Elohim Bijbel

Leviticus 14

123456789101112131415161718192021222324252627

De reiniging van de melaatse en melaatsheid in huizen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De reiniging van de melaatse

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en Hij sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Dit is de wet voor de melaatse op de dag van zijn reiniging. Hij moet naar de priester worden gebracht.
זֹ֤את
(zot)
dit
תִּֽהְיֶה֙
(tihye)
zij zal zijn
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
הַמְּצֹרָ֔ע
(hametsora)
de melaatse
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
טָהֳרָת֑וֹ
(tahorato)
zijn reiniging
וְהוּבָ֖א
(vehuva)
en hij wordt gebracht
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצֹרָע (metsora‘), ‘melaatse’: iemand die tsara‘at heeft gehad (zie Lev. 13:2).

Wie genezen is, moet door de priester rein worden verklaard.\nתּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.

Wij vertalen steeds ‘wet’.\nZie ook Matt. 8:4 en Lukas 5:14, waar Yeshua een genezen man naar de priester stuurt.

3De priester moet buiten het kamp gaan en kijken. Ziet de priester dat de plek van melaatsheid bij de melaatse genezen is,
וְיָצָא֙
(veyatsa)
en hij gaat uit
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
het kamp
וְרָאָה֙
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
נִרְפָּ֥א
(nirpa)
is genezen
נֶֽגַע
(nega)
de plek van
הַצָּרַ֖עַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
מִן
(min)
van
הַצָּרֽוּעַ
(hatsarua)
de melaatse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De melaatse woonde buiten het kamp (Lev. 13:46).

Daarom gaat de priester naar hem toe.

4dan moet de priester bevelen dat men voor wie rein verklaard wordt twee levende, reine vogels neemt, met cederhout, karmozijnrood garen en hysop.
וְצִוָּה֙
(vetsiva)
en hij beveelt
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְלָקַ֧ח
(velaqach)
en men neemt
לַמִּטַּהֵ֛ר
(lamitaher)
voor wie rein verklaard wordt
שְׁתֵּֽי
(shetei)
twee van
צִפֳּרִ֥ים
(tsiporim)
vogels
חַיּ֖וֹת
(chayot)
levend
טְהֹר֑וֹת
(tehorot)
rein
וְעֵ֣ץ
(veets)
en hout van
אֶ֔רֶז
(erez)
ceder
וּשְׁנִ֥י
(usheni)
en karmozijn van
תוֹלַ֖עַת
(tolaat)
de worm
וְאֵזֹֽב
(veezov)
en hysop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Reine vogels zijn vogels die niet in de lijst van onreine vogels staan (Lev. 11:13–19).\nעֵץ אֶרֶז (ets erez), ‘cederhout’; אֵזֹב (ezov), ‘hysop’: een geurige plant; שְׁנִי תוֹלַעַת (shni tola‘at), ‘karmozijnrood garen’.

De rode kleur komt van een worm (tola‘at); zie ook Exod. 25:4.

5De priester moet bevelen dat men de ene vogel slacht in een aarden schaal, boven levend water.
וְצִוָּה֙
(vetsiva)
en hij beveelt
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְשָׁחַ֖ט
(veshachat)
en men slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּפּ֣וֹר
(hatsipor)
de vogel
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
de ene
אֶל
(el)
in
כְּלִי
(keli)
een schaal van
חֶ֖רֶשׂ
(cheres)
aarde
עַל
(al)
boven
מַ֥יִם
(mayim)
water
חַיִּֽים
(chayim)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַיִם חַיִּים (mayim chayyim), ‘levend water’: stromend, vers water uit een bron; zie ook Gen. 26:19.\nכְּלִי־חֶרֶשׂ (keli-cheres), ‘aarden schaal’: een vat van aardewerk.

6De levende vogel moet hij nemen, samen met het cederhout, het karmozijnrood garen en de hysop. Hij moet ze dopen, met de levende vogel, in het bloed van de geslachte vogel boven het levende water.
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּפֹּ֤ר
(hatsipor)
de vogel
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
de levende
יִקַּ֣ח
(yiqach)
hij zal nemen
אֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵ֥ץ
(ets)
hout van
הָאֶ֛רֶז
(haerez)
de ceder
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁנִ֥י
(sheni)
karmozijn van
הַתּוֹלַ֖עַת
(hatolaat)
de worm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֵזֹ֑ב
(haezov)
de hysop
וְטָבַ֨ל
(vetaval)
en hij zal dopen
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הַצִּפֹּ֣ר
(hatsipor)
de vogel
הַֽחַיָּ֗ה
(hachaya)
de levende
בְּדַם֙
(bedam)
in het bloed van
הַצִּפֹּ֣ר
(hatsipor)
de vogel
הַשְּׁחֻטָ֔ה
(hashechuta)
de geslachte
עַ֖ל
(al)
boven
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
het water
הַֽחַיִּֽים
(hachayim)
het levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij moet zeven keer sprenkelen op wie van de melaatsheid rein verklaard wordt, en hem rein verklaren. Dan moet hij de levende vogel laten gaan, over het open veld.
וְהִזָּ֗ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
עַ֧ל
(al)
op
הַמִּטַּהֵ֛ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
מִן
(min)
van
הַצָּרַ֖עַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וְטִ֣הֲר֔וֹ
(vetiharo)
en hij verklaart hem rein
וְשִׁלַּ֛ח
(veshilach)
en hij zal laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּפֹּ֥ר
(hatsipor)
de vogel
הַֽחַיָּ֖ה
(hachaya)
de levende
עַל
(al)
over
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טִהֵר (tihér), ‘rein verklaren’: de priester verklaart hem rein.

Wij vertalen het steeds zo, ook bij de reinigingsriten van dit hoofdstuk.

8Wie rein verklaard wordt, moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren en zich met water wassen. Dan is hij rein. Daarna mag hij het kamp binnengaan, maar zeven dagen moet hij buiten zijn tent wonen.
וְכִבֶּס֩
(vekhibes)
en hij zal wassen
הַמִּטַּהֵ֨ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֜יו
(begadav)
zijn kleren
וְגִלַּ֣ח
(vegilach)
en hij zal afscheren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
שְׂעָר֗וֹ
(searo)
zijn haar
וְרָחַ֤ץ
(verachats)
en hij zal zich baden
בַּמַּ֨יִם֙
(bamayim)
in het water
וְטָהֵ֔ר
(vetaher)
en hij is rein
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en daarna
יָב֣וֹא
(yavo)
hij zal komen
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וְיָשַׁ֛ב
(veyashav)
en hij zal wonen
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לְאָהֳל֖וֹ
(leaholo)
zijn tent
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De man wast zich in vers 8 en nog eens op de zevende dag (vers 9).

9Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren: zijn hoofd, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Al zijn haar moet hij afscheren. Hij moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Dan is hij rein.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֜י
(hashevii)
de zevende
יְגַלַּ֣ח
(yegalach)
hij zal afscheren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
שְׂעָר֗וֹ
(searo)
zijn haar
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֤וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְקָנוֹ֙
(zeqano)
zijn baard
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
גַּבֹּ֣ת
(gabot)
de wenkbrauwen van
עֵינָ֔יו
(einav)
zijn ogen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
שְׂעָר֖וֹ
(searo)
zijn haar
יְגַלֵּ֑חַ
(yegaleach)
hij zal afscheren
וְכִבֶּ֣ס
(vekhibes)
en hij zal wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֗יו
(begadav)
zijn kleren
וְרָחַ֧ץ
(verachats)
en hij zal baden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֛וֹ
(besaro)
zijn lichaam
בַּמַּ֖יִם
(bamayim)
in het water
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en hij is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּבֹּת עֵינָיו (gabbot einav), ‘wenkbrauwen’: letterlijk ‘bogen van zijn ogen’.

De offers op de achtste dag

10Op de achtste dag moet hij twee lammeren zonder gebrek nemen en één vrouwelijk lam van een jaar zonder gebrek. Ook drie tiende efa fijn meel als graanoffer, met olie gekneed, en één log olie.
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁמִינִ֗י
(hashemini)
de achtste
יִקַּ֤ח
(yiqach)
hij zal nemen
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee van
כְבָשִׂים֙
(kevasim)
lammeren
תְּמִימִ֔ים
(temimim)
zonder gebrek
וְכַבְשָׂ֥ה
(vekhavsa)
en een ooilam
אַחַ֛ת
(achat)
één
בַּת
(bat)
dochter van
שְׁנָתָ֖הּ
(shenatah)
haar jaar
תְּמִימָ֑ה
(temima)
zonder gebrek
וּשְׁלֹשָׁ֣ה
(ushelosha)
en drie
עֶשְׂרֹנִ֗ים
(esronim)
tienden
סֹ֤לֶת
(solet)
meel van
מִנְחָה֙
(mincha)
graanoffer
בְּלוּלָ֣ה
(belula)
gekneed
בַשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met de olie
וְלֹ֥ג
(velog)
en een log
אֶחָ֖ד
(echad)
één
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶשְׂרֹנִים (esronim), ‘tienden’: tienden van een efa.

Een efa is ongeveer 22 liter; drie tienden is dus ongeveer 6,6 liter, en één tiende ongeveer 2,2 liter (vers 21).

Het woord ‘efa’ vullen wij aan, zoals in Exod. 29:40.\nלֹג (log): een inhoudsmaat van ongeveer 0,3 liter.\nכַבְשָׂה (kavsah), ‘vrouwelijk lam’.

11De priester die hem rein verklaart, moet de man die rein verklaard wordt, samen met dit alles, voor het aangezicht van Yahweh laten staan. Bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְהֶעֱמִ֞יד
(veheemid)
en hij zal laten staan
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַֽמְטַהֵ֗ר
(hamtaher)
die rein verklaart
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
הַמִּטַּהֵ֖ר
(hamitaher)
die rein verklaard wordt
וְאֹתָ֑ם
(veotam)
en hen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De priester moet het ene lam nemen en het als schuldoffer brengen, samen met de log olie. Hij moet ze als beweegoffer zwaaien voor het aangezicht van Yahweh.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֣בֶשׂ
(hakeves)
het lam
הָאֶחָ֗ד
(haechad)
het ene
וְהִקְרִ֥יב
(vehiqriv)
en hij zal het brengen
אֹת֛וֹ
(oto)
het
לְאָשָׁ֖ם
(leasham)
als schuldoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לֹ֣ג
(log)
de log van
הַשָּׁ֑מֶן
(hashamen)
de olie
וְהֵנִ֥יף
(vehenif)
en hij zal zwaaien
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’.

De genezen man brengt ook een zondoffer (vers 19) en een brandoffer (vers 20).\nהֵנִיף (hénif), ‘zwaaien’; תְּנוּפָה (tenufah), ‘beweegoffer’: het offer wordt voor Yahweh heen en weer bewogen, zoals in Exod. 29:24.

13Hij moet het lam slachten op de plaats waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, op de heilige plaats. Want het schuldoffer is, net als het zondoffer, voor de priester. Het is hoogheilig.
וְשָׁחַ֣ט
(veshachat)
en hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֗בֶשׂ
(hakeves)
het lam
בִּ֠מְקוֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
יִשְׁחַ֧ט
(yishchat)
men slacht
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽחַטָּ֛את
(hachatat)
het zondoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
בִּמְק֣וֹם
(bimqom)
op de plaats van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
כִּ֡י
(ki)
want
כַּ֠חַטָּאת
(kachatat)
zoals het zondoffer
הָאָשָׁ֥ם
(haasham)
het schuldoffer
הוּא֙
(hu)
het is
לַכֹּהֵ֔ן
(lakohen)
voor de priester
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid van
קָֽדָשִׁ֖ים
(qadashim)
hoogheilig
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De priester moet van het bloed van het schuldoffer nemen. Hij moet het doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet.
וְלָקַ֣ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵן֮
(hakohen)
de priester
מִדַּ֣ם
(midam)
van het bloed van
הָאָשָׁם֒
(haasham)
het schuldoffer
וְנָתַן֙
(venatan)
en hij zal doen
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
op
תְּנ֛וּךְ
(tenukh)
de lel van
אֹ֥זֶן
(ozen)
het oor van
הַמִּטַּהֵ֖ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
de duim van
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
de grote teen van
רַגְל֖וֹ
(raglo)
zijn voet
הַיְמָנִֽית
(haymanit)
de rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bloed op het oorlel, de duim en de grote teen is dezelfde handeling als bij de wijding van de priesters (Exod. 29:20; Lev. 8:23–24).

15De priester moet van de log olie nemen en haar gieten in de palm van de linkerhand van de priester.
וְלָקַ֥ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
מִלֹּ֣ג
(milog)
van de log van
הַשָּׁ֑מֶן
(hashamen)
de olie
וְיָצַ֛ק
(veyatsaq)
en hij zal gieten
עַל
(al)
op
כַּ֥ף
(kaf)
de palm van
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַשְּׂמָאלִֽית
(hasemalit)
de linker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De priester moet zijn rechtervinger dopen in de olie die in zijn linkerhandpalm is. Met zijn vinger moet hij zeven keer van de olie sprenkelen voor het aangezicht van Yahweh.
וְטָבַ֤ל
(vetaval)
en hij zal dopen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
אֶצְבָּע֣וֹ
(etsbao)
zijn vinger
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
מִן
(min)
van
הַשֶּׁ֕מֶן
(hashemen)
de olie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּפּ֖וֹ
(kapo)
zijn palm
הַשְּׂמָאלִ֑ית
(hasemalit)
de linker
וְהִזָּ֨ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
מִן
(min)
van
הַשֶּׁ֧מֶן
(hashemen)
de olie
בְּאֶצְבָּע֛וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֖ים
(peamim)
keer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Van de rest van de olie in zijn handpalm moet de priester doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt. Op zijn rechterduim en op zijn rechter grote teen, boven op het bloed van het schuldoffer.
וּמִיֶּ֨תֶר
(umiyeter)
en van de rest van
הַשֶּׁ֜מֶן
(hashemen)
de olie
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּפּ֗וֹ
(kapo)
zijn palm
יִתֵּ֤ן
(yiten)
hij zal doen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
op
תְּנ֞וּךְ
(tenukh)
de lel van
אֹ֤זֶן
(ozen)
het oor van
הַמִּטַּהֵר֙
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
de duim van
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
de grote teen van
רַגְל֖וֹ
(raglo)
zijn voet
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
עַ֖ל
(al)
op
דַּ֥ם
(dam)
het bloed van
הָאָשָֽׁם
(haasham)
het schuldoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Wat er van de olie in de hand van de priester overblijft, moet hij op het hoofd van wie rein verklaard wordt doen. De priester moet voor hem verzoening doen voor het aangezicht van Yahweh.
וְהַנּוֹתָ֗ר
(vehanotar)
en wat overblijft
בַּשֶּׁ֨מֶן֙
(bashemen)
van de olie
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּ֣ף
(kaf)
de palm van
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
יִתֵּ֖ן
(yiten)
hij zal doen
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
הַמִּטַּהֵ֑ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֛יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De priester moet het zondoffer opdragen en verzoening doen voor wie rein verklaard wordt, van zijn onreinheid. Daarna moet hij het brandoffer slachten.
וְעָשָׂ֤ה
(veasa)
en hij zal opdragen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חַטָּ֔את
(hachatat)
het zondoffer
וְכִפֶּ֕ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עַל
(al)
voor
הַמִּטַּהֵ֖ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
מִטֻּמְאָת֑וֹ
(mitumato)
van zijn onreinheid
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en daarna
יִשְׁחַ֥ט
(yishchat)
hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָֽה
(haola)
het brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De priester moet het brandoffer en het graanoffer naar het altaar brengen. De priester moet verzoening voor hem doen, en dan is hij rein.
וְהֶעֱלָ֧ה
(veheela)
en hij zal omhoog brengen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָ֥ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֖ה
(hamincha)
het graanoffer
הַמִּזְבֵּ֑חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֛יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en hij is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het offer van wie arm is

21Als hij arm is en niet genoeg heeft, moet hij één lam nemen als schuldoffer, om te zwaaien en verzoening voor hem te doen. Ook een tiende fijn meel, met olie gekneed, als graanoffer, en een log olie.
וְאִם
(veim)
en als
דַּ֣ל
(dal)
arm
ה֗וּא
(hu)
hij is
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
יָדוֹ֮
(yado)
zijn hand
מַשֶּׂגֶת֒
(maseget)
bereikt
וְ֠לָקַח
(velaqach)
en hij zal nemen
כֶּ֣בֶשׂ
(keves)
een lam
אֶחָ֥ד
(echad)
één
אָשָׁ֛ם
(asham)
schuldoffer
לִתְנוּפָ֖ה
(litnufa)
als beweegoffer
לְכַפֵּ֣ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עָלָ֑יו
(alav)
voor hem
וְעִשָּׂר֨וֹן
(veisaron)
en een tiende
סֹ֜לֶת
(solet)
meel
אֶחָ֨ד
(echad)
één
בָּל֥וּל
(balul)
gekneed
בַּשֶּׁ֛מֶן
(bashemen)
met de olie
לְמִנְחָ֖ה
(lemincha)
als graanoffer
וְלֹ֥ג
(velog)
en een log
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor wie arm is, gelden lichtere eisen: één lam en twee vogels in plaats van drie dieren.

Zie ook Lev. 12:8.

22Ook twee tortelduiven of twee jonge duiven, zoveel als hij kan betalen. De ene wordt een zondoffer en de andere een brandoffer.
וּשְׁתֵּ֣י
(ushtei)
en twee van
תֹרִ֗ים
(torim)
tortelduiven
א֤וֹ
(o)
of
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יוֹנָ֔ה
(yona)
duif
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תַּשִּׂ֖יג
(tasig)
zijn hand bereikt
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
אֶחָד֙
(echad)
de ene
חַטָּ֔את
(chatat)
zondoffer
וְהָאֶחָ֖ד
(vehaechad)
en de andere
עֹלָֽה
(ola)
brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Op de achtste dag, voor zijn reiniging, moet hij ze brengen naar de priester, naar de ingang van de tent van samenkomst, voor het aangezicht van Yahweh.
וְהֵבִ֨יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
בַּיּ֧וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁמִינִ֛י
(hashemini)
de achtste
לְטָהֳרָת֖וֹ
(letahorato)
voor zijn reiniging
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
אֶל
(el)
naar
פֶּ֥תַח
(petach)
de ingang van
אֹֽהֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De priester moet het lam van het schuldoffer nemen en de log olie. De priester moet ze als beweegoffer zwaaien voor het aangezicht van Yahweh.
וְלָקַ֧ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
כֶּ֥בֶשׂ
(keves)
het lam van
הָאָשָׁ֖ם
(haasham)
het schuldoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לֹ֣ג
(log)
de log van
הַשָּׁ֑מֶן
(hashamen)
de olie
וְהֵנִ֨יף
(vehenif)
en hij zal zwaaien
אֹתָ֧ם
(otam)
hen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hij moet het lam van het schuldoffer slachten. De priester moet van het bloed van het schuldoffer nemen. Hij moet het doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet.
וְשָׁחַט֮
(veshachat)
en hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
כֶּ֣בֶשׂ
(keves)
het lam van
הָֽאָשָׁם֒
(haasham)
het schuldoffer
וְלָקַ֤ח
(velaqach)
en hij zal nemen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
מִדַּ֣ם
(midam)
van het bloed van
הָֽאָשָׁ֔ם
(haasham)
het schuldoffer
וְנָתַ֛ן
(venatan)
en hij zal doen
עַל
(al)
op
תְּנ֥וּךְ
(tenukh)
de lel van
אֹֽזֶן
(ozen)
het oor van
הַמִּטַּהֵ֖ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
de duim van
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
de grote teen van
רַגְל֖וֹ
(raglo)
zijn voet
הַיְמָנִֽית
(haymanit)
de rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Van de olie moet de priester gieten in de palm van de linkerhand van de priester.
וּמִן
(umin)
en van
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
יִצֹ֣ק
(yitsoq)
hij zal gieten
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
op
כַּ֥ף
(kaf)
de palm van
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַשְּׂמָאלִֽית
(hasemalit)
de linker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Met zijn rechtervinger moet de priester zeven keer sprenkelen van de olie die in zijn linkerhandpalm is, voor het aangezicht van Yahweh.
וְהִזָּ֤ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
בְּאֶצְבָּע֣וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
מִן
(min)
van
הַשֶּׁ֕מֶן
(hashemen)
de olie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּפּ֖וֹ
(kapo)
zijn palm
הַשְּׂמָאלִ֑ית
(hasemalit)
de linker
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֖ים
(peamim)
keer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28De priester moet van de olie in zijn handpalm doen op de rechteroorlel van wie rein verklaard wordt. Op zijn rechterduim en op zijn rechter grote teen, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.
וְנָתַ֨ן
(venatan)
en hij zal doen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַשֶּׁ֣מֶן
(hashemen)
de olie
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּפּ֗וֹ
(kapo)
zijn palm
עַל
(al)
op
תְּנ֞וּךְ
(tenukh)
de lel van
אֹ֤זֶן
(ozen)
het oor van
הַמִּטַּהֵר֙
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
de duim van
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
de grote teen van
רַגְל֖וֹ
(raglo)
zijn voet
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
עַל
(al)
op
מְק֖וֹם
(meqom)
de plaats van
דַּ֥ם
(dam)
het bloed van
הָאָשָֽׁם
(haasham)
het schuldoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Wat er van de olie in de hand van de priester overblijft, moet hij op het hoofd van wie rein verklaard wordt doen. Om verzoening voor hem te doen voor het aangezicht van Yahweh.
וְהַנּוֹתָ֗ר
(vehanotar)
en wat overblijft
מִן
(min)
van
הַשֶּׁ֨מֶן֙
(hashemen)
de olie
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
כַּ֣ף
(kaf)
de palm van
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
יִתֵּ֖ן
(yiten)
hij zal doen
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
הַמִּטַּהֵ֑ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
לְכַפֵּ֥ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עָלָ֖יו
(alav)
voor hem
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hij moet de ene opdragen, van de tortelduiven of van de jonge duiven, van wat hij kan betalen:
וְעָשָׂ֤ה
(veasa)
en hij zal opdragen
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאֶחָד֙
(haechad)
de ene
מִן
(min)
van
הַתֹּרִ֔ים
(hatorim)
de tortelduiven
א֖וֹ
(o)
of
מִן
(min)
van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַיּוֹנָ֑ה
(hayona)
de duif
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van wat
תַּשִּׂ֖יג
(tasig)
zijn hand bereikt
יָדֽוֹ
(yado)
zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31wat hij kan betalen, de ene als zondoffer en de andere als brandoffer, bij het graanoffer. De priester moet voor het aangezicht van Yahweh verzoening doen voor wie rein verklaard wordt.
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תַּשִּׂ֞יג
(tasig)
zijn hand bereikt
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶחָ֥ד
(haechad)
de ene
חַטָּ֛את
(chatat)
zondoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֶחָ֥ד
(haechad)
de andere
עֹלָ֖ה
(ola)
brandoffer
עַל
(al)
bij
הַמִּנְחָ֑ה
(hamincha)
het graanoffer
וְכִפֶּ֧ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
עַ֥ל
(al)
voor
הַמִּטַּהֵ֖ר
(hamitaher)
wie rein verklaard wordt
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Dit is de wet voor degene bij wie een plek van melaatsheid zit en die niet genoeg heeft voor zijn reiniging.”
זֹ֣את
(zot)
dit
תּוֹרַ֔ת
(torat)
de wet van
אֲשֶׁר
(asher)
wie
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
נֶ֣גַע
(nega)
een plek van
צָרָ֑עַת
(tsaraat)
melaatsheid
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
wie
לֹֽא
(lo)
niet
תַשִּׂ֥יג
(tasig)
zijn hand bereikt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בְּטָהֳרָתֽוֹ
(betahorato)
voor zijn reiniging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Melaatsheid in een huis

33Yahweh sprak tot Mozes en Aäron:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en Hij sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34„Wanneer jullie in het land Kanaän komen, dat Ik jullie als bezit geef. En Ik zet een plek van melaatsheid in een huis van het land dat jullie bezitten,
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תָבֹ֨אוּ֙
(tavou)
jullie komen
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
נֹתֵ֥ן
(noten)
geef
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
לַאֲחֻזָּ֑ה
(laachuza)
als bezit
וְנָתַתִּי֙
(venatati)
en Ik zet
נֶ֣גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֔עַת
(tsaraat)
melaatsheid
בְּבֵ֖ית
(beveit)
in een huis van
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
אֲחֻזַּתְכֶֽם
(achuzatkhem)
jullie bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Lezing

וְנָתַתִּי (venatatti), ‘en Ik zet’: letterlijk ‘en Ik geef’.

Yahweh zegt dat Hij de plek in het huis legt.

Wij vertalen ‘zetten’, omdat ‘geven’ hier niet natuurlijk Nederlands is.

35dan moet de eigenaar van het huis komen en het de priester vertellen: ‘Ik zie in het huis iets wat op een plek lijkt.’
וּבָא֙
(uva)
en hij komt
אֲשֶׁר
(asher)
wie
ל֣וֹ
(lo)
van hem
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְהִגִּ֥יד
(vehigid)
en hij vertelt
לַכֹּהֵ֖ן
(lakohen)
aan de priester
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּנֶ֕גַע
(kenega)
als een plek
נִרְאָ֥ה
(nira)
is verschenen
לִ֖י
(li)
aan mij
בַּבָּֽיִת
(babayit)
in het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36De priester moet bevelen dat men het huis leegmaakt voordat hij komt om de plek te bekijken, zodat niets van wat in het huis is onrein wordt. Daarna moet de priester komen om het huis te bekijken.
וְצִוָּ֨ה
(vetsiva)
en hij beveelt
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וּפִנּ֣וּ
(ufinu)
en men maakt leeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
בְּטֶ֨רֶם
(beterem)
voordat
יָבֹ֤א
(yavo)
hij komt
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
לִרְא֣וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֔גַע
(hanega)
de plek
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִטְמָ֖א
(yitma)
hij wordt onrein
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
וְאַ֥חַר
(veachar)
en daarna
כֵּ֛ן
(ken)
zo
יָבֹ֥א
(yavo)
hij komt
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Hij moet de plek bekijken. Ziet hij dat de plek in de muren van het huis groenige of roodachtige holten heeft en dat die er lager uitzien dan de muur,
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֗גַע
(hanega)
de plek
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
בְּקִירֹ֣ת
(beqirot)
in de muren van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
שְׁקַֽעֲרוּרֹת֙
(sheqaarurot)
holten
יְרַקְרַקֹּ֔ת
(yeraqraqot)
groenige
א֖וֹ
(o)
of
אֲדַמְדַּמֹּ֑ת
(adamdamot)
roodachtige
וּמַרְאֵיהֶ֥ן
(umareihen)
en hun aanzien
שָׁפָ֖ל
(shafal)
lager
מִן
(min)
dan
הַקִּֽיר
(haqir)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁקַעֲרוּרֹת (sheqaarurot), ‘holten’: kleine inzakkingen in de muur.

Het woord staat alleen hier.

38dan moet de priester het huis uitgaan, naar de ingang van het huis, en het huis zeven dagen afzonderen.
וְיָצָ֧א
(veyatsa)
en hij gaat uit
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
uit
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
אֶל
(el)
naar
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְהִסְגִּ֥יר
(vehisgir)
en hij zondert af
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 13:50
39Op de zevende dag moet de priester terugkomen en kijken. Heeft de plek zich verspreid in de muren van het huis,
וְשָׁ֥ב
(veshav)
en hij keert terug
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֑י
(hashevii)
de zevende
וְרָאָ֕ה
(veraa)
en hij ziet
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
פָּשָׂ֥ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
בְּקִירֹ֥ת
(beqirot)
in de muren van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40dan moet de priester bevelen dat men de stenen waarin de plek zit, losmaakt en ze buiten de stad werpt, op een onreine plaats.
וְצִוָּה֙
(vetsiva)
en hij beveelt
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְחִלְּצוּ֙
(vechiletsu)
en men maakt los
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֲבָנִ֔ים
(haavanim)
de stenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
בָּהֵ֖ן
(bahen)
in hen
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de plek
וְהִשְׁלִ֤יכוּ
(vehishlikhu)
en men werpt
אֶתְהֶן֙
(ethen)
hen
אֶל
(el)
naar
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֔יר
(lair)
de stad
אֶל
(el)
naar
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
טָמֵֽא
(tame)
onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Het huis moet hij van binnen rondom laten afkrabben. Het stof dat zij hebben afgekrabd, moeten zij buiten de stad storten, op een onreine plaats.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבַּ֛יִת
(habayit)
het huis
יַקְצִ֥עַ
(yaqtsia)
hij zal laten afkrabben
מִבַּ֖יִת
(mibayit)
van binnen
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְשָׁפְכ֗וּ
(veshafekhu)
en men zal storten
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽעָפָר֙
(heafar)
het stof
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִקְצ֔וּ
(hiqtsu)
men heeft afgekrabd
אֶל
(el)
naar
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֔יר
(lair)
de stad
אֶל
(el)
naar
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
טָמֵֽא
(tame)
onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַקְצִעַ (yaqtsia), ‘laten afkrabben’: de binnenkant van de muren wordt afgekrabd.

Het woord staat alleen hier en in vers 43.

42Dan moet men andere stenen nemen en ze in de plaats van de eerste stenen brengen. Ook moet men ander stof nemen en het huis bepleisteren.
וְלָקְחוּ֙
(velaqechu)
en men neemt
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
אֲחֵר֔וֹת
(acherot)
andere
וְהֵבִ֖יאוּ
(veheviu)
en men brengt
אֶל
(el)
naar
תַּ֣חַת
(tachat)
de plaats van
הָאֲבָנִ֑ים
(haavanim)
de stenen
וְעָפָ֥ר
(veafar)
en stof
אַחֵ֛ר
(acher)
ander
יִקַּ֖ח
(yiqach)
hij zal nemen
וְטָ֥ח
(vetach)
en hij pleistert
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Als de plek terugkomt en in het huis uitbreekt, nadat men de stenen heeft losgemaakt, nadat het huis is afgekrabd en nadat het is bepleisterd,
וְאִם
(veim)
en als
יָשׁ֤וּב
(yashuv)
het keert terug
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
וּפָרַ֣ח
(ufarach)
en zij breekt uit
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
אַחַ֖ר
(achar)
nadat
חִלֵּ֣ץ
(chilets)
hij heeft losgemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲבָנִ֑ים
(haavanim)
de stenen
וְאַחֲרֵ֛י
(veacharei)
en nadat
הִקְצ֥וֹת
(hiqtsot)
het afkrabben van
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
וְאַחֲרֵ֥י
(veacharei)
en nadat
הִטּֽוֹחַ
(hitoach)
het bepleisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44dan moet de priester komen en kijken. Heeft de plek zich in het huis verspreid, dan is het kwaadaardige melaatsheid in het huis: het is onrein.
וּבָא֙
(uva)
en hij komt
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְרָאָ֕ה
(veraa)
en hij ziet
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
פָּשָׂ֥ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
צָרַ֨עַת
(tsaraat)
melaatsheid
מַמְאֶ֥רֶת
(mameret)
kwaadaardige
הִ֛וא
(hi)
het is
בַּבַּ֖יִת
(babayit)
in het huis
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרַעַת מַמְאֶרֶת (tsara‘at mam’eret), ‘kwaadaardige melaatsheid’: zie Lev. 13:51.

45Het huis moet worden afgebroken, met zijn stenen, zijn hout en al het stof van het huis. Alles moet naar buiten worden gebracht, buiten de stad, naar een onreine plaats.
וְנָתַ֣ץ
(venatats)
en hij breekt af
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבָנָיו֙
(avanav)
zijn stenen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵצָ֔יו
(etsav)
zijn hout
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲפַ֣ר
(afar)
het stof van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְהוֹצִיא֙
(vehotsi)
en hij brengt naar buiten
אֶל
(el)
naar
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֔יר
(lair)
de stad
אֶל
(el)
naar
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
טָמֵֽא
(tame)
onrein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Wie het huis binnengaat zolang het is afgezonderd, is onrein tot de avond.
וְהַבָּא֙
(vehaba)
en wie binnengaat
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen dat
הִסְגִּ֣יר
(hisgir)
hij het heeft afgezonderd
אֹת֑וֹ
(oto)
het
יִטְמָ֖א
(yitma)
hij is onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
47Wie in het huis gaat liggen, moet zijn kleren wassen. Wie in het huis eet, moet zijn kleren wassen.
וְהַשֹּׁכֵ֣ב
(vehashokhev)
en wie ligt
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
יְכַבֵּ֖ס
(yekhabes)
hij zal wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֑יו
(begadav)
zijn kleren
וְהָאֹכֵ֣ל
(vehaokhel)
en wie eet
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
יְכַבֵּ֖ס
(yekhabes)
hij zal wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָֽיו
(begadav)
zijn kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Maar als de priester komt en kijkt en ziet dat de plek zich niet in het huis heeft verspreid nadat het is bepleisterd. Dan moet de priester het huis rein verklaren. Want de plek is genezen.
וְאִם
(veim)
en als
בֹּ֨א
(bo)
komen
יָבֹ֜א
(yavo)
zal komen
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְרָאָה֙
(veraa)
en hij ziet
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
פָשָׂ֤ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
nadat
הִטֹּ֣חַ
(hitoach)
het bepleisteren
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְטִהַ֤ר
(vetihar)
en hij verklaart rein
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
כִּ֥י
(ki)
want
נִרְפָּ֖א
(nirpa)
is genezen
הַנָּֽגַע
(hanaga)
de plek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De reiniging van het huis

49Om het huis te ontzondigen moet hij twee vogels nemen, cederhout, karmozijnrood garen en hysop.
וְלָקַ֛ח
(velaqach)
en hij zal nemen
לְחַטֵּ֥א
(lechate)
om te ontzondigen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee van
צִפֳּרִ֑ים
(tsiporim)
vogels
וְעֵ֣ץ
(veets)
en hout van
אֶ֔רֶז
(erez)
ceder
וּשְׁנִ֥י
(usheni)
en karmozijn van
תוֹלַ֖עַת
(tolaat)
de worm
וְאֵזֹֽב
(veezov)
en hysop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִטֵּא (chitté), ‘ontzondigen’: letterlijk ‘van zonde reinigen’; hetzelfde woord als in Exod. 29:36.

Het huis krijgt dezelfde reiniging als de genezen man.

50Hij moet de ene vogel slachten in een aarden schaal, boven levend water.
וְשָׁחַ֖ט
(veshachat)
en hij zal slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּפֹּ֣ר
(hatsipor)
de vogel
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
de ene
אֶל
(el)
in
כְּלִי
(keli)
een schaal van
חֶ֖רֶשׂ
(cheres)
aarde
עַל
(al)
boven
מַ֥יִם
(mayim)
water
חַיִּֽים
(chayim)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51Hij moet het cederhout, de hysop, het karmozijnrood garen en de levende vogel nemen en ze dopen in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water. Hij moet het huis er zeven keer mee besprenkelen.
וְלָקַ֣ח
(velaqach)
en hij zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵֽץ
(ets)
hout van
הָ֠אֶרֶז
(haerez)
de ceder
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֨אֵזֹ֜ב
(haezov)
de hysop
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שְׁנִ֣י
(sheni)
karmozijn van
הַתּוֹלַ֗עַת
(hatolaat)
de worm
וְאֵת֮
(veet)
en (obj.)
הַצִּפֹּ֣ר
(hatsipor)
de vogel
הַֽחַיָּה֒
(hachaya)
de levende
וְטָבַ֣ל
(vetaval)
en hij zal dopen
אֹתָ֗ם
(otam)
hen
בְּדַם֙
(bedam)
in het bloed van
הַצִּפֹּ֣ר
(hatsipor)
de vogel
הַשְּׁחוּטָ֔ה
(hashechuta)
de geslachte
וּבַמַּ֖יִם
(uvamayim)
en in het water
הַֽחַיִּ֑ים
(hachayim)
het levende
וְהִזָּ֥ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִֽים
(peamim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 51:9
52Hij moet het huis ontzondigen met het bloed van de vogel, het levende water, de levende vogel, het cederhout, de hysop en het karmozijnrood garen.
וְחִטֵּ֣א
(vechite)
en hij zal ontzondigen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
בְּדַם֙
(bedam)
met het bloed van
הַצִּפּ֔וֹר
(hatsipor)
de vogel
וּבַמַּ֖יִם
(uvamayim)
en met het water
הַֽחַיִּ֑ים
(hachayim)
het levende
וּבַצִּפֹּ֣ר
(uvatsipor)
en met de vogel
הַחַיָּ֗ה
(hachaya)
de levende
וּבְעֵ֥ץ
(uveets)
en met het hout van
הָאֶ֛רֶז
(haerez)
de ceder
וּבָאֵזֹ֖ב
(uvaezov)
en met de hysop
וּבִשְׁנִ֥י
(uvishni)
en met het karmozijn van
הַתּוֹלָֽעַת
(hatolaat)
de worm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53De levende vogel moet hij buiten de stad laten gaan, over het open veld. Hij moet voor het huis verzoening doen, en dan is het rein.
וְשִׁלַּ֞ח
(veshilach)
en hij zal laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּפֹּ֧ר
(hatsipor)
de vogel
הַֽחַיָּ֛ה
(hachaya)
de levende
אֶל
(el)
naar
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֖יר
(lair)
de stad
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עַל
(al)
voor
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en het is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Afsluiting van de wetten over melaatsheid

54Dit is de wet voor elke plek van melaatsheid en voor schurft,
זֹ֖את
(zot)
dit
הַתּוֹרָ֑ה
(hatora)
de wet
לְכָל
(lekhal)
voor elke
נֶ֥גַע
(nega)
plek van
הַצָּרַ֖עַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
וְלַנָּֽתֶק
(velanateq)
en voor de schurft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶתֶק (netek), ‘schurft’: zie Lev. 13:30.

55voor melaatsheid in kleding en in een huis,
וּלְצָרַ֥עַת
(uletsaraat)
en voor melaatsheid van
הַבֶּ֖גֶד
(habeged)
het kledingstuk
וְלַבָּֽיִת
(velabayit)
en voor het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
56voor een zwelling, uitslag en glanzende vlek,
וְלַשְׂאֵ֥ת
(velaset)
en voor de zwelling
וְלַסַּפַּ֖חַת
(velasapachat)
en voor de uitslag
וְלַבֶּהָֽרֶת
(velabeharet)
en voor de glanzende vlek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 13:2
57om te onderwijzen op de dag dat iemand onrein is en op de dag dat hij rein is. Dit is de wet voor de melaatsheid.”
לְהוֹרֹ֕ת
(lehorot)
om te onderwijzen
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַטָּמֵ֖א
(hatame)
het onreine
וּבְי֣וֹם
(uveyom)
en op de dag van
הַטָּהֹ֑ר
(hatahor)
het reine
זֹ֥את
(zot)
dit
תּוֹרַ֖ת
(torat)
de wet van
הַצָּרָֽעַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהוֹרֹת (lehorot), ‘onderwijzen’: hetzelfde grondwoord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’.