’: een zware plank met scherpe stenen, waarmee het koren wordt gedorst.
מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: zoals in Lev. 2:1. In 2 Sam. 24:22 staat dit niet; daar noemt Araunna alleen runderen en hout.
24Koning David zei tegen Ornan: „Nee, ik zal het zeker kopen voor de volle prijs in zilver. Want ik zal niet voor Yahweh nemen wat van u is. Ik zal geen brandoffer opdragen dat niets kost.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִיד֙
(david)
David
לְאָרְנָ֔ן
(learenan)
aan Ornan
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
maar
קָנֹ֥ה
(qano)
kopen
אֶקְנֶ֖ה
(eqne)
ik zal kopen
בְּכֶ֣סֶף
(bekhesef)
voor zilver
מָלֵ֑א
(male)
vol
כִּ֠י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
אֶשָּׂ֤א
(esa)
zal ik nemen
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לְךָ֙
(lekha)
van jou
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהַעֲל֥וֹת
(vehaalot)
en offeren
עוֹלָ֖ה
(ola)
brandoffer
חִנָּֽם
(chinam)
om niets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִנָּם (chinnam), ‘om niets’: zonder dat het mij iets kost.
26David bouwde daar een altaar voor Yahweh. Hij offerde brandoffers en vredeoffers. Hij riep tot Yahweh en Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel op het altaar van het brandoffer.
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֨ם
(sham)
daar
דָּוִ֤יד
(david)
David
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en bracht omhoog
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֑ים
(ushelamim)
en vredeoffers
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּֽעֲנֵ֤הוּ
(vayaanehu)
en antwoordde hem
בָאֵשׁ֙
(baesh)
met vuur
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
עַ֖ל
(al)
op
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
altaar van
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּעֲנֵהוּ בָאֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם (wayya’anehu va’esh min hashamayim), ‘Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel’: dit staat alleen in Kronieken.
29De tabernakel van Yahweh, die Mozes in de woestijn had gemaakt, stond in die tijd op de hoogte in Gibeon. Ook het altaar van het brandoffer stond daar.
וּמִשְׁכַּ֣ן
(umishkan)
en tabernakel van
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֨ה
(asa)
maakte
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
בַמִּדְבָּ֛ר
(bamidbar)
in de woestijn
וּמִזְבַּ֥ח
(umizbach)
en altaar van
הָעוֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
בַּבָּמָ֖ה
(babama)
op de hoogte
בְּגִבְעֽוֹן
(begivon)
in Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibeon lag bij het huidige El-Jib (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 9 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem.
Dat is waarschijnlijk.
Uitleg
בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een hoge plaats waar geofferd werd.
De tabernakel is die van Exod. 40:1–2, de tent van samenkomst. Mozes heeft hem in de woestijn gemaakt.