Elohim Bijbel

Ezra 3

12345678910

Het altaar en de grondslag van de tempel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het altaar wordt gebouwd

1Toen de zevende maand aanbrak, waren de zonen van Israël in hun steden. Het volk verzamelde zich als één man in Jeruzalem.
וַיִּגַּע֙
(vayiga)
en aanbrak
הַחֹ֣דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
zevende
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בֶּעָרִ֑ים
(bearim)
in de steden
וַיֵּאָסְפ֥וּ
(vayeasefu)
en verzamelde zich
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
כְּאִ֥ישׁ
(keish)
als één
אֶחָ֖ד
(echad)
man
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De zevende maand is de maand van de grote feesten: de bazuinendag, de verzoendag en het feest van de hutten (Lev. 23:23–43).

כְּאִישׁ אֶחָד (ke’ish echad), ‘als één man’: eensgezind, zoals in Richt. 20:1.

2Jesua, de zoon van Jehozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, met zijn broeders. Zij bouwden het altaar van de Elohim van Israël om er brandoffers op te brengen. Zo staat geschreven in de wet van Mozes, de man van Elohim.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
יֵשׁ֨וּעַ
(yeshua)
Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יֽוֹצָדָ֜ק
(yotsadaq)
Jehozadak
וְאֶחָ֣יו
(veechav)
en zijn broeders
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
וּזְרֻבָּבֶ֤ל
(uzerubavel)
en Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁאַלְתִּיאֵל֙
(shealtiel)
Sjealtiël
וְאֶחָ֔יו
(veechav)
en zijn broeders
וַיִּבְנ֕וּ
(vayivnu)
en zij bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֖ח
(mizbach)
het altaar van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לְהַעֲל֤וֹת
(lehaalot)
om te brengen omhoog
עָלָיו֙
(alav)
daarop
עֹל֔וֹת
(olot)
brandoffers
כַּכָּת֕וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בְּתוֹרַ֖ת
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
אִישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹצָדָק (Yotsadaq), ‘Jehozadak’: een korte vorm van Jehozadak.

Zo schrijven wij de naam ook in 1 Kron. 5:40–41.

Hij is de vader van de hogepriester Jesua.

Wij schrijven overal ‘Jehozadak’.

זְרֻבָּבֶל (Zerubbabel) is de zoon van Sjealtiël; in 1 Kron. 3:19 staat hij als zoon van Pedaja. Het Hebreeuws zegt hier niet hoe dat zit.

תּוֹרַת מֹשֶׁה (torat Mosheh), ‘de wet van Mozes’: de geschreven wet.

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘de man van Elohim’: een titel van Mozes, zoals in Deut. 33:1.

3Zij zetten het altaar op zijn vaste plaatsen, want er lag schrik op hen vanwege de volken van de landen. Zij brachten er brandoffers op voor Yahweh, brandoffers in de morgen en in de avond.
וַיָּכִ֤ינוּ
(vayakhinu)
en zij zetten klaar
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
עַל
(al)
op
מְכ֣וֹנֹתָ֔יו
(mekhonotav)
zijn vaste plaatsen
כִּ֚י
(ki)
want
בְּאֵימָ֣ה
(beeima)
schrik
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
מֵעַמֵּ֖י
(meamei)
vanwege de volken van
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
וַיַּעֲל֨וּ
(vayaalu)
en zij brachten omhoog
עָלָ֤יו
(alav)
daarop
עֹלוֹת֙
(olot)
brandoffers
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
לַבֹּ֥קֶר
(laboqer)
in de morgen
וְלָעָֽרֶב
(velaarev)
en in de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְכוֹנֹתָיו (mekhonotav), ‘zijn vaste plaatsen’: de plaats waar het altaar vroeger stond.

Het kan ook ‘zijn grondslagen’ betekenen.

בְּאֵימָה עֲלֵיהֶם מֵעַמֵּי הָאֲרָצוֹת (be’emah aleihem me’ammei ha’aratsot), ‘er lag schrik op hen vanwege de volken van de landen’: de tekst zegt niet precies wat hen bang maakte. Het kan ook zijn dat zij het altaar bouwden ondanks de schrik. Wij volgen de eerste lezing. ‘De volken van de landen’ zijn de bewoners van het land die geen ballingen waren.

לַבֹּקֶר וְלָעָרֶב (labboqer velaarev), ‘in de morgen en in de avond’: de twee vaste brandoffers van elke dag (Num. 28:3–4).

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat וַיַּעַל (vaya‘al), ‘hij bracht omhoog’, in de gelezen tekst (qere) וַיַּעֲלוּ (vaya‘alu), ‘zij brachten omhoog’.

Wij volgen het qere.

4Zij vierden het feest van de hutten, zoals geschreven staat. Zij brachten de brandoffers van elke dag, naar het aantal en volgens het recht, elke dag wat bij die dag hoorde.
וַֽיַּעֲשׂ֛וּ
(vayaasu)
en zij vierden
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֥ג
(chag)
het feest van
הַסֻּכּ֖וֹת
(hasukot)
de hutten
כַּכָּת֑וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
וְעֹלַ֨ת
(veolat)
en het brandoffer van
י֤וֹם
(yom)
dag
בְּיוֹם֙
(beyom)
op dag
בְּמִסְפָּ֔ר
(bemispar)
naar het aantal
כְּמִשְׁפַּ֖ט
(kemishpat)
volgens het recht
דְּבַר
(devar)
de zaak van
י֥וֹם
(yom)
de dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַג הַסֻּכּוֹת (chag hassukkot), ‘feest van de hutten’: zie Lev. 23:33–43 en Num. 29:12–38.

דְּבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (devar yom beyomo), ‘elke dag wat bij die dag hoorde’: letterlijk ‘de zaak van de dag op zijn dag’. Het gaat om het aantal offers dat voor elke dag van het feest was voorgeschreven (Num. 29:13–34).

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: het voorschrift.

5Daarna brachten zij het voortdurende brandoffer, en de offers voor elke nieuwe maand en voor alle geheiligde feesten van Yahweh. Ook brachten zij de offers van ieder die Yahweh een vrijwillige gave bracht.
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֞ן
(ken)
zo
עֹלַ֤ת
(olat)
het brandoffer van
תָּמִיד֙
(tamid)
altijd
וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔ים
(velechodashim)
en voor de nieuwe manen
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alle
מוֹעֲדֵ֥י
(moadei)
feesten van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמְקֻדָּשִׁ֑ים
(hamqudashim)
die geheiligd zijn
וּלְכֹ֛ל
(ulekhol)
en voor ieder
מִתְנַדֵּ֥ב
(mitnadev)
die vrijwillig geeft
נְדָבָ֖ה
(nedava)
een vrijwillige gave
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלַת תָּמִיד (olat tamid), ‘voortdurend brandoffer’: het dagelijkse brandoffer van de morgen en de avond (Num. 28:3–8).

Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord. Wij voegen ‘brachten zij’ toe in het tweede deel, voor het Nederlands.

לֶחֳדָשִׁים (lechodashim), ‘voor de nieuwe manen’: het offer bij het begin van elke maand (Num. 28:11–15).

הַמְקֻדָּשִׁים (hamequddashim), ‘die geheiligd zijn’: de feesten die heilig zijn verklaard.

6Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij Yahweh brandoffers te brengen. De tempel van Yahweh was toen nog niet gegrondvest.
מִיּ֤וֹם
(miyom)
vanaf de dag
אֶחָד֙
(echad)
eerste
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
zevende
הֵחֵ֕לּוּ
(hechelu)
begonnen zij
לְהַעֲל֥וֹת
(lehaalot)
om te brengen
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהֵיכַ֥ל
(veheikhal)
en de tempel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
יֻסָּֽד
(yusad)
was gegrondvest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf de eerste dag van de zevende maand brengt men brandoffers.

Het feest van de hutten begint op de vijftiende dag (Lev. 23:34).

Het Hebreeuws zegt niet of dit twee afzonderlijke gebeurtenissen zijn.

הֵיכַל (heikhal), ‘tempel’: het gebouw zelf. Zo vertalen wij ook in 2 Kron. 36:7.

Voorbereiding van de bouw

7Zij gaven geld aan de steenhouwers en de ambachtslieden. Zij gaven eten, drinken en olie aan de Sidoniërs en de Tyriërs. Dezen moesten cederhout uit de Libanon over zee naar Jafo brengen. Zo had Kores, de koning van Perzië, hun toegestaan.
וַיִּ֨תְּנוּ
(vayitenu)
en zij gaven
כֶ֔סֶף
(kesef)
geld
לַחֹצְבִ֖ים
(lachotsevim)
aan de steenhouwers
וְלֶחָרָשִׁ֑ים
(velecharashim)
en aan de ambachtslieden
וּמַאֲכָ֨ל
(umaakhal)
en eten
וּמִשְׁתֶּ֜ה
(umishte)
en drinken
וָשֶׁ֗מֶן
(vashemen)
en olie
לַצִּֽדֹנִים֙
(latsidonim)
aan de Sidoniërs
וְלַצֹּרִ֔ים
(velatsorim)
en aan de Tyriërs
לְהָבִיא֩
(lehavi)
om te brengen
עֲצֵ֨י
(atsei)
hout van
אֲרָזִ֤ים
(arazim)
ceders
מִן
(min)
van
הַלְּבָנוֹן֙
(halevanon)
de Libanon
אֶל
(el)
naar
יָ֣ם
(yam)
de zee van
יָפ֔וֹא
(yafo)
Jafo
כְּרִשְׁי֛וֹן
(kerishyon)
volgens de toestemming van
כּ֥וֹרֶשׁ
(koresh)
Kores
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
פָּרַ֖ס
(paras)
Perzië
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Zie Jafo: Jafo is het huidige Jaffa, aan de kust bij Tel Aviv.

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Uitleg

חֹצְבִים (chotsevim), ‘steenhouwers’; חָרָשִׁים (charashim), ‘ambachtslieden’: vaklieden die met steen, hout of metaal werken.

Sidoniërs en Tyriërs leverden ook hout aan David (1 Kron. 22:4) en Salomo (2 Kron. 2:7–15).

יָם יָפוֹא (yam Yafo), ‘de zee van Jafo’: vlotten brachten het hout over zee naar Jafo, zoals in 2 Kron. 2:15.

רִשְׁיוֹן (rishyon), ‘toestemming’: een leenwoord uit het Perzisch. Het gaat om de toestemming van Kores (zie Ezra 1:1–4).

Het werk begint

8In het tweede jaar na hun komst bij het huis van Elohim in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jesua, de zoon van Jehozadak. Ook de rest van hun broeders, de priesters en de Levieten begonnen, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en ouder om toezicht te houden op het werk aan het huis van Yahweh.
וּבַשָּׁנָ֣ה
(uvashana)
en in het jaar
הַשֵּׁנִ֗ית
(hashenit)
tweede
לְבוֹאָ֞ם
(levoam)
bij hun komst
אֶל
(el)
naar
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
לִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(lirushaliam)
in Jeruzalem
בַּחֹ֖דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשֵּׁנִ֑י
(hasheni)
tweede
הֵחֵ֡לּוּ
(hechelu)
begonnen
זְרֻבָּבֶ֣ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁ֠אַלְתִּיאֵל
(shealtiel)
Sjealtiël
וְיֵשׁ֨וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יֽוֹצָדָ֜ק
(yotsadaq)
Jehozadak
וּשְׁאָ֥ר
(ushear)
en de rest van
אֲחֵיהֶ֣ם
(acheihem)
hun broeders
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֗ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַבָּאִים֙
(habaim)
die kwamen
מֵהַשְּׁבִ֣י
(mehashevi)
uit de gevangenschap
יְרֽוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיַּעֲמִ֣ידוּ
(vayaamidu)
en zij stelden aan
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
מִבֶּ֨ן
(miben)
van de zoon van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en ouder
לְנַצֵּ֖חַ
(lenatseach)
om toezicht te houden
עַל
(al)
over
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wat zij begonnen.

Uit vers 10 blijkt dat het gaat om het leggen van de grondslag van de tempel.

לְנַצֵּחַ (lenatseach), ‘toezicht houden’: zo vertalen wij ook in vers 9 en in 1 Kron. 23:4. Dit is het werkwoord dat in de Psalmenkoppen voorkomt bij ‘koorleider’.

מִבֶּן עֶשְׂרִים שָׁנָה (mibben esrim shanah), ‘van twintig jaar en ouder’: zie 1 Kron. 23:24, 27.

9Jesua stond er met zijn zonen en broeders, en Kadmiël met zijn zonen, de zonen van Juda, als één groep. Zij hielden toezicht op hen die het werk aan het huis van Elohim deden. Dat deden ook de zonen van Chenadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten.
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en stond
יֵשׁ֡וּעַ
(yeshua)
Jesua
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
וְ֠אֶחָיו
(veechav)
en zijn broeders
קַדְמִיאֵ֨ל
(qadmiel)
Kadmiël
וּבָנָ֤יו
(uvanav)
en zijn zonen
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
כְּאֶחָ֔ד
(keechad)
als één
לְנַצֵּ֛חַ
(lenatseach)
om toezicht te houden
עַל
(al)
over
עֹשֵׂ֥ה
(ose)
hen die deden
הַמְּלָאכָ֖ה
(hamelakha)
het werk
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
חֵֽנָדָ֔ד
(chenadad)
Chenadad
בְּנֵיהֶ֥ם
(beneihem)
hun zonen
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jesua is hier een Leviet; dit is een andere man dan Jesua, de zoon van Jehozadak (vers 2).

Hij staat ook in Ezra 2:40.

בְּנֵי יְהוּדָה (bene Yehudah), ‘de zonen van Juda’: een Levietenfamilie, niet de stam Juda. Dat het een Levietenfamilie is, is onzeker.

Het Hebreeuws heeft geen werkwoord bij ‘de zonen van Chenadad’. Wij voegen ‘Dat deden ook’ toe, voor het Nederlands.

De grondslag wordt gelegd

10Toen de bouwers de grondslag van de tempel van Yahweh legden, lieten zij de priesters opstaan in priestergewaad, met trompetten. Ook de Levieten, de zonen van Asaf, stonden daar met bekkens om Yahweh te prijzen, naar de aanwijzing van David, de koning van Israël.
וְיִסְּד֥וּ
(veyisedu)
en zij legden de grondslag
הַבֹּנִ֖ים
(habonim)
de bouwers
אֶת
(et)
(obj.)
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעֲמִידוּ֩
(vayaamidu)
en zij lieten staan
הַכֹּהֲנִ֨ים
(hakohanim)
de priesters
מְלֻבָּשִׁ֜ים
(melubashim)
gekleed
בַּחֲצֹֽצְר֗וֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
וְהַלְוִיִּ֤ם
(vehalviyim)
en de Levieten
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
אָסָף֙
(asaf)
Asaf
בַּֽמְצִלְתַּ֔יִם
(bamtsiltayim)
met bekkens
לְהַלֵּל֙
(lehalel)
om te prijzen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
volgens
יְדֵ֖י
(yedei)
de handen van
דָּוִ֥יד
(david)
David
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבֹּנִים (habbonim), ‘de bouwers’: de mannen die de grondslag legden.

Het onderwerp van ‘lieten opstaan’ is niet genoemd; wij lezen ‘zij’ als de bouwers en degenen die het werk leidden.

מְלֻבָּשִׁים (melubbashim), ‘gekleed’: de priesters droegen hun ambtsgewaad. Wij schrijven ‘in priestergewaad’.

חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: zoals in Num. 10:2. מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zoals in 1 Kron. 15:19.

עַל יְדֵי דָוִיד (al yedei David), ‘naar de aanwijzing van David’: letterlijk ‘volgens de handen van David’. Zie 1 Kron. 16:4–6 en 25:1.

11Zij zongen wisselzang, met lofprijs en dank voor Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw over Israël is voor eeuwig.’ Heel het volk juichte met luid gejuich, terwijl zij Yahweh prezen, omdat de grondslag van het huis van Yahweh was gelegd.
וַֽ֠יַּעֲנוּ
(vayaanu)
en zij antwoordden
בְּהַלֵּ֨ל
(behalel)
met lofprijs
וּבְהוֹדֹ֤ת
(uvehodot)
en met dank
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּ֣י
(ki)
want
ט֔וֹב
(tov)
goed
כִּֽי
(ki)
want
לְעוֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּ֖וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
הֵרִיעוּ֩
(heriu)
juichten
תְרוּעָ֨ה
(terua)
een gejuich
גְדוֹלָ֤ה
(gedola)
groot
בְהַלֵּל֙
(behalel)
met lofprijs
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
עַ֖ל
(al)
vanwege
הוּסַ֥ד
(husad)
het gelegd zijn van de grondslag van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּעֲנוּ (vaya‘anu), ‘zij antwoordden’: het kan gaan om wisselzang, waarbij de ene groep de andere antwoordt.

Wij vertalen ‘zij zongen wisselzang’.

כִּי טוֹב כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ עַל יִשְׂרָאֵל (ki tov ki le’olam chasdo al Yisra’el), ‘Hij is goed, want Zijn trouw over Israël is voor eeuwig’: het vaste lofrefrein, zoals in 2 Kron. 5:13, 7:3, Ps. 136:1 en Ps. 118:1. Hier komt erbij: ‘over Israël’. חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

הֵרִיעוּ תְרוּעָה גְדוֹלָה (heriu terua gedolah), ‘zij juichten met luid gejuich’.

12Veel priesters, Levieten en hoofden van de vaderhuizen waren oud. Zij hadden het eerste huis gezien. Zij huilden met luide stem toen dit huis voor hun ogen werd gegrondvest. Maar velen verhieven hun stem met gejuich, van vreugde.
וְרַבִּ֡ים
(verabim)
en velen
מֵהַכֹּהֲנִ֣ים
(mehakohanim)
van de priesters
וְהַלְוִיִּם֩
(vehalviyim)
en de Levieten
וְרָאשֵׁ֨י
(verashei)
en de hoofden van
הָאָב֜וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
הַזְּקֵנִ֗ים
(hazeqenim)
de oudere mannen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
רָא֜וּ
(rau)
hadden gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הָֽרִאשׁוֹן֙
(harishon)
eerste
בְּיָסְד֔וֹ
(beyasedo)
bij zijn grondvesting
זֶ֤ה
(ze)
dit
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(beeineihem)
voor hun ogen
בֹּכִ֖ים
(bokhim)
huilden
בְּק֣וֹל
(beqol)
met stem
גָּד֑וֹל
(gadol)
luid
וְרַבִּ֛ים
(verabim)
en velen
בִּתְרוּעָ֥ה
(bitrua)
met gejuich
בְשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
לְהָרִ֥ים
(leharim)
om te verheffen
קֽוֹל
(qol)
de stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַזְּקֵנִים (hazzeqenim), ‘de oudere mannen’: wie het eerste huis nog had gekend.

Dat huis werd verwoest toen Nebukadnezar Jeruzalem innam (2 Kon. 25:9).

בְּכִים (bekhi), ‘huilen’: de tekst zegt niet waarom zij huilden. Zie ook Hag. 2:3.

13Het volk kon het geluid van het vreugdegejuich niet onderscheiden van het geluid van het huilen van het volk. Want het volk juichte met luid gejuich, en het geluid was tot ver te horen.
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
מַכִּירִים֙
(makirim)
kon onderscheiden
ק֚וֹל
(qol)
het geluid van
תְּרוּעַ֣ת
(teruat)
het gejuich van
הַשִּׂמְחָ֔ה
(hasimcha)
de vreugde
לְק֖וֹל
(leqol)
van het geluid van
בְּכִ֣י
(bekhi)
het huilen van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
כִּ֣י
(ki)
want
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
מְרִיעִים֙
(meriim)
juichte
תְּרוּעָ֣ה
(terua)
een gejuich
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
groot
וְהַקּ֥וֹל
(vehaqol)
en het geluid
נִשְׁמַ֖ע
(nishma)
werd gehoord
עַד
(ad)
tot
לְמֵרָחֽוֹק
(lemerachoq)
in de verte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst vertelt twee geluiden die door elkaar klinken: vreugde en huilen.

Wij laten beide staan zoals ze zijn geschreven.