Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zonden bij vergissing
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Wanneer iemand bij vergissing zondigt tegen de geboden van Yahweh en een van de dingen doet die niet gedaan mogen worden,
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֘ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
נֶ֗פֶשׁ
(nefesh)
iemand
כִּֽי
(ki)
wanneer
תֶחֱטָ֤א
(techeta)
hij zondigt
בִשְׁגָגָה֙
(bishgaga)
bij vergissing
מִכֹּל֙
(mikol)
tegen alle
מִצְוֺ֣ת
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֑ינָה
(teaseina)
gedaan mogen worden
וְעָשָׂ֕ה
(veasa)
en hij doet
מֵאַחַ֖ת
(meachat)
één
מֵהֵֽנָּה
(mehena)
van deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: hetzelfde woord betekent ook ‘zonde’.
Wij vertalen ‘zondoffer’ waar het om het offer gaat (Exod. 29:14) en ‘zonde’ waar het om het kwaad gaat (vers 14).
בִּשְׁגָגָה (bishgagah), ‘bij vergissing’: zonder opzet, uit onwetendheid of onachtzaamheid. Voor wie met opzet zondigt, geldt iets anders (Num. 15:30–31). Vergelijk Num. 15:27.
De toespraak die hier begint, loopt door tot en met Lev. 5:13.
3Als het de gezalfde priester is die zondigt, zodat het volk schuldig wordt. Hij moet voor de zonde die hij begaan heeft een jonge stier zonder gebrek voor Yahweh brengen als zondoffer.
אִ֣ם
(im)
als
הַכֹּהֵ֧ן
(hakohen)
de priester
הַמָּשִׁ֛יחַ
(hamashiach)
de gezalfde
יֶחֱטָ֖א
(yecheta)
hij zondigt
לְאַשְׁמַ֣ת
(leashmat)
tot schuld van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְהִקְרִ֡יב
(vehiqriv)
en hij zal brengen
עַ֣ל
(al)
voor
חַטָּאתוֹ֩
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
חָטָ֜א
(chata)
hij zondigde
פַּ֣ר
(par)
een stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֥ר
(baqar)
rund
תָּמִ֛ים
(tamim)
zonder gebrek
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְחַטָּֽאת
(lechatat)
als zondoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֹּהֵן הַמָּשִׁיחַ (hakohen hamashiach), ‘de gezalfde priester’: de priester die met olie gezalfd is (Exod. 29:7; Lev. 8:12), de hogepriester.
Lezing
לְאַשְׁמַת הָעָם (leashmat haam) vertalen wij ‘zodat het volk schuldig wordt’: de zonde van de gezalfde priester brengt schuld over het hele volk.
Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘tot schuld van het volk’.
4Hij moet de stier naar de ingang van de tent van samenkomst brengen, voor het aangezicht van Yahweh. Hij moet zijn hand op de kop van de stier leggen en de stier voor het aangezicht van Yahweh slachten.
וְהֵבִ֣יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֗ר
(hapar)
de stier
אֶל
(el)
naar
פֶּ֛תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְסָמַ֤ךְ
(vesamakh)
en hij zal leggen
אֶת
(et)
(obj.)
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de kop van
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וְשָׁחַ֥ט
(veshachat)
en hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֖ר
(hapar)
de stier
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De priester moet zijn vinger in het bloed dopen. Hij moet zeven keer van het bloed sprenkelen, voor het aangezicht van Yahweh, voor de voorhang van het heiligdom.
וְטָבַ֧ל
(vetaval)
en hij zal dopen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
אֶצְבָּע֖וֹ
(etsbao)
zijn vinger
בַּדָּ֑ם
(badam)
in het bloed
וְהִזָּ֨ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
מִן
(min)
van
הַדָּ֜ם
(hadam)
het bloed
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִים֙
(peamim)
keer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֖י
(penei)
de voorzijde van
פָּרֹ֥כֶת
(parokhet)
de voorhang van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרֹכֶת (paroket), ‘voorhang’: het gordijn dat het heiligdom afsluit (Exod. 26:31–33).
7De priester moet van het bloed op de hoorns van het altaar voor de welriekende wierook doen, voor het aangezicht van Yahweh, in de tent van samenkomst. Al het bloed van de stier moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van samenkomst staat.
וְנָתַן֩
(venatan)
en hij zal doen
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַדָּ֜ם
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
קַ֠רְנוֹת
(qarnot)
de hoorns van
מִזְבַּ֨ח
(mizbach)
het altaar van
קְטֹ֤רֶת
(qetoret)
de wierook van
הַסַּמִּים֙
(hasamim)
de welriekende kruiden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
דַּ֣ם
(dam)
het bloed van
הַפָּ֗ר
(hapar)
de stier
יִשְׁפֹּךְ֙
(yishpokh)
hij zal uitgieten
אֶל
(el)
aan
יְסוֹד֙
(yesod)
de voet van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֔ה
(haola)
het brandoffer
אֲשֶׁר
(asher)
dat
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְטֹרֶת הַסַּמִּים (qetoret hassammim), ‘welriekende wierook’: het gouden altaar waarop elke morgen en avond wierook opgaat (Exod. 30:1–9).
קַרְנוֹת (qarnot), ‘hoorns’: de uitsteeksels op de vier hoeken van het altaar (Exod. 30:2).
12de hele stier moet hij naar buiten brengen, buiten het kamp, naar een reine plaats, naar de stortplaats van de as. Hij moet hem op hout met vuur verbranden. Op de stortplaats van de as moet hij verbrand worden.
וְהוֹצִ֣יא
(vehotsi)
en hij zal naar buiten brengen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַ֠פָּר
(hapar)
de stier
אֶל
(el)
naar
מִח֨וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֜ה
(lamachane)
het kamp
אֶל
(el)
naar
מָק֤וֹם
(maqom)
een plaats
טָהוֹר֙
(tahor)
rein
אֶל
(el)
naar
שֶׁ֣פֶךְ
(shefekh)
de stortplaats van
הַדֶּ֔שֶׁן
(hadeshen)
de as
וְשָׂרַ֥ף
(vesaraf)
en hij zal verbranden
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
עַל
(al)
op
עֵצִ֖ים
(etsim)
hout
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
עַל
(al)
op
שֶׁ֥פֶךְ
(shefekh)
de stortplaats van
הַדֶּ֖שֶׁן
(hadeshen)
de as
יִשָּׂרֵֽף
(yisaref)
hij zal verbrand worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁפֶךְ הַדֶּשֶׁן (shefekh hadeshen), ‘stortplaats van de as’: de plek buiten het kamp waar de as van het altaar heen wordt gebracht (Lev. 6:3–4).
Zij heet ‘rein’, omdat het zondoffer daar op een reine plek wordt verbrand.
13Als heel de gemeenschap van Israël zich vergist, terwijl de zaak voor de ogen van de vergadering verborgen blijft. En zij doen een van de dingen die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden, zodat zij schuldig worden.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יִשְׁגּ֔וּ
(yishgu)
zij vergissen zich
וְנֶעְלַ֣ם
(venelam)
en het blijft verborgen
דָּבָ֔ר
(davar)
de zaak
מֵעֵינֵ֖י
(meeinei)
voor de ogen van
הַקָּהָ֑ל
(haqahal)
de vergadering
וְ֠עָשׂוּ
(veasu)
en zij doen
אַחַ֨ת
(achat)
één
מִכָּל
(mikal)
van alle
מִצְוֺ֧ת
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֖ינָה
(teaseina)
gedaan mogen worden
וְאָשֵֽׁמוּ
(veashemu)
en zij worden schuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’, en קָהָל (qahal), ‘vergadering’: beide woorden staan in dit vers; wij houden ze uit elkaar.
שָׁגָה (shagah), ‘zich vergissen’: een ander woord dan in vers 2, maar met dezelfde gedachte van een zonde zonder opzet.
14En de zonde waarmee zij gezondigd hebben, wordt bekend, dan moet de vergadering een jonge stier als zondoffer brengen. Zij moeten hem voor de tent van samenkomst brengen.
וְנֽוֹדְעָה֙
(venodea)
en het wordt bekend
הַֽחַטָּ֔את
(hachatat)
de zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטְא֖וּ
(chateu)
zij zondigden
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erover
וְהִקְרִ֨יבוּ
(vehiqrivu)
en zij zullen brengen
הַקָּהָ֜ל
(haqahal)
de vergadering
פַּ֤ר
(par)
een stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָר֙
(baqar)
rund
לְחַטָּ֔את
(lechatat)
als zondoffer
וְהֵבִ֣יאוּ
(veheviu)
en zij zullen brengen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De oudsten van de gemeenschap moeten hun handen op de kop van de stier leggen, voor het aangezicht van Yahweh. Dan moet de stier voor het aangezicht van Yahweh geslacht worden.
וְ֠סָמְכוּ
(vesamekhu)
en zij zullen leggen
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעֵדָ֧ה
(haeda)
de gemeenschap
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֛ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
de kop van
הַפָּ֖ר
(hapar)
de stier
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשָׁחַ֥ט
(veshachat)
en hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֖ר
(hapar)
de stier
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij moet van het bloed op de hoorns doen van het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh in de tent van samenkomst staat. Al het bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van samenkomst staat.
וּמִן
(umin)
en van
הַדָּ֞ם
(hadam)
het bloed
יִתֵּ֣ן
(yiten)
hij zal doen
עַל
(al)
op
קַרְנֹ֣ת
(qarnot)
de hoorns van
הַמִּזְבֵּ֗חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדָּ֗ם
(hadam)
het bloed
יִשְׁפֹּךְ֙
(yishpokh)
hij zal uitgieten
אֶל
(el)
aan
יְסוֹד֙
(yesod)
de voet van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֔ה
(haola)
het brandoffer
אֲשֶׁר
(asher)
dat
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij moet met deze stier doen zoals hij met de stier van het zondoffer gedaan heeft. Zo moet hij het doen. De priester moet voor hen verzoening doen, en het wordt hun vergeven.
וְעָשָׂ֣ה
(veasa)
en hij zal doen
לַפָּ֔ר
(lapar)
met de stier
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂה֙
(asa)
hij deed
לְפַ֣ר
(lefar)
met de stier van
הַֽחַטָּ֔את
(hachatat)
het zondoffer
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יַעֲשֶׂה
(yaase)
hij zal doen
לּ֑וֹ
(lo)
ermee
וְכִפֶּ֧ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עֲלֵהֶ֛ם
(alehem)
voor hen
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְנִסְלַח (venislach), ‘en het wordt vergeven’: het werkwoord סָלַח (salach) heeft in de Bijbel alleen Elohim als gever.
De vorm is lijdend: de zonde wordt door Hem vergeven.
22Wanneer een leider zondigt en bij vergissing een van de dingen doet die volgens de geboden van Yahweh, zijn Elohim, niet gedaan mogen worden, en hij wordt schuldig,
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wanneer
נָשִׂ֖יא
(nasi)
een leider
יֶֽחֱטָ֑א
(yecheta)
hij zondigt
וְעָשָׂ֡ה
(veasa)
en hij doet
אַחַ֣ת
(achat)
één
מִכָּל
(mikal)
van alle
מִצְוֺת֩
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֜יו
(elohav)
zijn Elohim
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֛ינָה
(teaseina)
gedaan mogen worden
בִּשְׁגָגָ֖ה
(bishgaga)
bij vergissing
וְאָשֵֽׁם
(veashem)
en hij wordt schuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשִׂיא (nasi), ‘leider’: een hoofd van een stam of een familie.
Zie Exod. 16:22.
אֲשֶׁר (asher) staat hier waar de andere gevallen ‘als’ of ‘wanneer’ hebben (vers 3, 13 en 27). Wij vertalen ‘wanneer’.
23of als hem zijn zonde bekend gemaakt wordt, de zonde waarmee hij gezondigd heeft, dan moet hij als zijn offergave een geitenbok brengen, een mannelijk dier zonder gebrek.
אֽוֹ
(o)
of
הוֹדַ֤ע
(hoda)
het wordt bekend gemaakt
אֵלָיו֙
(elav)
aan hem
חַטָּאת֔וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטָ֖א
(chata)
hij zondigde
בָּ֑הּ
(bah)
daarmee
וְהֵבִ֧יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
קָרְבָּנ֛וֹ
(qarbano)
zijn offergave
שְׂעִ֥יר
(seir)
een bok van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
זָכָ֥ר
(zakhar)
mannelijk
תָּמִֽים
(tamim)
zonder gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂעִיר עִזִּים (sa'ir izzim), ‘geitenbok’: een mannelijke geit.
In vers 28 staat שְׂעִירַת עִזִּים (se'irat izzim), ‘geit’: een vrouwelijke geit.
24Hij moet zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, voor het aangezicht van Yahweh. Het is een zondoffer.
וְסָמַ֤ךְ
(vesamakh)
en hij zal leggen
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de kop van
הַשָּׂעִ֔יר
(hasair)
de bok
וְשָׁחַ֣ט
(veshachat)
en hij zal slachten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
בִּמְק֛וֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
יִשְׁחַ֥ט
(yishchat)
men slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De priester moet met zijn vinger van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Zijn bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
מִדַּ֤ם
(midam)
van het bloed van
הַֽחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
בְּאֶצְבָּע֔וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
וְנָתַ֕ן
(venatan)
en hij zal doen
עַל
(al)
op
קַרְנֹ֖ת
(qarnot)
de hoorns van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דָּמ֣וֹ
(damo)
zijn bloed
יִשְׁפֹּ֔ךְ
(yishpokh)
hij zal uitgieten
אֶל
(el)
aan
יְס֖וֹד
(yesod)
de voet van
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Al zijn vet moet hij op het altaar in rook laten opgaan, zoals het vet van het vredeoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde, en het wordt hem vergeven.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
חֶלְבּוֹ֙
(chelbo)
zijn vet
יַקְטִ֣יר
(yaqtir)
hij zal in rook laten opgaan
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
כְּחֵ֖לֶב
(kechelev)
zoals het vet van
זֶ֣בַח
(zevach)
het slachtoffer van
הַשְּׁלָמִ֑ים
(hashelamim)
de vredeoffers
וְכִפֶּ֨ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֧יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
מֵחַטָּאת֖וֹ
(mechatato)
voor zijn zonde
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Als iemand uit het volk van het land bij vergissing zondigt door een van de dingen te doen die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden. En hij wordt schuldig.
וְאִם
(veim)
en als
נֶ֧פֶשׁ
(nefesh)
iemand
אַחַ֛ת
(achat)
één
תֶּחֱטָ֥א
(techeta)
hij zondigt
בִשְׁגָגָ֖ה
(bishgaga)
bij vergissing
מֵעַ֣ם
(meam)
van het volk van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
בַּ֠עֲשֹׂתָהּ
(baasotah)
in zijn doen
אַחַ֨ת
(achat)
één
מִמִּצְוֺ֧ת
(mimitsvot)
van de geboden van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֖ינָה
(teaseina)
gedaan mogen worden
וְאָשֵֽׁם
(veashem)
en hij wordt schuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַם הָאָרֶץ (am ha'arets), ‘het volk van het land’: de gewone Israëlieten, niet de priester en niet de leider.
אַחַת (achat), ‘één’: een enkele persoon, tegenover de hele gemeenschap in vers 13.
28Of als hem zijn zonde bekend gemaakt wordt. Dan moet hij als zijn offergave een geit brengen, een vrouwelijk dier zonder gebrek, voor de zonde die hij begaan heeft.
א֚וֹ
(o)
of
הוֹדַ֣ע
(hoda)
het wordt bekend gemaakt
אֵלָ֔יו
(elav)
aan hem
חַטָּאת֖וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֑א
(chata)
hij zondigde
וְהֵבִ֨יא
(vehevi)
en hij zal brengen
קָרְבָּנ֜וֹ
(qarbano)
zijn offergave
שְׂעִירַ֤ת
(seirat)
een geit van
עִזִּים֙
(izim)
geiten
תְּמִימָ֣ה
(temima)
zonder gebrek
נְקֵבָ֔ה
(neqeva)
vrouwelijk
עַל
(al)
voor
חַטָּאת֖וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָטָֽא
(chata)
hij zondigde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De priester moet met zijn vinger van het bloed ervan nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Al het bloed ervan moet hij uitgieten aan de voet van het altaar.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
מִדָּמָהּ֙
(midamah)
van haar bloed
בְּאֶצְבָּע֔וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
וְנָתַ֕ן
(venatan)
en hij zal doen
עַל
(al)
op
קַרְנֹ֖ת
(qarnot)
de hoorns van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
דָּמָ֣הּ
(damah)
haar bloed
יִשְׁפֹּ֔ךְ
(yishpokh)
hij zal uitgieten
אֶל
(el)
aan
יְס֖וֹד
(yesod)
de voet van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Al het vet ervan moet hij wegnemen, zoals het vet van het vredeoffer weggenomen wordt. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan tot een aangename geur voor Yahweh. De priester moet voor hem verzoening doen, en het wordt hem vergeven.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
חֶלְבָּ֣הּ
(chelbah)
haar vet
יָסִ֗יר
(yasir)
hij zal wegnemen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
הוּסַ֣ר
(husar)
het werd weggenomen
חֵלֶב֮
(chelev)
het vet
מֵעַ֣ל
(meal)
van
זֶ֣בַח
(zevach)
het slachtoffer van
הַשְּׁלָמִים֒
(hashelamim)
de vredeoffers
וְהִקְטִ֤יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
לְרֵ֥יחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֛יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34De priester moet met zijn vinger van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar doen. Al het bloed ervan moet hij uitgieten aan de voet van het altaar.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
מִדַּ֤ם
(midam)
van het bloed van
הַֽחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
בְּאֶצְבָּע֔וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
וְנָתַ֕ן
(venatan)
en hij zal doen
עַל
(al)
op
קַרְנֹ֖ת
(qarnot)
de hoorns van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
דָּמָ֣הּ
(damah)
haar bloed
יִשְׁפֹּ֔ךְ
(yishpokh)
hij zal uitgieten
אֶל
(el)
aan
יְס֖וֹד
(yesod)
de voet van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Al het vet ervan moet hij wegnemen, zoals het vet van het lam van het vredeoffer weggenomen wordt. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van Yahweh. De priester moet voor hem verzoening doen voor de zonde die hij begaan heeft, en het wordt hem vergeven.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
חֶלְבָּ֣ה
(chelba)
haar vet
יָסִ֗יר
(yasir)
hij zal wegnemen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יוּסַ֥ר
(yusar)
het wordt weggenomen
חֵֽלֶב
(chelev)
het vet van
הַכֶּשֶׂב֮
(hakesev)
het lam
מִזֶּ֣בַח
(mizevach)
van het slachtoffer van
הַשְּׁלָמִים֒
(hashelamim)
de vredeoffers
וְהִקְטִ֨יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
אֹתָם֙
(otam)
ze
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
עַ֖ל
(al)
op
אִשֵּׁ֣י
(ishei)
de vuuroffers van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכִפֶּ֨ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֧יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
voor
חַטָּאת֥וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָטָ֖א
(chata)
hij zondigde
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)