Elohim Bijbel

Leviticus 27

123456789101112131415161718192021222324252627

Geloften en schattingen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De schatting van personen

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Als iemand een bijzondere gelofte aflegt, dan geldt voor personen die voor Yahweh zijn, jouw schatting.
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אִ֕ישׁ
(ish)
een man
כִּ֥י
(ki)
wanneer
יַפְלִ֖א
(yafli)
uitzonderlijk doet
נֶ֑דֶר
(neder)
gelofte
בְּעֶרְכְּךָ֥
(beerkekha)
volgens jouw schatting
נְפָשֹׁ֖ת
(nefashot)
personen
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶדֶר (neder), ‘gelofte’; יַפְלִא (yafli), ‘bijzonder doen’: een bijzondere, buitengewone gelofte.

Wie belooft zichzelf of een ander aan Yahweh te wijden, kan dat met een betaling lossen.

De hoogte van het bedrag is de ‘schatting’ (עֶרֶךְ, erekh), die hier volgt.

De schatting is geen loon of verkoopprijs, maar het bedrag om de gelofte af te kopen.

3Jouw schatting voor een man van 20 tot 60 jaar is 50 sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֙
(erkekha)
jouw schatting
הַזָּכָ֔ר
(hazakhar)
de man
מִבֶּן֙
(miben)
van zoon van
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֗
(erkekha)
jouw schatting
חֲמִשִּׁ֛ים
(chamishim)
vijftig
שֶׁ֥קֶל
(sheqel)
sikkel
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
בְּשֶׁ֥קֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een sikkel (שֶׁקֶל, sheqel) weegt ongeveer 11,4 gram; ‘de sikkel van het heiligdom’ is de vaste maat (vers 25).

De bedragen komen dus ongeveer neer op: 50 sikkels = 570 gram zilver; 30 sikkels = 342 gram; 20 sikkels = 228 gram; 15 sikkels = 171 gram; 10 sikkels = 114 gram; 5 sikkels = 57 gram; 3 sikkels = 34 gram.

Dertig sikkels is ook de vergoeding voor een slaaf die door een stier gedood wordt (Exod. 21:32).

4Is het een vrouw, dan is jouw schatting 30 sikkels.
וְאִם
(veim)
en als
נְקֵבָ֖ה
(neqeva)
vrouw
הִ֑וא
(hi)
zij
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֖
(erkekha)
jouw schatting
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
שָֽׁקֶל
(shaqel)
sikkel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Gaat het om iemand van 5 tot 20 jaar, dan is jouw schatting voor een mannelijk persoon 20 sikkels en voor een vrouwelijk persoon 10 sikkels.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
מִבֶּן
(miben)
van zoon van
חָמֵ֜שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִ֗ים
(shanim)
jaren
וְעַד֙
(vead)
en tot
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְהָיָ֧ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֛
(erkekha)
jouw schatting
הַזָּכָ֖ר
(hazakhar)
de man
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שְׁקָלִ֑ים
(sheqalim)
sikkels
וְלַנְּקֵבָ֖ה
(velaneqeva)
en voor de vrouw
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
שְׁקָלִֽים
(sheqalim)
sikkels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bedrag verschilt naar leeftijd en geslacht (vers 3–7).

Voor een mannelijk persoon is het steeds hoger dan voor een vrouwelijk persoon.

6Gaat het om iemand van een maand tot 5 jaar. Dan is jouw schatting voor een mannelijk persoon 5 sikkels zilver. En voor een vrouwelijk persoon is jouw schatting 3 sikkels zilver.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
מִבֶּן
(miben)
van zoon van
חֹ֗דֶשׁ
(chodesh)
maand
וְעַד֙
(vead)
en tot
בֶּן
(ben)
zoon van
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֙
(erkekha)
jouw schatting
הַזָּכָ֔ר
(hazakhar)
de man
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וְלַנְּקֵבָ֣ה
(velaneqeva)
en voor de vrouw
עֶרְכְּךָ֔
(erkekha)
jouw schatting
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
כָּֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Gaat het om iemand van 60 jaar en ouder, dan is jouw schatting voor een man 15 sikkels en voor een vrouw 10 sikkels.
וְ֠אִם
(veim)
en als
מִבֶּן
(miben)
van zoon van
שִׁשִּׁ֨ים
(shishim)
zestig
שָׁנָ֤ה
(shana)
jaar
וָמַ֨עְלָה֙
(vamala)
en daarboven
אִם
(im)
als
זָכָ֔ר
(zakhar)
man
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֔
(erkekha)
jouw schatting
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
שָׁ֑קֶל
(shaqel)
sikkel
וְלַנְּקֵבָ֖ה
(velaneqeva)
en voor de vrouw
עֲשָׂרָ֥ה
(asara)
tien
שְׁקָלִֽים
(sheqalim)
sikkels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 90:10
8Is hij armer dan jouw schatting, dan moet hij hem voor de priester laten staan. De priester moet hem schatten; naar wat de hand van degene die de gelofte aflegt kan bereiken, moet de priester hem schatten.
וְאִם
(veim)
en als
מָ֥ךְ
(makh)
arm
הוּא֙
(hu)
hij
מֵֽעֶרְכֶּ֔ךָ
(meerkekha)
dan jouw schatting
וְהֶֽעֱמִידוֹ֙
(veheemido)
en hij zal laten staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהֶעֱרִ֥יךְ
(veheerikh)
en zal schatten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
naar
פִּ֗י
(pi)
de mond van
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
תַּשִּׂיג֙
(tasig)
bereikt
יַ֣ד
(yad)
hand van
הַנֹּדֵ֔ר
(hanoder)
die de gelofte doet
יַעֲרִיכֶ֖נּוּ
(yaarikhenu)
zal hem schatten
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie armer is dan het vastgestelde bedrag, laat de priester het bedrag bepalen naar wat hij kan betalen.

Wie ‘hij’ en ‘hem’ zijn, zegt het Hebreeuws niet duidelijk.

Wij lezen: ‘hij’ is degene die de gelofte aflegt en ‘hem’ de persoon die gewijd is.

Gewijde dieren

9Is het een dier waarvan men een offergave voor Yahweh brengt, dan is alles wat iemand ervan aan Yahweh geeft, heilig.
וְאִם
(veim)
en als
בְּהֵמָ֔ה
(behema)
dier
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יַקְרִ֧יבוּ
(yaqrivu)
men brengt
מִמֶּ֛נָּה
(mimena)
ervan
קָרְבָּ֖ן
(qarban)
offergave
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כֹּל֩
(kol)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יִתֵּ֥ן
(yiten)
hij geeft
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
ervan
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹּֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’: zoals in Lev. 1:2.

Een dier dat geschikt is om te offeren, wordt als gelofte direct heilig: het mag niet vervangen worden (vers 10).

10Hij mag het niet vervangen of ruilen, goed voor slecht of slecht voor goed. Ruilt hij toch het ene dier voor het andere, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig.
לֹ֣א
(lo)
niet
יַחֲלִיפֶ֗נּוּ
(yachalifenu)
hij zal het vervangen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָמִ֥יר
(yamir)
hij zal ruilen
אֹת֛וֹ
(oto)
het
ט֥וֹב
(tov)
goed
בְּרָ֖ע
(bera)
voor slecht
אוֹ
(o)
of
רַ֣ע
(ra)
slecht
בְּט֑וֹב
(betov)
voor goed
וְאִם
(veim)
en als
הָמֵ֨ר
(hamer)
ruilen
יָמִ֤יר
(yamir)
hij zal ruilen
בְּהֵמָה֙
(behema)
dier
בִּבְהֵמָ֔ה
(bivhema)
voor dier
וְהָֽיָה
(vehaya)
dan zal zijn
ה֥וּא
(hu)
het
וּתְמוּרָת֖וֹ
(utemurato)
en wat ervoor geruild is
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹּֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Is het een onrein dier, waarvan men geen offergave voor Yahweh brengt, dan moet hij het dier voor de priester laten staan.
וְאִם֙
(veim)
en als
כָּל
(kal)
elk
בְּהֵמָ֣ה
(behema)
dier
טְמֵאָ֔ה
(temea)
onrein
אֲ֠שֶׁר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יַקְרִ֧יבוּ
(yaqrivu)
men brengt
מִמֶּ֛נָּה
(mimena)
ervan
קָרְבָּ֖ן
(qarban)
offergave
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהֶֽעֱמִ֥יד
(veheemid)
en hij zal laten staan
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
het dier
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een onrein dier kan niet geofferd worden (Lev. 11).

De priester schat het dier; de eigenaar kan het terugkopen met een vijfde erbij (vers 13 en 27).

12De priester moet het schatten, of het goed is of slecht. Zoals jij, priester, het schat, zo zal het zijn.
וְהֶעֱרִ֤יךְ
(veheerikh)
en zal schatten
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
ט֖וֹב
(tov)
goed
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
רָ֑ע
(ra)
slecht
כְּעֶרְכְּךָ֥
(keerkekha)
zoals jouw schatting
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws heeft hier כְּעֶרְכְּךָ הַכֹּהֵן (ke’erkekha hakohen), letterlijk ‘volgens jouw schatting, de priester’.

Wij lezen dit als aanspreking van de priester: ‘Zoals jij, priester, het schat’.

Ook een lezing zonder aanspreking is mogelijk: ‘zoals de priester het schat’.

13Wil hij het toch lossen, dan moet hij een vijfde toevoegen aan jouw schatting.
וְאִם
(veim)
en als
גָּאֹ֖ל
(gaol)
lossen
יִגְאָלֶ֑נָּה
(yigalena)
hij zal het lossen
וְיָסַ֥ף
(veyasaf)
en hij zal toevoegen
חֲמִישִׁת֖וֹ
(chamishito)
zijn vijfde
עַל
(al)
op
עֶרְכֶּֽךָ
(erkekha)
jouw schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie een gewijd dier of huis of veld wil terugkopen, moet het geschatte bedrag plus een vijfde betalen (vers 15, 19, 27, 31).

Gewijde huizen en velden

14Wijdt iemand zijn huis als iets heiligs aan Yahweh, dan moet de priester het schatten, of het goed is of slecht. Zoals de priester het schat, zo blijft het staan.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יַקְדִּ֨שׁ
(yaqdish)
hij wijdt
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֥וֹ
(beito)
zijn huis
קֹ֨דֶשׁ֙
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהֶעֱרִיכוֹ֙
(veheerikho)
en zal schatten
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
ט֖וֹב
(tov)
goed
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
רָ֑ע
(ra)
slecht
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יַעֲרִ֥יךְ
(yaarikh)
hij schat
אֹת֛וֹ
(oto)
het
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יָקֽוּם
(yaqum)
zal blijven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Lost degene die het gewijd heeft zijn huis, dan moet hij een vijfde van het geld van jouw schatting erbij doen, en het wordt van hem.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
הַמַּקְדִּ֔ישׁ
(hamaqdish)
die gewijd heeft
יִגְאַ֖ל
(yigal)
hij lost
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְ֠יָסַף
(veyasaf)
en hij zal toevoegen
חֲמִישִׁ֧ית
(chamishit)
vijfde van
כֶּֽסֶף
(kesef)
geld van
עֶרְכְּךָ֛
(erkekha)
jouw schatting
עָלָ֖יו
(alav)
erop
וְהָ֥יָה
(vehaya)
en het zal zijn
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 27:13
16Wijdt iemand aan Yahweh een deel van het veld van zijn bezit. Dan moet jouw schatting zijn naar het zaaigoed: een chomer gerst als zaaigoed voor 50 sikkels zilver.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
מִשְּׂדֵ֣ה
(misede)
van het veld van
אֲחֻזָּת֗וֹ
(achuzato)
zijn bezit
יַקְדִּ֥ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
אִישׁ֙
(ish)
een man
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֖
(erkekha)
jouw schatting
לְפִ֣י
(lefi)
naar
זַרְע֑וֹ
(zaro)
zijn zaaigoed
זֶ֚רַע
(zera)
zaaigoed van
חֹ֣מֶר
(chomer)
chomer
שְׂעֹרִ֔ים
(seorim)
gerst
בַּחֲמִשִּׁ֖ים
(bachamishim)
voor vijftig
שֶׁ֥קֶל
(sheqel)
sikkel
כָּֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat: ongeveer 220 liter (10 efa; een efa is ongeveer 22 liter).

Het veld wordt geschat naar de hoeveelheid gerst die erop gezaaid kan worden. 50 sikkels is ongeveer 570 gram zilver.

17Wijdt hij zijn veld vanaf het jubeljaar, dan blijft het staan zoals jouw schatting is.
אִם
(im)
als
מִשְּׁנַ֥ת
(mishenat)
vanaf het jaar van
הַיֹּבֵ֖ל
(hayovel)
het jubeljaar
יַקְדִּ֣ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
שָׂדֵ֑הוּ
(sadehu)
zijn veld
כְּעֶרְכְּךָ֖
(keerkekha)
zoals jouw schatting
יָקֽוּם
(yaqum)
zal blijven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie het veld vlak na het jubeljaar wijdt, krijgt de volle schatting.

Hoe dichter bij het volgende jubeljaar, hoe lager het bedrag (vers 18).

Zie Lev. 25:15–16.

18Wijdt hij zijn veld na het jubeljaar. Dan moet de priester voor hem het geld berekenen naar de jaren die nog overblijven tot het jubeljaar. En het wordt van jouw schatting afgetrokken.
וְאִם
(veim)
en als
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַיֹּבֵל֮
(hayovel)
het jubeljaar
יַקְדִּ֣ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
שָׂדֵהוּ֒
(sadehu)
zijn veld
וְחִשַּׁב
(vechishav)
en zal berekenen
ל֨וֹ
(lo)
voor hem
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het geld
עַל
(al)
naar
פִּ֤י
(pi)
de mond van
הַשָּׁנִים֙
(hashanim)
de jaren
הַנּ֣וֹתָרֹ֔ת
(hanotarot)
die overblijven
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְנִגְרַ֖ע
(venigra)
en het zal worden afgetrokken
מֵֽעֶרְכֶּֽךָ
(meerkekha)
van jouw schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Wil degene die het veld gewijd heeft het toch lossen, dan moet hij een vijfde van het geld van jouw schatting erbij doen, en het blijft van hem.
וְאִם
(veim)
en als
גָּאֹ֤ל
(gaol)
lossen
יִגְאַל֙
(yigal)
hij zal lossen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
הַמַּקְדִּ֖ישׁ
(hamaqdish)
die gewijd heeft
אֹת֑וֹ
(oto)
het
וְ֠יָסַף
(veyasaf)
en hij zal toevoegen
חֲמִשִׁ֧ית
(chamishit)
vijfde van
כֶּֽסֶף
(kesef)
geld van
עֶרְכְּךָ֛
(erkekha)
jouw schatting
עָלָ֖יו
(alav)
erop
וְקָ֥ם
(veqam)
en het zal blijven
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 27:13
20Lost hij het veld niet, of heeft hij het veld aan een ander verkocht, dan kan het niet meer gelost worden.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
יִגְאַל֙
(yigal)
hij lost
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וְאִם
(veim)
en als
מָכַ֥ר
(makhar)
hij verkocht
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan een man
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵ֖ל
(yigael)
het zal gelost worden
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie het veld verkoopt: de eigenaar of het heiligdom.

Wij houden ‘hij’.

21Wanneer het veld in het jubeljaar vrijkomt, is het heilig voor Yahweh, zoals een veld dat onder de ban is. Het wordt het bezit van de priester.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en zal zijn
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
het veld
בְּצֵאת֣וֹ
(betseto)
bij zijn uitgaan
בַיֹּבֵ֗ל
(bayovel)
in het jubeljaar
קֹ֛דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּשְׂדֵ֣ה
(kisde)
zoals veld van
הַחֵ֑רֶם
(hacherem)
de ban
לַכֹּהֵ֖ן
(lakohen)
voor de priester
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
אֲחֻזָּתֽוֹ
(achuzato)
zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets wat volledig aan Yahweh is toegewijd en niet teruggenomen kan worden (zie vers 28).

Het veld dat niet gelost is, wordt in het jubeljaar eigendom van de priester.

22Wijdt iemand aan Yahweh een veld dat hij gekocht heeft en dat niet bij het veld van zijn bezit hoort,
וְאִם֙
(veim)
en als
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂדֵ֣ה
(sede)
veld van
מִקְנָת֔וֹ
(miqnato)
zijn koop
אֲשֶׁ֕ר
(asher)
dat
לֹ֖א
(lo)
niet
מִשְּׂדֵ֣ה
(misede)
van het veld van
אֲחֻזָּת֑וֹ
(achuzato)
zijn bezit
יַקְדִּ֖ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23dan moet de priester voor hem het bedrag van jouw schatting berekenen tot het jubeljaar. En hij moet jouw schatting op die dag geven als iets heiligs voor Yahweh.
וְחִשַּׁב
(vechishav)
en zal berekenen
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִכְסַ֣ת
(mikhsat)
bedrag van
הָֽעֶרְכְּךָ֔
(haerkekha)
de schatting
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְנָתַ֤ן
(venatan)
en hij zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֶרְכְּךָ֙
(haerkekha)
de schatting
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24In het jubeljaar keert het veld terug naar degene van wie hij het gekocht heeft, naar degene aan wie het landbezit toebehoort.
בִּשְׁנַ֤ת
(bishnat)
in het jaar van
הַיּוֹבֵל֙
(hayovel)
het jubeljaar
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
zal terugkeren
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
naar degene
קָנָ֖הוּ
(qanahu)
die kocht het
מֵאִתּ֑וֹ
(meito)
van hem
לַאֲשֶׁר
(laasher)
naar degene
ל֖וֹ
(lo)
voor wie
אֲחֻזַּ֥ת
(achuzat)
bezit van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Elke schatting van jou moet in de sikkel van het heiligdom zijn: twintig gera is de sikkel.
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֶרְכְּךָ֔
(erkekha)
jouw schatting
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בְּשֶׁ֣קֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
גֵּרָ֖ה
(gera)
gera
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
הַשָּֽׁקֶל
(hashaqel)
de sikkel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּרָה (gera): een sikkel is twintig gera (Exod. 30:13).

Een gera is ongeveer 0,57 gram.

De eerstgeborene en de ban

26Alleen een eerstgeborene die voor Yahweh eerstgeboren is onder het vee, die mag niemand wijden. Of het een rund is of een stuk kleinvee, het is van Yahweh.
אַךְ
(akh)
alleen
בְּכ֞וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
אֲשֶׁר
(asher)
die
יְבֻכַּ֤ר
(yevukar)
eerstgeboren is
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
בִּבְהֵמָ֔ה
(bivhema)
onder het vee
לֹֽא
(lo)
niet
יַקְדִּ֥ישׁ
(yaqdish)
zal wijden
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֹת֑וֹ
(oto)
het
אִם
(im)
of
שׁ֣וֹר
(shor)
rund
אִם
(im)
of
שֶׂ֔ה
(se)
kleinvee
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een eerstgeboren dier is al van Yahweh en kan dus niet nog eens gewijd worden (Exod. 13:2, 12).

Een onrein eerstgeboren dier wordt vrijgekocht (vers 27).

27Is het een onrein dier, dan moet hij het vrijkopen naar jouw schatting en er een vijfde bij doen. Wordt het niet gelost, dan wordt het verkocht naar jouw schatting.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
בַּבְּהֵמָ֤ה
(babehema)
onder het dier
הַטְּמֵאָה֙
(hatemea)
onreine
וּפָדָ֣ה
(ufada)
en hij zal vrijkopen
בְעֶרְכֶּ֔ךָ
(beerkekha)
naar jouw schatting
וְיָסַ֥ף
(veyasaf)
en hij zal toevoegen
חֲמִשִׁת֖וֹ
(chamishito)
zijn vijfde
עָלָ֑יו
(alav)
erop
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵ֖ל
(yigael)
het gelost wordt
וְנִמְכַּ֥ר
(venimkar)
en het wordt verkocht
בְּעֶרְכֶּֽךָ
(beerkekha)
naar jouw schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘lossen’.

In Exod. 13:13 vertalen wij padah als ‘lossen’; hier, waar beide woorden samen staan, onderscheiden wij ze.

28Maar niets wat iemand van alles wat hij heeft onder de ban brengt voor Yahweh, mens, dier of veld van zijn bezit, mag verkocht of gelost worden. Alles wat onder de ban is, is hoogheilig voor Yahweh.
אַךְ
(akh)
alleen
כָּל
(kal)
elke
חֵ֡רֶם
(cherem)
ban
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יַחֲרִם֩
(yacharim)
hij onder de ban brengt
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
לַֽיהוָ֜ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מִכָּל
(mikal)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֗וֹ
(lo)
van hem is
מֵאָדָ֤ם
(meadam)
van mens
וּבְהֵמָה֙
(uvehema)
en dier
וּמִשְּׂדֵ֣ה
(umisede)
en van het veld van
אֲחֻזָּת֔וֹ
(achuzato)
zijn bezit
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּכֵ֖ר
(yimakher)
wordt verkocht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִגָּאֵ֑ל
(yigael)
wordt gelost
כָּל
(kal)
elke
חֵ֕רֶם
(cherem)
ban
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
קָֽדָשִׁ֥ים
(qadashim)
van de heilige dingen
ה֖וּא
(hu)
het is
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wat onder de ban is, is voorgoed van Yahweh en kan niet worden verkocht of gelost.

Dit verschilt van de gelofte in vers 2–8, die wel kan worden afgekocht.

29Niemand van de mensen die onder de ban gebracht is, kan vrijgekocht worden. Hij moet zeker gedood worden.
כָּל
(kal)
elke
חֵ֗רֶם
(cherem)
ban
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
יָחֳרַ֛ם
(yachoram)
onder de ban gebracht wordt
מִן
(min)
van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפָּדֶ֑ה
(yipade)
wordt vrijgekocht
מ֖וֹת
(mot)
doden
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt niet welke mensen onder de ban vallen: waarschijnlijk wie tot de dood veroordeeld is (zie Exod. 22:19 voor de ban over wie aan andere goden offert).

Daarom kan niemand van hen worden vrijgekocht.

Het tiende deel

30Elk tiende deel van het land, van het zaad van het land en van de vrucht van de bomen, is van Yahweh. Het is heilig voor Yahweh.
וְכָל
(vekhal)
en elk
מַעְשַׂ֨ר
(masar)
tiende deel van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
מִזֶּ֤רַע
(mizera)
van het zaad van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
הָעֵ֔ץ
(haets)
de boom
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
ה֑וּא
(hu)
het is
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende deel’.

Zie ook Num. 18:21–32 en Deut. 14:22–29.

31Wil iemand toch iets van zijn tiende lossen, dan moet hij er een vijfde bij doen.
וְאִם
(veim)
en als
גָּאֹ֥ל
(gaol)
lossen
יִגְאַ֛ל
(yigal)
hij zal lossen
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִמַּֽעַשְׂר֑וֹ
(mimaasro)
van zijn tiende
חֲמִשִׁית֖וֹ
(chamishito)
zijn vijfde
יֹסֵ֥ף
(yosef)
hij zal toevoegen
עָלָֽיו
(alav)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Elk tiende deel van het rundvee en het kleinvee, alles wat onder de staf doorgaat, het tiende, zal heilig zijn voor Yahweh.
וְכָל
(vekhal)
en elk
מַעְשַׂ֤ר
(masar)
tiende deel van
בָּקָר֙
(baqar)
rundvee
וָצֹ֔אן
(vatson)
en kleinvee
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יַעֲבֹ֖ר
(yaavor)
doorgaat
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑בֶט
(hashavet)
de staf
הָֽעֲשִׂירִ֕י
(haasiri)
het tiende
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹּ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁבֶט (shevet), ‘staf’: de herder laat de dieren één voor één onder zijn staf doorgaan en telt ze; elk tiende dier is voor Yahweh.

33Hij mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en hij mag het niet ruilen. Ruilt hij toch, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig. Het mag niet gelost worden.”
לֹ֧א
(lo)
niet
יְבַקֵּ֛ר
(yevaqer)
hij zal onderzoeken
בֵּֽין
(bein)
tussen
ט֥וֹב
(tov)
goed
לָרַ֖ע
(lara)
en slecht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְמִירֶ֑נּוּ
(yemirenu)
hij zal het ruilen
וְאִם
(veim)
en als
הָמֵ֣ר
(hamer)
ruilen
יְמִירֶ֔נּוּ
(yemirenu)
hij zal het ruilen
וְהָֽיָה
(vehaya)
dan zal zijn
ה֧וּא
(hu)
het
וּתְמוּרָת֛וֹ
(utemurato)
en wat ervoor geruild is
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵֽל
(yigael)
zal gelost worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het tiende dier wordt niet uitgekozen op kwaliteit: de herder mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en het niet ruilen.

Zie ook vers 10.

Zie ookLev 27:10

Slot van het boek

34Dit zijn de geboden die Yahweh Mozes voor de zonen van Israël geboden heeft op de berg Sinaï.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
הַמִּצְוֺ֗ת
(hamitsvot)
de geboden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
aan
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּהַ֖ר
(behar)
op de berg
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

Het boek eindigt zoals het is begonnen: met de geboden aan Mozes bij de Sinaï.

In Lev. 1:1 spreekt Yahweh tot Mozes vanuit de tent van samenkomst; in Lev. 25:1 en 26:46 en hier is de berg Sinaï genoemd.

Aansluiting op Numeri: Num. 1:1 begint met ‘Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinaï, in de tent van samenkomst, op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte’. De tabernakel is opgericht op de eerste dag van de eerste maand (Exod. 40:17). Tussen die dag en Num. 1:1 ligt ongeveer een maand. Israël is dan nog steeds bij de Sinaï, en Numeri gaat verder met de telling van het volk.