Elohim Bijbel

1 Kronieken 21

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De telling van Israël, de pest en het altaar op de dorsvloer van Ornan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een satan zet David aan tot de telling

1Een satan stond op tegen Israël. Hij zette David aan om Israël te tellen.
וַיַּֽעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stond op
שָׂטָ֖ן
(satan)
een satan
עַל
(al)
tegen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיָּ֨סֶת֙
(vayaset)
en zette aan
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔יד
(david)
David
לִמְנ֖וֹת
(limnot)
om te tellen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: het woord staat hier zonder lidwoord en zonder naam.

Wij vertalen ‘een satan’.

Zo wordt het ook gebruikt in Num. 22:22, waar de engel van Yahweh ‘tegenstander’ is voor Bileam.

In 2 Sam. 24:1 staat iets anders: de toorn van Yahweh ontbrandde opnieuw tegen Israël en David werd aangezet, zonder dat het onderwerp wordt genoemd. Het werkwoord ‘aanzetten’ (וַיָּסֶת, wayyaset) is hetzelfde. Wij vertalen beide teksten zoals zij staan.

Dit hoofdstuk loopt parallel met 2 Sam. 24.

2David zei tegen Joab en tegen de leiders van het volk: „Ga, tel Israël van Beër-Sjeba tot Dan. Breng het mij, dan weet ik hun aantal.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֤יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
וְאֶל
(veel)
en tot
שָׂרֵ֣י
(sarei)
leiders van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְכ֗וּ
(lekhu)
ga
סִפְרוּ֙
(sifru)
tel
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִבְּאֵ֥ר
(mibeer)
van Beër
שֶׁ֖בַע
(sheva)
Sjeba
וְעַד
(vead)
en tot
דָּ֑ן
(dan)
Dan
וְהָבִ֣יאוּ
(vehaviu)
en breng
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְאֵדְעָ֖ה
(veedea)
en ik zal weten
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפָּרָֽם
(misparam)
hun aantal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).

Uitleg

‘Ga’ en ‘tel’ staan in het meervoud, want David spreekt hier tot Joab en de leiders van het volk.

In 2 Sam. 24:2 spreekt hij alleen tot Joab.

סִפְרוּ (sifru), ‘tel’: een ander werkwoord dan פָּקַד (paqad) in 2 Sam. 24:2.

Hier staat ‘van Beër-Sjeba tot Dan’, in 2 Sam. 24:2 ‘van Dan tot Beër-Sjeba’.

3Joab zei: „Moge Yahweh aan Zijn volk honderdmaal zoveel toevoegen als het nu is. Mijn heer de koning, zijn zij niet allen dienaren van mijn heer? Waarom zoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
יוֹסֵף֩
(yosef)
moge toevoegen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
aan
עַמּ֤וֹ
(amo)
Zijn volk
כָּהֵם֙
(kahem)
zoals zij
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
פְעָמִ֔ים
(peamim)
keer
הֲלֹא֙
(halo)
niet
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
allen
לַאדֹנִ֖י
(ladoni)
aan mijn heer
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot dienaren
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יְבַקֵּ֥שׁ
(yevaqesh)
zoekt
זֹאת֙
(zot)
dit
אֲדֹנִ֔י
(adoni)
mijn heer
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
wordt het
לְאַשְׁמָ֖ה
(leashma)
tot schuld
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
aan Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mijn heer’ (אֲדֹנִי, adoni) is een titel voor de koning.

Het is een ander woord dan Adonai, ‘mijn Heer’, voor Yahweh.

Wij spreken de koning aan met ‘u’.

אַשְׁמָה (ashmah), ‘schuld’: schuld die verzoening nodig heeft. Joab vreest dat het volk hierdoor schuldig wordt.

Joabs antwoord is korter dan in 2 Sam. 24:3. Hier noemt hij Yahweh niet ‘uw Elohim’.

4Het woord van de koning was sterker dan Joab. Joab trok eropuit. Hij trok rond door heel Israël en kwam in Jeruzalem.
וּדְבַר
(udevar)
en het woord van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חָזַ֣ק
(chazaq)
was sterker
עַל
(al)
dan
יוֹאָ֑ב
(yoav)
Joab
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en trok uit
יוֹאָ֗ב
(yoav)
Joab
וַיִּתְהַלֵּךְ֙
(vayithalekh)
en trok rond
בְּכָל
(bekhal)
door heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Joab brengt het aantal

5Joab gaf David het aantal van de telling van het volk. Heel Israël telde 1.100.000 man die het zwaard trokken. Juda telde 470.000 man die het zwaard trokken.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
getal van
מִפְקַד
(mifqad)
telling van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
aan
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
אֲלָפִים֩
(alafim)
duizenden
וּמֵאָ֨ה
(umea)
en honderd
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
אִישׁ֙
(ish)
man
שֹׁ֣לֵֽף
(sholef)
trekkend
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וִֽיהוּדָ֕ה
(vihuda)
en Juda
אַרְבַּע֩
(arba)
vier
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
וְשִׁבְעִ֥ים
(veshivim)
en zeventig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֥לֵֽף
(sholef)
trekkend
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלֶף אֲלָפִים (elef alafim), ‘duizend duizenden’: dat is 1.000.000.

Daarbij komen 100.000.

Lezing

Hier staan 1.100.000 man in Israël en 470.000 in Juda.

In 2 Sam. 24:9 staan 800.000 in Israël en 500.000 in Juda.

Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken.

6Levi en Benjamin telde hij niet onder hen, want het woord van de koning was voor Joab weerzinwekkend.
וְלֵוִי֙
(velevi)
en Levi
וּבִנְיָמִ֔ן
(uvinyamin)
en Benjamin
לֹ֥א
(lo)
niet
פָקַ֖ד
(paqad)
telde hij
בְּתוֹכָ֑ם
(betokham)
onder hen
כִּֽי
(ki)
want
נִתְעַ֥ב
(nitav)
was weerzinwekkend
דְּבַר
(devar)
het woord van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
bij
יוֹאָֽב
(yoav)
Joab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Levi en Benjamin werden niet geteld.

Dat staat niet in 2 Sam. 24.

Levi wordt volgens Num. 1:49 niet meegeteld bij de krijgers.

Bij Benjamin staat geen reden.

נִתְעַב (nit’av), ‘weerzinwekkend zijn’: Joab vond de opdracht van de koning afschuwelijk.

Vergelijk 1 Kron. 27:24: Joab begon te tellen, maar maakte het niet af.

Davids schuld

7Deze zaak was kwaad in de ogen van Elohim. Hij sloeg Israël.
וַיֵּ֨רַע֙
(vayera)
en was kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
עַל
(al)
over
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיַּ֖ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws is het onderwerp van ‘Hij sloeg Israël’ niet genoemd.

Het ligt voor de hand dat het Elohim is, uit de zin ervoor.

8David zei tegen Elohim: „Ik heb zeer gezondigd, doordat ik deze zaak heb gedaan. En nu, neem toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
חָטָ֣אתִֽי
(chatati)
ik heb gezondigd
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
omdat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הַֽעֲבֶר
(haaver)
neem weg
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
עֲו֣וֹן
(avon)
de schuld van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֥י
(ki)
want
נִסְכַּ֖לְתִּי
(niskalti)
ik heb dwaas gehandeld
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַעֲבֶר (ha’aver), ‘neem weg’: letterlijk ‘laat voorbijgaan’.

David vraagt dat de schuld wordt weggenomen.

Zo ook in 2 Sam. 24:10.

Hier spreekt David tot Elohim. In 2 Sam. 24:10 spreekt hij tot Yahweh.

De keuze van Gad

9Yahweh sprak tot Gad, de ziener van David:
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
גָּ֔ד
(gad)
Gad
חֹזֵ֥ה
(choze)
ziener van
דָוִ֖יד
(david)
David
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹזֶה (chozeh), ‘ziener’: hier heet Gad alleen ‘de ziener van David’.

In 2 Sam. 24:11 staat ‘de profeet Gad, de ziener van David’.

10„Ga en spreek tot David: ‘Zo zegt Yahweh: Drie dingen leg Ik jou voor. Kies er één van, dan zal Ik die voor jou doen.’”
לֵךְ֩
(lekh)
ga
וְדִבַּרְתָּ֨
(vedibarta)
en je zult spreken
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֜יד
(david)
David
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁל֕וֹשׁ
(shalosh)
drie
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נֹטֶ֣ה
(note)
leg voor
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
aan jou
בְּחַר
(bechar)
kies
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
אַחַ֥ת
(achat)
één
מֵהֵ֖נָּה
(mehena)
ervan
וְאֶֽעֱשֶׂה
(veeese)
en Ik zal doen
לָּֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier tot Gad en geeft hem de boodschap voor David.

Daarom staat het hele vers rood.

De woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan tussen enkele aanhalingstekens, omdat Gad ze aan David moet doorgeven.

Vergelijk 2 Sam. 24:12.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘drie’. Wij vullen ‘dingen’ aan.

נוֹטֶה (noteh), ‘uitstrekken’: letterlijk ‘Ik strek drie over je uit’. Wij vertalen ‘leg Ik jou voor’. In 2 Sam. 24:12 staat נוֹטֵל (notel), met dezelfde betekenis in dit verband.

11Gad kwam bij David en zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Neem voor jezelf aan:
וַיָּ֥בֹא
(vayavo)
en kwam
גָ֖ד
(gad)
Gad
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֛וֹ
(lo)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
קַבֶּל
(qabel)
neem aan
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gad citeert hier Yahweh.

Daarom staan zijn woorden zwart, met enkele aanhalingstekens voor de woorden van Yahweh.

קַבֵּל (qabbel), ‘neem aan’: iets in ontvangst nemen. In vers 10 staat בְּחַר (bechar), ‘kies’. Wij houden die twee werkwoorden uit elkaar.

12Ofwel drie jaar hongersnood. Ofwel drie maanden weggevaagd worden voor je tegenstanders, terwijl het zwaard van je vijanden je inhaalt. Ofwel drie dagen het zwaard van Yahweh en pest in het land, terwijl de engel van Yahweh verderf brengt in heel het gebied van Israël.’ Bedenk nu welk antwoord ik moet geven aan Hem die mij gezonden heeft.”
אִם
(im)
of
שָׁל֨וֹשׁ
(shalosh)
drie
שָׁנִ֜ים
(shanim)
jaren
רָעָ֗ב
(raav)
hongersnood
וְאִם
(veim)
of
שְׁלֹשָׁ֨ה
(shelosha)
drie
חֳדָשִׁ֜ים
(chodashim)
maanden
נִסְפֶּ֥ה
(nispe)
weggevaagd worden
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor het aangezicht van
צָרֶיךָ֮
(tsareikha)
je tegenstanders
וְחֶ֣רֶב
(vecherev)
en het zwaard van
אוֹיְבֶ֣ךָ
(oyevekha)
je vijanden
לְמַשֶּׂגֶת֒
(lemaseget)
om je in te halen
וְאִם
(veim)
of
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָ֠מִים
(yamim)
dagen
חֶ֣רֶב
(cherev)
het zwaard van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וְדֶ֨בֶר֙
(vedever)
en pest
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּמַלְאַ֣ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מַשְׁחִ֖ית
(mashchit)
verderf brengend
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
רְאֵ֔ה
(ree)
zie
מָֽה
(ma)
wat
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
ik zal antwoorden
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁלְחִ֖י
(sholechi)
Hem die mij zond
דָּבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִסְפֶּה (nisppeh), ‘weggevaagd worden’: ook in Gen. 19:15.

לְמַשֶּׂגֶת (lemassegat), ‘om je in te halen’: het zwaard van je vijanden haalt je in.

Hier staat dat het zwaard van Yahweh en de pest in het land zijn, en dat de engel van Yahweh verderf brengt. In 2 Sam. 24:13 staat alleen ‘drie dagen pest’.

De engel van Yahweh wordt hier neutraal vertaald.

Lezing

Hier staat ‘drie jaar’ hongersnood.

In 2 Sam. 24:13 staat ‘zeven jaar’.

Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken.

13David zei tegen Gad: „Ik ben zeer in nood. Laat mij toch in de hand van Yahweh vallen, want Zijn ontfermingen zijn zeer talrijk. In de hand van een mens wil ik niet vallen.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
גָּ֖ד
(gad)
Gad
צַר
(tsar)
nood
לִ֣י
(li)
voor mij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
אֶפְּלָה
(epela)
laat mij vallen
נָּ֣א
(na)
toch
בְיַד
(beyad)
in de hand van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
רַבִּ֤ים
(rabim)
talrijk zijn
רַחֲמָיו֙
(rachamav)
Zijn ontfermingen
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
אַל
(al)
niet
אֶפֹּֽל
(epol)
laat mij vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפְּלָה (eppelah), ‘laat mij vallen’: enkelvoud.

In 2 Sam. 24:14 staat het meervoud, ‘laten wij vallen’.

רַחֲמָיו (rachamav), ‘Zijn ontfermingen’: zoals in 2 Sam. 24:14.

De pest over Israël

14Yahweh gaf een pest in Israël. Er vielen 70.000 man uit Israël.
וַיִּתֵּ֧ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
דֶּ֖בֶר
(dever)
pest
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וַיִּפֹּל֙
(vayipol)
en vielen
מִיִּשְׂרָאֵ֔ל
(miyisrael)
uit Israël
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Hier staat alleen dat 70.000 man uit Israël vielen.

In 2 Sam. 24:15 staat ook ‘vanaf de morgen tot de bestemde tijd’ en ‘van Dan tot Beër-Sjeba’.

Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken.

15Elohim zond een engel naar Jeruzalem om haar te verwoesten. Terwijl hij verwoestte, zag Yahweh het. Hij liet Zich het kwaad rouwen. Hij zei tegen de engel die verwoestte: „Genoeg! Laat nu je hand zakken.” De engel van Yahweh stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
הָאֱלֹהִ֨ים
(haElohim)
Elohim
מַלְאָ֥ךְ
(malakh)
een engel
לִֽירוּשָׁלִַם֮
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
לְהַשְׁחִיתָהּ֒
(lehashchitah)
om haar te verwoesten
וּכְהַשְׁחִ֗ית
(ukhehashchit)
en toen hij verwoestte
רָאָ֤ה
(raa)
zag
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en liet Zich rouwen
עַל
(al)
over
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לַמַּלְאָ֤ךְ
(lamalakh)
tot de engel
הַמַּשְׁחִית֙
(hamashchit)
die verwoestte
רַ֔ב
(rav)
genoeg
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
הֶ֣רֶף
(heref)
laat zakken
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
je hand
וּמַלְאַ֤ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵ֔ד
(omed)
stond
עִם
(im)
bij
גֹּ֖רֶן
(goren)
de dorsvloer van
אָרְנָ֥ן
(arenan)
Ornan
הַיְבוּסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De dorsvloer van Ornan lag op de berg Moria, de latere tempelberg in Jeruzalem (2 Kron. 3:1).

Dat is waarschijnlijk.

Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.

Uitleg

וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem), ‘liet Zich rouwen’: zoals in Exod. 32:14.

De woorden van Yahweh tot de engel staan rood, zoals in 2 Sam. 24:16.

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘de engel van Yahweh’: wij vertalen hier neutraal en zetten zijn woorden niet rood.

Lezing

Hier staat ‘Ornan’ (אָרְנָן).

In 2 Sam. 24:16 staat ‘Araunna’.

Het is dezelfde man.

Wij houden in elk boek de eigen spelling aan.

Hier zendt Elohim de engel. In 2 Sam. 24:15–16 zendt Yahweh de pest en strekt de engel zijn hand uit.

16David sloeg zijn ogen op en zag de engel van Yahweh. Hij stond tussen de aarde en de hemel. Zijn getrokken zwaard was in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten, bedekt met een rouwkleed, op hun gezicht.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hief op
דָוִ֜יד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵ֗ד
(omed)
stond
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְחַרְבּ֤וֹ
(vecharbo)
en zijn zwaard
שְׁלוּפָה֙
(shelufa)
getrokken
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
נְטוּיָ֖ה
(netuya)
uitgestrekt
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיִּפֹּ֨ל
(vayipol)
en viel neer
דָּוִ֧יד
(david)
David
וְהַזְּקֵנִ֛ים
(vehazeqenim)
en de oudsten
מְכֻסִּ֥ים
(mekhusim)
bedekt
בַּשַּׂקִּ֖ים
(basaqim)
met rouwkleed
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit vers staat alleen in Kronieken.

David ziet de engel ‘tussen de aarde en de hemel’, met een getrokken zwaard dat over Jeruzalem is uitgestrekt.

שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grove stof die men bij rouw droeg, zoals in 2 Sam. 3:31.

De oudsten worden alleen hier genoemd.

17David zei tegen Elohim: „Heb ik niet gezegd dat het volk geteld moest worden? Ik ben het die gezondigd heeft. Ik heb zeker verkeerd gehandeld. Maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Yahweh, mijn Elohim, laat Uw hand toch tegen mij zijn en tegen het huis van mijn vader, maar niet tegen Uw volk, tot een plaag.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֣יד
(david)
David
אֶֽל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֡ים
(haElohim)
Elohim
הֲלֹא֩
(halo)
niet
אֲנִ֨י
(ani)
ik
אָמַ֜רְתִּי
(amarti)
zei ik
לִמְנ֣וֹת
(limnot)
om te tellen
בָּעָ֗ם
(baam)
onder het volk
וַאֲנִי
(vaani)
en ik
ה֤וּא
(hu)
ben het
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָטָ֨אתִי֙
(chatati)
heb gezondigd
וְהָרֵ֣עַ
(veharea)
en kwaad
הֲרֵע֔וֹתִי
(hareoti)
heb ik kwaad gedaan
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
maar dezen
הַצֹּ֖אן
(hatson)
de schapen
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשׂ֑וּ
(asu)
deden zij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
תְּהִ֨י
(tehi)
laat zijn
נָ֤א
(na)
toch
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
בִּ֚י
(bi)
tegen mij
וּבְבֵ֣ית
(uveveit)
en tegen het huis van
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וּֽבְעַמְּךָ֖
(uveamekha)
en tegen Uw volk
לֹ֥א
(lo)
niet
לְמַגֵּפָֽה
(lemagefa)
tot een plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲלֹא אֲנִי אָמַרְתִּי (halo ani amarti), ‘Heb ik niet gezegd?’: David neemt de verantwoordelijkheid.

Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘Ik was het die zei’.

De uitkomst is dezelfde.

הָרֵעַ הֲרֵעוֹתִי (hare’a hare’oti), ‘ik heb zeker verkeerd gehandeld’: het werkwoord wordt versterkt door herhaling.

מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: hier staat ‘tot een plaag’ (laat de plaag niet Uw volk treffen). Dat staat niet in 2 Sam. 24:17.

Het altaar op de dorsvloer van Ornan

18De engel van Yahweh zei tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David omhoog moest gaan. David moest een altaar oprichten voor Yahweh op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
וּמַלְאַ֧ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֥ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tot
גָּ֖ד
(gad)
Gad
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
zeggende
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
aan David
כִּ֣י
(ki)
dat
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
moet opgaan
דָוִ֗יד
(david)
David
לְהָקִ֤ים
(lehaqim)
om op te richten
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּגֹ֖רֶן
(begoren)
op de dorsvloer van
אָרְנָ֥ן
(arenan)
Ornan
הַיְבֻסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.

Uitleg

Hier spreekt de engel van Yahweh tot Gad.

Het is een onrechtstreekse rede: Gad moet tegen David zeggen dat David omhoog moet gaan.

In 2 Sam. 24:18 komt Gad zelf bij David met dit bevel.

Wij zetten de woorden van de engel niet rood, omdat hij over Yahweh in de derde persoon spreekt.

Het Hebreeuws schrijft ‘de Jebusiet’ hier anders (הַיְבֻסִי) dan in vers 15 (הַיְבוּסִי). Wij schrijven beide keren ‘Jebusiet’.

19David ging omhoog op het woord van Gad, dat hij in de naam van Yahweh had gesproken.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en ging omhoog
דָּוִיד֙
(david)
David
בִּדְבַר
(bidvar)
op het woord van
גָּ֔ד
(gad)
Gad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
hij had gesproken
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David gehoorzaamt het woord van Gad, dat Gad ‘in de naam van Yahweh’ sprak.

Vergelijk 2 Sam. 24:19.

20Ornan keerde zich om en zag de engel. Zijn vier zonen die bij hem waren, verborgen zich. Ornan was tarwe aan het dorsen.
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde zich om
אָרְנָ֗ן
(arenan)
Ornan
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָ֔ךְ
(hamalakh)
de engel
וְאַרְבַּ֧עַת
(vearbaat)
en vier
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
מִֽתְחַבְּאִ֑ים
(mitchabeim)
verborgen zich
וְאָרְנָ֖ן
(vearenan)
en Ornan
דָּ֥שׁ
(dash)
dorsend
חִטִּֽים
(chitim)
tarwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַיָּשָׁב (wayyashav), ‘hij keerde zich om’: het werkwoord kan ook ‘hij keerde terug’ betekenen.

Wij vertalen ‘Ornan keerde zich om en zag de engel’.

In 2 Sam. 24:20 kijkt Araunna uit en ziet de koning komen.

Ornans vier zonen verbergen zich voor de engel. Dit staat alleen in Kronieken.

21David kwam bij Ornan. Ornan keek op en zag David. Hij ging van de dorsvloer af en boog zich voor David neer, met zijn gezicht naar de grond.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֖יד
(david)
David
עַד
(ad)
tot
אָרְנָ֑ן
(arenan)
Ornan
וַיַּבֵּ֤ט
(vayabet)
en keek
אָרְנָן֙
(arenan)
Ornan
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
מִן
(min)
van
הַגֹּ֔רֶן
(hagoren)
de dorsvloer
וַיִּשְׁתַּ֧חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
לְדָוִ֛יד
(ledavid)
voor David
אַפַּ֖יִם
(apayim)
gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַפַּיִם אַרְצָה (appayim artsah), ‘met het gezicht naar de grond’: letterlijk ‘neuzen naar de grond’.

Zo ook in 2 Sam. 24:20.

22David zei tegen Ornan: „Geef mij de plaats van de dorsvloer. Dan bouw ik daarop een altaar voor Yahweh. Geef die plaats aan mij voor de volle prijs in zilver, zodat de plaag van het volk wordt tegengehouden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אָרְנָ֗ן
(arenan)
Ornan
תְּנָה
(tena)
geef
לִּי֙
(li)
aan mij
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
הַגֹּ֔רֶן
(hagoren)
de dorsvloer
וְאֶבְנֶה
(veevne)
zodat ik zal bouwen
בּ֥וֹ
(bo)
daarop
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּכֶ֤סֶף
(bekhesef)
voor zilver
מָלֵא֙
(male)
vol
תְּנֵ֣הוּ
(tenehu)
geef haar
לִ֔י
(li)
aan mij
וְתֵעָצַ֥ר
(veteatsar)
zodat wordt tegengehouden
הַמַּגֵּפָ֖ה
(hamagefa)
de plaag
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּכֶסֶף מָלֵא (bechesef male), ‘voor de volle prijs in zilver’: letterlijk ‘voor vol zilver’.

Wij spreken Ornan hier aan met ‘u’, zoals Araunna in 2 Sam. 24:21–24.

מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: zoals in Exod. 9:14.

23Ornan zei tegen David: „Neem het voor u. Mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen. Zie, ik geef de runderen voor de brandoffers, de dorsplanken voor het hout en de tarwe voor het graanoffer. Alles geef ik.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אָרְנָ֤ן
(arenan)
Ornan
אֶל
(el)
tot
דָּוִיד֙
(david)
David
קַֽח
(qach)
neem
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
וְיַ֛עַשׂ
(veyaas)
en moge doen
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַטּ֣וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
רְאֵה֩
(ree)
zie
נָתַ֨תִּי
(natati)
ik geef
הַבָּקָ֜ר
(habaqar)
de runderen
לָֽעֹל֗וֹת
(laolot)
voor brandoffers
וְהַמּוֹרִגִּ֧ים
(vehamorigim)
en de dorsplanken
לָעֵצִ֛ים
(laetsim)
voor hout
וְהַחִטִּ֥ים
(vehachitim)
en de tarwe
לַמִּנְחָ֖ה
(lamincha)
voor graanoffer
הַכֹּ֥ל
(hakol)
alles
נָתָֽתִּי
(natati)
ik geef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹרַג (morag), ‘dorsplank’: een zware plank met scherpe stenen, waarmee het koren wordt gedorst.

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: zoals in Lev. 2:1. In 2 Sam. 24:22 staat dit niet; daar noemt Araunna alleen runderen en hout.

24Koning David zei tegen Ornan: „Nee, ik zal het zeker kopen voor de volle prijs in zilver. Want ik zal niet voor Yahweh nemen wat van u is. Ik zal geen brandoffer opdragen dat niets kost.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִיד֙
(david)
David
לְאָרְנָ֔ן
(learenan)
aan Ornan
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
maar
קָנֹ֥ה
(qano)
kopen
אֶקְנֶ֖ה
(eqne)
ik zal kopen
בְּכֶ֣סֶף
(bekhesef)
voor zilver
מָלֵ֑א
(male)
vol
כִּ֠י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
אֶשָּׂ֤א
(esa)
zal ik nemen
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לְךָ֙
(lekha)
van jou
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהַעֲל֥וֹת
(vehaalot)
en offeren
עוֹלָ֖ה
(ola)
brandoffer
חִנָּֽם
(chinam)
om niets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִנָּם (chinnam), ‘om niets’: zonder dat het mij iets kost.

Vergelijk Gen. 23:9–16 en 2 Sam. 24:24.

25David gaf Ornan voor die plaats 600 sikkel goud, naar gewicht.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
דָּוִ֛יד
(david)
David
לְאָרְנָ֖ן
(learenan)
aan Ornan
בַּמָּק֑וֹם
(bamaqom)
voor de plaats
שִׁקְלֵ֣י
(shiqlei)
sikkels van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
מִשְׁקָ֖ל
(mishqal)
gewicht
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

600 sikkel is ongeveer 6,8 kilogram (een sikkel is ongeveer 11,4 gram).

מָקוֹם (maqom), ‘plaats’: hier de hele plaats, niet alleen de dorsvloer.

Lezing

David geeft Ornan hier 600 sikkel goud voor de hele plaats.

In 2 Sam. 24:24 koopt hij de dorsvloer en de runderen voor 50 sikkel zilver.

Wij volgen de Masoretische tekst van Kronieken.

Yahweh antwoordt met vuur

26David bouwde daar een altaar voor Yahweh. Hij offerde brandoffers en vredeoffers. Hij riep tot Yahweh en Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel op het altaar van het brandoffer.
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֨ם
(sham)
daar
דָּוִ֤יד
(david)
David
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en bracht omhoog
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֑ים
(ushelamim)
en vredeoffers
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּֽעֲנֵ֤הוּ
(vayaanehu)
en antwoordde hem
בָאֵשׁ֙
(baesh)
met vuur
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
עַ֖ל
(al)
op
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
altaar van
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּעֲנֵהוּ בָאֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם (wayya’anehu va’esh min hashamayim), ‘Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel’: dit staat alleen in Kronieken.

Vergelijk Lev. 9:24 en Richt. 6:21.

שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: zie Lev. 3:1.

27Yahweh sprak tot de engel. Die stak zijn zwaard terug in de schede.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לַמַּלְאָ֔ךְ
(lamalakh)
tot de engel
וַיָּ֥שֶׁב
(vayashev)
en hij stak terug
חַרְבּ֖וֹ
(charbo)
zijn zwaard
אֶל
(el)
in
נְדָנָֽהּ
(nedanah)
zijn schede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָדָן (nadan), ‘schede’: een zeldzaam woord voor de schede van een zwaard.

Yahweh spreekt tot de engel, maar zijn woorden worden niet aangehaald. Er staat dus geen rood.

28In die tijd, toen David zag dat Yahweh hem had geantwoord op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, offerde hij daar.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
בִּרְא֤וֹת
(birot)
toen zag
דָּוִיד֙
(david)
David
כִּי
(ki)
dat
עָנָ֣הוּ
(anahu)
had geantwoord hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּגֹ֖רֶן
(begoren)
op de dorsvloer van
אָרְנָ֣ן
(arenan)
Ornan
הַיְבוּסִ֑י
(hayvusi)
de Jebusiet
וַיִּזְבַּ֖ח
(vayizbach)
en offerde
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dorsvloer van Ornan (Araunna): De dorsvloer van Ornan (in 2 Samuël 24 Araunna) lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.

Uitleg

Dit vers en de verzen 29–30 staan alleen in Kronieken.

Het vers verbindt het vuur van vers 26 met het offeren van David op deze plaats.

De offerhoogte in Gibeon

29De tabernakel van Yahweh, die Mozes in de woestijn had gemaakt, stond in die tijd op de hoogte in Gibeon. Ook het altaar van het brandoffer stond daar.
וּמִשְׁכַּ֣ן
(umishkan)
en tabernakel van
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֨ה
(asa)
maakte
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
בַמִּדְבָּ֛ר
(bamidbar)
in de woestijn
וּמִזְבַּ֥ח
(umizbach)
en altaar van
הָעוֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
בַּבָּמָ֖ה
(babama)
op de hoogte
בְּגִבְעֽוֹן
(begivon)
in Gibeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon lag bij het huidige El-Jib (Westelijke Jordaanoever), ongeveer 9 kilometer ten noordwesten van Jeruzalem.

Dat is waarschijnlijk.

Uitleg

בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een hoge plaats waar geofferd werd.

De tabernakel is die van Exod. 40:1–2, de tent van samenkomst. Mozes heeft hem in de woestijn gemaakt.

30David kon er niet heen gaan om Elohim te raadplegen, want hij was overweldigd door het zwaard van de engel van Yahweh.
וְלֹא
(velo)
en niet
יָכֹ֥ל
(yakhol)
kon
דָּוִ֛יד
(david)
David
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
gaan
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
לִדְרֹ֣שׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
כִּ֣י
(ki)
want
נִבְעַ֔ת
(nivat)
hij werd overweldigd
מִפְּנֵ֕י
(mipenei)
vanwege
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard van
מַלְאַ֥ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְפָנָיו (lefanav), ‘voor zijn aangezicht’: letterlijk ‘voor hem’.

Het kan verwijzen naar de tabernakel en het altaar in vers 29, of naar Elohim.

Wij vertalen ‘erheen’.

נִבְעַת (niv’at), ‘overweldigd’: bang gemaakt, zoals in 1 Sam. 16:14.