Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De schatting van personen
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tot hen: Als iemand een bijzondere gelofte aflegt, dan geldt voor personen die voor Yahweh zijn, jouw schatting.
דַּבֵּ֞ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אִ֕ישׁ
(ish)
een man
כִּ֥י
(ki)
wanneer
יַפְלִ֖א
(yafli)
uitzonderlijk doet
נֶ֑דֶר
(neder)
gelofte
בְּעֶרְכְּךָ֥
(beerkekha)
volgens jouw schatting
נְפָשֹׁ֖ת
(nefashot)
personen
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Gaat het om iemand van een maand tot 5 jaar. Dan is jouw schatting voor een mannelijk persoon 5 sikkels zilver. En voor een vrouwelijk persoon is jouw schatting 3 sikkels zilver.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
מִבֶּן
(miben)
van zoon van
חֹ֗דֶשׁ
(chodesh)
maand
וְעַד֙
(vead)
en tot
בֶּן
(ben)
zoon van
חָמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֙
(erkekha)
jouw schatting
הַזָּכָ֔ר
(hazakhar)
de man
חֲמִשָּׁ֥ה
(chamisha)
vijf
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וְלַנְּקֵבָ֣ה
(velaneqeva)
en voor de vrouw
עֶרְכְּךָ֔
(erkekha)
jouw schatting
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
כָּֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Is hij armer dan jouw schatting, dan moet hij hem voor de priester laten staan. De priester moet hem schatten; naar wat de hand van degene die de gelofte aflegt kan bereiken, moet de priester hem schatten.
וְאִם
(veim)
en als
מָ֥ךְ
(makh)
arm
הוּא֙
(hu)
hij
מֵֽעֶרְכֶּ֔ךָ
(meerkekha)
dan jouw schatting
וְהֶֽעֱמִידוֹ֙
(veheemido)
en hij zal laten staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהֶעֱרִ֥יךְ
(veheerikh)
en zal schatten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
naar
פִּ֗י
(pi)
de mond van
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
תַּשִּׂיג֙
(tasig)
bereikt
יַ֣ד
(yad)
hand van
הַנֹּדֵ֔ר
(hanoder)
die de gelofte doet
יַעֲרִיכֶ֖נּוּ
(yaarikhenu)
zal hem schatten
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie armer is dan het vastgestelde bedrag, laat de priester het bedrag bepalen naar wat hij kan betalen.
Wie ‘hij’ en ‘hem’ zijn, zegt het Hebreeuws niet duidelijk.
Wij lezen: ‘hij’ is degene die de gelofte aflegt en ‘hem’ de persoon die gewijd is.
10Hij mag het niet vervangen of ruilen, goed voor slecht of slecht voor goed. Ruilt hij toch het ene dier voor het andere, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig.
לֹ֣א
(lo)
niet
יַחֲלִיפֶ֗נּוּ
(yachalifenu)
hij zal het vervangen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָמִ֥יר
(yamir)
hij zal ruilen
אֹת֛וֹ
(oto)
het
ט֥וֹב
(tov)
goed
בְּרָ֖ע
(bera)
voor slecht
אוֹ
(o)
of
רַ֣ע
(ra)
slecht
בְּט֑וֹב
(betov)
voor goed
וְאִם
(veim)
en als
הָמֵ֨ר
(hamer)
ruilen
יָמִ֤יר
(yamir)
hij zal ruilen
בְּהֵמָה֙
(behema)
dier
בִּבְהֵמָ֔ה
(bivhema)
voor dier
וְהָֽיָה
(vehaya)
dan zal zijn
ה֥וּא
(hu)
het
וּתְמוּרָת֖וֹ
(utemurato)
en wat ervoor geruild is
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹּֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Wijdt iemand zijn huis als iets heiligs aan Yahweh, dan moet de priester het schatten, of het goed is of slecht. Zoals de priester het schat, zo blijft het staan.
וְאִ֗ישׁ
(veish)
en een man
כִּֽי
(ki)
wanneer
יַקְדִּ֨שׁ
(yaqdish)
hij wijdt
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית֥וֹ
(beito)
zijn huis
קֹ֨דֶשׁ֙
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהֶעֱרִיכוֹ֙
(veheerikho)
en zal schatten
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
ט֖וֹב
(tov)
goed
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
רָ֑ע
(ra)
slecht
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יַעֲרִ֥יךְ
(yaarikh)
hij schat
אֹת֛וֹ
(oto)
het
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יָקֽוּם
(yaqum)
zal blijven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Wijdt iemand aan Yahweh een deel van het veld van zijn bezit. Dan moet jouw schatting zijn naar het zaaigoed: een chomer gerst als zaaigoed voor 50 sikkels zilver.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
מִשְּׂדֵ֣ה
(misede)
van het veld van
אֲחֻזָּת֗וֹ
(achuzato)
zijn bezit
יַקְדִּ֥ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
אִישׁ֙
(ish)
een man
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עֶרְכְּךָ֖
(erkekha)
jouw schatting
לְפִ֣י
(lefi)
naar
זַרְע֑וֹ
(zaro)
zijn zaaigoed
זֶ֚רַע
(zera)
zaaigoed van
חֹ֣מֶר
(chomer)
chomer
שְׂעֹרִ֔ים
(seorim)
gerst
בַּחֲמִשִּׁ֖ים
(bachamishim)
voor vijftig
שֶׁ֥קֶל
(sheqel)
sikkel
כָּֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat: ongeveer 220 liter (10 efa; een efa is ongeveer 22 liter).
Het veld wordt geschat naar de hoeveelheid gerst die erop gezaaid kan worden. 50 sikkels is ongeveer 570 gram zilver.
18Wijdt hij zijn veld na het jubeljaar. Dan moet de priester voor hem het geld berekenen naar de jaren die nog overblijven tot het jubeljaar. En het wordt van jouw schatting afgetrokken.
וְאִם
(veim)
en als
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַיֹּבֵל֮
(hayovel)
het jubeljaar
יַקְדִּ֣ישׁ
(yaqdish)
hij wijdt
שָׂדֵהוּ֒
(sadehu)
zijn veld
וְחִשַּׁב
(vechishav)
en zal berekenen
ל֨וֹ
(lo)
voor hem
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het geld
עַל
(al)
naar
פִּ֤י
(pi)
de mond van
הַשָּׁנִים֙
(hashanim)
de jaren
הַנּ֣וֹתָרֹ֔ת
(hanotarot)
die overblijven
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְנִגְרַ֖ע
(venigra)
en het zal worden afgetrokken
מֵֽעֶרְכֶּֽךָ
(meerkekha)
van jouw schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23dan moet de priester voor hem het bedrag van jouw schatting berekenen tot het jubeljaar. En hij moet jouw schatting op die dag geven als iets heiligs voor Yahweh.
וְחִשַּׁב
(vechishav)
en zal berekenen
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִכְסַ֣ת
(mikhsat)
bedrag van
הָֽעֶרְכְּךָ֔
(haerkekha)
de schatting
עַ֖ד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַיֹּבֵ֑ל
(hayovel)
het jubeljaar
וְנָתַ֤ן
(venatan)
en hij zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֶרְכְּךָ֙
(haerkekha)
de schatting
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Alleen een eerstgeborene die voor Yahweh eerstgeboren is onder het vee, die mag niemand wijden. Of het een rund is of een stuk kleinvee, het is van Yahweh.
אַךְ
(akh)
alleen
בְּכ֞וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
אֲשֶׁר
(asher)
die
יְבֻכַּ֤ר
(yevukar)
eerstgeboren is
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
בִּבְהֵמָ֔ה
(bivhema)
onder het vee
לֹֽא
(lo)
niet
יַקְדִּ֥ישׁ
(yaqdish)
zal wijden
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֹת֑וֹ
(oto)
het
אִם
(im)
of
שׁ֣וֹר
(shor)
rund
אִם
(im)
of
שֶׂ֔ה
(se)
kleinvee
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een eerstgeboren dier is al van Yahweh en kan dus niet nog eens gewijd worden (Exod. 13:2, 12).
Een onrein eerstgeboren dier wordt vrijgekocht (vers 27).
27Is het een onrein dier, dan moet hij het vrijkopen naar jouw schatting en er een vijfde bij doen. Wordt het niet gelost, dan wordt het verkocht naar jouw schatting.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
בַּבְּהֵמָ֤ה
(babehema)
onder het dier
הַטְּמֵאָה֙
(hatemea)
onreine
וּפָדָ֣ה
(ufada)
en hij zal vrijkopen
בְעֶרְכֶּ֔ךָ
(beerkekha)
naar jouw schatting
וְיָסַ֥ף
(veyasaf)
en hij zal toevoegen
חֲמִשִׁת֖וֹ
(chamishito)
zijn vijfde
עָלָ֑יו
(alav)
erop
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵ֖ל
(yigael)
het gelost wordt
וְנִמְכַּ֥ר
(venimkar)
en het wordt verkocht
בְּעֶרְכֶּֽךָ
(beerkekha)
naar jouw schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’, en גָּאַל (ga’al), ‘lossen’.
In Exod. 13:13 vertalen wij padah als ‘lossen’; hier, waar beide woorden samen staan, onderscheiden wij ze.
28Maar niets wat iemand van alles wat hij heeft onder de ban brengt voor Yahweh, mens, dier of veld van zijn bezit, mag verkocht of gelost worden. Alles wat onder de ban is, is hoogheilig voor Yahweh.
אַךְ
(akh)
alleen
כָּל
(kal)
elke
חֵ֡רֶם
(cherem)
ban
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יַחֲרִם֩
(yacharim)
hij onder de ban brengt
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
לַֽיהוָ֜ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מִכָּל
(mikal)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֗וֹ
(lo)
van hem is
מֵאָדָ֤ם
(meadam)
van mens
וּבְהֵמָה֙
(uvehema)
en dier
וּמִשְּׂדֵ֣ה
(umisede)
en van het veld van
אֲחֻזָּת֔וֹ
(achuzato)
zijn bezit
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּכֵ֖ר
(yimakher)
wordt verkocht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִגָּאֵ֑ל
(yigael)
wordt gelost
כָּל
(kal)
elke
חֵ֕רֶם
(cherem)
ban
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
קָֽדָשִׁ֥ים
(qadashim)
van de heilige dingen
ה֖וּא
(hu)
het is
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wat onder de ban is, is voorgoed van Yahweh en kan niet worden verkocht of gelost.
Dit verschilt van de gelofte in vers 2–8, die wel kan worden afgekocht.
29Niemand van de mensen die onder de ban gebracht is, kan vrijgekocht worden. Hij moet zeker gedood worden.
כָּל
(kal)
elke
חֵ֗רֶם
(cherem)
ban
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
יָחֳרַ֛ם
(yachoram)
onder de ban gebracht wordt
מִן
(min)
van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפָּדֶ֑ה
(yipade)
wordt vrijgekocht
מ֖וֹת
(mot)
doden
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt niet welke mensen onder de ban vallen: waarschijnlijk wie tot de dood veroordeeld is (zie Exod. 22:19 voor de ban over wie aan andere goden offert).
33Hij mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en hij mag het niet ruilen. Ruilt hij toch, dan zijn het dier en wat ervoor geruild is allebei heilig. Het mag niet gelost worden.”
לֹ֧א
(lo)
niet
יְבַקֵּ֛ר
(yevaqer)
hij zal onderzoeken
בֵּֽין
(bein)
tussen
ט֥וֹב
(tov)
goed
לָרַ֖ע
(lara)
en slecht
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְמִירֶ֑נּוּ
(yemirenu)
hij zal het ruilen
וְאִם
(veim)
en als
הָמֵ֣ר
(hamer)
ruilen
יְמִירֶ֔נּוּ
(yemirenu)
hij zal het ruilen
וְהָֽיָה
(vehaya)
dan zal zijn
ה֧וּא
(hu)
het
וּתְמוּרָת֛וֹ
(utemurato)
en wat ervoor geruild is
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגָּאֵֽל
(yigael)
zal gelost worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het tiende dier wordt niet uitgekozen op kwaliteit: de herder mag niet onderzoeken of het goed is of slecht, en het niet ruilen.
34Dit zijn de geboden die Yahweh Mozes voor de zonen van Israël geboden heeft op de berg Sinaï.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
הַמִּצְוֺ֗ת
(hamitsvot)
de geboden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
aan
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּהַ֖ר
(behar)
op de berg
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Uitleg
Het boek eindigt zoals het is begonnen: met de geboden aan Mozes bij de Sinaï.
In Lev. 1:1 spreekt Yahweh tot Mozes vanuit de tent van samenkomst; in Lev. 25:1 en 26:46 en hier is de berg Sinaï genoemd.
Aansluiting op Numeri: Num. 1:1 begint met ‘Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van de Sinaï, in de tent van samenkomst, op de eerste dag van de tweede maand van het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte’. De tabernakel is opgericht op de eerste dag van de eerste maand (Exod. 40:17). Tussen die dag en Num. 1:1 ligt ongeveer een maand. Israël is dan nog steeds bij de Sinaï, en Numeri gaat verder met de telling van het volk.