Elohim Bijbel

Leviticus 24

123456789101112131415161718192021222324252627

De lamp, het brood op de tafel en de man die de Naam vervloekte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De lamp

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Gebied de zonen van Israël dat zij je zuivere, gestampte olijfolie brengen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.
צַ֞ו
(tsav)
gebied
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְיִקְח֨וּ
(veyiqchu)
dat zij brengen
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
tot jou
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
זַ֥יִת
(zayit)
olijf
זָ֛ךְ
(zakh)
zuivere
כָּתִ֖ית
(katit)
gestampte
לַמָּא֑וֹר
(lamaor)
voor het licht
לְהַעֲלֹ֥ת
(lehaalot)
om te laten branden
נֵ֖ר
(ner)
een lamp
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gebod staat ook in Exod. 27:20–21.

Het Hebreeuws heeft hier ‘een lamp’ (נֵר, ner, enkelvoud); in vers 4 staan ‘de lampen’ (meervoud).

עָרַךְ (arach), ‘in orde brengen’ (vers 3–4): wij vertalen ‘verzorgen’ voor de lamp, zoals in Exod. 27:21.

3Buiten de voorhang van het getuigenis, in de tent van samenkomst, moet Aäron die verzorgen, van de avond tot de morgen, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh. Dit is een eeuwig voorschrift voor al jullie generaties.
מִחוּץ֩
(michuts)
buiten
לְפָרֹ֨כֶת
(lefarokhet)
de voorhang van
הָעֵדֻ֜ת
(haedut)
het getuigenis
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֗ד
(moed)
samenkomst
יַעֲרֹךְ֩
(yaarokh)
zal verzorgen
אֹת֨וֹ
(oto)
het
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
מֵעֶ֧רֶב
(meerev)
van avond
עַד
(ad)
tot
בֹּ֛קֶר
(boqer)
morgen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
לְדֹרֹֽתֵיכֶֽם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Op de zuivere kandelaar moet hij de lampen verzorgen, voortdurend voor het aangezicht van Yahweh.
עַ֚ל
(al)
op
הַמְּנֹרָ֣ה
(hamenora)
de kandelaar
הַטְּהֹרָ֔ה
(hatehora)
de zuivere
יַעֲרֹ֖ךְ
(yaarokh)
zal verzorgen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֵּר֑וֹת
(hanerot)
de lampen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het brood op de tafel

5Neem fijn meel en bak daarvan twaalf koeken. Elke koek moet twee tiende efa zijn.
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
סֹ֔לֶת
(solet)
fijn meel
וְאָפִיתָ֣
(veafita)
en bak
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
חַלּ֑וֹת
(chalot)
koeken
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee van
עֶשְׂרֹנִ֔ים
(esronim)
tiende delen
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
הַֽחַלָּ֥ה
(hachala)
de koek
הָאֶחָֽת
(haechat)
de ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִשָּׂרוֹן (issaron), ‘tiende deel’: twee tiende efa is ongeveer 4,4 liter meel per koek (een efa is ongeveer 22 liter).

Er zijn twaalf koeken, zes in elke rij: het getal past bij de twaalf stammen van Israël.

In dit hoofdstuk heet het gewoon ‘brood’. In Exod. 25:30 heet het ‘toonbrood’, het brood van het aangezicht.

6Leg ze in twee rijen, zes in elke rij, op de zuivere tafel voor het aangezicht van Yahweh.
וְשַׂמְתָּ֥
(vesamta)
en leg
אוֹתָ֛ם
(otam)
ze
שְׁתַּ֥יִם
(shetayim)
twee
מַֽעֲרָכ֖וֹת
(maarakhot)
rijen
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
zes
הַֽמַּעֲרָ֑כֶת
(hamaarakhet)
de rij
עַ֛ל
(al)
op
הַשֻּׁלְחָ֥ן
(hashulchan)
de tafel
הַטָּהֹ֖ר
(hatahor)
de zuivere
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Doe op elke rij zuivere wierook. Die moet voor het brood een gedenkdeel zijn, een vuuroffer voor Yahweh.
וְנָתַתָּ֥
(venatata)
en doe
עַל
(al)
op
הַֽמַּעֲרֶ֖כֶת
(hamaarekhet)
de rij
לְבֹנָ֣ה
(levona)
wierook
זַכָּ֑ה
(zaka)
zuivere
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
לַלֶּ֨חֶם֙
(lalechem)
voor het brood
לְאַזְכָּרָ֔ה
(leazkara)
tot gedenkdeel
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
vuuroffer
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבֹנָה (levonah), ‘wierook’.

אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: het deel dat Yahweh aan het offer herinnert, zoals bij het graanoffer in Lev. 2:2.

8Elke sabbatdag moet hij het voortdurend klaarleggen voor het aangezicht van Yahweh, namens de zonen van Israël. Het is een eeuwig verbond.
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֜ת
(hashabat)
de sabbat
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֗ת
(hashabat)
de sabbat
יַֽעַרְכֶ֛נּוּ
(yaarkhenu)
zal het klaarleggen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
מֵאֵ֥ת
(meet)
namens
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּרִ֥ית
(berit)
een verbond van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרַךְ (arach) betekent ‘in orde leggen’.

Bij het brood vertalen wij ‘klaarleggen’, omdat het om rijen op een tafel gaat.

מֵאֵת (me’et), ‘namens’: letterlijk ‘van de kant van’. De priester legt het brood neer namens de zonen van Israël.

9Het is voor Aäron en zijn zonen. Zij moeten het eten op een heilige plaats. Want voor hem is het hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh. Het is een eeuwig voorschrift.”
וְהָֽיְתָה֙
(vehayeta)
en zij zal zijn
לְאַהֲרֹ֣ן
(leaharon)
voor Aäron
וּלְבָנָ֔יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
וַאֲכָלֻ֖הוּ
(vaakhaluhu)
en zij zullen het eten
בְּמָק֣וֹם
(bemaqom)
op een plaats
קָדֹ֑שׁ
(qadosh)
heilige
כִּ֡י
(ki)
want
קֹדֶשׁ֩
(qodesh)
heilig
קָֽדָשִׁ֨ים
(qadashim)
van de heilige dingen
ה֥וּא
(hu)
zij
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
מֵאִשֵּׁ֥י
(meishei)
afkomstig van de vuuroffers van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
חָק
(chaq)
een voorschrift van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het brood is voor Aäron en zijn zonen.

Zij eten het op een heilige plaats, net als wat van het graanoffer overblijft (Lev. 2:3).

De man die de Naam vervloekte

10Te midden van de zonen van Israël ging de zoon van een Israëlitische vrouw naar buiten. Hij was ook de zoon van een Egyptische man. In het kamp vochten de zoon van de Israëlitische vrouw en een Israëlitische man.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
בֶּן
(ben)
zoon van
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
יִשְׂרְאֵלִ֔ית
(yisreelit)
Israëlitische
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
בֶּן
(ben)
zoon van
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִצְרִ֔י
(mitsri)
Egyptische
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּנָּצוּ֙
(vayinatsu)
en zij vochten
בַּֽמַּחֲנֶ֔ה
(bamachane)
in het kamp
בֶּ֚ן
(ben)
de zoon van
הַיִּשְׂרְאֵלִ֔ית
(hayisreelit)
de Israëlitische
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en een man
הַיִּשְׂרְאֵלִֽי
(hayisreeli)
de Israëliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zijn vader is een Egyptenaar, zijn moeder Israëlitisch.

Bij de uittocht ging ‘een grote gemengde schare’ met Israël mee (Exod. 12:38).

11De zoon van de Israëlitische vrouw sprak de Naam uit en vervloekte. Zij brachten hem bij Mozes. De naam van zijn moeder was Selomit, dochter van Dibri, van de stam Dan.
וַ֠יִּקֹּב
(vayiqov)
en sprak uit
בֶּן
(ben)
zoon van
הָֽאִשָּׁ֨ה
(haisha)
de vrouw
הַיִּשְׂרְאֵלִ֤ית
(hayisreelit)
de Israëlitische
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֵּׁם֙
(hashem)
de Naam
וַיְקַלֵּ֔ל
(vayqalel)
en vervloekte
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
אִמּ֛וֹ
(imo)
zijn moeder
שְׁלֹמִ֥ית
(shelomit)
Selomit
בַּת
(bat)
dochter van
דִּבְרִ֖י
(divri)
Dibri
לְמַטֵּה
(lemate)
van de stam
דָֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָקַב (naqav), ‘doorboren, bepalen, uitspreken’.

Het woord staat hier samen met וַיְקַלֵּל (vayqallel), ‘en hij vervloekte’.

Wij vertalen ‘sprak uit’ en laten de lastering blijken uit ‘vervloekte’.

Wat hij precies zei, staat er niet.

שְׁלֹמִית (Shelomit) is de moeder; haar vader Dibri is uit de stam Dan. De man zelf heeft in de tekst geen naam.

Het Hebreeuws heeft hier ‘de Naam’ (הַשֵּׁם, hashem). In vers 16 staat ‘de naam van Yahweh’.

12Zij zetten hem in bewaring, tot het hun door de mond van Yahweh duidelijk zou worden gemaakt.
וַיַּנִּיחֻ֖הוּ
(vayanichuhu)
en zij zetten hem neer
בַּמִּשְׁמָ֑ר
(bamishmar)
in bewaring
לִפְרֹ֥שׁ
(lifrosh)
om duidelijk te maken
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
עַל
(al)
op
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier een onbepaalde vorm, לִפְרֹשׁ (lifrosh), ‘om duidelijk te maken’, zonder onderwerp.

Wij vertalen ‘tot het hun duidelijk zou worden gemaakt’.

Een vergelijkbaar geval staat in Num. 15:34, bij de man die op sabbat hout sprokkelde.

13Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14„Breng de vervloeker naar buiten, buiten het kamp. Allen die het gehoord hebben, moeten hun handen op zijn hoofd leggen. Dan moet heel de gemeenschap hem stenigen.
הוֹצֵ֣א
(hotse)
breng uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמְקַלֵּ֗ל
(hamqalel)
de vervloeker
אֶל
(el)
naar
מִחוּץ֙
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֔ה
(lamachane)
het kamp
וְסָמְכ֧וּ
(vesamekhu)
en zij zullen leggen
כָֽל
(kal)
alle
הַשֹּׁמְעִ֛ים
(hashomeim)
die gehoord hebben
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְרָגְמ֥וּ
(veragemu)
en zij zullen stenigen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getuigen leggen hun handen op zijn hoofd.

Het handen leggen komt ook voor bij offers (Lev. 1:4).

De steniging gebeurt buiten het kamp, zoals in vers 23.

15Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Ieder die zijn Elohim vervloekt, moet zijn zonde dragen.
וְאֶל
(veel)
en tot
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
תְּדַבֵּ֣ר
(tedaber)
je zult spreken
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אִ֛ישׁ
(ish)
man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יְקַלֵּ֥ל
(yeqalel)
hij vervloekt
אֱלֹהָ֖יו
(elohav)
zijn Elohim
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
en hij zal dragen
חֶטְאֽוֹ
(cheto)
zijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא חֵטְא (nasa chet), ‘zijn zonde dragen’: de gevolgen van de zonde dragen.

Het Hebreeuws heeft hier ‘zijn Elohim’ (אֱלֹהָיו, elohav).

Vergelijk Exod. 22:27, waar staat dat Elohim niet vervloekt mag worden.

16Wie de naam van Yahweh uitspreekt, moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem zeker stenigen. Of het een vreemdeling is of een inheemse: als hij de Naam uitspreekt, moet hij gedood worden.
וְנֹקֵ֤ב
(venoqev)
en wie uitspreekt
שֵׁם
(shem)
de naam van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מ֣וֹת
(mot)
doden
יוּמָ֔ת
(yumat)
zal gedood worden
רָג֥וֹם
(ragom)
stenigen
יִרְגְּמוּ
(yirgemu)
zij zullen stenigen
ב֖וֹ
(bo)
hem
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֑ה
(haeda)
de gemeenschap
כַּגֵּר֙
(kager)
als de vreemdeling
כָּֽאֶזְרָ֔ח
(kaezrach)
als de inheemse
בְּנָקְבוֹ
(benaqevo)
bij zijn uitspreken van
שֵׁ֖ם
(shem)
de Naam
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, en אֶזְרָח (ezrach), ‘inheemse’: het recht geldt voor beiden gelijk, zoals ook in vers 22.

Zie ook Exod. 12:49.

Lezing

נָקַב (naqav) is hier ‘uitspreken’, zoals in vers 11.

De Septuaginta heeft ‘noemen’ (ὀνομάζων).

De samenhang met vers 15 (‘vervloeken’) laat zien dat het om lasteren gaat; wij zetten dat woord niet in de tekst.

Recht bij doodslag en letsel

17Als iemand een mens doodslaat, wie dan ook, moet hij zeker gedood worden.
וְאִ֕ישׁ
(veish)
en een man
כִּ֥י
(ki)
wanneer
יַכֶּ֖ה
(yake)
hij slaat
כָּל
(kal)
elk
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
leven van
אָדָ֑ם
(adam)
mens
מ֖וֹת
(mot)
doden
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven, levend wezen’.

Bij een mens vertalen wij ‘een mens doodslaan’, bij een dier ‘een dier doodslaan’.

Op het doodslaan van een mens staat de doodstraf.

Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden (vers 18 en 21).

18Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden: leven voor leven.
וּמַכֵּ֥ה
(umake)
en wie slaat
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
leven van
בְּהֵמָ֖ה
(behema)
een dier
יְשַׁלְּמֶ֑נָּה
(yeshalemena)
hij zal het vergoeden
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
leven
תַּ֥חַת
(tachat)
voor
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Als iemand zijn volksgenoot een gebrek toebrengt, moet hem worden gedaan wat hij gedaan heeft.
וְאִ֕ישׁ
(veish)
en een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִתֵּ֥ן
(yiten)
hij toebrengt
מ֖וּם
(mum)
gebrek
בַּעֲמִית֑וֹ
(baamito)
aan zijn volksgenoot
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יֵעָ֥שֶׂה
(yease)
zal gedaan worden
לּֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. Zoals hij een mens een gebrek toebrengt, zo moet het hem worden toegebracht.
שֶׁ֚בֶר
(shever)
breuk
תַּ֣חַת
(tachat)
voor
שֶׁ֔בֶר
(shever)
breuk
עַ֚יִן
(ayin)
oog
תַּ֣חַת
(tachat)
voor
עַ֔יִן
(ayin)
oog
שֵׁ֖ן
(shen)
tand
תַּ֣חַת
(tachat)
voor
שֵׁ֑ן
(shen)
tand
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יִתֵּ֥ן
(yiten)
hij toebrengt
מוּם֙
(mum)
gebrek
בָּֽאָדָ֔ם
(baadam)
aan een mens
כֵּ֖ן
(ken)
zo
יִנָּ֥תֶן
(yinaten)
zal toegebracht worden
בּֽוֹ
(bo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand’ staat ook in Exod. 21:23–25 en Deut. 19:21.

De regel begrenst de vergelding: wat iemand heeft aangedaan, mag hem worden aangedaan, niet meer.

21Wie een dier doodslaat, moet het vergoeden. Wie een mens doodslaat, moet gedood worden.
וּמַכֵּ֥ה
(umake)
en wie slaat
בְהֵמָ֖ה
(behema)
een dier
יְשַׁלְּמֶ֑נָּה
(yeshalemena)
hij zal het vergoeden
וּמַכֵּ֥ה
(umake)
en wie slaat
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Eén recht moet voor jullie gelden, voor de vreemdeling net als voor de inheemse. Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.”
מִשְׁפַּ֤ט
(mishpat)
recht
אֶחָד֙
(echad)
één
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
כַּגֵּ֥ר
(kager)
als de vreemdeling
כָּאֶזְרָ֖ח
(kaezrach)
als de inheemse
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eén recht voor de vreemdeling en voor de inheemse: vergelijk Exod. 12:49 en Num. 15:15–16.

De uitvoering van het vonnis

23Mozes sprak tot de zonen van Israël. Zij brachten de vervloeker naar buiten, buiten het kamp, en stenigden hem met stenen. De zonen van Israël deden wat Yahweh Mozes geboden had.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁה֮
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיּוֹצִ֣יאוּ
(vayotsiu)
en zij brachten uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמְקַלֵּ֗ל
(hamqalel)
de vervloeker
אֶל
(el)
naar
מִחוּץ֙
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֔ה
(lamachane)
het kamp
וַיִּרְגְּמ֥וּ
(vayirgemu)
en zij stenigden
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אָ֑בֶן
(aven)
steen
וּבְנֵֽי
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עָשׂ֔וּ
(asu)
deden
כַּֽאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
geboden had
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een soortgelijk vonnis staat in Num. 15:32–36, bij de man die op sabbat hout sprokkelde.

Ook hij werd buiten het kamp gestenigd.