Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wie van de heilige dingen mag eten
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en Hij sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot Aäron en zijn zonen: Zij moeten zich onthouden van de heilige dingen van de zonen van Israël en Mijn heilige naam niet ontheiligen. In wat zij aan Mij heiligen. Ik ben Yahweh.
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
וְיִנָּֽזְרוּ֙
(veyinazeru)
en zij zullen zich onthouden
מִקָּדְשֵׁ֣י
(miqadeshei)
van de heilige dingen van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְחַלְּל֖וּ
(yechalelu)
zij zullen ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
קָדְשִׁ֑י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֵ֧ם
(hem)
zij
מַקְדִּשִׁ֛ים
(maqdishim)
heiligen
לִ֖י
(li)
aan Mij
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֳדָשִׁים (qodashim), ‘de heilige dingen’: de offers en gaven die aan Yahweh zijn gewijd en waarvan de priesters mogen eten.
Het enkelvoud קֹדֶשׁ (qodesh), ‘het heilige’, staat in de verzen 10 en 14.
נָזַר (nazar), ‘zich onthouden, zich afzonderen’: verwant met נָזִיר (nazir), ‘de afgezonderde’ (Num. 6:2).
3Zeg tot hen: Voor al jullie generaties geldt dit. Ieder man van heel jullie nageslacht die de heilige dingen nadert die de zonen van Israël aan Yahweh heiligen, terwijl zijn onreinheid op hem is. Die persoon wordt afgesneden, weg van Mijn aangezicht. Ik ben Yahweh.
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
לְדֹרֹ֨תֵיכֶ֜ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
כָּל
(kal)
elke
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִקְרַ֣ב
(yiqrav)
nadert
מִכָּל
(mikal)
van heel
זַרְעֲכֶ֗ם
(zarakhem)
jullie nageslacht
אֶל
(el)
tot
הַקֳּדָשִׁים֙
(haqodashim)
de heilige dingen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יַקְדִּ֤ישׁוּ
(yaqdishu)
heiligen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְטֻמְאָת֖וֹ
(vetumato)
en zijn onreinheid
עָלָ֑יו
(alav)
op hem
וְנִכְרְתָ֞ה
(venikhreta)
en zal worden afgesneden
הַנֶּ֧פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
הַהִ֛וא
(hahi)
die
מִלְּפָנַ֖י
(milefanay)
van voor Mij
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het afsnijden is hier een straf van Yahweh zelf; zie ook Lev. 20:3.
4Ieder man uit het nageslacht van Aäron die melaats is of een vloeiing heeft, mag niet van de heilige dingen eten totdat hij rein is. Dat geldt ook voor wie iets aanraakt dat onrein is door een dode, of voor een man bij wie een zaadlozing is geweest,
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אִ֞ישׁ
(ish)
man
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
צָר֨וּעַ֙
(tsarua)
melaats
א֣וֹ
(o)
of
זָ֔ב
(zav)
met een vloeiing
בַּקֳּדָשִׁים֙
(baqodashim)
van de heilige dingen
לֹ֣א
(lo)
niet
יֹאכַ֔ל
(yokhal)
hij zal eten
עַ֖ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִטְהָ֑ר
(yithar)
hij rein is
וְהַנֹּגֵ֨עַ֙
(vehanogea)
en wie aanraakt
בְּכָל
(bekhal)
iets
טְמֵא
(teme)
onrein
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
door een dode
א֣וֹ
(o)
of
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁר
(asher)
die
תֵּצֵ֥א
(tetse)
uitgaat
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
שִׁכְבַת
(shikhvat)
een uitstorting van
זָֽרַע
(zara)
zaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרוּעַ (tsarua), ‘melaats’: iemand met de huidziekte צָרַעַת (tsara’at); zie Exod. 4:6 en Lev. 13.
זָב (zav), ‘iemand met een vloeiing’: zie Lev. 15:2–15.
6De persoon die daarmee in aanraking komt, is onrein tot de avond. Hij mag niet van de heilige dingen eten, tenzij hij zijn lichaam met water heeft gewassen.
נֶ֚פֶשׁ
(nefesh)
de persoon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּגַּע
(tiga)
aanraakt
בּ֔וֹ
(bo)
het
וְטָמְאָ֖ה
(vetamea)
en zij is onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יֹאכַל֙
(yokhal)
hij zal eten
מִן
(min)
van
הַקֳּדָשִׁ֔ים
(haqodashim)
de heilige dingen
כִּ֛י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
רָחַ֥ץ
(rachats)
hij heeft gewassen
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
בַּמָּֽיִם
(bamayim)
met water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij moeten Mijn opdracht bewaren, zodat zij er geen zonde door op zich dragen en er niet door sterven, wanneer zij het ontheiligen. Ik ben Yahweh, die hen heiligt.
וְשָׁמְר֣וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמַרְתִּ֗י
(mishmarti)
Mijn opdracht
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׂא֤וּ
(yisu)
zij zullen dragen
עָלָיו֙
(alav)
daarom
חֵ֔טְא
(chete)
zonde
וּמֵ֥תוּ
(umetu)
en zij zullen sterven
ב֖וֹ
(bo)
daardoor
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יְחַלְּלֻ֑הוּ
(yechaleluhu)
zij het ontheiligen
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְקַדְּשָֽׁם
(meqadesham)
die hen heiligt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘opdracht’: wat Yahweh de priesters te bewaken heeft gegeven.
נָשָׂא חֵטְא (nasa chet), ‘zonde op zich dragen’: de gevolgen van de zonde zelf dragen.
13Maar de dochter van een priester die weduwe of gescheiden is en geen nageslacht heeft. En die naar het huis van haar vader terugkeert zoals in haar jeugd, mag eten van het voedsel van haar vader. Geen vreemde mag ervan eten.
וּבַת
(uvat)
en de dochter van
כֹּהֵן֩
(kohen)
een priester
כִּ֨י
(ki)
wanneer
תִהְיֶ֜ה
(tihye)
zij wordt
אַלְמָנָ֣ה
(almana)
weduwe
וּגְרוּשָׁ֗ה
(ugerusha)
en gescheiden
וְזֶרַע֮
(vezera)
en nageslacht
אֵ֣ין
(ein)
er is geen
לָהּ֒
(lah)
voor haar
וְשָׁבָ֞ה
(veshava)
en zij is teruggekeerd
אֶל
(el)
naar
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
אָבִ֨יהָ֙
(aviha)
haar vader
כִּנְעוּרֶ֔יהָ
(kinureiha)
als in haar jeugd
מִלֶּ֥חֶם
(milechem)
van het voedsel van
אָבִ֖יהָ
(aviha)
haar vader
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
zal zij eten
וְכָל
(vekhal)
en elke
זָ֖ר
(zar)
vreemde
לֹא
(lo)
niet
יֹ֥אכַל
(yokhal)
hij zal eten
בּֽוֹ
(bo)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18„Spreek tot Aäron, zijn zonen en alle zonen van Israël en zeg tot hen: Ieder man uit het huis van Israël of uit de vreemdelingen in Israël. Die zijn offergave brengt, voor al hun geloften en al hun vrijwillige gaven die zij aan Yahweh als brandoffer brengen:
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶל֙
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אִישׁ֩
(ish)
man
מִבֵּ֨ית
(mibeit)
uit het huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּמִן
(umin)
en van
הַגֵּ֣ר
(hager)
de vreemdeling
בְּיִשְׂרָאֵ֗ל
(beyisrael)
in Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יַקְרִ֤יב
(yaqriv)
brengt
קָרְבָּנוֹ֙
(qarbano)
zijn offergave
לְכָל
(lekhal)
voor alle
נִדְרֵיהֶם֙
(nidreihem)
hun geloften
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor alle
נִדְבוֹתָ֔ם
(nidvotam)
hun vrijwillige gaven
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַקְרִ֥יבוּ
(yaqrivu)
zij brengen
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְעֹלָֽה
(leola)
als brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶדֶר (neder), ‘gelofte’, en נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: zie ook Lev. 7:16.
21Wanneer iemand een vredeoffer aan Yahweh brengt om een gelofte te vervullen of als vrijwillige gave, van het rundvee of van het kleinvee. Het moet zonder gebrek zijn om aanvaard te worden. Er mag geen enkel gebrek aan zitten.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יַקְרִ֤יב
(yaqriv)
hij brengt
זֶֽבַח
(zevach)
slachtoffer van
שְׁלָמִים֙
(shelamim)
vredeoffers
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְפַלֵּא
(lefale)
om te vervullen
נֶ֨דֶר֙
(neder)
een gelofte
א֣וֹ
(o)
of
לִנְדָבָ֔ה
(lindava)
als vrijwillige gave
בַּבָּקָ֖ר
(babaqar)
van het rundvee
א֣וֹ
(o)
of
בַצֹּ֑אן
(batson)
van het kleinvee
תָּמִ֤ים
(tamim)
zonder gebrek
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
het zal zijn
לְרָצ֔וֹן
(leratson)
tot aanvaarding
כָּל
(kal)
elk
מ֖וּם
(mum)
gebrek
לֹ֥א
(lo)
niet
יִהְיֶה
(yihye)
het zal zijn
בּֽוֹ
(bo)
eraan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Een blind dier, een dier met een breuk, een verminkt dier, een dier met een gezwel, met schurft of met huiduitslag: die mogen jullie niet aan Yahweh brengen. Ook mogen jullie er geen vuuroffer van op het altaar voor Yahweh geven.
עַוֶּרֶת֩
(averet)
blind
א֨וֹ
(o)
of
שָׁב֜וּר
(shavur)
gebroken
אוֹ
(o)
of
חָר֣וּץ
(charuts)
verminkt
אֽוֹ
(o)
of
יַבֶּ֗לֶת
(yabelet)
met een gezwel
א֤וֹ
(o)
of
גָרָב֙
(garav)
schurft
א֣וֹ
(o)
of
יַלֶּ֔פֶת
(yalefet)
huiduitslag
לֹא
(lo)
niet
תַקְרִ֥יבוּ
(taqrivu)
jullie zullen brengen
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְאִשֶּׁ֗ה
(veishe)
en een vuuroffer
לֹא
(lo)
niet
תִתְּנ֥וּ
(titenu)
jullie zullen geven
מֵהֶ֛ם
(mehem)
van hen
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָרוּץ (charuts), ‘verminkt’, en יַבֶּלֶת (yabbelet), ‘gezwel’, komen zelden voor; de betekenis is niet helemaal zeker.
גָּרָב (garav), ‘schurft’, en יַלֶּפֶת (yallefet), ‘huiduitslag’, staan ook in Lev. 21:20.
25Ook uit de hand van een buitenlander mogen jullie het voedsel van jullie Elohim niet brengen, van al deze dieren. Want hun beschadiging zit in hen; er is een gebrek aan hen. Zij worden niet voor jullie aanvaard.”
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
בֶּן
(ben)
een zoon van
נֵכָ֗ר
(nekhar)
een vreemde
לֹ֥א
(lo)
niet
תַקְרִ֛יבוּ
(taqrivu)
jullie zullen brengen
אֶת
(et)
(obj.)
לֶ֥חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִכָּל
(mikal)
van al
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
מָשְׁחָתָ֤ם
(mashechatam)
hun beschadiging
בָּהֶם֙
(bahem)
in hen
מ֣וּם
(mum)
een gebrek
בָּ֔ם
(bam)
in hen
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵרָצ֖וּ
(yeratsu)
zij worden aanvaard
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּן נֵכָר (ben nekhar), ‘buitenlander’: letterlijk ‘zoon van een vreemd land’.
Dit is iets anders dan de vreemdeling (גֵּר, ger) die in Israël woont.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27„Wanneer een rund, een schaap of een geit geboren wordt, blijft het zeven dagen bij zijn moeder. Vanaf de achtste dag wordt het aanvaard als offergave, een vuuroffer voor Yahweh.
שׁ֣וֹר
(shor)
rund
אוֹ
(o)
of
כֶ֤שֶׂב
(kesev)
schaap
אוֹ
(o)
of
עֵז֙
(ez)
geit
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִוָּלֵ֔ד
(yivaled)
het geboren wordt
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וּמִיּ֤וֹם
(umiyom)
en vanaf de dag
הַשְּׁמִינִי֙
(hashemini)
de achtste
וָהָ֔לְאָה
(vahalea)
en verder
יֵרָצֶ֕ה
(yeratse)
het wordt aanvaard
לְקָרְבַּ֥ן
(leqarban)
als offergave van
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
een vuuroffer
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)